Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AH9482

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-07-2003
Datum publicatie
09-07-2003
Zaaknummer
200300405/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 juli 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (hierna: het college) het verzoek van appellant om handhavend op te treden tegen Partycentrum Tropical op het perceel Dekkershoek 46-48 te Den Haag afgewezen.

Bij besluit van 8 januari 2002 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 december 2002, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank te 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200300405/1.

Datum uitspraak: 9 juli 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant] handelend onder de naam Partycentrum [naam], wonend te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te 's-Gravenhage van 23 december 2002 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 juli 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (hierna: het college) het verzoek van appellant om handhavend op te treden tegen Partycentrum Tropical op het perceel Dekkershoek 46-48 te Den Haag afgewezen.

Bij besluit van 8 januari 2002 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 december 2002, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank te 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 16 januari 2003, bij de Raad van State ingekomen op 17 januari 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 3 maart 2003 heeft het college van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 mei 2003, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. P.J.L.J. Duijsens, advocaat te Den Haag, en het college, vertegenwoordigd door mr. J.H. Potter, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Vast staat en niet in geschil is dat het gebruik van het pand aan Dekkershoek 46-48 te Den Haag als partycentrum in strijd is met de ingevolge het bestemmingsplan “Houtwijk” ter plaatse rustende bestemming “bedrijfsdoeleinden”, zodat het college bevoegd was daartegen handhavend op te treden.

2.2. Door een belanghebbende derde is uitdrukkelijk verzocht om tegen de illegale situatie op te treden. Alleen in bijzondere gevallen kan van handhavend optreden worden afgezien. De aanwezigheid van een bijzonder geval kan onder meer worden aangenomen indien concreet zicht bestaat op legalisering.

2.3. Appellant betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat ten tijde van het nemen van de beslissing op bezwaar sprake was van concreet zicht op legalisering. Daartoe heeft hij aangevoerd dat de Afdeling bij uitspraak van 12 december 2001, inzake nr. 200100474/1, het besluit van gedeputeerde staten van Zuid-Holland heeft vernietigd, voorzover daarbij goedkeuring is verleend aan de voorschriften van het bestemmingsplan “Houtwijk, tweede herziening (integrale herziening)” die zien op dit partycentrum (artikel 6).

2.3.1. Dit betoog faalt. De rechtbank heeft met recht geoordeeld dat de genoemde uitspraak van de Afdeling van 12 december 2001 niet betekent dat het partycentrum van de huidige omvang van ongeveer 500 m2 niet kan worden gelegaliseerd. Immers, de Afdeling heeft overwogen dat de behoefte aan een partycentrum in het gebied Dekkershoek voldoende aannemelijk was gemaakt, doch dat de noodzaak van de door het bestemmingsplan mogelijk gemaakte uitbreiding tot 3.000 m2 en de parkeerbehoefte in relatie tot de omvang van het partycentrum niet waren onderzocht.

Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat het college ten tijde van het nemen van de beslissing op bezwaar zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat er van een concreet zicht op legalisering sprake was en het derhalve niet gehouden zou zijn ter zake handhavend op te treden. Hetgeen appellant heeft aangevoerd met betrekking tot de brandveiligheid en de parkeeroverlast zal bij de beoordeling van de ter legalisering ingediende aanvraag om bouwvergunning moeten worden beoordeeld. Hierin behoefde voor het college evenwel bij het in geding zijnde besluit geen grond te zijn gelegen om tot handhaving over te gaan.

2.4. Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat het college het besluit tot weigering handhavend op te treden ten aanzien van het partycentrum in redelijkheid heeft kunnen handhaven.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. E. Korthals Altes, Voorzitter, en mr. M.G.J. Parkins-de Vin en mr. J.E.M. Polak, Leden, in tegenwoordigheid van mr. C.E.C.M. van Roosmalen, ambtenaar van Staat.

w.g. Korthals Altes w.g. van Roosmalen

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2003

53-422.