Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AH9473

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-07-2003
Datum publicatie
09-07-2003
Zaaknummer
200206630/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 juni 2000 heeft het college van burgemeester en wethouders van West Maas en Waal (hierna: het college) appellante onder oplegging van een dwangsom gelast om alle nieuwe bouwwerkzaamheden en alle nieuwe ingebruikgevingsactiviteiten in het pand [locatie] te [plaats] met onmiddellijke ingang te staken en gestaakt te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200206630/1.

Datum uitspraak: 9 juli 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te Arnhem van 28 oktober 2002 in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van West Maas en Waal.

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 juni 2000 heeft het college van burgemeester en wethouders van West Maas en Waal (hierna: het college) appellante onder oplegging van een dwangsom gelast om alle nieuwe bouwwerkzaamheden en alle nieuwe ingebruikgevingsactiviteiten in het pand [locatie] te [plaats] met onmiddellijke ingang te staken en gestaakt te houden.

Daartegen hebben appellante en [partij] te [woonplaats] ieder afzonderlijk bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 1 mei 2001 heeft het college het bezwaar van appellante

niet-ontvankelijk verklaard.

Bij besluit van 11 mei 2001 heeft het college het bezwaar van [partij] gedeeltelijk gegrond verklaard en het besluit van 13 juni 2000 gehandhaafd.

Bij uitspraak van 28 oktober 2002, verzonden op 6 november 2002, heeft de rechtbank te Arnhem (hierna: de rechtbank) het door appellante tegen het besluit van 11 mei 2001 ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 11 december 2002, bij de Raad van State ingekomen op 13 december 2002, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 9 januari 2003. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 7 maart 2003 heeft het college een memorie van antwoord ingediend.

Met toepassing van artikel 8:26, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is [partij] in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen. Hij heeft te kennen gegeven van deze gelegenheid gebruik te willen maken.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 juni 2003, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. P.A.W. Eskens, advocaat te Arnhem en [directeur], het college, vertegenwoordigd door mr. L.C.G. Hoenselaar, ambtenaar der gemeente, en [partij], zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Appellante heeft gesteld dat de rechtbank haar beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard en dat haar bezwaren tegen het besluit van het college van 13 juni 2000 alsnog inhoudelijk zouden dienen te worden beoordeeld.

2.2. Appellante en [partij] hebben ieder afzonderlijk bezwaar gemaakt tegen het besluit van het college van 13 juni 2000. Het college heeft het bezwaar van appellante bij besluit van 1 mei 2001 niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding en het bezwaar van [partij] bij besluit van 11 mei 2001 gedeeltelijk gegrond verklaard en het besluit van 13 juni 2000 gehandhaafd.

Appellante heeft tegen de beslissing op het bezwaar van 1 mei 2001 geen rechtsmiddelen aangewend, zodat die beslissing in rechte onaantastbaar is geworden.

Indien appellante tegen de beslissing op bezwaar van 1 mei 2001 wel een (ontvankelijk) beroep zou hebben ingesteld, had daarin de vraag moeten worden beantwoord of het college al dan niet terecht is overgegaan tot niet-ontvankelijkverklaring van de bezwaren van appellante.

Hieruit volgt dat appellante door het instellen van beroep tegen de beslissing op het bezwaarschrift van 11 mei 2001, waarbij op de bezwaren van [partij] is beslist, niet kan bereiken dat alsnog inhoudelijk op haar bezwaren tegen het primaire besluit wordt ingegaan.

Dit zou slechts anders zijn in het geval appellante tengevolge van het besluit van 11 mei 2001 in een ongunstiger positie zou zijn geraakt.

Die situatie doet zich echter niet voor, omdat bij het besluit

van 11 mei 2001, onder aanvulling van de motivering, het besluit van

13 juni 2000 is gehandhaafd.

2.3. Uit het vorenstaande volgt dat de rechtbank tot het juiste oordeel is gekomen dat het beroep van appellante tegen het besluit van het college van 11 mei 2001 niet-ontvankelijk is.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G.A.A.M. Boot, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Ettekoven w.g. Boot

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2003

202.