Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AH9466

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-07-2003
Datum publicatie
09-07-2003
Zaaknummer
200206543/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 januari 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van De Ronde Venen (hierna: het college) appellant onder oplegging van een dwangsom gelast om de aanbouw en serre met een gezamenlijke oppervlakte van 29 m2 aan de achterzijde van de woning, gelegen op het perceel [locatie], af te breken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200206543/1.

Datum uitspraak: 9 juli 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank te Utrecht van 24 oktober 2002 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van De Ronde Venen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 januari 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van De Ronde Venen (hierna: het college) appellant onder oplegging van een dwangsom gelast om de aanbouw en serre met een gezamenlijke oppervlakte van 29 m2 aan de achterzijde van de woning, gelegen op het perceel [locatie], af te breken.

Bij besluit van 19 augustus 2002 heeft het college conform het advies van de commissie voor de bezwaar- en beroepschriften gemeente De Ronde Venen (Algemene Kamer) van 31 mei 2001, het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 24 oktober 2002, verzonden op 31 oktober 2002, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank te Utrecht (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 9 december 2002, bij de Raad van State ingekomen op 10 december 2002, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 8 januari 2003. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 20 februari 2003 heeft het college een memorie van antwoord ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 mei 2003, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. S.M. van Velzen, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door R. Oosterhuis, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Appellant betoogt in hoger beroep allereerst dat de voorzieningenrechter ten onrechte onmiddellijk uitspraak heeft gedaan in de hoofdzaak. Dit betoog faalt. De voorzieningenrechter komt bij toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) aanzienlijke vrijheid toe. Gelet op de hem ter beschikking staande gegevens en het resultaat van het ter zitting bij de voorzieningenrechter gehouden onderzoek, heeft de voorzieningenrechter niet ten onrechte besloten tot afdoening van de hoofdzaak.

2.2. Vaststaat dat de serre en de aanbouw aan de achterzijde van de woning in strijd met artikel 40 van de Woningwet zonder bouwvergunning zijn opgericht, zodat het college bevoegd was om hiertegen handhavend op te treden.

2.3. Slechts in bijzondere gevallen kan van een bestuursorgaan worden verlangd dat het afziet van handhavend optreden tegen een illegale situatie. De aanwezigheid van een bijzonder geval kan onder meer worden aangenomen indien concreet zicht bestaat op legalisering.

2.4. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Plaswijk, eerste herziening” rust op het perceel de bestemming “Zomerhuisjes”.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de planvoorschriften, mogen op de gronden, in het uitbreidingsplan bestemd voor de bouw van zomerhuisjes slechts worden opgericht zomerhuisjes, als bedoeld in de “Verordening Zomerhuisjes”, zoals deze inmiddels is of zal worden gewijzigd of zoals deze eventueel later zal luiden.

2.5. Appellant betoogt dat de voorzieningenrechter ten onrechte slechts de laatste zinsnede van artikel 2, eerste lid, van de planvoorschriften buiten toepassing heeft gelaten. Dit betoog faalt. Anders dan appellant kennelijk meent staat geen rechtsregel in de weg aan het door de rechter gedeeltelijk buiten toepassing laten van een bestemmingsplanvoorschrift indien daartoe aanleiding bestaat. Voor het oordeel dat ook het eerste gedeelte van artikel 2, eerste lid, van de planvoorschriften onverbindend is, ziet de Afdeling geen grond, nu de “Verordening Zomerhuisjes”, waarnaar in het planvoorschrift wordt verwezen onmiskenbaar betrekking heeft op de ten tijde van het van kracht worden van het plan in 1961 geldende “Verordening Zomerhuisjes 1960” (hierna: de verordening).

2.6. Vaststaat dat deze verordening niet langer van kracht is. De voorzieningenrechter heeft echter terecht geoordeeld dat voor de beoordeling van de vraag of de serre en aanbouw in overeenstemming zijn met het bestemmingsplan, de bepalingen van de verordening waarnaar in het bestemmingsplan wordt verwezen, nog steeds van betekenis zijn. Volgens de verordening bedraagt de maximaal toegestane oppervlakte van zomerhuisjes 50 m2. Uit hoofde van een concrete toezegging van het college neergelegd in een aan alle huiseigenaren in Plaswijk gerichte brief van 10 mei 1979, wordt niet opgetreden tegen zomerhuisjes tot een oppervlakte van 60 m2 en bijgebouwen tot een oppervlakte van 6 m2. Niet in geschil is dat door de serre en de aanbouw deze maximale oppervlakte ruimschoots wordt overschreden. De voorzieningenrechter heeft dan ook terecht geoordeeld dat de serre en de aanbouw in strijd zijn met het bestemmingsplan en dat van concreet zicht op legalisering geen sprake is. De stelling van appellant dat, gelet op een wijziging in het rijksbeleid ten aanzien van recreatiewoningen, het college gehouden zal zijn in het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan de bebouwingsmogelijkheden in het gebied Plaswijk uit te breiden kan, nog daargelaten of die stelling juist is, niet leiden tot een ander oordeel. De voorzieningenrechter is tot dezelfde slotsom gekomen.

2.7. Ook anderszins is geen sprake van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college van handhavend optreden had behoren af te zien. Het college hanteert sinds februari 2000 met betrekking tot het gebied Plaswijk een verscherpt handhavingsbeleid op grond waarvan tegen illegale bouwwerken die zijn opgericht na 1 mei 1995, handhavend wordt opgetreden. Met betrekking tot de keuze voor de peildatum heeft het college uiteengezet dat daarbij is aangesloten bij de dag, waarop een luchtfoto van het gebied is genomen. Bovendien is het college van oordeel dat binnen een termijn van vijf jaar nog tegen bestaande illegale bebouwing kan worden opgetreden. De Afdeling acht de aldus gekozen peildatum niet onredelijk. Dat appellant de serre, naar hij stelt, al vóór 1 mei 1995 heeft besteld, leidt niet tot het oordeel dat hij om die reden niet onder dit beleid zou vallen en dat het college derhalve van handhavend optreden had behoren af te zien.

2.8. Het beroep van appellant op het vertrouwensbeginsel kan niet slagen. Appellant is bij brief van 16 juli 1998 op de hoogte gesteld van de beleidswijziging. Na aanvang van de bouwwerkzaamheden in mei 1998 is appellant een bouwstop opgelegd. Aan het feit dat het college niet onmiddellijk tot handhaving is overgegaan, toen appellant - ondanks de bouwstop - de bouw van de serre en aanbouw toch heeft voltooid, heeft appellant niet het gerechtvaardigd vertrouwen kunnen ontlenen dat niet meer handhavend zou worden opgetreden.

2.9. Appellant betoogt voorts tevergeefs dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat na het onderhavige besluit is afgezien van handhavend optreden tegen de permanente bewoning van recreatiewoningen terwijl het tegengaan van genoemde bewoning ten grondslag ligt aan het optreden tegen te grote bouwwerken. De voorzieningenrechter heeft terecht geoordeeld dat tussen beide bevoegdheden tot handhavend optreden geen noodzakelijke samenhang bestaat en van die samenhang in het door het college gevoerde beleid, anders dan appellant betoogt, niet is gebleken.

2.10. Gelet op het vorenstaande is de voorzieningenrechter op goede gronden tot het oordeel gekomen dat niet kan worden staande gehouden dat het college bij de afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten om tegen de serre en de aanbouw handhavend op te treden.

2.11. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

2.12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. E. Korthals Altes, Voorzitter, en mr. M.G.J. Parkins-de Vin en mr. J.E.M. Polak, Leden, in tegenwoordigheid van mr. C.E.C.M. van Roosmalen, ambtenaar van Staat.

w.g. Korthals Altes w.g. van Roosmalen

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2003

53-422.