Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AH9464

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-07-2003
Datum publicatie
09-07-2003
Zaaknummer
200300014/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 november 2002 heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan appellante een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet gedeeltelijk verleend en gedeeltelijk geweigerd voor een nertsen- en vleeskuikenshouderij, gelegen op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Schouwen-Duiveland. Dit besluit is op 6 december 2002 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.11
Wet arbeid vreemdelingen
Wet arbeid vreemdelingen 3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2003/111 met annotatie van Kavsek
M en R 2003, 134K
Milieurecht Totaal 2003/4053
Milieurecht Totaal 2003/5530

Uitspraak

200300014/1.

Datum uitspraak: 9 juli 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [plaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Schouwen-Duiveland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 november 2002 heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan appellante een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet gedeeltelijk verleend en gedeeltelijk geweigerd voor een nertsen- en vleeskuikenshouderij, gelegen op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Schouwen-Duiveland. Dit besluit is op 6 december 2002 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 30 december 2002, bij de Raad van State ingekomen op 31 december 2002, beroep ingesteld.

Bij brief van 21 januari 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 juni 2003, waar appellante, vertegenwoordigd door [gemachtigde] en [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door M.O. de Waal, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Verweerder heeft de gevraagde revisievergunning voor het houden van 500 vleeskuikens geweigerd omdat niet voldaan wordt aan het alara-beginsel, nu de ammoniakemissiefactor voor het aangevraagde huisvestingssysteem groter is dan de maximale emissiewaarde zoals die genoemd wordt door de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer in diens brief van 26 maart 2002 inzake informatie en advies over de nieuwe ammoniakwetgeving, kenmerk BWL/2002027327.

2.2. Appellante stelt zich in beroep op het standpunt dat verweerder ten onrechte voor het houden van 500 vleeskuikens de vergunning heeft geweigerd. Aan dat standpunt legt appellante onder meer ten grondslag dat nu de inrichting niet is gelegen in een kwetsbaar gebied, dan wel in een zone van 250 meter rond een zodanig gebied, verweerder een verkeerd uitgangspunt hanteert en de vergunning niet had mogen weigeren.

2.3. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet ammoniak en veehouderijen (hierna: de Wav) betrekt het bevoegd gezag bij beslissingen inzake de vergunning voor de oprichting of verandering van een veehouderij de gevolgen van ammoniakemissie uit de tot de veehouderij behorende dierverblijven uitsluitend op de wijze die is aangegeven bij of krachtens de artikelen 4 tot en met 7.

Ingevolge artikel 3, derde lid, van de Wav, geldt het eerste lid niet voor voorschriften die worden gesteld met toepassing van de artikelen 8.11, 8.44, 8.45 of 8.46 van de Wet Milieubeheer (hierna: de Wm).

Ingevolge artikel 8.11, derde lid, van de Wm worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Ingevolge artikel 3, vierde lid, van de Wav geldt het eerste lid – onverminderd artikel 7 – evenmin bij het nemen van een besluit als bedoeld in artikel 7.35 van de Wm met betrekking tot een veehouderij, bij de voorbereiding waarvan krachtens hoofdstuk 7 van de Wm een milieu-effectrapport dient te worden gemaakt.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de Wav wordt een vergunning voor het veranderen van een veehouderij geweigerd, indien de aanvraag betrekking heeft op een uitbreiding van het aantal dieren van een of meer diercategorieën en een tot de veehouderij behorend dierenverblijf geheel of gedeeltelijk is gelegen in een kwetsbaar gebied, dan wel in een zone van 250 meter rond een zodanig gebied.

Ingevolge artikel 6, tweede lid, van de Wav wordt, indien geen van de tot de veehouderij behorende dierenverblijven geheel of gedeeltelijk is gelegen in een kwetsbaar gebied, dan wel in een zone van 250 meter rond een zodanig gebied, een vergunning voor het veranderen van een veehouderij geweigerd, indien de veehouderij onder de reikwijdte van Richtlijn 96/61 van de Raad van de Europese Unie van 24 september 1996 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (hierna: de IPPC-Richtlijn) valt, en de toename van de ammoniakemissie uit de dierenverblijven als gevolg van de uitbreiding een belangrijke toename van de verontreiniging veroorzaakt.

2.4. De Afdeling stelt vast dat geen van de tot de veehouderij behorende dierenverblijven is gelegen in een kwetsbaar gebied, dan wel in een zone van 250 meter rond een zodanig gebied en dat de inrichting niet valt onder de werkingssfeer van de IPPC-Richtlijn. Op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, van de Wav, kan de vergunning niet geweigerd worden. Voorts staat vast dat de in artikel 3, vierde lid, van de Wav bedoelde situatie zich niet voordoet.

Anders dan verweerder heeft gesteld, kan de vergunning niet geweigerd worden op grond van de vaststelling dat niet voldaan kan worden aan het alara-beginsel. Op grond van artikel 3, derde lid, van de Wav en artikel 8.11, derde lid, van de Wm kunnen aan de vergunning slechts voorschriften verbonden worden. Aldus heeft verweerder de vergunning voor het houden van 500 vleeskuikens ten onrechte geweigerd.

2.5. Het beroep is derhalve gegrond. De bestreden beslissing dient, voorzover het de weigering van de vergunning voor het houden van 500 vleeskuikens betreft, te worden vernietigd. De overige beroepsgronden behoeven geen behandeling.

2.6. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Schouwen-Duiveland van 25 november 2002 voorzover het de weigering van de vergunning voor het houden van 500 vleeskuikens betreft;

III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Schouwen-Duiveland in de door appellante in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 772,25, waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Schouwen-Duiveland te worden betaald aan appellante;

IV. gelast dat de gemeente Schouwen-Duiveland aan appellante het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 218,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H. Beekhuis, Lid van de enkelvoudige kamer,

in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Beekhuis w.g. Van Hardeveld

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2003

312-431.