Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AH9460

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-07-2003
Datum publicatie
09-07-2003
Zaaknummer
200206906/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 februari 2002 heeft de gemeenteraad van Heumen, op voorstel van burgemeester en wethouders van 5 februari 2002, vastgesteld het bestemmingsplan "Overasselt 1999".

Verweerder heeft bij zijn besluit van 5 november 2002, kenmerk RE2002.42745, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200206906/1.

Datum uitspraak: 9 juli 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 februari 2002 heeft de gemeenteraad van Heumen, op voorstel van burgemeester en wethouders van 5 februari 2002, vastgesteld het bestemmingsplan "Overasselt 1999".

Verweerder heeft bij zijn besluit van 5 november 2002, kenmerk RE2002.42745, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 30 december 2002, bij de Raad van State ingekomen op 30 december 2002, beroep ingesteld.

Bij brief van 11 maart 2003 heeft verweerder meegedeeld dat het beroepschrift geen aanleiding geeft tot het maken van opmerkingen.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 juni 2003, waar appellant in persoon en bijgestaan door [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door mr. E.T. de Jong, advocaat te Arnhem zijn verschenen. Voorts is daar de gemeenteraad, vertegenwoordigd door J.W.A. Nillissen, ambtenaar van de gemeente, gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.2. Het plan voorziet in een actuele juridisch-planologische regeling voor de gemeente Heumen.

Verweerder heeft bij het bestreden besluit het plan goedgekeurd.

2.3. Appellant kan zich niet verenigen met de goedkeuring van de in het plan opgenomen bevoegdheid van de gemeenteraad tot het wijzigen van de bestemmingen van het gebied aan de Schoonenburgseweg en Kasteelsestraat. Hij is van mening dat gebruikmaking van de wijzigingsbevoegdheid een verandering van omgevingscategorie III naar I als bedoeld in de brochure Veehouderij en Hinderwet 1985 (verder: de brochure) betekent. Uitbreiding van zijn bedrijf is in dat geval onmogelijk. Zonder uitbreidingsmogelijkheden is het bedrijf van appellant niet levensvatbaar.

2.4. Verweerder heeft geen reden gezien het bestreden plandeel in strijd te achten met een goede ruimtelijke ordening en heeft het plan in zoverre goedgekeurd. Verweerder stelt zich met de gemeenteraad op het standpunt dat het gebied, waarop de in het plan opgenomen wijzigingsbevoegdheid van toepassing is, al een categorie I omgeving als bedoeld in de brochure betreft. Het gebruik maken van de bevoegdheid kan in dit geval geen verandering van omgevingscategorie bewerkstelligen. Opname van de wijzigingsbevoegdheid in het plan kan derhalve geen beperking van de bedrijfsvoering van appellant inhouden, aldus verweerder.

2.5. Ingevolge artikel 23 van de planvoorschriften kan de gemeenteraad de toegekende bestemmingen aan de plandelen die op de plankaart als zodanig zijn aangegeven, waartoe ook het in het geding zijnde plandeel hoort, onder bepaalde omstandigheden veranderen in “Gemengde dorpsbebouwing”, “Maatschappelijke doeleinden, B-brandweer”, “Bedrijfsdoeleinden B” en “Verkeersdoeleinden”. Deze bestemmingen maken stankgevoelige bebouwing mogelijk.

Uit de stukken is de Afdeling gebleken dat het in geding zijnde gebied, nu het een aaneengesloten geheel vormt met naastgelegen woonbebouwing van de gemeente, ligt binnen de bebouwde kom van Heumen.

De Afdeling is van oordeel dat verweerder het gebied terecht als omgevingscategorie I als bedoeld in deze brochure heeft aangemerkt.

Gelet op deze omgevingscategorie is verweerder terecht uitgegaan van minimaal 100 meter als de tussen het agrarische bedrijf van appellant en stankgevoelige objecten in acht te nemen afstand. Zoals de Afdeling onder meer in haar uitspraak van 7 september 2000, inzake no. E01.99.0216 (aangehecht), heeft overwogen, dient bij de bepaling van deze afstand in beginsel te worden gemeten vanaf de grens van het bouwvlak van het bedrijf tot aan de dichtstbijzijnde woning.

De Afdeling stelt vast dat de kleinste afstand tussen de gronden van appellant en het bestreden plangebied ongeveer 25 meter bedraagt. Daarmee is de vestiging van stankgevoelige objecten binnen de stankcirkel van het bedrijf van appellant mogelijk. Daarnaast blijkt uit de stukken dat het plan ten opzichte van de bestaande situatie een halvering van de kleinste afstand tussen de gronden van appellant en de bebouwde kom mogelijk maakt en dat het plangebied waarop de in geding zijnde wijzigingsbevoegdheid betrekking heeft geheel binnen de stankcirkel valt. De stelling van verweerder dat het gebruik maken van de wijzigingsbevoegdheid niet zal leiden tot een verslechtering van de situatie van appellant acht de Afdeling dan ook niet juist.

Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de wijzigingsbevoegdheid van artikel 23 van de planvoorschriften wat betreft het gebied aan de Schoonenburgseweg en de Kasteelsestraat niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Hieruit volgt dat verweerder, door het plan in zoverre goed te keuren, heeft gehandeld in strijd met artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht.

Het beroep van appellant is gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd, voorzover verweerder goedkeuring heeft verleend aan de wijzigingsbevoegdheid van artikel 23 van de planvoorschriften wat betreft het gebied aan de Schoonenburgseweg en de Kasteelsestraat.

2.6. Nu uit het vorenstaande volgt dat verweerder bij het nemen van een nieuw besluit niet anders kan beslissen dan het onthouden van goedkeuring aan genoemde plandelen wegens strijd met een goede ruimtelijke ordening, ziet de Afdeling aanleiding met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht op deze wijze zelf in de zaak te voorzien.

2.7. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Gelderland van 5 november 2002, kenmerk RE2002.42745, voorzover hierbij goedkeuring is verleend aan artikel 23 van de planvoorschriften wat betreft het gebied aan de Schoonenburgseweg en de Kasteelsestraat;

III. onthoudt goedkeuring aan artikel 23 van de planvoorschriften wat betreft het gebied aan de Schoonenburgseweg en de Kasteelsestraat;

IV. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit, voorzover dit is vernietigd;

V. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Gelderland in de door appellant in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 778,15, van welk bedrag € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de provincie Gelderland te worden betaald aan appellant;

VI. gelast dat de provincie Gelderland aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 109,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. B. Klein Nulent, ambtenaar van Staat.

w.g. Hoekstra w.g. Klein Nulent

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2003

218-447.