Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AH9452

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-07-2003
Datum publicatie
09-07-2003
Zaaknummer
200206152/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 oktober 2002, kenmerk DSO 02118080 / Wm 5330, heeft verweerder krachtens artikel 5, eerste lid, van het Besluit detailhandel en ambachtsbedrijven milieubeheer (hierna: het Besluit) een nadere eis gesteld aan het in werking zijn van de inrichting van appellante aan de [locatie] te [plaats].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200206152/1.

Datum uitspraak: 9 juli 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 9 oktober 2002, kenmerk DSO 02118080 / Wm 5330, heeft verweerder krachtens artikel 5, eerste lid, van het Besluit detailhandel en ambachtsbedrijven milieubeheer (hierna: het Besluit) een nadere eis gesteld aan het in werking zijn van de inrichting van appellante aan de [locatie] te [plaats].

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 18 november 2002, bij de Raad van State ingekomen op diezelfde dag, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 19 december 2002.

Bij brief van 11 februari 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 mei 2003. Appellant is daar vertegenwoordigd door [gemachtigde]. Verweerder is vertegenwoordigd door W. Bulthuis en J.H.M. Kerp, ambtenaren van de gemeente.

2. Overwegingen

2.1. De in het besluit van 9 oktober 2002 opgenomen nadere eis luidt:

“Voor het invallende equivalente geluidniveau, veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten geldt dat het niveau in de uren tussen 07.00-19.00 niet meer mag bedragen dan 45 dB(A), tussen 19.00-23.00 uur niet meer mag bedragen dan 40 dB(A) en tussen 23.00-07.00 uur niet meer mag bedragen 35 dB(A), gemeten op de gevel van de dichtstbij gelegen woning”.

2.2. De nadere eis is gebaseerd op voorschrift 4.1.1, aanhef en onder a, van Bijlage 2 bij het Besluit, waarin is bepaald dat in gevallen waarin de in voorschrift 1.1.1, 1.1.3 en 1.1.5 van die bijlage opgenomen waarden voor equivalente geluidniveaus en piekniveaus naar het oordeel van het bevoegd gezag te hoog zijn, het bevoegd gezag bij nadere eis waarden kan opleggen die lager zijn dan de in voorschrift 1.1.1, 1.1.3 en 1.15 opgenomen waarden. Voor inrichtingen die voor de inwerkingtreding van het Besluit zijn opgericht, mag de etmaalwaarde niet lager zijn dan 40 dB(A).

2.3. Met het stellen van de nadere eis heeft verweerder beoogd om de grenswaarden aan te passen aan het referentieniveau van het omgevingsgeluid (42, 38 en 30 dB(A) gedurende respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode). Teneinde de noodzaak tot het treffen van vergaande geluidreducerende voorzieningen te voorkomen, is met name voor de nachtperiode een grenswaarde gesteld die hoger is dan het referentieniveau. Op grond van het besluit bedraagt de etmaalwaarde aldus 45 dB(A).

2.4. Appellant voert aan dat de besluitvorming onzorgvuldig is geweest, onder meer doordat verweerder in de voorprocedure steeds van wisselende geluidniveaus is uitgegaan en doordat verscheidende procedures zijn gestart over deze situatie, zonder dat al die procedures zijn voltooid.

2.4.1. De Afdeling ziet in de wijze van totstandkoming van dit besluit tot het stellen van nadere eisen geen procedurele onregelmatigheden die in de weg staan aan de rechtmatigheid van het besluit. Dat daarnaast nog andere procedures zouden zijn gestart omtrent deze situatie en die procedures niet zijn voltooid - wat daar overigens van zij - raakt niet de rechtmatigheid van dit besluit.

Verweerder is in het ontwerp-besluit aanvankelijk uitgegaan van de meetgegevens over het omgevingsgeluid. Op basis daarvan was een nadere eis gesteld op 30 dB(A) in de nachtperiode. Appellant heeft in zijn zienswijze gewezen op de hoge kosten om aan die eis te kunnen voldoen. Verweerder is appellant in het bestreden besluit op dit punt tegemoetgekomen door de nadere eis voor die periode te bepalen op een waarde die 5 dB(A) boven het omgevingsgeluid ligt. Het standpunt van appellant dat deze wijziging van de hoogte van de nadere eis onzorgvuldig is of in strijd met de rechtszekerheid is, kan de Afdeling niet delen.

2.5. Volgens appellant kunnen slechts ten behoeve van een zogeheten gebiedsgerichte aanpak bij nadere eis geluidgrenswaarden worden bepaald die afwijken van de waarden uit voorschrift 1.1.1 van de Bijlage bij het Besluit. Het stellen van lagere waarden klemt hier volgens hem temeer, nu op grond van de overgangsregeling van voorschrift 1.1.5 van die Bijlage in dit geval hogere geluidgrenswaarden golden dan de waarden uit voorschrift 1.1.1. Het stellen van nadere eisen voor deze inrichting acht appellant dan ook in strijd met het gelijkheidsbeginsel en daarom concurrentievervalsend. Daarbij komt dat de nadere eisen gelden voor de hele inrichting, terwijl de geluidklachten alleen de koelinstallatie betroffen en de beoordeling van de naleefbaarheid van die eis uitsluitend is bepaald aan de hand van het geluid van die installatie.

2.5.1. Voorschrift 4.1.1 van Bijlage 2 bij het Besluit biedt aan het bevoegd gezag de mogelijkheid om bij wijze van nadere eis lagere geluidgrenswaarden vast te stellen, indien de in het Besluit opgenomen waarden naar zijn oordeel te hoog zijn. In de toelichting op die bepaling is uitdrukkelijk vermeld dat er in individuele gevallen van die bevoegdheid gebruik kan worden gemaakt indien het heersende referentieniveau van het achtergrondgeluid daartoe aanleiding geeft. Uitgaande van de meetgegevens betreffende het achtergrondgeluid, is die aanleiding in dit geval aanwezig.

In voorschrift 4.1.1 van Bijlage 2 is bepaald dat bij wijze van nadere eis lagere waarden kunnen worden gesteld ten aanzien van de waarden die gelden ingevolge de overgangsregeling van voorschrift 1.1.5. Of die regeling hier van toepassing is, zoals appellant stelt, is daarom niet relevant voor het antwoord op de vraag of verweerder door middel van het stellen van nadere eisen aansluiting heeft kunnen zoeken bij het omgevingsgeluid.

Dat nadere eisen niet uitsluitend mogen worden gesteld in het kader van een gebiedsgerichte aanpak, zoals appellant heeft betoogd, maar ook in individuele gevallen, neemt niet weg dat verweerder gehouden is om gelijke gevallen gelijk te behandelen. Het standpunt van verweerder, inhoudende dat hij bij het stellen van nadere eisen prioriteit geeft aan situaties waarin sprake is van overlast, acht de Afdeling niet onredelijk. Niet is aannemelijk gemaakt dat verweerder in vergelijkbare situaties heeft afgezien van het stellen van nadere eisen.

De ingevolge voorschrift 4.1.1 van Bijlage 2 te stellen nadere eisen gelden voor een inrichting als geheel en niet voor afzonderlijke geluidbronnen. Dat de aanleiding tot het stellen van de nadere eisen in dit geval uitsluitend is gelegen in de overschrijding van het omgevingsgeluid door de koelinstallatie, vormt geen aanleiding om af te zien van het stellen van de nadere eisen. Nu voor de naleefbaarheid van de nadere eis de nachtperiode bepalend is en het geluid in die periode vrijwel geheel wordt veroorzaakt door de koelinstallatie, heeft verweerder dat geluid bepalend kunnen achten voor de naleefbaarheid van de nadere eis. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting is de Afdeling verder van oordeel dat die eis na het treffen van redelijkerwijs te verlangen maatregelen en voorzieningen naleefbaar is.

2.6. Gezien het voorgaande acht de Afdeling het beroep ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M. Oosting, Voorzitter, en mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens en drs. H. Borstlap, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A.G. Stolker, ambtenaar van Staat.

w.g. Oosting w.g. Stolker

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2003

157.