Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AH9445

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-07-2003
Datum publicatie
09-07-2003
Zaaknummer
200205925/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 september 2002 heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen het besluit van 26 april 2002, waarbij de looptijd van de aan appellante opgelegde last onder dwangsom van 15 februari 2000 is opgeschort tot 30 mei 2002 en aan appellante een aanvullende last onder dwangsom als bedoeld in artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is opgelegd voor overtredingen van het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer (hierna: het Besluit) met betrekking tot de inrichting op het perceel IJsselkade 10 te Zutphen, ongegrond verklaard.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 5:32
Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 14a
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 18.2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2008/373
Module Horeca 2003/960
Omgevingsvergunning in de praktijk 2003/2648
Milieurecht Totaal 2003/1951

Uitspraak

200205925/1.

Datum uitspraak: 9 juli 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Le Boulevard B.V.", gevestigd te Zutphen,

appellante,

en

het college van burgemeester en wethouders van Zutphen,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 september 2002 heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen het besluit van 26 april 2002, waarbij de looptijd van de aan appellante opgelegde last onder dwangsom van 15 februari 2000 is opgeschort tot 30 mei 2002 en aan appellante een aanvullende last onder dwangsom als bedoeld in artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is opgelegd voor overtredingen van het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer (hierna: het Besluit) met betrekking tot de inrichting op het perceel IJsselkade 10 te Zutphen, ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 5 november 2002, bij de Raad van State ingekomen op 6 november 2002, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 4 december 2002.

Bij brief van 29 januari 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellante. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 april 2003, waar appellante, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en mr. S.W. Knoop en mr. D. Broersma, advocaten te Zutphen, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. N.C. van Buitenen en P.G.W. Woertman, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet is het gemeentebestuur bevoegd tot toepassing van bestuursdwang. Krachtens artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan een bestuursorgaan dat bevoegd is bestuursdwang toe te passen, in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.

Ingevolge het tweede lid strekt een last onder dwangsom ertoe de overtreding ongedaan te maken of verdere overtreding dan wel een herhaling van de overtreding te voorkomen.

Ingevolge het derde lid wordt voor het opleggen van een last onder dwangsom niet gekozen, indien het belang dat het betrokken voorschrift beoogt te beschermen, zich daartegen verzet.

Ingevolge het vijfde lid wordt in de beschikking die strekt tot het ongedaan maken van een overtreding of het voorkomen van verdere overtreding, een termijn gesteld gedurende welke de overtreder de last kan uitvoeren zonder dat een dwangsom wordt verbeurd.

2.2. Verweerder heeft appellante bij besluit van 26 april 2002 een aanvullende last onder dwangsom opgelegd wegens geconstateerde overtredingen van artikel 6, vijfde lid, en voorschrift 1.1.1 uit bijlage B van het Besluit. Bij het bestreden besluit is het bezwaar ongegrond verklaard en is de last onder dwangsom gehandhaafd. De in het bestreden besluit gehandhaafde aanvullende last onder dwangsom betreft:

- de aanwezige geluidinstallatie: deze dient vanaf het moment van inwerkingtreding van die last totdat de vereiste maatregelen zijn genomen zodanig te zijn afgesteld dat de geluidnormen van het Besluit niet worden overschreden. Per keer dat wordt geconstateerd dat de geluidnormen door de muziekactiviteiten worden overschreden, wordt € 2273,00 verbeurd met een maximum van € 22.730,00 waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd;

- de ventilatoren: deze mogen vanaf het moment van inwerkingtreding van die last totdat de vereiste maatregelen zijn genomen in de avondperiode maximaal 1,5 uur en in de nachtperiode maximaal 1 uur in bedrijf zijn. Per keer dat wordt geconstateerd dat de maximale bedrijfsduur van de ventilatoren in de avond- en nachtperiode wordt overschreden, wordt € 2273,00 verbeurd, met een maximum van € 22.730,00 waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd;

- een akoestisch onderzoek: uiterlijk 30 mei 2002 dient een akoestisch onderzoek te worden aangeleverd. Per week dat het akoestisch onderzoek niet wordt ingediend wordt € 1.000,00 verbeurd, met een maximum van € 5.000,00 waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd.

2.3. Appellante betoogt dat zij niet is gehoord en geen mogelijkheid heeft gehad zienswijzen in te brengen tegen het voornemen van verweerder de lasten onder dwangsom van 26 april 2002 en 15 februari 2000 op te leggen. Verder betoogt zij dat deze lasten en de correspondentie over geconstateerde overtredingen op het verkeerde adres zijn bezorgd.

2.3.1. Ingevolge artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht stelt een bestuursorgaan, voordat het een beschikking geeft waartegen een belanghebbende die de beschikking niet heeft aangevraagd naar verwachting bedenkingen zal hebben, die belanghebbende in de gelegenheid zijn zienswijze naar voren te brengen indien:

a. de beschikking zou steunen op gegevens over feiten en belangen die de belanghebbende betreffen, en

b. die gegevens niet door de belanghebbende zelf ter zake zijn verstrekt.

2.3.2. Uit de stukken blijkt dat appellante tijdig tegen het besluit van 26 april 2002 bezwaar heeft gemaakt. Daargelaten de vraag of dit besluit daadwerkelijk op het verkeerde adres is bezorgd, is de Afdeling van oordeel dat door het tijdig indienen van het bezwaarschrift niet is gebleken dat appellante door het op het verkeerde adres bezorgen daarvan in haar belangen is geschaad. Verder blijkt uit de stukken dat appellante wat betreft het besluit van 26 april 2002 in bezwaar de gelegenheid is geboden haar standpunt uiteen te zetten, zodat ook in zoverre geen grond is voor vernietiging van de beslissing op bezwaar.

Voorzover de gronden zich richten tegen het besluit van 15 februari 2000 en het op het verkeerde adres bezorgen van dit besluit en van de correspondentie over geconstateerde overtredingen, overweegt de Afdeling dat deze gronden zich niet richten tegen het bestreden besluit. Het beroep treft inzoverre geen doel.

2.4. Appellante betoogt dat de Commissie van advies voor de bezwaar- en beroepschriften (hierna: de commissie) in haar advies van 21 augustus 2002 (hierna: het advies) slechts marginaal is ingegaan op de gedragsaanpassingen en niet expliciet is ingegaan op het akoestisch onderzoek. Voorzover het bestreden besluit wat dit betreft overeenkomt met het advies van de commissie, kan verweerder volgens haar om die reden niet volstaan met verwijzing naar dat advies. Verder betoogt appellante dat het bestreden besluit wat betreft de begunstigingstermijn afwijkt van het advies. Deze afwijking is volgens haar onvoldoende gemotiveerd.

2.4.1. Ingevolge artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht dient de beslissing op bezwaar te berusten op een deugdelijke motivering die bij de bekendmaking van de beslissing wordt vermeld.

Ingevolge artikel 7:13, zevende lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt, indien de beslissing op het bezwaar afwijkt van het advies van de commissie, in de beslissing de reden voor die afwijking vermeld en wordt het advies met de beslissing meegezonden.

2.4.2. Uit het advies van de commissie blijkt dat, gelet op de verrichte geluidmetingen, het veranderen van de inrichting van nadelige invloed zal zijn op de geluidbelasting die wordt veroorzaakt en dat verweerder derhalve een akoestisch rapport kan verlangen. Het betoog van appellante dat in het advies van de commissie niet expliciet is ingegaan op het akoestisch onderzoek mist derhalve feitelijke grondslag.

Blijkens het advies acht de commissie het bezwaar van appellante voorzover het de begunstigingstermijn betreft gegrond omdat de mogelijkheid bestaat dat een bouwvergunning nodig is voor het treffen van noodzakelijke en afdoende maatregelen. In het bestreden besluit stelt verweerder in afwijking van het advies dat ook technische maatregelen mogelijk zijn waarvoor geen bouwvergunning nodig is en dat gedragsmaatregelen altijd mogelijk zijn. Gezien het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat verweerder in de beslissing op bezwaar de afwijking van het advies met voldoende redenen heeft vermeld. Voor het overige ziet de Afdeling in hetgeen appellante hierover heeft aangevoerd geen reden voor het oordeel dat de beslissing op bezwaar niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep treft inzoverre geen doel.

2.5. Appellante betoogt dat de last onder dwangsom van 15 februari 2000 materieel is uitgewerkt. Verweerder had deze derhalve niet meer kunnen opschorten, aldus appellante. Voorts betoogt appellante dat ten tijde van de beslissing op bezwaar de omkasting van de ventilatoren reeds gereed was en derhalve als gevolg hiervan geen sprake meer was overtreding van voorschrift 1.1.1 uit bijlage B van het Besluit.

2.5.1. Niet in geschil is dat als gevolg van het veranderen van de inrichting artikel 6, vijfde lid, van het Besluit is overtreden. Voorts is niet in geschil dat als gevolg van het veranderen van de inrichting overtredingen van de geluidwaarden als genoemd in voorschrift 1.1.1 uit bijlage B van het Besluit zijn geconstateerd. Verweerder was derhalve bevoegd tot het opleggen van de aanvullende last onder dwangsom van 26 april 2002. De stelling dat ten tijde van de beslissing op bezwaar de ventilatoren reeds omkast waren, doet hieraan niet af. Voor het overige ziet de Afdeling in hetgeen appellante heeft aangevoerd geen reden voor het oordeel dat verweerder de werking van de last onder dwangsom van 15 februari 2000 niet had kunnen opschorten nu deze niet door verweerder was ingetrokken en door appellante geen hiertoe strekkend verzoek was ingediend. Het beroep treft inzoverre geen doel.

2.6. Appellante betoogt dat verweerder in redelijkheid niet tot oplegging van de last onder dwangsom had kunnen overgaan. Zij voert hiertoe aan dat op verzoek van verweerder in de inrichting maatregelen zijn getroffen in verband met de brandveiligheid. Nu als gevolg van deze aanpassingen de geluidvoorschriften van het Besluit worden overtreden had verweerder volgens haar niet in redelijkheid over kunnen gaan tot het opleggen van de aanvullende last onder dwangsom.

2.6.1. Verweerder stelt dat de ondernemer van een inrichting verantwoordelijk is voor de naleving van het Besluit.

2.6.2. Uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat appellante voorafgaande aan het veranderen van de inrichting niet heeft onderzocht of door het veranderen van deze inrichting nog voldaan werd aan de geluidnormen uit voorschrift 1.1.1 uit bijlage B van het Besluit. De Afdeling overweegt dat de gevolgen van het veranderen van de inrichting voor risico van appellante komt. Gelet hierop en nu als gevolg van het veranderen van de inrichting de geluidnormen uit voorschrift 1.1.1 uit bijlage B van het Besluit worden overschreden is de Afdeling van oordeel dat verweerder bij afweging van de betrokken belangen redelijkheid de aanvullende last onder dwangsom heeft kunnen opleggen. Het beroep treft inzoverre geen doel.

2.7. Appellante betoogt dat de gestelde dwangsommen niet proportioneel zijn.

Naar het oordeel van de Afdeling is er geen grond voor het oordeel dat het vastgestelde bedrag niet in redelijke verhouding staat tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsomoplegging.

2.8. Appellante betoogt dat geen begunstigingstermijn is gesteld om te voldoen aan de geluidwaarden zoals genoemd in voorschrift 1.1.1 van het Besluit.

Verweerder stelt dat voor het naleven van voorschrift 1.1.1 van het Besluit in de last onder dwangsom geen begunstigingstermijn is opgenomen omdat het naleven slechts een nalaten van appellante vereist.

De Afdeling overweegt dat verweerder met het bij de last onder dwangsom opleggen van gedragsmaatregelen heeft beoogd herhaling van de overtreding van voorschrift 1.1.1 uit bijlage B van het Besluit te voorkomen. Derhalve bestaat geen grond voor het oordeel dat deze last in strijd is met artikel 5:32, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht of enig andere wettelijke bepaling. Het beroep treft inzoverre geen doel.

2.9. Appellante betoogt dat haar door de rechtbank ter voldoening aan de geluidvoorschriften reeds een voorwaardelijke strafrechtelijke boete is opgelegd. Zij betoogt dat onder die omstandigheden handhaving onevenredig is.

2.9.1. De Afdeling oordeelt te dien aanzien als volgt. Een last onder dwangsom wordt opgelegd ten einde de overtreder ervan te weerhouden dat hij de overtreding laat voortduren, dan wel deze nogmaals één of meerdere malen pleegt. Daartoe wordt de dwangsom zodanig vastgesteld dat deze in redelijke verhouding staat tot de zwaarte van het gelaedeerde belang en de daarmee beoogde werking. Totdat een van tevoren vastgesteld maximum is bereikt, kan de dwangsom herhaalde malen worden verbeurd. Bij het opleggen van een last onder dwangsom staat in milieuzaken de handhavingstaak van het bevoegd gezag als bedoeld in artikel 18.2, eerste lid, onder a, van de Wet milieubeheer voorop. Dit komt neer op het voorkomen van de nadelige gevolgen voor het milieu die het gevolg zijn van het niet naleven van hetgeen bij of krachtens wet is bepaald.

De last onder dwangsom onderscheidt zich dan ook van de strafrechtelijke boete, die uitsluitend betrekking heeft op een reeds gepleegde overtreding. Indien ingevolge van artikel 14a van het Wetboek van strafrecht is bepaald dat (een gedeelte van) de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, heeft ook het voorwaardelijke deel nog steeds betrekking op die reeds gepleegde overtreding. De stelling van appellante dat handhaving naast de voorwaardelijke veroordeling door de politierechter onevenredig is, is derhalve niet houdbaar. Het beroep treft inzoverre geen doel.

2.10. Het beroep is ongegrond.

2.11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, Voorzitter, en mr. K. Brink en mr. Ch.W. Mouton, Leden, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd w.g. Van Hardeveld

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2003

312-396.