Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AH9444

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-07-2003
Datum publicatie
09-07-2003
Zaaknummer
200205813/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 januari 2002 heeft de gemeenteraad van Westvoorne, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 18 december 2001, het bestemmingsplan "Oostvoorne dorp" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 28
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 10:27
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2005/219

Uitspraak

200205813/1.

Datum uitspraak: 9 juli 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

3. [appellant sub 3], wonend te [woonplaats]

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 januari 2002 heeft de gemeenteraad van Westvoorne, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 18 december 2001, het bestemmingsplan "Oostvoorne dorp" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 17 september 2002, kenmerk DRGG/ARB/02/1696A, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellant sub 1 bij brief van 1 november 2002, bij de Raad van State ingekomen op 4 november 2002, appellant sub 2 bij brief van 11 november 2002, bij de Raad van State ingekomen op 14 november 2002, en appellant sub 3 bij brief van 11 december 2002, bij de Raad van State ingekomen per faxbericht op dezelfde datum, beroep ingesteld. Appellant sub 3 heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 24 januari 2003.

Bij brief van 21 maart 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten sub 1 en 3. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 juni 2003, waar verweerder, vertegenwoordigd door mr. E. Sprietsma, ambtenaar van de provincie, is verschenen. Voorts zijn namens de gemeenteraad G.H. Groeneveld, ambtenaar van de gemeente, en namens de Gereformeerde Gemeente Oostvoorne, [gemachtigde], aldaar gehoord. Appellanten zijn niet verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.2. Het plan heeft betrekking op het dorpsgebied van Oostvoorne en enkele omliggende gronden en is in hoofdzaak conserverend van opzet. In de plantoelichting is voorts een aantal ontwikkelingslocaties voor nieuwbouw in de toekomst opgenomen.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het plan grotendeels goedgekeurd.

2.3. Appellant sub 1 voert in beroep aan dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de agrarische bestemmingsregeling voor zijn perceel aan de [straat]. Volgens appellant had op het perceel een woonbestemming kunnen worden gelegd onafhankelijk van de mogelijke ontwikkelingen op de achter dit perceel gelegen inbreidingslocatie. Van gemeentewege is in 1989 toegezegd dat op het perceel een woning zou mogen worden gebouwd. Ten slotte kan appellant zich niet verenigen met woningbouw op de inbreidingslocatie indien dit inhoudt dat zijn perceel als ontsluiting zal gaan dienen.

2.3.1. Verweerder heeft geen reden gezien het plan in zoverre in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft het plan in zoverre goedgekeurd. Hij stemt in met het standpunt van de gemeenteraad dat in de toekomst een totaalvisie zal worden ontwikkeld voor het gebied, waarbij mogelijk ook het perceel van appellant moet worden betrokken. Van toezeggingen van gemeentewege is voorts niet gebleken, aldus verweerder.

2.3.2. De Afdeling stelt voorop dat de gemeenteraad de vrijheid toekomt bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht.

Het perceel van appellant is onbebouwd en overeenkomstig het bestaande gebruik bestemd als “Agrarische doeleinden” met de aanduiding “zonder gebouwen”. Ingevolge artikel 20, tweede lid, van de planvoorschriften mogen op deze gronden geen woningen worden gebouwd. Het perceel staat in directe verbinding tot de [straat] en maakt, zoals uit de plantoelichting blijkt, deel uit van een gebied, gelegen tussen de [laan] en [straat], waaraan eveneens een agrarische bestemming is toegekend en waar op de middellange termijn (2005-2010) mogelijk ontwikkelingen zullen plaatsvinden. Aangezien nog onvoldoende inzicht bestaat omtrent de uitvoerbaarheid van deze mogelijke inbreidingslocatie, zijn de mogelijke woningbouw op deze plaats en de ontsluiting daarvan echter niet in het plan geregeld. De plantoelichting geldt in zoverre als beleidskader voor ontwikkelingen in de toekomst.

Het standpunt van verweerder dat de ruimtelijke invulling van het perceel van appellant in samenhang dient te worden bezien met de mogelijke ontwikkeling van het gehele gebied tussen de [laan] en de [straat] om daarmee een zo goed mogelijke stedenbouwkundige eenheid te bewerkstelligen, acht de Afdeling niet onredelijk. Verweerder heeft aan deze samenhang een zwaar gewicht kunnen toekennen. Op voorhand staat voorts niet vast dat het perceel van appellant in dit verband niet nodig zal zijn. Wat betreft de toegekende agrarische bestemming komt naast het huidige gebruik mede betekenis toe aan het feit dat aan het gebied tussen de [laan] en de [straat] grotendeels dezelfde bestemming is toegekend.

Ten aanzien van het beroep van appellant op het vertrouwensbeginsel, overweegt de Afdeling dat in het algemeen geen rechten kunnen worden ontleend aan toezeggingen die zijn gedaan door niet terzake beslissingsbevoegden. De bevoegdheid tot het vaststellen van een bestemmingsplan berust niet bij ambtenaren, maar bij de gemeenteraad. De gemeenteraad heeft bij het ontbreken van een aan hem toe te rekenen toezegging, dan ook niet in strijd met het vertrouwensbeginsel besloten.

Gelet op al het voorgaande, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid met de bestendiging van de agrarische bestemming voor het perceel van appellant heeft kunnen instemmen.

2.4. Appellant sub 2 voert in beroep aan dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de mede op zijn perceel aan de [locatie] gelegde bestemming “Archeologisch waardevol gebied”. Hij wordt hierdoor beperkt in zijn woongenot en in geval van nieuwe projecten geconfronteerd met extra kosten zonder dat deze worden gecompenseerd. Niet duidelijk is voorts waarom andere in de omgeving gelegen gronden niet tevens aldus zijn bestemd.

2.4.1. Verweerder heeft geen reden gezien het plan in zoverre in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft het plandeel goedgekeurd. Het gebied waar het perceel deel van uitmaakt, heeft, gelet op de aanwezigheid van een burchtruïne, een hoge archeologische waarde. Kosten voor archeologisch onderzoek worden toegerekend aan de activiteit die mogelijk schade aan het bodemarchief kan veroorzaken, aldus verweerder.

2.4.2. Niet in geding is dat het gebied waar het perceel van appellant is gelegen, een hoge archeologische waarde heeft in verband met de naastgelegen burchtruïne. Deze waarde blijkt uit de Archeologische Monumentenkaart van Zuid-Holland, welke in samenwerking met de Rijksdienst voor Oudheidkundig Bodemonderzoek is opgesteld. Het perceel van appellant is om deze reden mede bestemd als “Archeologisch waardevol gebied”. Ingevolge artikel 27 van de planvoorschriften zijn de aldus aangewezen gronden bestemd voor het behoud en de bescherming van de ter plaatse aanwezige archeologische waarden, waarbij beperkingen aan het gebruik en de bouwmogelijkheden zijn gesteld. Dit komt mede tot uitdrukking in bouwmogelijkheden voor een beperkt aantal bouwwerken, een aanlegvergunningstelsel en voorschriften inzake archeologisch onderzoek. De Afdeling ziet, gelet op het grote archeologische belang van het gebied, geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid met deze beperkende voorschriften heeft kunnen instemmen.

Ten aanzien van de door appellant gemaakte vergelijking met percelen aan de andere zijde van de burchtruïne overweegt de Afdeling mede gelet op het ter zitting verhandelde dat niet is gebleken dat die percelen in archeologisch opzicht zodanig gelijk te stellen zijn met de thans aan de orde zijnde situatie, dat verweerder om deze reden niet heeft kunnen instemmen met het plan.

2.5. Appellant sub 3 voert in beroep aan dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de bestemmingsregeling voor de strook grond welke ten oosten grenst aan zijn perceel aan de [locatie]. Hiermee wordt gehandeld in strijd met de akte van verkoop uit 1990 ten aanzien van deze strook grond en wordt de aanleg van parkeerplaatsen mogelijk gemaakt met als gevolg geluidsoverlast, lichthinder en een verstoring van het groenbeeld van de wijk.

2.5.1. Verweerder heeft geen reden gezien het plan in zoverre in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft het plandeel goedgekeurd. Er zijn voor appellant voldoende mogelijkheden om een afscherming ten opzichte van het naburige erf te realiseren, aldus verweerder. Hij acht bovendien niet aannemelijk dat vanwege de bestemming ernstige overlast zal ontstaan voor appellant.

2.5.2. Het plandeel is bestemd als “Maatschappelijke doeleinden”. Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de aldus aangewezen gronden onder meer bestemd voor maatschappelijke voorzieningen/instellingen en voor wegen, paden, parkeerplaatsen en groenvoorzieningen.

Het plan laat daarmee de aanleg van parkeerplaatsen op gronden die grenzen aan het perceel van appellant, toe. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het woongenot van appellant niet in ernstige mate zal worden aangetast. Hiertoe acht zij van belang dat de afstand van de woning van appellant tot de erfgrens ongeveer acht meter bedraagt en dat niet is gebleken dat appellant op zijn perceel geen afscherming kan oprichten.

Niettegenstaande de bepaling in de verkoopakte inzake het behoud van de groene inrichting van de strook grond, is niet gebleken dat het groenbeeld van de wijk door de bestemmingsregeling onaanvaardbaar kan worden aangetast.

2.6. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

De beroepen zijn ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, Voorzitter, en mr. J.J. Vis en dr. J.J.C. Voorhoeve, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Langeveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Hoekstra w.g. Langeveld

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2003

317-371.