Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AH9424

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-07-2003
Datum publicatie
09-07-2003
Zaaknummer
200204378/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij brief van 25 juni 2001 hebben appellanten het Dagelijks Bestuur van het Zuiveringsschap Limburg (hierna: het Zuiveringsschap) verzocht onder oplegging van een last onder dwangsom de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid “Nuon B.V.” te verplichten het vergassen van gevaarlijke afvalstoffen en het aanwezig hebben daarvan binnen de door haar gedreven inrichting (een kolenvergassingscentrale) op het adres Roermondseweg 55 te Haelen, onmiddellijk te beëindigen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Algemene wet bestuursrecht 2:3
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 18.14
Wet milieubeheer 18.16
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2003/233

Uitspraak

200204378/1.

Datum uitspraak: 9 juli 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de stichting "Stichting tot behoud leefmilieu Buggenum, Haelen, Horn, Nunhem en naaste omgeving", gevestigd te Buggenum, en anderen,

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Limburg,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij brief van 25 juni 2001 hebben appellanten het Dagelijks Bestuur van het Zuiveringsschap Limburg (hierna: het Zuiveringsschap) verzocht onder oplegging van een last onder dwangsom de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid “Nuon B.V.” te verplichten het vergassen van gevaarlijke afvalstoffen en het aanwezig hebben daarvan binnen de door haar gedreven inrichting (een kolenvergassingscentrale) op het adres Roermondseweg 55 te Haelen, onmiddellijk te beëindigen.

Bij brief van 13 juli 2001 heeft het Zuiveringsschap het verzoek, voorzover dit betrekking heeft op het aanwezig hebben van gevaarlijke afvalstoffen binnen de inrichting, ingevolge artikel 2:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht doorgezonden naar verweerder.

Bij brief van 29 januari 2002 heeft verweerder het verzoek afgewezen.

Bij besluit van 2 juli 2002, verzonden op 3 juli 2002, heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 10 augustus 2002, bij de Raad van State ingekomen op 13 augustus 2002, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 9 september 2002.

Bij brief van 7 oktober 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 april 2003, waar appellanten, vertegenwoordigd door ing. A.M.L. van Rooij, gemachtigde, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. J.J. Beek, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Appellanten hebben betoogd dat verweerder ten onrechte heeft gemeend dat van hem een inhoudelijke beslissing werd verlangd op het door hen ingediende verzoek van 25 juni 2001. Dit verzoek was gericht aan het Zuiveringsschap en had uitsluitend betrekking op het in strijd handelen met de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (hierna: de Wvo). Naar de mening van appellanten had verweerder derhalve niet kunnen beschikken op een verzoek dat niet aan hem gericht was. Voorts bestaat er, anders dan verweerder meent, haars inziens wel degelijk procesbelang bij de behandeling van hun beroep. Zij voeren hiertoe aan dat, hoewel verweerder heeft gesteld dat hij niet bevoegd was om op het verzoek te beslissen, hij desondanks in de brief van 29 januari 2002 heeft geoordeeld dat geen aanleiding bestond om handhavend optreden, voorzover het de Wet milieubeheer betreft.

2.2. Verweerder heeft betoogd dat hij in een aan appellanten gezonden brief van 20 juli 2001 reeds de opvatting heeft neergelegd dat het verzoek van 25 juni 2001 uitsluitend betrekking had op het opleggen van een last onder dwangsom ter zake van het in strijd handelen met de Wvo en dat niet hij maar het Zuiveringschap bevoegd was om op het verzoek te beslissen. Daaraan is toegevoegd dat hij, behoudens tegenbericht, de brief van 25 juni 2001 als afgehandeld beschouwde. Appellanten hebben daar niet op gereageerd. Verweerder heeft evenwel naar aanleiding van een brief van de Secretaris van de Raad van State van 11 december 2001, waarin was vermeld dat appellanten beroep zouden hebben ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op hun verzoek, gemeend dat appellanten alsnog een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht wensten.

2.3. In hetgeen appellanten daarover hebben aangevoerd, acht de Afdeling voldoende belang gelegen om de zaak inhoudelijk te beoordelen.

2.4. In artikel 18.14, eerste lid, van de Wet milieubeheer is bepaald dat een ieder aan een bestuursorgaan dat bevoegd is tot toepassing van bestuursdwang, oplegging van een last onder dwangsom of intrekking van een vergunning of ontheffing, kan verzoeken een daartoe strekkende beschikking te geven.

Ingevolge artikel 18.16, eerste lid, van de Wet milieubeheer, voorzover hier van belang, moet de beschikking op een overeenkomstig artikel 18.14, eerste lid, gedaan verzoek zo spoedig mogelijk worden genomen.

2.5. De Afdeling stelt vast dat het verzoek van 25 juni 2001 niet gericht was aan verweerder en dat ook anderszins niet is gebleken dat verweerder is verzocht om het nemen van een beslissing op dit verzoek. Daarom kan het verzoek van appellanten van 25 juni 2001, zoals dat in weerwil van artikel 2:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht door het Zuiveringsschap was doorgezonden, niet worden aangemerkt als een verzoek in de zin van artikel 18.14, eerste lid, van de Wet milieubeheer, waarop ingevolge artikel 18.16, eerste lid, van deze wet een besluit moet worden genomen. De brief van 29 september 2002, waarbij verweerder dat verzoek heeft afgewezen, bevat derhalve geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Hieruit volgt dat verweerder het door appellanten gemaakte bezwaar tegen de brief van 29 januari 2002 niet-ontvankelijk had moeten verklaren. De eerder genoemde brief van 11 december 2001 van de Secretaris van de Raad van State kan hieraan niet afdoen.

2.6. Reeds hierom is het beroep gegrond en dient het bestreden besluit te worden vernietigd. De overige gronden behoeven geen bespreking. De Afdeling zal op de hierna te melden wijze in de zaak voorzien en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

2.7. Verweerder dient op de hierna te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Limburg van 2 juli 2002;

III. verklaart het bezwaar van appellanten tegen de brief van het college van gedeputeerde staten van Limburg van 29 januari 2002 niet-ontvankelijk;

IV. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

V. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Limburg in de door appellanten in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de provincie Limburg te worden betaald aan appellanten.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.G.P. Oudenaller, ambtenaar van Staat.

w.g. Konijnenbelt w.g. Oudenaller

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2003

154-361.