Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AH9423

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-07-2003
Datum publicatie
09-07-2003
Zaaknummer
200204343/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij afzonderlijke besluiten van 2 maart 2000 heeft het college van burgemeester en wethouders van Maartensdijk, als rechtsvoorganger van het college van De Bilt (hierna: het college) aan [vergunninghouder] bouwvergunning verleend voor het verplaatsen en vernieuwen van een machineberging onderscheidenlijk voor het oprichten van een kalverenschuur op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200204343/1.

Datum uitspraak: 9 juli 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], beiden wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te Utrecht van 4 juli 2002 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van De Bilt.

1. Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 2 maart 2000 heeft het college van burgemeester en wethouders van Maartensdijk, als rechtsvoorganger van het college van De Bilt (hierna: het college) aan [vergunninghouder] bouwvergunning verleend voor het verplaatsen en vernieuwen van een machineberging onderscheidenlijk voor het oprichten van een kalverenschuur op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 14 maart 2001 heeft het college, onder verwijzing naar het advies van de commissie bezwaar- en beroepschriften van 13 september 2000, het bezwaar van appellanten voorzover gericht tegen de vergunningverlening voor de machineberging niet-ontvankelijk verklaard en voorzover gericht tegen de vergunningverlening voor de kalverenschuur ongegrond verklaard. Het college heeft daarbij met gebruikmaking van de daartoe door het college van gedeputeerde staten van Utrecht verleende verklaring van geen bezwaar alsnog een binnenplanse vrijstelling verleend voor de kalverenschuur en de daarvoor verleende bouwvergunning gehandhaafd.

Bij uitspraak van 4 juli 2002, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank te Utrecht (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 9 augustus 2002, bij de Raad van State ingekomen op op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 12 augustus 2002. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 19 november 2002 heeft het college van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 februari 2003, waar appellanten, in de persoon van [appellant], bijgestaan door mr. S. Land, gemachtigde, en het college, vertegenwoordigd door P. Kamman, gemachtigde, zijn verschenen. Voorts is daar gehoord [vergunninghouder], vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. ing. T. Steenbeek, gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1. Appellanten kunnen zich niet verenigen met het oordeel van de rechtbank dat het college hun bezwaar gericht tegen het verlenen van de vergunning voor het bouwen van de machineberging op het perceel terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. De Afdeling overweegt dienaangaande dat de rechtbank met juistheid heeft vastgesteld dat in de gemeentelijke publicaties van 5 januari 2000 en 8 maart 2000 van onderscheidenlijk de bouwaanvragen en de besluiten op deze aanvragen beide bouwplannen afzonderlijk zijn vermeld. Appellanten moesten op grond daarvan begrijpen dat het ging om twee onderscheiden bouwaanvragen en dat tegen de besluiten daarop separaat bezwaar moest worden gemaakt. Uit hun tegen de verlening van bouwvergunning voor de kalverenstal gerichte bezwaarschrift van 16 maart 2000, noch uit het aanvullend bezwaarschrift van 10 april 2000, kan worden afgeleid dat zij ook tegen de vergunningverlening voor de machineberging wilden opkomen. Daarvan blijkt eerst in hun brief van 27 juli 2000. Die brief is dan ook aan te merken als het niet tijdig ingediende bezwaarschrift tegen dat besluit. Nu niet is gebleken van omstandigheden die de termijnoverschrijding verschoonbaar doen zijn, heeft het college het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard.

2.2. Ingevolge het bestemmingsplan “Landelijk Gebied 1972, 2e herziening” rust op het perceel de bestemming “Bebouwing voor agrarische doeleinden Aa”.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de op de kaart voor deze bestemming aangewezen gronden bestemd voor agrarisch gebruik en de voor de uitoefening van het agrarisch bedrijf ter plaatse nodige bouwwerken, uitgezonderd kassen.

Ingevolge artikel 8, derde lid, aanhef en onder c, van de planvoorschriften wordt tot een gebruik van bouwwerken strijdig met de bestemming, zoals bedoeld in artikel 37, in ieder geval gerekend het gebruiken van gebouwen voor veredelingsbedrijven. Onder veredelingsbedrijven wordt niet verstaan het gebruiken van gebouwen ten behoeve van veredelingsactiviteiten als onderdeel van het agrarisch bedrijf.

Ingevolge artikel 1, onder n, van de planvoorschriften wordt onder agrarische bedrijven verstaan: bedrijven gericht op ooft-, tuin- of akkerbouw, alsmede veehouderij en weidebedrijven, mits de exploitatie van deze bedrijven grotendeels gebonden is aan ter plaatse of in de nabijheid aanwezige gronden.

Ingevolge artikel 1, onder o, van de planvoorschriften wordt onder veredelingsbedrijven verstaan: fokkerijen, mesterijen, pluimveehouderijen, champignonkwekerijen, voor zover deze bedrijven geheel of hoofdzakelijk niet afhankelijk zijn van de opbrengst van de bij het bedrijf behorende gronden.

2.3. Ten aanzien van de verlening van de bouwvergunning voor het oprichten van de kalverenschuur betogen appellanten dat de rechtbank heeft miskend dat het college ten onrechte heeft aangenomen dat [vergunninghouder] ter plaatse een agrarisch bedrijf in de zin van voormeld artikel 1, onder n, van de planvoorschriften exploiteert, zodat de vergunning wegens strijd met het bestemmingsplan geweigerd had dienen te worden.

Vaststaat dat [vergunninghouder] tot eind 1999 op het perceel als hoofdactiviteit een eendenmesterij en als nevenactiviteit een kalverenmesterij en een melkveehouderij exploiteerde. In de brief van de Regionale Milieudienst West-Utrecht van 10 april 1998 staat dat [vergunninghouder] een vergunning heeft ingevolge artikel 8.19 van de Wet milieubeheer voor het houden van 7 stuks jongvee, 40 stuks melkvee, 184 mestkalveren en 4015 slachteenden. Eind 1999 is de voorheen aanwezige kalverenschuur annex machineberging door een brand verwoest. Naar aanleiding van de brand heeft vergunninghoudster de activiteiten ten aanzien van de eendenmesterij beëindigd en heeft zij het plan opgevat om op het perceel als hoofdactiviteit een kalverenmesterij te exploiteren. Daartoe is de onderhavige aanvraag om bouwvergunning ingediend voor het oprichten van een kalverenschuur van 2033 m² voor 710 mestkalveren.

De Afdeling is van oordeel dat het houden van mestkalveren niet is aan te merken als een bedrijfsvoering die voldoet aan de begripsomschrijving van een agrarisch bedrijf met een in hoofdzaak grondgebonden agrarische bedrijfsvoering als bedoeld in artikel 1, onder n. De kalverenschuur wordt derhalve niet opgericht ten behoeve van een op grond van voormeld artikel 8, eerste lid, van de planvoorschriften toegelaten agrarisch bedrijf, zodat het bouwplan in strijd moet worden geoordeeld met het bestemmingsplan. De rechtbank heeft dat miskend.

2.4. Nu uit het vorenstaande volgt dat er zich een weigeringsgrond voordeed, bestond er reeds daarom geen plicht tot aanhouding van de bouwaanvraag op grond van artikel 52 van de Woningwet. Gelet daarop behoeft het subsidiaire betoog van appellanten, inhoudende dat de rechtbank heeft miskend dat het college dat artikel niet juist heeft toegepast, hier verder geen bespreking.

2.5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd, voorzover die betrekking heeft op de verlening van de bouwvergunning voor het oprichten van de kalverenschuur. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep in zoverre alsnog gegrond verklaren en de beslissing op bezwaar in zoverre vernietigen. De aangevallen uitspraak moet voor het overige worden bevestigd.

2.6. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank te Utrecht van 4 juli 2002, SBR 01/991, voorzover die betrekking heeft op de bij het besluit van het college van burgemeester en wethouders van De Bilt van 14 maart 2001 gehandhaafde verlening van de bouwvergunning voor het oprichten van een kalverenschuur;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep in zoverre gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van De Bilt van 14 maart 2001, voorzover onder II aangegeven;

V. draagt het college van burgemeester en wethouders van De Bilt op met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen;

VI. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

VII. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van De Bilt in de door appellanten in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1.288,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente De Bilt te worden betaald aan appellanten;

VIII. gelast dat de gemeente De Bilt aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht € 267,10 (€165,00 +€ 102,10) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C. de Gooijer, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. B.J. van Ettekoven, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Roelfsema, ambtenaar van Staat.

De Voorzitter w.g. Roelfsema

is verhinderd de uitspraak ambtenaar van Staat

te ondertekenen

Uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2003

27-387.