Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AH9402

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-07-2003
Datum publicatie
09-07-2003
Zaaknummer
200202456/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 maart 2002, kenmerk 820999, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghoudster] een vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting bestemd tot het winnen en opslaan van zand op de percelen Erica en Paardebloem ongenummerd te Sint-Oedenrode ("Plas de Kienehoef"), kadastraal bekend gemeente Sint-Oedenrode. Dit besluit is op 2 april 2002 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.10
Wet milieubeheer 8.11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2008/340
M en R 2003, 162K
Milieurecht Totaal 2003/888
Milieurecht Totaal 2003/505
Omgevingsvergunning in de praktijk 2003/4466

Uitspraak

200202456/1.

Datum uitspraak: 9 juli 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats], en

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 maart 2002, kenmerk 820999, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghoudster] een vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting bestemd tot het winnen en opslaan van zand op de percelen Erica en Paardebloem ongenummerd te Sint-Oedenrode ("Plas de Kienehoef"), kadastraal bekend gemeente Sint-Oedenrode. Dit besluit is op 2 april 2002 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellant sub 1 bij brief van 13 mei 2002, bij de Raad van State ingekomen op 14 mei 2002, en appellant sub 2 bij brief van 3 mei 2002, bij de Raad van State ingekomen op 6 mei 2002, beroep ingesteld. Appellant sub 1 heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 10 juni 2002 en appellant sub 2 bij brief van 1 juni 2002.

Bij brief van 11 juli 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 31 oktober 2002. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant sub 2. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 april 2003, waar appellant sub 1, in persoon en bijgestaan door mr. G.L.M. Teeuwen, gemachtigde, appellant sub 2, in persoon en bijgestaan door mr. ing. A.E. Noordhuis, gemachtigde, en verweerder, vertegenwoordigd door G.J.J.M. Boots, ing. P.J. Meijer en ing. G.B.A. Mogot, ambtenaren van de provincie, zijn verschenen. Voorts is vergunninghoudster, vertegenwoordigd door [gemachtigde], als partij daar gehoord.

2. Overwegingen

2.1. De inrichting waarvoor vergunning is verleend, omvat een zandwinning die een recreatieplas zal doen ontstaan (het perceel aan de Erica) en de aanleg van een zanddepot (het perceel aan de Paardebloem), waarin het gewonnen zand wordt opgeslagen. Tussen de winning en het depot zal een leidingenstelsel worden aangelegd, waardoor het afgegraven zand zal worden getransporteerd. De inrichting is gelegen in het buitengebied van Sint-Oedenrode op een afstand van 400 meter van de bebouwde kom. Verder liggen in de nabijheid van de inrichting een manege en een camping.

2.2. Eerst bij nadere memorie heeft appellant sub 2 betoogd dat de omvang van de feitelijke inrichting groter is dan aangevraagd, alsmede dat bij het bestreden besluit ten onrechte voor de pers- en retourleiding een tracé is vergund dat door een houtwal (dan wel vervangende aanplant) heenloopt. Het aanvoeren van deze gronden in dit stadium van de procedure is in strijd met de goede procesorde. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat niet is gebleken dat appellant sub 2 deze gronden niet eerder in de procedure naar voren had kunnen brengen. Voornoemde gronden kunnen derhalve niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.

2.3. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.4. Appellant sub 2 betoogt dat verweerder ten onrechte heeft nagelaten de gevolgen van de inrichting voor natuurwetenschapelijke en ecologische waarden op correcte wijze te toetsen aan het Verdrag inzake het behoud van wilde dieren en planten en hun natuurlijke leefmilieu in Europa van 19 september 1979 (hierna: het Verdrag van Bern), Richtlijn 79/409/EEG (hierna: de Vogelrichtlijn), Richtlijn 92/43/EEG (hierna: de Habitatrichtlijn), de nationale regelgeving en zijn eigen beleid, dat is neergelegd in de notitie “Toepassing Vogel- en Habitatrichtlijn in de provincie Noord-Brabant” van 14 november 2001.

Verweerder verwijst volgens appellant sub 2 met betrekking tot de bescherming van bedreigde dier- en plantensoorten ten onrechte naar de Flora- en faunawet. Verweerder heeft volgens appellant een eigen verantwoordelijkheid ingevolge de Wet milieubeheer om het leefmilieu van bedreigde dier- en plantensoorten te beschermen.

Uit een natuur- en landschapsinventarisatie die is uitgevoerd in opdracht van verweerder, blijkt volgens appellant sub 2 dat de omgeving ter plaatse het leefmilieu vormt van soorten die worden genoemd op de zogeheten Rode lijst. Appellant sub 2 wijst erop dat deze inventarisatie de aanwezigheid vermeldt van de brede wespenorchis naast het zanddepot in de berm van de Paardebloem. In een begeleidend schrijven van 3 december 2001 bij het flora- en faunaonderzoek van verweerder betreffende het gebied rond Sint-Oedenrode wordt gesproken van het inventariseren van bijzondere vogelsoorten en van bijzondere en beleidsmatig interessante (planten-) soorten. De inventarisatie vermeldt op het perceel waar de zandwinning zal plaatshebben de veldrus, de tormentil en de echte koekoeksbloem als beleidsmatig interessante soorten, en de grutto, de patrijs en de roodborsttapuit als bijzondere vogelsoorten. De inventarisatie en het provinciale beleid worden volgens appellant sub 2 in het bestreden besluit ten onrechte buiten beschouwing gelaten.

2.4.1. Verweerder betoogt dat natuurwetenschappelijke en ecologische waarden in de beoordeling in het kader van de Wet milieubeheer kunnen worden betrokken. De inrichting ligt evenwel niet in of in de nabijheid van een natuurmonument, een aangewezen Vogelrichtlijngebied of een aangemeld Habitatrichtlijngebied. Wat beschermde soorten betreft, overweegt verweerder dat geen gegevens bekend zijn die aanleiding geven deze in de beslissing tot vergunningverlening te betrekken. Voorzover ter plaatse toch dier- of plantensoorten mochten voorkomen die worden beschermd ingevolge de Natuurbeschermingswet (per 1 april 2002: de Flora- en faunawet), dient tevens een ontheffing krachtens die wet te worden verkregen, in het kader waarvan de desbetreffende belangen dienen te worden beoordeeld. Verweerder betoogt dat de aspecten, voorzover deze onder zijn bevoegdheid in het kader van de Wet milieubeheer vallen, voldoende in de beoordeling zijn betrokken. In dit verband betoogt verweerder dat hij toetsing aan het criterium “zeldzaam of bedreigd” als uitgangspunt neemt. De notitie “Toepassing Vogel- en Habitatrichtlijn in de provincie Noord-Brabant” is volgens verweerder geen vastgesteld provinciaal beleid, maar een interne handleiding.

2.4.2. Voorzover het de bescherming van natuurlijke habitats en de habitats van soorten betreft, overweegt de Afdeling als volgt. Ten tijde van het bestreden besluit was de communautaire lijst als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van de Habitatrichtlijn nog niet vastgesteld, zodat de bepalingen van artikel 6, tweede, derde en vierde lid, van de Habitatrichtlijn in zoverre nog niet golden. Verder is het gebied niet vermeld op een lijst als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Habitatrichtlijn, die aan de Commissie is toegezonden. Voorts is het gebied niet als speciale beschermingszone overeenkomstig artikel 4, eerste lid, van de Vogelrichtlijn aangewezen. Verder overweegt de Afdeling, gelet op de stukken, waaronder het verslag van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak, dat er - daargelaten of rechtstreekse werking toekomt aan de criteria van bijlage III van de Habitatrichtlijn - geen indicaties zijn dat het gebied zich kwalificeert voor aanwijzing als speciale beschermingszone als bedoeld in de Habitatrichtlijn dan wel de Vogelrichtlijn. Gelet hierop heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de Habitat- en Vogelrichtlijn in zoverre niet aan vergunningverlening in de weg staan.

Wat de soortenbescherming betreft, overweegt de Afdeling in de eerste plaats dat niet is gebleken dat de omgeving ter plaatse het leefgebied vormt van dier- of plantensoorten die zijn vermeld in bijlage IV behorende bij de Habitatrichtlijn. Daarnaast overweegt de Afdeling dat het aspect van de soortenbescherming primair aan de orde dient te komen in het kader van de beoordeling of een ontheffing krachtens de Natuurbeschermingswet (thans: Flora- en faunawet) is vereist en kan worden verleend. In een procedure over een dergelijke ontheffing zal verder kunnen worden nagegaan of in overeenstemming met het Verdrag van Bern is gehandeld.

Voorzover het de (aanvullende) beoordeling in het kader van de Wet milieubeheer betreft, overweegt de Afdeling dat verweerder heeft betoogd dat uit onderzoek is gebleken dat nadelige gevolgen voor de door appellant sub 2 genoemde soorten zich niet in een zodanige mate voordoen dat daarom nadere voorschriften aan de milieuvergunning hadden moeten worden verbonden of de milieuvergunning had moeten worden geweigerd. Gelet op de aard van de aangevraagde en vergunde activiteiten heeft verweerder zich in redelijkheid op dit standpunt kunnen stellen.

De desbetreffende beroepsgronden treffen geen doel.

2.5. Appellant sub 2 betoogt dat, nu het bestemmingsplan en de Ontgrondingenwetvergunning voor de zandwinning betrekkelijk oud zijn, de toetsing van de aanvraag om de onderhavige vergunning de hieruit volgende lacunes had behoren op te vullen.

De Afdeling overweegt dat deze beroepsgrond geen betrekking heeft op het belang van de bescherming van het milieu in de zin van artikel 8.10 van de Wet milieubeheer en reeds om die reden niet kan slagen.

2.6. Appellant sub 2 betoogt dat verweerder ten onrechte meent dat de bescherming van cultuurhistorische en landschappelijke waarden niet binnen het toetsingskader van de Wet milieubeheer valt. De waarden die in het geding zijn betreffen volgens appellant sub 2 de landschappelijke waarden die impliciet volgen uit de provinciale aanwijzing van het terrein en van de omgeving van de inrichting tot struweelvogelgebied binnen de Ecologische Hoofdstructuur.

De Afdeling overweegt dat dit aspect primair dient te worden beoordeeld in het kader van planologische regelgeving, omdat die regelgeving daarvoor het meest geëigende toetsingskader biedt. Voorzover daarnaast dient te worden getoetst aan de artikelen 8.10 en 8.11 van de Wet milieubeheer, oordeelt de Afdeling dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen aanleiding bestond de vergunning uit oogpunt van aantasting van cultuurhistorische en landschappelijke waarden te weigeren, dan wel op dit punt nadere voorschriften aan de vergunning te verbinden. De desbetreffende beroepsgrond treft geen doel.

2.7. Appellant sub 1 betoogt dat de vergunning en de daaraan verbonden voorschriften, in het bijzonder de voorschriften 8.1.1 tot en met 8.1.6, niet toereikend zijn om stofoverlast te voorkomen tengevolge van het nabij zijn bedrijf gelegen zanddepot. Bij een overwegend zuidwesten wind, alsmede door langsrijdend vrachtverkeer, zal volgens appellant sub 1 gemakkelijk stof in de door hem gedreven detailhandel in aardappelen, groente en fruit worden geblazen. Appellant sub 1 vreest dat de gevoelige apparatuur, waaronder koelapparatuur, en de producten die zich in deze gebouwen bevinden door het ingeblazen zand zullen worden aangetast. Verder is volgens appellant sub 1 voorschrift 8.1.1 slecht handhaafbaar en niet naleefbaar. Volgens appellant sub 1 is tevens onduidelijk wanneer sprake is van “lange duur van opslag” als bedoeld in voorschrift 8.1.4. Voorts is volgens appellant sub 1 niet duidelijk wat wordt bedoeld met “het verharde gedeelte van de aan- en afvoerroute” in voorschrift 8.1.5.

Appellant sub 2 betoogt dat verweerder heeft miskend dat zand zal verstuiven vanaf de vrachtwagens die het zand vervoeren. Door de verstuiving worden gewassen en kuilvoer onbruikbaar, ontstaat gevaar voor verkeersdeelnemers en wordt het buiten drogen van wasgoed illusoir. Naar de mening van appellant sub 2 had moeten worden voorgeschreven dat vrachtwagens het terrein van de inrichting slechts mogen verlaten als hun vracht is afgedekt met een zeil.

2.7.1. Verweerder betoogt dat aan de vergunning voorschriften ter voorkoming van stofverspreiding zijn verbonden, die blijkens praktijkervaringen toereikend zijn voor het beoogde doel. Van stofverspreiding tijdens de opslag dan wel tijdens het verplaatsen is volgens verweerder in de onderhavige situatie dan ook geen sprake.

2.7.2. In voorschrift 1.4.3 is bepaald dat de inrichting schoon en zindelijk moet worden gehouden en in goede staat van onderhoud moet verkeren.

Ingevolge voorschrift 8.1.1 moeten, als stof zich kan verspreiden tot buiten de inrichting – bijvoorbeeld tijdens harde wind of langdurig droog weer – maatregelen zijn getroffen om stofverspreiding buiten de inrichting tegen te gaan door het te behandelen met cellucol, of een vergelijkbaar middel, of door het nat te houden.

In voorschrift 8.1.2 is bepaald dat het zanddepot moet zijn omgeven door een aarden omwalling met een hoogte van 3,5 meter ten opzichte van het maaiveld en dient te zijn ingezaaid met gras.

Ingevolge voorschrift 8.1.3 mag het opgeslagen zand niet hoger reiken dan 0,5 meter onder de bovenzijde van de aarden omwalling.

Ingevolge voorschrift 8.1.4 dient de bovenlaag van het zanddepot bij een lange duur van de opslag te zijn afgedekt met teelaarde en te worden ingezaaid met gras dan wel te worden behandeld met cellucol om verstuiving te voorkomen.

In voorschrift 8.1.5 is bepaald dat het verharde gedeelte van de aan- en afvoerroute dient te worden geveegd of gezogen in een zodanige frequentie dat verspreiding van zand, stof of ander fijnkorrelig materiaal buiten de inrichting wordt voorkomen.

Ingevolge voorschrift 8.1.6 moeten transportvoertuigen bij het verlaten van de inrichting schoon zijn.

2.7.3. Naar aanleiding van het beroep van appellant sub 1 merkt de Afdeling allereerst op dat het aspect stofhinder slechts bij de bescherming van het belang van het milieu kan worden betrokken, voorzover geen sprake is van bijzondere gevoeligheid die voortvloeit uit de eigen aard en bedrijfsvoering van het betrokken bedrijf. Met gevolgen die worden veroorzaakt door bijzondere gevoeligheid kan bij de beoordeling van de vergunningaanvraag geen rekening worden gehouden.

Voorzover het de opslag van zand in het depot en het verladen van zand ter plaatse van de winning en het depot betreft, heeft verweerder de vergunning, gelet op onder meer de voorgeschreven omwalling van het depot en de afstand tot de dichtstbijgelegen woningen en andere stofgevoelige objecten, in redelijkheid toereikend kunnen achten ter voorkoming dan wel beperking van stofhinder.

Uit voorschrift 8.1.1 kan naar het oordeel van de Afdeling, mede gelet op de daarin gegeven voorbeelden, voldoende duidelijk worden afgeleid wanneer de desbetreffende maatregelen moeten worden getroffen. Niet is gebleken dat aan dit voorschrift niet kan worden voldaan. Voorts is naar het oordeel van de Afdeling in het kader van de toepassing van voorschrift 8.1.4 voldoende bepaalbaar wanneer de opslag van een zodanige duur is dat de daar genoemde maatregelen aangewezen zijn.

Ten aanzien van de bewegingen voor het transport van zand op de terreinen van de inrichting en soortgelijke bewegingen buiten de inrichting die aan de inrichting kunnen worden toegerekend, overweegt de Afdeling als volgt. Uit de vergunning in combinatie met de aanvraag kan voldoende duidelijk worden afgeleid wat wordt bedoeld met “het verharde gedeelte van de aan- en afvoerroute” in voorschrift 8.1.5, zodat het bestreden besluit in zoverre niet in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel. Gelet op het feit dat in voorschrift 8.1.6 is bepaald dat transportvoertuigen bij het verlaten van de inrichting schoon moeten zijn en nu niet aannemelijk is geworden dat de laadruimtes van transportvoertuigen zodanig zullen worden benut dat stofverspreiding door morsgoed op wegen mogelijk wordt, heeft verweerder de vergunning in redelijkheid toereikend kunnen achten ter voorkoming dan wel beperking van stofhinder tengevolge van het transport van zand.

De desbetreffende beroepsgronden treffen geen doel.

2.8. Appellant sub 1 is bevreesd voor geluidoverlast van verkeer van en naar de inrichting, nu zijn woning is gelegen aan de Schootsedijk, die een belangrijke aan- en afvoerroute is voor het vrachtverkeer. Volgens appellant sub 1 is onvoldoende gemotiveerd waarom overschrijding van de voorkeursgrenswaarde van de circulaire “Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting; beoordeling in het kader van de vergunningverlening op basis van de Wet milieubeheer” (hierna: de circulaire) aanvaardbaar wordt geacht. Appellant sub 2 is bevreesd voor geluidhinder door het optrekken en afremmen van zandtransportwagens.

2.8.1. Verweerder betoogt dat, wat het depot betreft, de vrachtauto’s direct na het verlaten van de inrichting op een verharde weg – de Schootsedijk - komen, die op korte afstand ligt van de provinciale hoofdweg. Hier worden de vrachtwagens volgens verweerder opgenomen in het heersende verkeersbeeld. Voorzover het de winning betreft, gaan de zandauto’s over korte afstand over een zandpad, om vervolgens over een verharde weg naar de provinciale hoofdweg te rijden, om daar opgenomen te worden in het heersende verkeersbeeld.

De geluidbelasting van verkeersbewegingen van en naar de inrichting overschrijdt ter plaatse van de immissiepunten 31 en 32 de voorkeursgrenswaarde van de circulaire met 2 dB, aldus verweerder. Op basis van door de gemeente Sint-Oedenrode verstrekte bouwtekeningen mag er volgens verweerder echter van worden uitgegaan dat het geluidwerend vermogen van de gevels van deze woningen minimaal 20 dB(A) bedraagt, zodat de in de circulaire neergelegde grenswaarde voor het binnenniveau van 35 dB(A) niet wordt overschreden.

2.8.2. Ingevolge voorschrift 2.1.5, voorzover hier van belang, mag het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting op de in bijlage “Geluidimmissiepunten” aangegeven immissiepunten 31 en 32 niet meer bedragen dan:

52 dB(A) tussen 07.00 en 19.00 uur (dagperiode);

ter plaatse van de overige woningen van derden en andere geluidgevoelige bestemmingen mag het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting niet meer bedragen dan 50 dB(A) tussen 07.00 en 19.00 uur dagperiode.

2.8.3. De Afdeling stelt vast dat in voorschrift 2.1.5 voor de immissiepunten 31 en 32 waarden zijn gesteld die liggen boven de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) in de dagperiode.

Ter zitting heeft verweerder betoogd dat, anders dan in voorschrift 2.1.5 is bepaald, ter plaatse van immissiepunt 31 kan worden volstaan met een geluidgrenswaarde van 50 dB(A), aangezien de voorkeursgrenswaarde van de circulaire hier niet wordt overschreden. Gelet hierop is het bestreden besluit, wat voorschrift 2.1.5 betreft, voorzover het betrekking heeft op immissiepunt 31, in strijd met het algemene rechtsbeginsel dat een besluit zorgvuldig moet worden genomen.

Wat immissiepunt 32 betreft heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat voorschrift 2.1.5 toereikend is, nu blijkens de stukken de voorkeursgrenswaarde ter plaatse van deze woning met 2 dB wordt overschreden, maar aan de in de circulaire aanbevolen binnenwaarde van 35 dB(A) kan worden voldaan. De Afdeling overweegt voorts dat ter plaatse van de woningen van appellanten ingevolge voorschrift 2.1.5 een waarde conform de voorkeursgrenswaarde geldt en dat blijkens de stukken aan deze waarde kan worden voldaan. Gelet hierop heeft verweerder deze waarden in redelijkheid toereikend kunnen achten. De desbetreffende beroepsgronden treffen geen doel.

2.9. Appellant sub 2 voert aan dat verweerder ten onrechte meent dat geen beoordeling behoeft te worden verricht ten aanzien van schrik- dan wel (andere) onverwachte reacties die volgens hem bij paarden zullen worden teweeggebracht door geluiden van de spuitleiding en de transportbewegingen. Appellant sub 2 betoogt voorts dat verweerder ten onrechte niet heeft gereageerd op zijn bedenking inzake geluidhinder in het betrokken buitengebied voor recreërende en rustgenietende personen.

2.9.1. Verweerder betoogt dat de geluidbelasting van de spuitmond en alle overige binnen de inrichting in werking zijnde bronnen op juiste wijze in het akoestisch onderzoek zijn betrokken. Verweerder overweegt verder dat hij binnen het kader van de Wet milieubeheer ten aanzien van het aspect geluid slechts bescherming behoeft te bieden aan geluidgevoelige bestemmingen en objecten, en niet aan recreatiegebieden en dieren. Voorts stelt verweerder dat, nu geluidgrenswaarden zijn gesteld ter plaatse van de dichtstbijgelegen woningen van derden, verder weggelegen geluidgevoelige objecten niet nog eens separaat behoefden te worden getoetst.

2.9.2. De Afdeling stelt voorop dat verweerder op p. 13 van het bestreden besluit, onder Ad e.3, zijn overwegingen omtrent de bedenking van appellant sub 2 inzake geluidhinder voor recreërende personen heeft vermeld, zodat het bestreden besluit in zoverre niet in strijd is met artikel 3:27 van de Algemene wet bestuursrecht.

Verweerder heeft voor de beoordeling van geluidhinder vanwege de inrichting zelve de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening gehanteerd. De Handreiking beveelt aan om in de meeste gevallen te volstaan met het stellen van geluidgrenswaarden ter plaatse van geluidgevoelige bouwwerken. Hetgeen appellant sub 2 heeft aangevoerd kan niet leiden tot de conclusie dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geluidgrenswaarden ten aanzien van paarden dan wel recreërende personen niet noodzakelijk zijn.

Het vorenstaande laat onverlet dat het voorkomen van gevaar of hinder, teweeggebracht door het als gevolg van het in werking zijn van de inrichting optreden van schrikreacties bij paarden, een belang is waarop de Wet milieubeheer betrekking heeft. Op basis van de stukken, waaronder het verslag van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak, en het verhandelde ter zitting, is echter niet aannemelijk geworden dat in het onderhavige geval schrikreacties bij paarden kunnen optreden. Verweerder heeft zich dan ook op goede gronden op het standpunt gesteld dat het niet nodig is in zoverre nadere voorschriften aan de vergunning te verbinden.

De desbetreffende beroepsgronden treffen geen doel.

2.10. Appellant sub 2 betoogt dat de zandtransporten een onacceptabel beslag leggen op de capaciteit van de kleine weggetjes te plaatse, waardoor deze wellicht moeten worden aangepast en beschadigd raken, en andere weggebruikers zich niet veilig zullen weten. Dit beslag kan volgens appellant sub 2 niet enkel worden opgelost met maatregelen in de zin van de Wegenverkeerswet, aangezien de Paardebloem tevens de aanrijroute naar een manege vormt.

2.10.1. Verweerder betoogt dat hinder voor andere weggebruikers een verkeersveiligheidsaspect is, dat buiten het kader van de Wet milieubeheer valt.

2.10.2. Voorzover appellant sub 2 aanvoert dat het in werking zijn van de inrichting zal leiden tot verkeersonveilige situaties in de omgeving, heeft deze beroepsgrond geen betrekking op het belang van de bescherming van het milieu in de zin van artikel 8.10 van de Wet milieubeheer en treft deze reeds om die reden geen doel.

Wat het aspect belemmering van het verkeer betreft, overweegt de Afdeling dat de Wegenverkeerswet hier het primaire toetsingskader biedt. Appellant sub 2 heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het verkeer van en naar de inrichting zodanige gevolgen voor de doorstroming van het (overige) verkeer met zich brengt, dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat in het kader van de onderhavige vergunning aanvullend op eventuele maatregelen krachtens de wegenverkeerswetgeving geen voorschriften nodig zijn.

De desbetreffende beroepsgronden treffen geen doel.

2.11. Appellant sub 2 betoogt dat, gelet op de dimensionering van de voorgeschreven wal, voor de aanleg hiervan wellicht specie van buiten de inrichting moet worden aangevoerd. Hij vreest dat hierdoor verontreinigingen optreden, in het bijzonder van het grond- en slootwater, die door kwelwater bovendien in de omgeving worden verspreid. Aanvoer van gebiedsvreemde specie is volgens appellant sub 2 tevens strijdig met de gebiedsaanwijzing tot struweelvogelgebied in het kader van de Ecologische Hoofdstructuur. Voorts stelt appellant sub 2 dat bij het terugbrengen van het depotterrein in de oude staat grote verliezen zullen optreden door vermenging van de omwalling met zand, hetgeen landbouwgrond van een andere dan de oorspronkelijke samenstelling zal opleveren. Appellant sub 2 betoogt dat hij speciaal belang heeft bij oplevering van het terrein in de oorspronkelijke staat, aangezien de kans groot is dat het terrein via ruilverkaveling uiteindelijk aan hem zal worden toebedeeld.

2.11.1. Verweerder betoogt in de eerste plaats niet te onderschrijven dat de dimensionering van de wal zodanig zal zijn als appellant sub 2 stelt. Voorts stelt verweerder dat in de aanvraag is aangegeven dat de omwalling zal worden opgetrokken uit aarde afkomstig uit de inrichting. Hetgeen appellant aanvoert met betrekking tot een eventuele eigendomsverkrijging na de ruilverkaveling, is volgens verweerder in het kader van deze procedure niet relevant.

2.11.2. Blijkens de stukken, waaronder het verslag van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak, zal voor de aanleg van de omwalling méér grond nodig zijn dan van het perceel kan worden afgegraven. De vergunning sluit niet uit dat voor de aanleg ook andere grond wordt gebruikt. Nu deze grond moet voldoen aan het Bouwstoffenbesluit, heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het risico voor grondwater- en bodemverontreiniging in zoverre voldoende beperkt is.

Blijkens de stukken, waaronder het verslag van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak, kan niet worden uitgesloten dat bij het vlakschuiven van de wal vermenging van de ondergrond met zand dan wel structuurverlies van de ondergrond optreedt, maar zijn deze gevolgen herstelbaar. Naar het oordeel van de Afdeling kan niet in redelijkheid worden gesteld dat sprake is van zodanige nadelige gevolgen dat verweerder in verband hiermee de gevraagde vergunning had moeten weigeren dan wel nadere voorschriften aan de vergunning had moeten verbinden.

De desbetreffende beroepsgronden treffen geen doel.

2.12. Appellant sub 2 betoogt voorts dat vanuit het depot zoals vergund een kwelstroom onvermijdelijk is, waardoor de grond in de kwelzone moeilijker berijdbaar wordt en de bodemtemperatuur lager wordt, hetgeen invloed heeft op de plantengroei. Naar de mening van appellant sub 2 had moeten worden voorgeschreven dat de aarden wal van het depot aan de binnenzijde met plastic wordt bekleed. Verweerder heeft volgens appellant sub 2 ten onrechte niet inhoudelijk op zijn bedenking dienaangaande gereageerd.

2.12.1. Verweerder betoogt dat de praktijk voldoende heeft aangetoond dat een goede retourpomping van het water uit het depot naar de winning het door appellant sub 2 gevreesde probleem voorkomt. Voorts zal er door de beperkte opslaghoogte geen sprake zijn van grote druk op de bodem, zodat in de omgeving dan ook geen kwelwater vrijkomen tengevolge van eventuele druk op het water in de ondergrond, aldus verweerder.

2.12.2. Uit de stukken, waaronder het verslag van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak, blijkt dat zich door bezinking een laag slib/fijn zand in het depot zal vormen die het water slechts gematigd doorlaat, waardoor slechts een beperkte hoeveelheid water in de bodem zal dringen en het grootste deel van het water kan worden teruggepompt naar de winlocatie. Naar het oordeel van de Afdeling kan niet in redelijkheid worden gesteld dat de aldus resterende hoeveelheid water een zodanige invloed zal hebben op de grondwaterstand in de omgeving dat verweerder in verband hiermee de gevraagde vergunning had moeten weigeren dan wel nadere voorschriften aan de vergunning had moeten verbinden. De desbetreffende beroepsgrond treft geen doel.

2.13. Voorzover appellanten aanvoeren dat de inrichting op een andere locatie gevestigd zou moeten worden, overweegt de Afdeling dat verweerder is gehouden op grondslag van de aanvraag te beoordelen of voor de in die aanvraag genoemde locatie vergunning kan worden verleend. Of een andere locatie meer geschikt is voor vestiging van de inrichting speelt hierbij geen rol. De beroepsgrond treft geen doel.

2.14. Appellant sub 2 betoogt dat voor het afgraven van grond, ter plaatse van het perceel van het depot, ten behoeve van de aanleg van de omwalling een vergunning krachtens de Ontgrondingenwet is vereist. Nu deze vergunning niet is verleend, heeft verweerder naar zijn mening gehandeld in strijd met artikel 8.9, in samenhang met artikel 13.1, tweede lid, van de Wet milieubeheer.

De Afdeling stelt vast dat vergunninghoudster voor de desbetreffende afgraving niet over een vergunning krachtens de Ontgrondingenwet beschikt. Daargelaten of voor deze afgraving een vergunning krachtens de Ontgrondingenwet is vereist, overweegt de Afdeling dat artikel 3, eerste lid, van de Ontgrondingenwet niet kan worden aangemerkt als regel die met betrekking tot de inrichting geldt als bedoeld in artikel 8.9 van de Wet milieubeheer, zodat van strijd met laatstgenoemd artikel in zoverre geen sprake kan zijn. De desbetreffende beroepsgrond treft geen doel.

2.15. De beroepen zijn derhalve gedeeltelijk gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd, voorzover het voorschrift 2.1.5 betreft, voorzover dit betrekking heeft op immissiepunt 31. De Afdeling zal op de hierna te melden wijze in de zaak voorzien en bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

2.16. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen van appellant sub 1 en appellant sub 2 gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 19 maart 2002, kenmerk 820999, voorzover het voorschrift 2.1.5 betreft, voorzover dit betrekking heeft op immissiepunt 31;

III. bepaalt dat voorschrift 2.1.5 als volgt komt te luiden:

2.1.5

Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting mag op het in bijlage “Geluidimmissiepunten” aangegeven immissiepunt 32 niet meer bedragen dan:

52 dB(A) tussen 07.00 en 19.00 uur (dagperiode);

ter plaatse van de overige woningen van derden en andere geluidgevoelige bestemmingen mag het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting niet meer bedragen dan 50 dB(A) tussen 07.00 en 19.00 uur dagperiode.

Het beoordelen, meten en berekenen hiervan dient plaats te vinden conform het Reken- en meetvoorschrift verkeerslawaai. Het emissiegetal (rekenmethode I) of de emissieterm (rekenmethode II) moet zijn gebaseerd op een representatieve weergave van het bronvermogenniveau. De aftrek op grond van artikel 103 van de Wet geluidhinder mag niet worden toegepast.;

IV. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit voorzover dit is vernietigd;

V. verklaart de beroepen voor het overige ongegrond;

VI. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant in de door appellant sub 1 in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 690,57, waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, alsmede in de door appellant sub 2 gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1.165,75, waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; de bedragen dienen door de provincie Noord-Brabant te worden betaald aan appellanten;

VII. gelast dat de provincie Noord-Brabant aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 109,00 voor appellant sub 1 en € 109,00 voor appellant sub 2) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, Voorzitter, en mr. J.R. Schaafsma en mr. M. Oosting, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Kuipers, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Kuipers

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2003

271.