Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AH9396

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-07-2003
Datum publicatie
09-07-2003
Zaaknummer
200201802/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat, in overeenstemming met de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, (hierna te noemen: de Staatssecretaris) heeft op grond van artikel 15, eerste lid, van de Tracéwet op 12 maart 2002 vastgesteld het Tracébesluit Zandmaas/Maasroute (hierna te noemen: het tracébesluit).

Wetsverwijzingen
Tracéwet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2005/220
M en R 2003, 146K

Uitspraak

200201802/1.

Datum uitspraak: 9 juli 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. de stichting “Stichting Waterscouting Roermond”, gevestigd te Roermond, (hierna te noemen: Stichting Waterscouting Roermond),

2. [appellante sub 2], wonend te [woonplaats],

3. [appellante sub 3], wonend te [woonplaats],

4. [appellant sub 4], wonend te [woonplaats],

5. [appellant sub 5], wonend te [woonplaats],

6. het dagelijks bestuur van het Waterschap Roer en Overmaas, gevestigd te Sittard,

7. [appellant sub 7], wonend te [woonplaats],

8. [appellante sub 8], wonend te [woonplaats],

9. het college van burgemeester en wethouders van Cuijk,

10. de besloten vennootschap “De Maasterp BV”, gevestigd te Heijen, en de besloten vennootschappen “Schroevendaalse Plas BV” en “Dilkensplas BV” (hierna te noemen: De Maasterp BV en andere),

11. [appellant sub 11], wonend te [woonplaats], en anderen,

12. [appellante sub 12] gevestigd te [plaats], en andere,

13. de stichting “Stichting Ruimte”, gevestigd te Roermond (hierna te noemen: Stichting Ruimte),

14. [appellant sub 14], wonend te [woonplaats],

15. de besloten vennootschap “Essent Netwerk Limburg B.V.” gevestigd te Landgraaf (hierna te noemen: Essent Netwerk B.V.),

16. [appellant sub 16, wonend te [woonplaats], en andere,

17. [appellant sub 17], wonend te [woonplaats],

18. het college van burgemeester en wethouders en de raad van de gemeente Beuningen,

19. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid “Océ-Technologies B.V.”, gevestigd te Venlo (hierna te noemen: Océ-Technologies B.V.),

20. het college van burgemeester en wethouders van Maasbree,

21. [appellanten sub 21], wonend te [woonplaats], en andere,

22. [appellante sub 22], wonend te [woonplaats],

23. het Recreatieschap Nijmegen en omstreken, gevestigd te Nijmegen,

24. [appellant sub 24], wonend te [woonplaats],

25. [appellant sub 25], wonend te [woonplaats],

26. [appellant sub 26], wonend te [woonplaats],

27. [appellant sub 27], gevestigd te [plaats],

28. [appellant sub 28], gevestigd te [plaats],

29. [appellant sub 29], wonend te [woonplaats],

30. [appellant sub 30] wonend te [woonplaats], en anderen,

31. [appellant sub 31], wonend te [woonplaats], en andere,

32. [appellante sub 32], wonend te [woonplaats],

33. [appellanten sub 33], wonend te [woonplaats], en andere,

34. [appellant sub 34],

35. [appellant sub 35], wonend te [woonplaats],

36. [appellant sub 36], wonend te [woonplaats],

37. [appellant sub 37], wonend te [woonplaats],

38. de stichting “Stichting Afdelingscommissie Belletable”, gevestigd te Venlo (hierna te noemen: Stichting Afdelingscommissie Belletable),

39. de vereniging “Watersportvereniging “De Maas””, gevestigd te Venlo (hierna te noemen: Watersportvereniging “De Maas”),

40. het college van burgemeester en wethouders van Arcen en Velden,

41. het dagelijks bestuur van het Waterschap de Aa, gevestigd te Boxtel,

42. de vereniging zonder rechtspersoonlijkheid “Buurtvereniging Voulwames”, gevestigd te Bunde (hierna te noemen: Buurtvereniging Voulwames),

43. de besloten vennootschappen “Camping Eldorado Mook BV”, gevestigd te Mook en Middelaar, en “Jachthaven Eldorado Mook BV” (hierna te noemen: Camping Eldorado Mook B.V. en andere),

44. [appellanten sub 44], wonend te [woonplaats], en andere,

45. [appellant sub 45], wonend te [woonplaats],

46. [appellant sub 46], wonend te [woonplaats], en andere,

47. [appellant sub 47], wonend te [woonplaats],

48. de besloten vennootschappen “Rekreatiepark Leukermeer B.V.”, gevestigd te Well, en “Groepsaccommodatie/Waterrecreatie Bergerheide B.V.“ (hierna te noemen: Rekreatiepark Leukermeer B.V. en andere),

49. [appellant sub 49], wonend te [woonplaats],

50. [appellant sub 50], wonend te [woonplaats],

51. [appellant sub 51], wonend te [woonplaats],

52. de stichting “Stichting Leefbaar Geulle aan de Maas”, gevestigd te Geulle (hierna te noemen: Stichting Leefbaar Geulle aan de Maas),

53. de vereniging “Buurtvereniging St. Johannes Nepomucenus Ool”, gevestigd te Ool (hierna te noemen: Buurtvereniging St. Johannes Nepomucenus Ool),

54. [appellant sub 54], wonend te [woonplaats],

55. [appellant sub 55], wonend te [woonplaats],

56. [appellant sub 56], wonend te [woonplaats], en andere,

57. [appellant sub 57], wonend te [woonplaats],

58. het college van burgemeester en wethouders van Heel,

59. het college van burgemeester en wethouders van Bergen,

60. het college van burgemeester en wethouders van Stein,

61. [appellante sub 61, gevestigd te [plaats],

62. de dijkstoel van het Waterschap de Maaskant, gevestigd te Oss,

63. het college van burgemeester en wethouders van Haelen,

64. het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen,

65. het algemeen bestuur van het Waterschap Peel en Maasvallei, gevestigd te Venlo,

66. [appellant sub 66], wonend te [woonplaats],

67. [appellant sub 67], wonend te [woonplaats],

68. [appellant sub 68], wonend te [woonplaats],

69. [appellant sub 69], wonend te [woonplaats],

70. [appellant sub 70], wonend te [woonplaats],

71. [appellant sub 71], wonend te [woonplaats], en andere,

72. [appellant sub 72, wonend te [woonplaats], en anderen,

73. [appellant sub 73], wonend te [woonplaats], en andere,

74. [appellant sub 74], wonend te [woonplaats],

75. het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

76. het college van burgemeester en wethouders van Maasdriel,

77. het college van burgemeester en wethouders van Roermond,

78. het college van burgemeester en wethouders van Meerssen,

79. [appellante sub 79], gevestigd te [plaats],

80. het dagelijks bestuur van het Waterschap de Dommel, gevestigd te Boxtel,

81. [appellante sub 81], gevestigd te [plaats],

82. [appellant sub 82], gevestigd te [plaats],

83. [appellant sub 83], wonend te [woonplaats],

84. [appellant sub 84], wonend te [woonplaats],

85. [appellant sub 85], wonend te [woonplaats],

86. de besloten vennootschap “Steelhaven B.V.”, gevestigd te Roermond (hierna te noemen: Steelhaven B.V.),

87. de stichting “Stichting Lomm Actief”, gevestigd te Lomm, de stichting “Stichting Milieufederatie Limburg”, de stichting “Stichting Het Limburgs Landschap”, de vereniging “Vereniging voor Natuurmonumenten” en de vereniging “Natuur en Milieuvereniging Strix Aluco” (hierna te noemen: Stichting Lomm Actief en andere),

88. [appellant sub 88], wonend te [woonplaats],

89. [appellant sub 89], wonend te [woonplaats], en andere,

90. de stichting “Stichting Beheer Osen”, gevestigd te Oosterbeek (hierna te noemen: Stichting Beheer Osen),

91. [appellant sub 91], wonend te [woonplaats], en andere,

92. [appellant sub 92], gevestigd te [plaats],

93. [appellant sub 93], wonend te [woonplaats],

94. [appellant sub 94], gevestigd te [plaats],

95. [appellant sub 95], wonend te [woonplaats],

96. [appellant sub 96], wonend te [woonplaats],

97. [appellant sub 97], wonend te [woonplaats],

98. [appellant sub 98], gevestigd te [plaats],

99. [appellant sub 99], wonend te [woonplaats],

100. [appellant sub 100], wonend te [woonplaats],

101. [appellant sub 101], wonend te [woonplaats],

102. [appellant sub 102], wonend te [woonplaats],

103. de verenigingen “Zuidelijke Land- en tuinbouworganisatie”, gevestigd te Tilburg, en “Gewestelijke Land- en tuinbouworganisatie” (hierna te noemen: de ZLTO en GLTO)

appellanten,

en

1. de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat, in overeenstemming

met de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en

Milieubeheer,

2. provinciale staten van Limburg,

verweerders.

1. Procesverloop

De Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat, in overeenstemming met de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, (hierna te noemen: de Staatssecretaris) heeft op grond van artikel 15, eerste lid, van de Tracéwet op 12 maart 2002 vastgesteld het Tracébesluit Zandmaas/Maasroute (hierna te noemen: het tracébesluit).

Bij besluit van 1 februari 2002 hebben provinciale staten van Limburg (hierna te noemen: provinciale staten) vastgesteld het Provinciaal Omgevingsplan Limburg, Aanvulling Zandmaas (hierna te noemen: het streekplan).

Appellanten hebben beroep ingesteld tegen het tracébesluit en/of het streekplan.

Bij brief van 30 september 2002 hebben de Staatssecretaris en provinciale staten een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 28 november 2002. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11, 14, 18 en 21 maart 2003, waar appellanten in persoon zijn verschenen of zich hebben doen vertegenwoordigen. Appellanten De Maasterp BV en andere, Buurtvereniging St. Johannes Nepomucenus Ool, [appellant sub 17], [appellanten sub 54], [appellant sub 37], [appellante sub 3], [appellanten sub 47], Stichting Waterscouting Roermond, [appellante sub 81], Essent Netwerk B.V., [appellant sub 92], het college van burgmeester en wethouders van Haelen, [appellant sub 83], het college van burgemeester en wethouders van Maasbree, [appellant sub 36], [appellanten sub 33], [appellante sub 22], [appellanten sub 21], Océ-Techologies B.V., [appellant sub 82], [appellanten sub 71] , [appellant sub 28], [appellant sub 93], [appellant sub 27], [appellant sub 95], [appellant sub 26], [appellanten sub 73]r, [appellant sub 5], [appellant sub 25], [appellant sub 34], [appellant sub 24], [appellant sub 85], [appellant sub 102], [appellanten sub 46], [appellant sub 84], [appellant sub 100], [appellant sub 29], het college van burgemeester en wethouders van Maasdriel en [appellant sub 45] zijn, al dan niet met bericht van verhindering, niet verschenen. Ook de Staatssecretaris en provinciale staten hebben zich doen vertegenwoordigen.

2. Overwegingen

2.1. Doelstelling van het project

2.1.1. Bij uitwerking van het project Zandmaas/Maasroute worden drie doelen nagestreefd: hoogwaterstandsverlaging, vaarwegverbetering en in beperkte mate natuurontwikkeling. Deze hoofddoelen zijn deels in het tracébesluit en deels in het streekplan uitgewerkt.

Alle te nemen maatregelen voor verbetering van de scheepvaartroute zijn opgenomen in het tracébesluit. De maatregelen voor het bereiken van de hoogwaterstandsverlaging en natuurontwikkeling zijn slechts ten dele opgenomen in het tracébesluit. De overige maatregelen zijn in het streekplan opgenomen. Met deze maatregelen, zoals opgenomen in het tracébesluit en in het streekplan, wordt in het Zandmaasgebied ongeveer 95% van de beschermingsdoelstelling gerealiseerd en voor natuurontwikkeling is voorzien in een oppervlak van 570 ha.

2.2. Gevoegde behandeling en opzet van de uitspraak

2.2.1. Gelet op de samenhang tussen het tracébesluit en het streekplan, zoals onder 2.1.1. weergegeven, als gevolg waarvan ook een aantal beroepschriften is gericht tegen zowel het tracébesluit als het streekplan, ziet de Afdeling aanleiding toepassing te geven aan artikel 8:14 van de Algemene wet bestuursrecht. De beroepen tegen het tracébesluit en het streekplan worden gevoegd behandeld. In de uitspraak komt dit tot uitdrukking doordat bij ieder beroepschrift is aangegeven of dit is gericht tegen het tracébesluit, tegen het streekplan of tegen beide.

Deze uitspraak is voorts als volgt opgezet. Na algemene overwegingen met betrekking tot het tracébesluit en het streekplan is een aantal algemene overwegingen naar aanleiding van bezwaren, die meermalen naar voren zijn gebracht, opgenomen. Voorts worden de bezwaren behandeld die betrekking hebben op meerdere tracédelen. Tenslotte worden de aangevoerde bezwaren ten aanzien van één tracédeel behandeld, waarbij zoveel mogelijk een volgorde van zuid naar noord wordt aangehouden, beginnend bij Limmel (tracédeel 3) en eindigend bij Hedel (tracédeel 13).

Aangezien de algemene aspecten van de bezwaren worden behandeld in het algemene deel van deze uitspraak, wordt als uitgangspunt genomen dat deze aspecten niet wederom behandeld worden bij de beroepen per tracédeel. Daar wordt waar nodig verwezen naar het algemene deel. Dit is slechts anders indien in de omstandigheden van het concrete geval aanleiding wordt gevonden aanvullend in te gaan op een zodanig bezwaar.

2.3. Het tracébesluit

2.3.1. In de jaren negentig zijn verkenningen gedaan naar de modernisering van de Maas als vaarweg, in samenhang met het Maas-Waalkanaal, het Lateraalkanaal en het Julianakanaal. Doel hiervan was om te bezien op welke wijze de Maas geschikt zou kunnen worden gemaakt voor tweebaksduwstellen en grotere schepen (deelproject Maasroute). Na de modernisering kan de Maasroute een volwaardig onderdeel worden van het Europese vaarwegennet waar het deel van uitmaakt. De plannen voor verbetering van de vaarweg zijn in 1995 gecombineerd met de plannen voor de verbetering van de hoogwaterbescherming tot het project Zandmaas/Maasroute. Niet alleen richten de plannen zich op hetzelfde gebied, ook inhoudelijk vertonen zij samenhang en onderlinge afhankelijkheid.

In het standpunt van de Staatssecretaris met betrekking tot het project Zandmaas/Maasroute dat in het kader van de tracéwetprocedure op 9 oktober 2000 aan de Tweede Kamer van de Staten-Generaal is gezonden wordt voor het deelproject Zandmaas een onderscheid gemaakt tussen een pakket maatregelen waarvoor thans gelden beschikbaar zijn (Pakket I) en een pakket maatregelen waarvoor nog geen gelden beschikbaar zijn, waarbij het gaat om extra waterstandsverlagende en natuurontwikkelingsmaatregelen (Pakket II).

2.3.2. Het tracébesluit omvat een pakket maatregelen, waarmee wordt beoogd:

- het verbeteren van het traject Weurt-Ternaaien van de Maasroute tot klasse

Vb waarbij de vaarroute minimaal geschikt is voor schepen met een

diepgang van 3,5 meter,

- het gedeeltelijk realiseren van een beschermingsniveau langs de onbedijkte

Maas van 1:250 achter de kaden,

- en het gedeeltelijk realiseren van natuurontwikkeling langs de Maas.

De concrete maatregelen met betrekking tot het deelproject Maasroute betreffen onder meer de aanpassing van sluizen, bruggen en kolken, het verbreden van het Julianakanaal en peilopzet.

De concrete maatregelen met betrekking tot het deelproject Zandmaas betreffen onder meer zomerbedverdieping, aanleg van hoogwatergeulen, aankoop oeverstroken, realiseren van bergingslocaties en peilopzet.

2.3.3. Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de Tracéwet, voor zover hier relevant, stelt de Minister van Verkeer en Waterstaat, in overeenstemming met de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, het tracé vast onder opgave van redenen en met een toelichting op dat tracé.

Het zesde lid bepaalt dat, voor zover het tracébesluit in strijd is met een bestemmingsplan, het tracébesluit geldt als vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening.

Ingevolge het negende lid is de gemeenteraad verplicht binnen een jaar nadat het tracébesluit onherroepelijk is geworden het bestemmingsplan overeenkomstig het tracébesluit vast te stellen of te herzien.

Ingevolge het eerste lid van artikel 20 van de Tracéwet, voor zover hier relevant, dient de Minister van Verkeer en Waterstaat, indien voor de aanleg van een hoofdvaarweg als bedoeld in artikel 2 bij of krachtens de wet een vergunning van een orgaan van een provincie, van een regionaal openbaar lichaam, van een gemeente, van een Waterschap of enig ander publiekrechtelijk lichaam, niet zijnde het Rijk, is vereist met betrekking tot de inrichting of het gebruik van grond, daaronder begrepen water, welke is benodigd voor die aanleg of wijziging, de aanvraag niet eerder in dan twee jaren voorafgaande aan het tijdstip waarop blijkens het meerjarig uitvoeringsprogramma, bedoeld in artikel 18, eerste lid, met die aanleg of wijziging zal worden begonnen.

Ingevolge het tweede lid van artikel 20 van de Tracéwet bevordert de Minister van Verkeer en Waterstaat een gecoördineerde voorbereiding van de besluiten op de aanvragen om de vergunningen en van de overige ambtshalve te nemen besluiten met het oog op de uitvoering van het besluit.

Het twaalfde lid, voor zover hier relevant, bepaalt dat, indien tegen het ontwerp van een in het eerste lid bedoeld besluit bedenkingen naar voren kunnen worden gebracht, deze bedenkingen geen grond kunnen vinden in bedenkingen tegen het tracébesluit.

Ingevolge artikel 25c van de Tracéwet, voor zover hier relevant, kan, indien tegen een in artikel 20, tweede lid, bedoeld besluit beroep kan worden ingesteld, dat beroep geen grond vinden in bedenkingen tegen het tracébesluit.

2.3.4. De Afdeling stelt vast dat sedert de wijziging van de Tracéwet van 6 september 2000 (Stb. 396), in werking getreden op 15 oktober 2000, geen nadere planologische besluitvorming nodig is alvorens tot uitvoering van een tracébesluit over te gaan. Derhalve kunnen, eventueel met toepassing van artikel 20, tweede lid, van de Tracéwet, vergunningen worden aangevraagd en verleend, en kan met de aanleg van het tracé worden begonnen. Nu het tracébesluit geldt als uitvoeringsbesluit, is de Afdeling van oordeel dat het ook als zodanig moet worden getoetst. In dit verband is tevens van belang dat, gelet op het bepaalde in artikel 20, twaalfde lid, en artikel 25c van de Tracéwet, de bedenkingen dan wel beroepen tegen de in artikel 20, eerste lid, bedoelde vergunningen niet hun grondslag kunnen vinden in bedenkingen tegen het tracébesluit.

Dit neemt overigens niet weg dat, zoals ook uit de ontstaansgeschiedenis van de wijziging van de Tracéwet (Kamerstukken II, 1998/1999, 26 343, nr. 3, p. 10 en p. 14) blijkt, in ieder geval tegen de in evenbedoelde vergunningen opgenomen voorschriften voor zover die niet in het tracébesluit zelf aan de orde zijn geweest bedenkingen kunnen worden ingebracht dan wel beroep kan worden ingesteld.

Gelet op het vorenstaande zal de Afdeling bij de beoordeling van de individuele beroepen steeds bezien in hoeverre de in het tracébesluit voorziene maatregelen in redelijkheid in het tracébesluit hadden kunnen worden opgenomen.

2.3.5. Ten aanzien van eventueel optredende schade heeft de Staatssecretaris in onderdeel 9 (Rechtsbescherming en schaderegeling) van het tracébesluit gewezen op de Regeling Nadeelcompensatie Verkeer en Waterstaat 1999.

2.4. Het streekplan

2.4.1. Het streekplan vormt de nadere invulling van het beleid voor het noordelijke Maasdal. Met het streekplan wordt uitvoering mogelijk gemaakt van de ingrepen ter bescherming tegen hoogwater en enkele natuurontwikkelingsprojecten. De volgende ingrepen komen aan bod:

- kadeaanleg bij de bevolkingsconcentraties Roermond, Venlo en Gennep-

Middelaar;

- realisatie van het retentiegebied Lateraalkanaal west voor

vasthouden van water tijdens hoge afvoeren;

- realisatie van een beperkte natuurontwikkeling in de vorm van een

natuurlijke afwerking van de aangelegde hoogwatergeulen, de gerealiseerde

weerdverlagingen en de uitvoering van activiteiten gericht op de

totstandkoming van natuurlijke oevers, het natuurontwikkelingsgebied

Heukelomse beek en de aankoop van gronden voor nevengeulen.

2.4.2. Ingevolge artikel 4a, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, voor zover hier van belang, kunnen provinciale staten voor één of meer gedeelten of voor het gehele gebied der provincie een streekplan vaststellen, waarin de toekomstige ontwikkeling van het in het plan begrepen gebied in hoofdlijnen wordt aangegeven, alsmede een vastgesteld streekplan herzien.

Ingevolge artikel 54, tweede lid, aanhef en onder a, voor zover hier van belang, gelezen in samenhang met artikel 56, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening kan door eenieder beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State worden ingesteld tegen een concrete beleidsbeslissing, een herziening of een intrekking daarvan, opgenomen in een streekplan.

Ingevolge artikel 1 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening wordt onder een concrete beleidsbeslissing verstaan een als zodanig door het bestuursorgaan aangegeven besluit in een planologische kernbeslissing, een streekplan of een regionaal structuurplan.

Ingevolge artikel 7, derde lid, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 wordt in een streekplan een concrete beleidsbeslissing als zodanig in de tekst of op de kaart benoemd en herkenbaar aangegeven.

Uit deze bepalingen volgt dat de Afdeling met betrekking tot een vastgesteld of herzien streekplan slechts bevoegd is te oordelen over beroepen die zijn gericht tegen daarin vervatte concrete beleidsbeslissingen. Indien een beroep is gericht tegen een niet door het bestuursorgaan als concrete beleidsbeslissing aangegeven onderdeel van een streekplan, is het niet gericht tegen een concrete beleidsbeslissing in de zin van artikel 1 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening; de Afdeling is onbevoegd van zo’n beroep kennis te nemen.

Indien een beroep ertoe strekt dat een beleidsuitspraak van het bestuursorgaan dat een streekplan kan vaststellen als een concrete beleidsbeslissing in een streekplan had moeten worden opgenomen, moet dit beroep worden opgevat als een beroep tegen een weigering om een concrete beleidsbeslissing te nemen. De Afdeling overweegt daaromtrent dat uit de ontstaansgeschiedenis van artikel 1 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (Kamerstukken II, 1996/1997, 25 311, nr. 3, p. 13-15 en nr. 6, p. 43-45) blijkt dat de wetgever de bevoegdheid om te beslissen welke beleidsuitspraken als een concrete beleidsbeslissing moeten worden gezien, bewust uitsluitend aan het bestuursorgaan dat het plan vaststelt, heeft willen toekennen. Daarmee werd beoogd te voorkomen dat een rechter in beroep aan beleidsuitspraken de status van “concrete beleidsbeslissing” zou kunnen toekennen, waar het vaststellend bestuursorgaan niet voor die status heeft gekozen. In verband hiermee is de beroepsmogelijkheid inzake de vaststelling of herziening van een streekplan uitdrukkelijk beperkt tot de in dit plan door het bestuursorgaan als zodanig aangegeven concrete beleidsbeslissingen. Alle overige onderdelen van een streekplan zijn op de bij artikel 8:5 van de Algemene wet bestuursrecht behorende zogenoemde negatieve lijst geplaatst en daarmee van de mogelijkheid tot het instellen van beroep uitgesloten.

Voor zover ingevolge artikel 6:2 van de Algemene wet bestuursrecht de schriftelijke weigering om een besluit te nemen voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep met een besluit wordt gelijkgesteld, overweegt de Afdeling dat dit artikel ten aanzien van de weigering om een concrete beleidsbeslissing te nemen, toepassing mist. Toepassing van artikel 6:2, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht, stuit af op de hiervoor gebleken bedoeling van de wetgever bij de totstandkoming van de artikelen 1 en 54, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. Dit betekent dat de uitzondering van de concrete beleidsbeslissing in de negatieve lijst beperkt dient te worden opgevat. Deze heeft geen betrekking op de weigering een concrete beleidsbeslissing te nemen.

Indien derhalve een beroep is gericht tegen een weigering om een concrete beleidsbeslissing te nemen, is de Afdeling onbevoegd van zo’n beroep kennis te nemen.

Nu de rechtbank op grond van artikel 8:5 van de Algemene wet bestuursrecht evenmin bevoegd is om als administratieve rechter kennis te nemen van dergelijke beroepen, worden deze beroepen niet met toepassing van artikel 6:15 van deze wet doorgezonden.

2.4.3. In het streekplan zijn de volgende concrete beleidsbeslissingen opgenomen:

* De provincie besluit kaden en in- en uitlaatwerken aan te leggen voor het functioneren van het retentiegebied Lateraalkanaal west conform de in dit POL Zandmaas beschreven richtlijnen (tabel 3.1) en zoals op kaart 6 en 7 van de Kaartenatlas POL Zandmaas is weergegeven.

* Voor Roermond:

Gelet op de overwegingen zoals deze in de hoofdstukken 1, 2 en 3 van dit kadeplan zijn opgenomen wijst de provincie trajecten aan voor de aanleg en/of verhoging van kaden. De provincie stelt daarbij ook vast: de hoogte van de kaden ten opzichte van het Normaal Amsterdams Peil (NAP), het type constructie, het maximale ruimtebeslag en eventuele andere randvoorwaarden. De trajecten die aangewezen worden, zijn weergegeven in:

- voor de kadetracés: het ruimtebeslag zoals dat is weergegeven op kaartbladen 10 en 11, Kaartenatlas POL Zandmaas;

- voor de nieuwe kadehoogten ten opzichte van NAP: de tabellen 3.1 tot en met 3.7, inclusief de bijbehorende beschrijvende teksten in de paragrafen 3.1 tot en met 3.5;

- voor de constructietypen: de constructietypen zoals weergegeven op de kaartbladen 10 en 11, Kaartenatlas POL Zandmaas en de tabellen 3.1 tot en met 3.7, inclusief de bijbehorende beschrijvende teksten in de paragrafen 3.1 tot en met 3.5;

- de onderdelen 2 (deels), 3, 4, en 5 (deels) van het kadevak 50.740 ter plaatse van het bestemmingsplan Oolderveste vallen niet onder de cbb.

Voor Venlo:

Gelet op de overwegingen zoals deze in de hoofdstukken 1, 2 en 4 van dit kadeplan zijn opgenomen wijst de provincie trajecten aan voor de aanleg en/of verhoging van kaden. De provincie stelt daarbij ook vast: de hoogte van de kaden ten opzichte van het Normaal Amsterdams Peil (NAP), het type constructie, het maximale ruimtebeslag en eventuele andere randvoorwaarden. De trajecten die aangewezen worden, zijn weergegeven in:

- voor de kadetracés: het ruimtebeslag zoals dat is weergegeven op kaartbladen 12 en 13, Kaartenatlas POL Zandmaas;

- voor de nieuwe kadehoogten ten opzichte van NAP: de tabellen 4.1 tot en met 4.5, inclusief de bijbehorende beschrijvende teksten in de paragrafen 4.1 tot en met 4.6;

- voor de constructietypen: de constructietypen zoals weergegeven op de kaartbladen 12 en 13, Kaartenatlas POL Zandmaas en de tabellen 4.1 tot en met 4.5, inclusief de bijbehorende beschrijvende teksten in de paragrafen 3.1 tot en met 3.6;

Voor Gennep-Middelaar:

Gelet op de overwegingen zoals deze in de hoofdstukken 1, 2 en 5 van dit kadeplan zijn opgenomen wijst de provincie trajecten aan voor de aanleg en/of verhoging van kaden. De provincie stelt daarbij ook vast: de hoogte van de kaden ten opzichte van het Normaal Amsterdams Peil (NAP), het type constructie, het maximale ruimtebeslag en eventuele andere randvoorwaarden. De trajecten die aangewezen worden, zijn weergegeven in:

- voor de kadetracés: het ruimtebeslag zoals dat is weergegeven op kaartbladen 14 tot en met 18, Kaartenatlas POL Zandmaas;

- voor de nieuwe kadehoogten ten opzichte van NAP: de tabellen 5.1 tot en met 5.4, inclusief de bijbehorende beschrijvende teksten in de paragrafen 5.1 tot en met 5.3;

- voor de constructietypen: de constructietypen zoals weergegeven op de kaartbladen 14 tot en met 18, Kaartenatlas POL Zandmaas en de tabellen 5.1 tot en met 5.4, inclusief de bijbehorende beschrijvende teksten in de paragrafen 5.1 tot en met 5.3.

* De provincie wijst langs de Maas 2 km natuurlijke oever aan (km 103-104, km 118-119). Deze worden ontwikkeld conform de in dit POL Zandmaas omschreven ontwerpvisie en streefbeeld, zoals weergegeven op de kaarten 8 en 9, Kaartenatlas POL Zandmaas.

2.4.4. De Afdeling zal, gelet op het vorenstaande, bij de beoordeling van de individuele beroepen tegen het streekplan eerst beoordelen of zij bevoegd is van de beroepen die zijn gericht tegen het streekplan kennis te nemen.

2.4.5. Verder stelt de Afdeling voorop dat omtrent de toekomstige bestemming van een bepaald gebied door de rijksoverheid, de provinciale overheden of door regionale openbare lichamen concrete beleidsbeslissingen kunnen worden genomen, die bij de vaststelling van het bestemmingsplan in acht genomen dienen te worden. Ingevolge artikel 24 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening kunnen geen zienswijzen tegen het ontwerp-bestemmingsplan worden ingediend, voor zover het ontwerp van een bestemmingsplan zijn grondslag vindt in een concrete beleidsbeslissing.

Voor streekplannen is in artikel 4a, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening bepaald dat een concrete beleidsbeslissing bij de vaststelling van de daar genoemde regionale en gemeentelijke plannen, waaronder een bestemmingsplan, in acht dient te worden genomen. Het vorenstaande stelsel van besluitvorming en rechtsbescherming brengt mee, dat indien in een concrete beleidsbeslissing een definitieve planologische keuze met betrekking tot de bestemming van een gebied is neergelegd, ook het onderzoek dat aan die beslissing is voorafgegaan dienovereenkomstig volledig dient te zijn en gemotiveerd inzicht dient te bieden in de mogelijkheden tot realisering van de bestemming. Zo dient een concrete beleidsbeslissing waarvan de bestemmingsplanwetgever op grond van de wet niet mag afwijken op dezelfde wijze gemotiveerd te worden als een bestemmingsplan. Bij de vaststelling van de concrete beleidsbeslissing dient in zoverre dan ook een volledige beoordeling te worden verricht, opdat duidelijk is dat er geen ruimtelijke belemmeringen zijn die in de weg staan aan de nadere invulling van het gebied bij een bestemmingsplan.

Overigens is uit de stukken en het verhandelde ter zitting gebleken dat bij de aanleg van de kaden in een aantal gevallen in overleg met bewoners maatwerk zal worden geleverd. Dit betekent dat binnen de grenzen van het in de concrete beleidsbeslissing opgenomen ruimtebeslag naar een oplossing wordt gezocht. In deze gevallen is een ruim ruimtebeslag opgenomen. De Afdeling merkt op dat in dergelijke gevallen, zoals ook ter zitting door provinciale staten is bevestigd, artikel 24 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening niet kan worden tegengeworpen voor zover de kade zich binnen het vastgestelde ruimtebeslag bevindt.

Gelet op het vorenstaande zal de Afdeling bij de beoordeling van de individuele beroepen steeds bezien in hoeverre provinciale staten in redelijkheid de concrete beleidsbeslissing in de herziening van het streekplan hebben kunnen opnemen.

2.5. Algemene aspecten van meermalen voorkomende bezwaren

2.5.1. Informatievoorziening en behandeling van de inspraakreacties

2.5.1.1. Een aantal appellanten heeft bezwaren tegen de wijze waarop met de informatievoorziening heeft plaatsgevonden. Zij stellen dat zij geen antwoord op hun inspraakreacties hebben ontvangen. Voorts zijn appellanten van mening dat de reacties op de ingebrachte zienswijzen met betrekking tot de ontwerp-plannen onvoldoende en onzorgvuldig zijn geweest, mede doordat slechts algemene reacties zijn gegeven en geen antwoord is gegeven op specifieke vragen.

2.5.1.2. Ingevolge het hier van toepassing zijnde hoofdstuk III van de Tracéwet dient, alvorens het tracébesluit door de Staatssecretaris wordt vastgesteld, eerst een ontwerp-tracébesluit te worden vastgesteld.

Blijkens de stukken heeft de Staatssecretaris het ontwerp-tracébesluit vastgesteld en dit van 4 mei tot en met 28 juni 2001, samen met het peilopzetplan en twee aanvullende milieueffectrapportages, ter inzage gelegd. Tijdens deze periode lag eveneens het ontwerp-streekplan, samen met het kadeplan, ter inzage. Gedurende deze periode konden bedenkingen (inspraakreacties) kenbaar worden gemaakt. Hiervan is volgens de wettelijke voorschriften op 3 mei 2001 kennis gegeven in de Staatscourant en de regionale dagbladen. Daarbij is tevens bekendgemaakt waar en wanneer er informatieavonden zouden worden gehouden. Op deze wijze is aan de wettelijke vereisten dienaangaande voldaan.

Volgens de Staatssecretaris en provinciale staten zijn in de periode dat het ontwerp-tracébesluit en het ontwerp-streekplan ter inzage hebben gelegen bijna 2200 reacties kenbaar gemaakt. Vervolgens heeft de Staatssecretaris het ontwerp-tracébesluit gewijzigd en heeft hij voor deze wijziging de verkorte inspraakprocedure van artikel 14, derde lid, van de Tracéwet gevolgd. Ten aanzien van deze wijziging zijn volgens de Staatssecretaris ongeveer 1750 extra reacties kenbaar gemaakt.

De beantwoording van de ten aanzien van de ontwerp-plannen ingebrachte reacties is samengevat en thematisch gerubriceerd in een reactienota neergelegd. Ten aanzien van deze wijze van beantwoording overweegt de Afdeling, gelijk zij heeft gedaan in de uitspraak van 28 mei 1998, onder no. E01.96.0532 (Tracébesluit Betuweroute) dat geen grond bestaat voor het oordeel dat de Staatssecretaris en provinciale staten, gelet op het grote aantal reacties, niet tot het bijeenbrengen en rubriceren van de voornaamste en herhaaldelijk terugkerende bezwaren hebben mogen overgaan. Dat de beantwoording in sommige gevallen een herhaling inhield van het standpunt van de Staatssecretaris, maakt nog niet dat het antwoord onzorgvuldig of onvoldoende is.

Ook de omstandigheden dat voornamelijk algemene antwoorden zijn gegeven en voorts niet aan alle door appellanten in deze voorbereidingsfase geuite bezwaren gehoor is gegeven, maken het tracébesluit nog niet tot een onzorgvuldig genomen besluit; dat hangt af van de vraag of de Staatssecretaris, alles in aanmerking genomen, in redelijkheid tot de door hem gemaakte afweging heeft kunnen komen, hetgeen door de Afdeling in het vervolg van de uitspraak in de ter beoordeling staande concrete situaties zal worden getoetst. Hetzelfde geldt voor de vaststelling van de aanvulling op het streekplan door provinciale staten.

Na de vaststelling van het tracébesluit en het streekplan zijn deze, samen met de volledige Reactienota, ingevolge artikel 16, derde lid, in samenhang met artikel 7, eerste lid, van de Tracéwet, ter inzage gelegd op verschillende locaties. Hiervan is mededeling gedaan in de Staatscourant. Niet is gebleken dat niet aan de wettelijke vereisten met betrekking tot de terinzagelegging en de bekendmaking hiervan is voldaan. Daarnaast zijn alle indieners van bedenkingen (inspraakreacties) van de vaststelling in een brief op de hoogte gesteld. In deze brief is tevens vermeld dat de volledige Reactienota en de definitieve besluiten ter inzage lagen bij alle gemeentehuizen in het Maasdal. Voorts is in de brief vermeld dat de beantwoording van de persoonlijke reacties ook via de internetsite www.demaaswerken.nl terug waren te vinden en is met de brief een samenvatting van de Reactienota meegezonden. Tot slot is een kosteloos telefoonnummer vermeld voor vragen over de besluiten of de manier waarop deze waren te raadplegen. Voor zover appellanten stellen dat zij geen antwoord op hun reactie hebben gekregen, omdat zij geen internetaansluiting hebben, blijkt uit het voorgaande dat er ook andere manieren waren om op de hoogte van de beantwoording te geraken. De Staatssecretaris en provinciale staten hebben dit op een voldoende duidelijke wijze kenbaar gemaakt en waren niet gehouden om iedere indiener van bedenkingen een persoonlijk antwoord op deze bedenkingen toe te zenden.

Gelet op het voorgaande bestaat geen grond voor het oordeel dat de Staatssecretaris en provinciale staten op dit punt onjuist of zorgvuldig te werk zijn gegaan.

2.5.2. Type kade en beoordelingsmethode

2.5.2.1. Een aantal appellanten voert aan dat provinciale staten ten onrechte het streekplan hebben vastgesteld, voor zover daarin een beoordelingsmethode wordt gegeven voor de keuze van het type kade.

2.5.2.2. Het kadeplan maakt deel uit van het streekplan en voorziet in kademaatregelen voor de drie bevolkingscentra in Roermond, Venlo en Gennep-Middelaar.

Doel van de kaden bij Roermond, Venlo en Gennep-Middelaar is het realiseren van een beschermingsniveau behorend bij een overstromingskans van 1:250 per jaar. De uitvoering van de kaden bij deze drie bevolkingscentra dient te zijn voltooid vóór 2006, zodat 70%-80% van alle bewoners in het Zandmaasgebied (Maasbracht-Mook) voor die datum het vastgestelde beschermingsniveau genieten. Dit betreft de zogenaamde eerste fase.

De kaden rond bedrijventerreinen en locaties met economische functies worden vóór 2006 niet aangepast en zijn niet opgenomen in het kadeplan. Deze kaden rond bedrijventerreinen in Roermond, Venlo en Gennep-Middelaar worden beschouwd tijdens de tweede fase kadeverhogingen, die zal worden gerealiseerd vóór 2015.

Voorts is een belangrijk uitgangspunt dat de kademaatregelen in Roermond, Venlo en Gennep-Middelaar niet leiden tot een vermindering van de bescherming van de overige delen van het Zandmaasgebied. Het huidige beschermingsniveau blijft overal gehandhaafd. Dit betekent dat kritieke waterstanden nabij de overige kaden niet worden verhoogd door de kademaatregelen bij Roermond, Venlo en Gennep-Middelaar.

2.5.2.3. De huidige kaden zijn in 1995 aangelegd op de grondslag van het Deltaplan grote rivieren. Bij het vaststellen van de tracés is destijds rekening gehouden met:

- de gevoeligheid van het gebied met betrekking tot landschappelijke, natuur-

en cultuurhistorische waarden, alsmede het bestaand ruimtegebruik;

- de geschiktheid voor waterkering (hoogteligging, bodem en milieu);

- bestuurlijke overwegingen (aanlegkosten, eventuele planschade,

grondverwerving, realisatietermijn en de Deltawet);

- beheer en onderhoud.

Bovenstaande criteria zijn ook aangehouden voor de inpassing van de nieuwe kaden in het onderhavige plan. Daarnaast vormt de beleidslijn Ruimte voor de rivier (april 1997) een belangrijk uitgangspunt voor de keuze van kadetracés. Toepassing van de beleidslijn leidt er toe dat de nieuwe kaden zoveel mogelijk de begrenzing van het waterbergend of stroomvoerend winterbed volgen en dat bestaande kaden, indien mogelijk, binnenkaads worden verhoogd. Op een aantal locaties, bijvoorbeeld bij een weg of bebouwing, is dit echter niet mogelijk of leidt een en ander tot hoge kosten. In deze gevallen is gekozen voor buitenkaadse verhogingen of voor ruime omkading. De Afdeling acht de door provinciale staten gekozen uitgangspunten niet onjuist.

2.5.2.4. De meest voorkomende kadeconstructies zijn groene kaden en kademuren.

Groene kaden bestaan uit een opgeworpen grondlichaam. Zij ontlenen hun naam aan het feit dat zij meestal zijn begroeid met gras. Een groene kade heeft aan weerszijden een talud en bovenop een vlakke top of kruin. De breedte van de vlakke top of kruin is variabel en is mede afhankelijk van de noodzaak tot berijdbaarheid. Door haar taluds en kruin neemt een groene kade relatief veel ruimte in beslag, daarom is de groene kade doorgaans gelegen in het open veld. Een groene kade kan op verschillende manieren worden verhoogd:

- vierkant verhogen waardoor het ruimtebeslag van de kade aan beide zijden

toeneemt;

- verhogen en aanbrengen van een binnenkaadse kademuur als grondkering,

zodat het binnenkaadse ruimtebeslag gelijk blijft;

- het plaatsen van een muur of demontabele wand op de kade.

Een kademuur is een min of meer verticale waterkerende wand, die is opgebouwd uit beton, staal of gestapelde blokken. In vergelijking met groene kaden nemen deze constructies minder ruimte in beslag en zijn daarom beter geschikt voor toepassing in stedelijk gebied. Het waterkerende deel van een kademuur kan eventueel demontabel worden uitgevoerd, zodat bij tijdige montage de volledige kering alleen in geval van hoog water aanwezig is. Voor de drempelhoogte van het vaste deel van een demontabele kering is een minimale hoogte van 0,6 à 0,8 meter boven het maaiveld aangehouden.

Een coupure is een speciaal type demontabele kademuur. Op plaatsen waar kaden infrastructuur doorkruisen, kan een permanente waterkering plaatselijk worden onderbroken. Bij hoogwater worden deze coupures gesloten met schotten of balken.

De sterkte en stabiliteit van kademuren worden doorgaans enigszins ruim genomen. Daarom kan bij geringe verhogingen (tot 0,25 meter) veelal worden voortgebouwd op de bestaande constructie. Kadeverhogingen van meer dan 0,25 meter vergen in het algemeen extra maatregelen om de sterkte en stabiliteit van de kade te vergroten, dan wel een volledig nieuwe constructie. Afhankelijk van de ruimtelijke inpassing kan de verhoging permanent of demontabel worden uitgevoerd.

2.5.2.5. Zoals hiervoor reeds opgemerkt is de ruimtelijke inpassing van nieuwe en bestaande kaden erop gericht rekening te houden met de aanwezige landschapselementen en –structuren. Daarnaast wordt gekozen voor sobere en doelmatige constructies en wordt zoveel mogelijk aangesloten bij bestaande kaden. Dit betekent in principe dat groene kaden groen blijven en dat demontabele kaden ook na verhoging demontabel zijn. Ook de aankleding en het uiterlijk van kademuren zullen passend binnen de omgeving moeten zijn.

Gezien de vereiste kadeverhogingen, die variëren van enkele decimeters tot 0,9 meter, is rekening gehouden met effecten voor omwonenden, natuur en landschap en recreatieve en culturele waarden. Om de afweging tussen permanente en demontabele kaden te kunnen maken, zijn de ruimtelijke effecten en hinder door een – voor elk kadevak gelijke – methode in een hinderscore uitgedrukt. De beoordeling houdt rekening met de ruimtelijke effecten van kadeverhogingen voor individuele gebouwen en huizen, alsmede met de effecten op wijkniveau.

Criteria gebouwniveau:

1. Ingreep op privé grond

2. Gebruikswaarde en gebruiksmogelijkheden tuin

3. Aantrekkingskracht toeristische voorzieningen

4. Hinder voor bedrijfsprocessen

5. Zichtlijnen tussen woningen en rivier

6. Zichtlijnen tussen woningen en landschap

7. Verhouding tussen afstand van woning tot kade in relatie tot

kadehoogte

8. Zichtlijnen tussen kantoor en rivier

9. Zichtlijnen tussen kantoor en landschap

Criteria wijkniveau:

1. Belevingswaarde waterkering vanuit openbaar gebied

2. Functionele verandering van het gebied achter de kade na verhoging

3. Bereikbaarheid buitenkaadse gebieden

4. Zichtlijnen binnen de wijk

5. Ruimtelijke inpassing in omgeving (nieuw tracé)

6. Verandering landschappelijk karakter

7. Zichtlijnen voor fietsers en voetgangers naar rivier

8. Zichtlijnen voor fietsers en voetgangers naar landschap

9. Oeverbeeld en stadsbeeld vanuit de rivier of overkant

10. Aantasting historische beplanting

11. Herkenbaarheid oude waterkering

12. Cultuurhistorische relatie tussen historische kern en rivier

De Afdeling deelt niet het standpunt van een aantal appellanten dat onvoldoende inzicht zou zijn gegeven in de keuze van de criteria.

In het rapport “Verhoging kaden Zandmaas; beoordeling van de ruimtelijke effecten”, dat als bijlage bij het kadeplan is opgenomen, is de uitgevoerde analyse beschreven en zijn de hinderscores per kadevak aangegeven. Uit de scores volgt ook het hinderverschil tussen een permanente en een demontabele uitvoering van een kade. Dit verschil is tevens de hinderreductie die wordt bereikt bij toepassing van een demontabele waterkering.

In de afweging tussen permanente en demontabele kaden is, naast de mogelijke hinderreductie, ook rekening gehouden met de meerkosten van demontabele kaden en de afnemende beheersbaarheid in termen van operationele risico’s en oplopende exploitatiekosten van demontabele kaden met toenemende lengte.

De keuze van de nieuwe demontabele kadevakken is als volgt bepaald: van alle overige kadevakken zijn de meerkosten voor een demontabele uitvoering gedeeld door het aantal hinderreductiepunten. Het aantal hinderreductiepunten bepaalt het verschil in hinder tussen een permanente en een demontabele kade. Het resultaat van de deling levert de meerkosten per hinderreductiepunt. Kadevakken met lage meerkosten per hinderreductiepunt zijn dus relatief goedkoop demontabel te realiseren in vergelijking met kadevakken die hogere kosten meebrengen.

Naar het oordeel van de Afdeling is de door provinciale staten gevolgde beoordelingsmethode in zijn algemeenheid niet onjuist te achten. Bij de beoordeling van de individuele beroepen zal de Afdeling bezien in hoeverre provinciale staten deze methode ook juist hebben toegepast.

2.5.3. Schade algemeen

2.5.3.1. Een aantal appellanten voert aan dat de Staatssecretaris en provinciale staten ten onrechte het tracébesluit respectievelijk het streekplan hebben vastgesteld, omdat zij schade zullen lijden als gevolg van de plannen. Het is appellanten niet duidelijk of deze schade vergoed zal worden en welke regelingen hiervoor zullen gelden. Zij menen dat daarom sprake is van onzorgvuldige besluitvorming.

2.5.3.2. Het tracébesluit en het streekplan voorzien in een aantal maatregelen in en rond de Maas in het kader van het project Zandmaas/Maasroute. Deze maatregelen kunnen negatieve gevolgen hebben voor betrokkenen, zoals verlies van eigendommen en aantasting van de leefomgeving of bedrijfsvoering. De Afdeling dient te beoordelen of de Staatssecretaris en provinciale staten bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot de maatregelen konden besluiten.

Hierbij dient onder meer te worden betrokken of de Staatssecretaris en provinciale staten hebben onderzocht welke schade mogelijkerwijs kan optreden en of hierbij sprake is van zodanige schade dat deze zwaarder zou moeten wegen dan het belang dat is gediend bij de voortgang van het project.

In dit verband is ter zitting door de Staatssecretaris en provinciale staten gesteld, hetgeen ook uit de stukken blijkt, dat voorafgaand aan de totstandkoming van het tracébesluit en het streekplan is onderzocht in hoeverre betrokkenen hierdoor mogelijk zodanig worden getroffen, dat ontoelaatbare schade aan opstallen optreedt, woongenot onaanvaardbaar wordt verstoord of de continuïteit van de bedrijfsvoering wordt bedreigd. Waar dat mogelijk speelt, is vroegtijdig in overleg met betrokkenen naar een oplossingsrichting gezocht in de vorm van mitigatie, (financiële) compensatie of een combinatie van beide. In enkele gevallen heeft dit tot een aanpassing van de maatregelen geleid. Ook in andere gevallen waar mogelijk schade kan optreden, maar op voorhand geen rekening wordt gehouden met onevenredige benadeling, wordt in overleg met betrokkenen bekeken of mitigerende dan wel compenserende maatregelen mogelijk en wenselijk zijn. De Staatssecretaris en provinciale staten zijn tot de conclusie gekomen dat de schade die kan optreden niet zodanig is dat deze in de weg staat aan de voortgang van het project. Aannemelijk is geworden dat een en ander juist is, in verband waarmee onvoldoende aanleiding bestaat voor het oordeel dat in algemene zin onvoldoende rekening is gehouden met de negatieve gevolgen van de maatregelen voor betrokkenen.

Bij de beoordeling van de vraag of de Staatssecretaris en provinciale staten bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot de maatregelen konden besluiten dient voorts te worden betrokken dat ten aanzien van mogelijk optredende schade in ieder geval dient vast te staan dat er een regeling is voor de afhandeling van deze schade en welke regeling dat is. Daarbij speelt in dit geval een rol dat sprake is van een tracébesluit en een streekplan, waar verschillende wettelijke regelingen op van toepassing zijn. Dit betekent dat de vraag welke regelingen zullen gelden bij de vaststelling en eventuele vergoeding van de te lijden schade, wordt bepaald door de vraag of de schade wordt veroorzaakt door het tracébesluit of het streekplan.

2.5.3.3. Ten aanzien van de vraag welke regelingen zullen gelden bij de vaststelling en eventuele vergoeding van de te lijden schade als gevolg van het tracébesluit, overweegt de Afdeling het volgende. Enkele maatregelen uit het tracébesluit hebben tot gevolg dat betrokkenen gronden moeten afstaan die nodig zijn voor het ruimtebeslag van de voorziene maatregelen. Met betrekking tot dit ruimtebeslag blijkt uit onderdeel 4 (Het voor het project benodigde ruimtebeslag) van het tracébesluit dat verwerving van de gronden in eerste instantie op minnelijke basis zal geschieden. In een later stadium kan, indien het minnelijke verwervingstraject niet tot resultaat heeft geleid, tot onteigening worden overgegaan. Voor de schade die ontstaat door de (minnelijke) onteigening van de gronden wordt een volledige schadeloosstelling verstrekt op basis van de Onteigeningswet.

Ten aanzien van de schade die niet bestaat uit het verlies van gronden, waarbij in het bijzonder kan worden gedacht aan schade als gevolg van de toepassing van peilopzet, bepaalt onderdeel 9 (Rechtsbescherming en schaderegeling) van het tracébesluit: “Schade die rechtstreeks voortvloeit uit het rechtens onaantastbaar geworden Tracébesluit Zandmaas/Maasroute en die redelijkerwijs niet voor rekening van degene die om schadevergoeding verzoekt, behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd, zal worden vergoed op basis van de Regeling Nadeelcompensatie Verkeer en Waterstaat 1999. De hoogte van de vergoeding wordt naar redelijkheid en billijkheid vastgesteld.”

In dit verband heeft de Staatssecretaris ter zitting gesteld, hetgeen ook uit de stukken is af te leiden, dat in overleg met betrokkenen bekeken en onderzocht zal worden of mitigerende dan wel compenserende maatregelen mogelijk en wenselijk zijn. Los daarvan kunnen betrokkenen een schadeclaim indienen en daarbij een beroep doen op de Regeling Nadeelcompensatie Verkeer en Waterstaat 1999.

De vraag of hiermee op een toereikende wijze inzichtelijk is gemaakt welke regelingen zullen gelden bij de afhandeling van optredende schade en derhalve voldoende aan de belangen van betrokkenen is tegemoet gekomen, zal, in verband met de verschillende situaties die zich kunnen voordoen, worden behandeld bij de behandeling van de verschillende beroepen en onderwerpen per tracédeel.

2.5.3.4. Ten aanzien van de vraag welke regelingen zullen gelden bij de vaststelling en eventuele vergoeding van de te lijden schade als gevolg van het streekplan, overweegt de Afdeling het volgende. De in het streekplan opgenomen concrete beleidsbeslissingen bieden geen directe grondslag om tot uitvoering van de maatregelen over te gaan. Daartoe dient eerst nog een procedure tot vaststelling of wijziging van een bestemmingsplan volgens de daartoe geldende bepalingen in de Wet op de Ruimtelijke Ordening te worden gevolgd of een procedure op grond van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. Met betrekking tot de situatie dat na vaststelling van een dergelijk besluit de maatregelen tot gevolg hebben dat betrokkenen gronden moeten afstaan die nodig zijn voor het ruimtebeslag van de voorziene maatregelen, hebben provinciale staten ter zitting gesteld dat voor de schade die ontstaat door de (minnelijke) onteigening van de gronden een volledige schadeloosstelling wordt verstrekt op basis van de Onteigeningswet. De Afdeling ziet geen reden hieraan te twijfelen.

Met betrekking tot de overige schade die mogelijk zal worden geleden door een wijziging in het planologisch regiem die samenhangt met een in het streekplan opgenomen concrete beleidsbeslissing, hebben provinciale staten ter zitting gesteld dat een verzoek om planschade op grond van artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening kan worden ingediend, zodra het gemeentelijke planologische besluit tot uitvoering van de concrete beleidsbeslissingen is genomen. Provinciale staten willen een convenant sluiten met de betrokken gemeenten, waarin afspraken worden gemaakt over de behandeling van deze planschadeclaims.

De vraag of hiermee op een toereikende wijze inzichtelijk is gemaakt welke regelingen zullen gelden bij de afhandeling van optredende schade en derhalve voldoende aan de belangen van betrokkenen is tegemoet gekomen, zal, in verband met de verschillende situaties die zich kunnen voordoen, worden behandeld bij de behandeling van de verschillende beroepen en onderwerpen per tracédeel.

2.6. Beroepen met betrekking tot meerdere tracédelen

2.6.1. Essent Netwerk B.V. (gedeeltelijk)

2.6.1.1. Essent Netwerk B.V. stelt in beroep onder meer dat de Staatssecretaris ten onrechte het tracébesluit heeft vastgesteld, voor zover dit voorziet in peilopzet in verschillende tracédelen. Hiertoe voert zij aan dat de peilopzet tot gevolg kan hebben dat de minimale afstand tussen de bovengrondse hoogspanningslijnen en de maximale waterhoogte niet meer voldoet aan de eisen die hieraan worden gesteld.

2.6.1.2. Uit het deskundigenbericht is af te leiden dat de doorvaarthoogte van waterwegen bij kruisingen met hoogspanningslijnen volgens de norm NEN 1060 minimaal 7 meter dient te bedragen. Hieruit volgen voor concrete kruisingen van hoogspanningslijnen met openbare vaarwaters minimaal vereiste doorvaarthoogten. Blijkens het deskundigenbericht komen deze doorvaarthoogten voor de kruisingen binnen het tracé waarop het tracébesluit betrekking heeft, als gevolg van de toepassing van de peilopzet, niet in gevaar. De Afdeling ziet geen reden hierover anders te oordelen.

2.6.1.3. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Afdeling derhalve geen aanleiding voor het oordeel dat de Staatssecretaris in redelijkheid niet het tracébesluit in zoverre heeft kunnen vaststellen. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat het tracébesluit op dit onderdeel anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van Essent Netwerk B.V. is in zoverre ongegrond.

2.6.2. De ZLTO en GLTO

2.6.2.1. De ZLTO en de GLTO, die in het overleg over een in het gehele gebied waarvoor vernattingsschade kan optreden, geldende schaderegeling zijn betrokken, voeren in beroep aan dat de Staatssecretaris ten onrechte het tracébesluit heeft vastgesteld voor zover daarin is voorzien in peilopzet in een aantal tracédelen. Zij wensen nader overleg, omdat onduidelijk blijft op welke wijze en volgens welke criteria en normen de verwachte schade zal worden afgehandeld. Voorts stellen appellanten dat de HELP-methode principieel ongeschikt is om de vernattingsschade op bedrijfsniveau vast te stellen. Zij menen dan ook dat aan bepaalde onderdelen van het peilopzetplan geen bindende betekenis moet worden toegekend.

2.6.2.2. Met betrekking tot de wens van appellanten voor nader overleg, is de Afdeling uit het verweerschrift gebleken dat voorafgaande aan het (onwerp-)tracébesluit en bijbehorende peilopzetplan op 19 april 2001 overleg met de landbouworganisaties heeft plaatsgevonden over de vernattingsschade. Tevens zijn in mei 2001 inspraakavonden gehouden, waarvoor deze organisaties zijn uitgenodigd. Voorts zullen de landbouworganisaties betrokken worden bij een aan de agrarische sector te zenden nieuwsbrief over vernattingsschade. De Afdeling acht dan ook niet aannemelijk dat de Staatssecretaris onvoldoende met de landbouworganisaties over de te treffen regeling heeft overlegd. De omstandigheid dat overleg en inspraak niet tot het voor appellanten gewenste resultaat heeft geleid, maakt dit niet anders.

2.6.2.3. In onderdeel 3 (Kern van de maatregelen in het kader van het tracébesluit) van het tracébesluit is het pakket maatregelen opgenomen. Hieruit blijkt dat voor het project Zandmaas in tracédeel 9 (Stuwpand Sambeek) een peilopzet van 0,25 meter zal worden toegepast en in tracédeel 10 (Stuwpand Grave) een peilopzet van 0,50 meter. Blijkens onderdeel 6 (Maatregelen voor het milieu) van het tracébesluit en de nota van toelichting bij het tracébesluit, algemeen deel, kunnen de door de verbreding en verdieping van het zomerbed veroorzaakte effecten op de waterstanden in de rivier leiden tot daling van de grondwaterstanden, waardoor verdroging van natuurgebieden in de omgeving kan optreden. Bij het project geldt echter als een van de randvoorwaarden dat de rivierverruimende maatregelen geen nadelige effecten mogen hebben voor de grondwaterafhankelijke natuurgebieden. Door peilopzet bij normale afvoeren zullen deze ongewenste effecten worden gemitigeerd. Daarnaast is er bij lage afvoeren behoefte aan meer vaardiepte voor de scheepvaart om de doorgang van schepen met een diepgang van 3,5 meter te verzekeren. Aannemelijk is dat zonder toepassing van peilopzet de doelstellingen van het project niet worden gehaald. Gelet hierop acht de Afdeling het nut en de noodzaak van de peilopzet voldoende aangetoond.

2.6.2.4. Blijkens de nota van toelichting bij het tracébesluit, algemeen deel, kan de peilopzet ook een aantal negatieve gevolgen hebben, waaronder vernattingsschade voor de landbouw.

In dit verband is ter zitting door de Staatssecretaris en provinciale staten gesteld, hetgeen ook uit de stukken blijkt, dat voorafgaand aan de totstandkoming van het tracébesluit en het streekplan is onderzocht in hoeverre betrokkenen door de voorziene maatregelen mogelijk zodanig worden getroffen, dat ontoelaatbare schade aan opstallen optreedt, woongenot onaanvaardbaar wordt verstoord of de continuïteit van de bedrijfsvoering wordt bedreigd. Waar dat mogelijk speelt, is vroegtijdig in overleg met betrokkenen naar een oplossingsrichting gezocht in de vorm van mitigatie, (financiële) compensatie of een combinatie van beide. In enkele gevallen heeft dit tot een aanpassing van de maatregelen geleid. Ook in andere gevallen waar mogelijk schade kan optreden, maar op voorhand geen rekening wordt gehouden met onevenredige benadeling, wordt in overleg met betrokkenen bekeken of mitigerende dan wel compenserende maatregelen mogelijk en wenselijk zijn.

Het onderzoek dat is uitgevoerd naar de gevolgen van de toepassing van peilopzet is neergelegd in het peilopzetplan, een bijlage bij het tracébesluit.

2.6.2.5. In hoofdstuk 4 van het peilopzetplan is weergegeven hoe de bepaling van de vernattingsschade aan de landbouw heeft plaatsgevonden.

Op grond van een geactualiseerd bestand van de grondwatertrap-informatie (Gt’s) is de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) en de gemiddelde laagste grondwaterstand (GLG) voor de uitgangssituatie – de referentiesituatie – bepaald. Met behulp van regionale grondwatermodellen zijn de veranderingen van de GHG en de GLG als gevolg van de peilopzet voor het beïnvloedingsgebied van het project Zandmaas/Maasroute berekend. Door de aldus berekende veranderingen op te tellen bij de GHG en GLG in de uitgangssituatie, zijn de GHG en GLG voor de nieuwe situatie bepaald. Geconstateerd wordt dat de GLG in vrijwel het gehele beïnvloedingsgebied van de stuwpanden stijgt, en dat de GHG in grote delen van de gebieden stijgt.

De berekende grondwaterstandveranderingen zijn gebruikt om de veranderingen in gewasopbrengsten te berekenen. Dat is gebeurd met behulp van de HELP-methodiek. De HELP-methodiek stamt uit 1987 en vindt haar grondslag in de landinrichting. Kern van de HELP-methodiek is het verband tussen de GHG en GLG en een langjarig gemiddelde opbrengstdepressiefractie (de fractie van de maximaal haalbare fysieke opbrengst van een gewas die verloren gaat als gevolg van droogte- of vernattingsschade). De HELP-methodiek is geïmplementeerd in het programma BODEP (berekening opbrengstdepressie), wat kort gezegd inhoudt dat de gegevens over de grondwaterstanden, het bodemtype, de aard van het agrarisch grondgebruik op perceelsniveau en de HELP-tabellen bij elkaar zijn gebracht om de opbrengstdepressiefractie te berekenen. Met behulp van de HELP-methode is op basis van de GHG en GLG de (eventueel) reeds bestaande opbrengstdepressiefractie voor de uitgangssituatie bepaald. Vervolgens is op basis van de GHG en GLG in de situatie na de peilopzet de opbrengstdepressie berekend. Per locatie is het verschil in opbrengstdepressiefractie tussen de nieuwe situatie en de uitgangssituatie bepaald (verandering in gewasopbrengst).

De volgende stap omvatte de omrekening van de veranderingen in de gewasopbrengst naar een eventuele opbrengstderving op perceelsniveau ten opzichte van de referentiesituatie. Hiertoe is de verminderde gewasopbrengst uitgedrukt in een bedrag in euro’s per hectare per jaar. Daartoe zijn naar onderscheid van de categorie van gewasteelt de volgende bedragen aangehouden:

- € 1.180,-- gemiddelde opbrengst/ha/jaar voor grasland;

- € 2.269,-- gemiddelde opbrengst/ha/jaar voor bouwland (akkerbouw);

- € 15.882,-- gemiddelde opbrengst/ha/jaar voor (vollegronds) tuinbouw.

De genoemde kengetallen zijn vermenigvuldigd met de opbrengstdepressiefractie, waardoor per locatie de opbrengstderving ten opzichte van de uitgangssituatie is berekend.

Bij de beoordeling van de gevolgen voor de individuele agrarische bedrijven is onderscheid gemaakt naar de ernst van de verwachte vernattingsschade. Bedrijven die dusdanig zwaar worden getroffen, dat voortzetting van de bestaande bedrijfsvoering ter plaatse niet meer exploitabel c.q. rendabel is, worden gekarakteriseerd als ‘onevenredig getroffen bedrijven’. De selectie van de onevenredig getroffen bedrijven is gebaseerd op de landbouwschadeberekeningen volgens de hiervoor genoemde HELP-methodiek (opbrengstderving). Op grond van die methodiek zijn zogenaamde ‘aandachtsgebieden vernattingsschade’ afgebakend, welke als zoekgebieden voor onevenredig getroffen bedrijven hebben gediend. Als criteria voor de selectie van de aandachtsgebieden zijn de volgende uitgangspunten gekozen:

- deelgebieden met grasland met een toename van de totale opbrengstderving van meer dan 15% en met een oppervlakte groter dan 1 hectare;

- deelgebieden met bouwland met een toename van de totale opbrengstderving van meer dan 15% en met een oppervlakte groter dan 1 hectare;

- deelgebieden met tuinbouw met een toename van de totale opbrengstderving van meer dan 10% en met een oppervlakte groter dan 0,1 hectare.

De aldus geselecteerde deelgebieden zijn in kaart gebracht. Vervolgens zijn de aandachtsgebieden afgebakend. Die afbakening heeft ruim om de geselecteerde deelgebieden plaatsgevonden. Bij de begrenzing is uitgegaan van kadastrale perceelsgrenzen en/of andere duidelijk op kaart en in het landschap aanwezige elementen.

De volgende stap betrof de benoeming van de mogelijk onevenredig getroffen agrarische bedrijven. Bij de selectie op bedrijfsniveau zijn in overleg met de Dienst Landelijke Gebieden (DLG) van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij nadere criteria uitgewerkt voor de beoordeling of bedrijven al dan niet aangemerkt kunnen worden als mogelijk onevenredig getroffen. De bedoelde criteria zijn, rekening houdend met de aard van het landbouwbedrijf, de volgende:

- melkveehouderij: meer dan 40% van de bedrijfsoppervlakte heeft een toename van de opbrengstderving van meer dan 15%;

- akkerbouwbedrijf: meer dan 40% van de bedrijfsoppervlakte heeft een toename van de opbrengstderving van meer dan 15%;

- tuinbouwbedrijf: meer dan 40% van de bedrijfsoppervlakte heeft een toename van de opbrengstderving van meer dan 10%.

Op grond van deze criteria zijn bedrijven waarvan 40% of meer van de gronden (het totale bedrijfsoppervlak) binnen de geselecteerde aandachtsgebieden liggen, geselecteerd als mogelijk onevenredig getroffen bedrijf. Hierbij is uitgegaan van zowel de gronden die in eigendom zijn als van de (langdurig) gepachte gronden. Dit heeft geresulteerd in de selectie van 46 bedrijven.

Voor de tien bedrijven waar de bedreiging van de bedrijfsvoering het meest reëel leek én die bovendien representatief zijn voor alle 46 bedrijven, heeft een aanvullend onderzoek plaatsgevonden. Die onderzoeken op bedrijfsniveau zijn uitgevoerd door DLV Adviesgroep nv (DLV: De Landbouwvoorlichting) en begeleid door De Maaswerken en DLG. In het verweerschrift wordt vermeld dat bij die nadere onderzoeken enkele algemene bedrijfsspecifieke gegevens zijn betrokken, zoals het soort bedrijf, het teeltplan en de aard van de geschade kavels. De resultaten van die tien onderzoeken op bedrijfsniveau zijn beschreven in het rapport ‘Verkenning agrarische bedrijven’ van DLV, februari 2002. Het aanvullende onderzoek onder de tien bedrijven betreft een quick scan. Op basis van de beschikbare bedrijfsgegevens is aan de hand van kengetallen en een deskundigeninschatting (best professional judgement) van de onderzoekers het normatieve bedrijfssaldo bepaald voor de grondgebonden bedrijfsactiviteiten en is de financiële schade als gevolg van de peilopzet berekend. Dit heeft geresulteerd in een beoordeling van hoe de berekende schade zich verhoudt tot het normatief vastgestelde bedrijfssaldo. Op grond van dit aanvullende onderzoek door DLV is volgens de Staatssecretaris gebleken dat voor geen van de onderzochte bedrijven sprake is van een zodanige vernattingsschade dat de renderendheid van het bedrijf wordt bedreigd. Op basis van die conclusie is aangenomen dat ook voor de overige agrarische bedrijven binnen de aandachtsgebieden, waaronder de overige 36 geselecteerde bedrijven, de renderendheid niet in gevaar komt. Die 36 bedrijven zijn wel benaderd, maar dat heeft niet geleid tot de aanwijzing als onevenredig getroffen.

Ondanks het feit dat naar het oordeel van de Staatssecretaris voor geen enkel bedrijf de rendabele voortzetting van het bedrijf vanwege de vernattingsschade in gevaar komt, wordt voor alle bedrijven die (gedeeltelijk) in de aandachtsgebieden liggen gestreefd naar het zoveel mogelijk (lokaal) mitigeren van de ongewenste vernattingseffecten. Dit is ter zitting nogmaals door de Staatssecretaris bevestigd. In bijlage 5 van het peilopzetplan wordt nader ingegaan op de waterhuishoudkundige maatregelen voor het mitigeren van vernattingsschade en de gehanteerde beslisprocedure voor de afhandeling van vernattingsschade in de land- en tuinbouw. De oplossingsrichtingen omvatten grofweg (een combinatie van):

- mitigerende maatregelen: door middel van lokale waterhuishoudkundige maatregelen zoals het graven van extra perceelssloten, de aanleg van perceelsdrainage en de aanleg van een onderbemaling;

- financiële compensatie: eenmalig of in termijnen afkopen van de (gekapitaliseerde) vernattingsschade;

- aankoop of uitruil van gronden.

Naar het oordeel van de Afdeling is de door de Staatssecretaris gevolgde beoordelingsmethode ter bepaling van de vernattingsschade aan de landbouw in zijn algemeenheid niet onjuist te achten. Ook het feit dat de Staatssecretaris niet de gevolgen voor alle individuele bedrijven heeft onderzocht, maar gebruik heeft gemaakt van een algemene methode en op basis hiervan inschattingen heeft gemaakt met betrekking tot de afzonderlijke bedrijven, acht de Afdeling niet onjuist. Hierbij neemt zij in aanmerking dat de Staatssecretaris voldoende marges heeft aangehouden om te voorkomen dat mogelijk onevenredig getroffen bedrijven buiten de beoordelingscriteria zouden vallen. Voorts heeft de Staatssecretaris toegezegd voorafgaand aan de toepassing van peilopzet nader onderzoek te doen naar en zorg te dragen voor mitigerende en compenserende maatregelen. De Afdeling gaat er daarbij wel vanuit dat de Staatssecretaris ook tijdig aan de betrokken bedrijven en landbouworganisaties zal berichten welke gegevens zij dienen over te leggen bij een eventueel in te dienen verzoek om schadevergoeding/nadeelcompensatie.

2.6.2.6. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Afdeling derhalve geen aanleiding voor het oordeel dat de Staatssecretaris in redelijkheid niet het tracébesluit in zoverre heeft kunnen vaststellen. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat het tracébesluit op dit onderdeel anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van de ZLTO en GLTO is ongegrond.

2.6.3. Het dagelijks bestuur van het Waterschap Roer en Overmaas (gedeeltelijk)

2.6.3.1. Het dagelijks bestuur van het Waterschap Roer en Overmaas voert in beroep aan dat de Staatssecretaris en provinciale staten ten onrechte het tracébesluit respectievelijk het streekplan hebben vastgesteld. Appellant voert daartoe onder meer aan dat voor zover voor verhoging van kaden voor alternatief van rivierkundige maatregelen is gekozen, niet voor de meest optimale en duurzame variant is gekozen. In dit kader verwijst appellant naar de afspraken die in het in 1998 in Namen (B) vastgestelde Actieplan Hoogwater Maas zijn vastgelegd en naar de opvattingen die zich ontwikkelen in het kader van de Integrale Verkenningen Maas. Appellant kan er niet mee instemmen dat niet is voorzien in extra kwelvoorzieningen. Voorts heeft appellant er bezwaar tegen dat het beheer en onderhoud van de verhoogde kaden wordt ondergebracht bij de waterschappen.

2.6.3.2. Voor zover het beroep van appellant is gericht tegen het tracébesluit, stelt de Afdeling vast dat de bezwaren van appellant geen betrekking hebben op de maatregelen die in het tracébesluit zijn opgenomen. Het beroep is in zoverre ongegrond.

2.6.3.3. Voor zover het beroep van appellant betrekking heeft op het niet opnemen van kwelvoorzieningen in het kadeplan is het gericht tegen een weigering om een concrete beleidsbeslissing te nemen. Daarmee is het niet gericht tegen de onder 2.4.3. genoemde concrete beleidsbeslissingen. Onder verwijzing naar hetgeen onder 2.4.2. is overwogen, is de Afdeling in zoverre onbevoegd van dit beroep kennis te nemen.

Overigens is ter zitting gebleken dat partijen het er over eens zijn dat nog niet concreet kan worden aangegeven welke maatregelen nodig zijn. Derhalve was het niet mogelijk deze reeds nu in een concrete beleidsbeslissing op te nemen.

2.6.3.4. Voor zover appellant bezwaar maakt tegen de weerlegging van de bedenkingen, verwijst de Afdeling naar hetgeen hieromtrent onder 2.5.1. is overwogen.

2.6.3.5. Met betrekking tot het bezwaar van appellant dat niet voor de meest optimale en duurzame variant is gekozen, overweegt de Afdeling het volgende. Uit de stukken blijkt dat de verruiming van het zomerbed bij hoge afvoeren minder effectief is voor het verlagen van de waterstanden dan eerst werd aangenomen. Voorts heeft een te vergaande verruiming van het zomerbed enkele negatieve effecten tot gevolg zoals effecten in het rivierbed in rivierstabiliteit, verdroging als gevolg van grondwaterstandsdalingen, verlies aan natuurdynamiek en onvoldoende vaardiepte bij sluizen. Met de uitvoering van alleen rivierverruiming en het onderhouden van de bestaande kaden wordt niet voldaan aan de doelstelling van het project Zandmaas/Maasroute met betrekking tot de hoogwaterstandsverlaging. Daarbij is van belang dat het beoogde beschermingsniveau voor de bevolking achter de kaden van 1:250 per jaar vóór 2016 moet worden gerealiseerd, waarvan 70-80% reeds vóór 2006. Om dit beschermingsniveau te kunnen realiseren zijn aanvullende maatregelen in de vorm van kaden noodzakelijk.

Voor een duurzame oplossing op lange termijn is een internationale aanpak nodig om te komen tot verbetering van de hoogwaterbescherming. Hiertoe is de internationale Werkgroep Hoogwater Maas (WHM) opgericht, waarin de Maasoeverstaten zijn vertegenwoordigd. Ook in ander verband wordt onderzoek verricht in het kader van de verkennende studie Integrale Verkenning Maas (IVM). Het doel van IVM is om de effecten van klimaatveranderingen op lange termijn en de maatregelen ter compensatie in beeld te brengen. Planvorming en afstemming tussen de landen is echter nog niet aan de orde. Het standpunt van provinciale staten dat de internationale aanpak van hoogwaterbescherming nog slechts in een beginstadium verkeert, zodat hier niet op kan worden gewacht, acht de Afdeling niet onredelijk.

2.6.3.6. Met betrekking tot het bezwaar van appellant inzake de kosten van het beheer en onderhoud van de kaden, overweegt de Afdeling dat zij dit bezwaar opvat als gericht tegen de kademaatregelen in de concrete beleidsbeslissingen, omdat hieruit zou volgen dat de kosten van beheer en onderhoud voor rekening van de waterschappen komen. Dit volgt echter niet uit de maatregelen die in de concrete beleidsbeslissingen zijn opgenomen. Deze hebben geen betrekking hebben op de vraag voor wiens rekening het beheer en onderhoud van de kaden dienen te komen. Voor zover appellant meent dat dit aspect in de weg staat aan de financiële haalbaarheid van de kademaatregelen, overweegt de Afdeling dat de Staatssecretaris en provinciale staten hebben gesteld dat de kosten van realisatie van de kaden (verhoging en aanpassing, inclusief projectmanagement, engineering en het beheer tijdens de uitvoeringsperiode) zullen worden gedragen door het Rijk (Ministerie van Verkeer en Waterstaat). De Afdeling acht de financiële haalbaarheid dan ook voldoende verzekerd. Daarnaast is ter zitting gesteld dat ook in de kosten van het beheer en onderhoud zal worden voorzien.

2.6.3.7. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten niet in redelijkheid de kademaatregelen in de aanvulling op het streekplan hebben kunnen opnemen. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat de concrete beleidsbeslissingen op deze onderdelen anderszins zijn voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van het dagelijks bestuur van het Waterschap Roer en Overmaas is in zoverre ongegrond.

2.6.4. Het algemeen bestuur van het Waterschap Peel en Maasvallei

2.6.4.1. Het algemeen bestuur van het Waterschap Peel en Maasvallei voert in beroep aan dat de Staatssecretaris en provinciale staten ten onrechte het tracébesluit respectievelijk het streekplan hebben vastgesteld. Hiertoe voert appellant aan dat de verholen waterkeringen in de concrete beleidsbeslissingen met betrekking tot de aanleg van kaden in de gemeenten Venlo, Gennep en Mook en Middelaar opgenomen hadden moeten worden. Voorts voert appellant aan dat de financiële haalbaarheid van het kadeplan niet is verzekerd en de belangen van het waterschap onvoldoende in de besluitvorming zijn betrokken. Hij wijst erop dat de kostbare inzet van demontabele kaden en pompen zou kunnen worden verminderd, wanneer gebruik zou worden gemaakt van de mogelijkheid om met behulp van rivierkundige maatregelen beveiliging te bewerkstelligen.

2.6.4.2. Voor zover het beroep van appellant is gericht tegen het tracébesluit, stelt de Afdeling vast dat de bezwaren van appellant geen betrekking hebben op de maatregelen die in het tracébesluit zijn opgenomen. Het beroep is in zoverre ongegrond.

2.6.4.3. Voor zover het beroep van appellant betrekking heeft op het niet opnemen van de verholen waterkeringen in de concrete beleidsbeslissingen is het gericht tegen de weigering een concrete beleidsbeslissing te nemen. Daarmee is het niet gericht tegen de onder 2.4.3. genoemde concrete beleidsbeslissingen. Onder verwijzing naar hetgeen onder 2.4.2. is overwogen, is de Afdeling in zoverre onbevoegd van dit beroep kennis te nemen.

Overigens blijkt uit de stukken dat ten aanzien van de verholen waterkeringen sprake is van een bestaande situatie, waar geen ingreep zal plaatsvinden.

2.6.4.4. Met betrekking tot de bezwaren van appellant inzake de financiële uitvoerbaarheid van de kademaatregelen en de wijze van beveiliging, verwijst de Afdeling naar hetgeen hieromtrent is overwogen onder 2.6.3.5. en 2.6.3.6. naar aanleiding van het beroep van het dagelijks bestuur van het Waterschap Roer en Overmaas. Zij merkt hierbij op dat haar niet is gebleken dat provinciale staten bij de afweging van de betrokken belangen het belang van het Waterschap Peel en Maasvallei onvoldoende in de besluitvorming hebben betrokken.

2.6.4.5. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten niet in redelijkheid de kademaatregelen in de aanvulling op het streekplan hebben kunnen opnemen. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat de concrete beleidsbeslissingen op deze onderdelen anderszins zijn voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van het algemeen bestuur van het Waterschap Peel en Maasvallei is in zoverre ongegrond.

2.7. Tracédeel 3 Kanaalpand Limmel-Born

2.7.1. Dit tracédeel betreft het Julianakanaal tot en met de sluis bij Born. Het Julianakanaal loopt hier min of meer evenwijdig aan de onbevaarbare Maas (Grensmaas), onder meer langs de plaatsen Bunde, Geulle, Elsloo, Stein, Urmond en Born. De lengte van dit tracédeel bedraagt 21 km.

In dit tracédeel zijn de maatregelen uitgewerkt, die noodzakelijk zijn om de projectdoelstelling voor het deelproject Maasroute te realiseren. In het kanaalpand Limmel-Born zijn de maatregelen gericht op het verbeteren van de scheepvaartroute. Binnen dit kanaalpand vinden geen maatregelen plaats in het kader van het deelproject Zandmaas.

Ten behoeve van de verbetering van de scheepvaartroute over de Maas tot een vaarweg klasse Vb-3,5 meter (tweebaksduwvaart) worden in het kanaalpand Limmel-Born de volgende maatregelen uitgevoerd:

* vervanging van de keerschutsluis Limmel door een nieuwe keersluis;

* verlenging van de middenkolk van sluis Born;

* verbreding van het Julianakanaal:

- door dijkverplaatsing in westelijke richting tot een totale breedte van

60 meter, op het ongeladen kielvlak, tussen Limmel en het begin van de

bocht Elsloo;

- tot een totale breedte van 60 meter, op de waterlijn, door middel van

een damwand aan de westzijde van bocht Elsloo;

- tot een totale breedte van 60 meter, op het ongeladen kielvlak, door

dijkverplaatsing in oostelijke richting tussen Stein en brug Obbicht.

De maximale dijkverplaatsing langs het Julianakanaal bedraagt hierbij 25 tot 30 meter. Ter hoogte van de bruggen wordt niet verbreed door middel van dijkverplaatsing, maar wordt een damwand onder de brug geslagen. De verbreding is hierdoor ter hoogte van de bruggen geringer dan op de rest van het Julianakanaal.

Voor dit tracédeel zijn geen concrete beleidsbeslissingen in het streekplan opgenomen.

2.7.2. Het college van burgemeester en wethouders van Meerssen, Buurtvereniging Voulwames en Stichting Leefbaar Geulle aan de Maas

2.7.2.1. Het college van burgemeester en wethouders van Meerssen, Buurtvereniging Voulwames en Stichting Leefbaar Geulle aan de Maas voeren in beroep aan dat de Staatssecretaris het tracébesluit ten onrechte heeft vastgesteld, voor zover daarbij een verbreding van het Julianakanaal in westelijke richting is voorzien. Appellanten stellen dat deze variant niet in het milieu-effectrapport is betrokken en in strijd is met de beleidslijn Ruimte voor de rivier. Tevens hebben appellanten een voorkeur voor het Meest Milieuvriendelijke Alternatief.

Het college van burgemeester en wethouders van Meerssen stelt verder dat deze variant ongeveer 16 ha grondverlies oplevert voor de gemeente en dat deze een deel van het oorspronkelijke landschap doet verdwijnen. Voorts vreest het voor het leefgenot van de gehuchten Gank en Voulwames en de aantasting van Kasteel Geulle.

Buurtvereniging Voulwames meent verder dat het ruimtebeslag in geval van verplaatsing van de landweg ter hoogte van de brug bij Bunde in westelijke richting niet groter mag zijn dan strikt noodzakelijk is voor verbreding van het Julianakanaal. Zij wenst dat een nieuwe tekening wordt voorgelegd. Deze appellante wijst er tenslotte op dat de reacties op de bezwaren tegen het ontwerp-tracébesluit beneden de maat zijn en een herhaling van de standpunten van de Staatssecretaris.

Stichting Leefbaar Geulle aan de Maas heeft ter onderbouwing van haar bezwaren een groot aantal veiligheids-, milieu-, nautische en economische aspecten naar voren gebracht. Tevens heeft zij gewezen op de alternatieve route via de Zuid-Willemsvaart.

2.7.2.2. De Staatssecretaris heeft tussen de brug bij Itteren (kanaalkilometer 2.9) en Stein (kanaalkilometer 12.0) gekozen voor een verbreding in westelijke richting tot een totale breedte van 60 meter in het ongeladen kielvak.

2.7.2.3. Voor zover appellanten bezwaar maken tegen de wijze waarop de bedenkingen tegen het ontwerp-besluit zijn weerlegd verwijst de Afdeling naar hetgeen hieromtrent onder 2.5.1. is overwogen.

2.7.2.4. Uit de stukken is het volgende af te leiden. Naar aanleiding van het Structuurschema Verkeer en Vervoer II is de doelstelling opgenomen de Maasroute, waarvan het Julianakanaal deel uitmaakt, op te waarderen tot een Vb-klasse vaarweg. Hiertoe is een onderzoek ingesteld, hetgeen heeft geresulteerd in een rapport Nota alternatieven en varianten project Maasroute van 28 juni 1996. In dit rapport zijn de verschillende varianten, zowel in westelijke als oostelijke richting, voor de opwaardering van de Maasroute bekeken. In dit rapport is geconcludeerd dat voor het traject Limmel-Stein een kanaalverbreding aan de westkant de meest optimale oplossing lijkt. Aan de westkant liggen de minste milieu- en ruimtelijke knelpunten. Dit rapport dateert van voor de inwerkingtreding van de beleidslijn Ruimte voor de rivier. Een verbreding in het winterbed van de Grensmaas is in strijd met deze beleidslijn. Op basis van de Trajectnota/MER, die begin 1999 is gepubliceerd, is aanvankelijk gekozen voor een variant in oostelijke richting met taludverbreding. Naar aanleiding van de inspraakreacties op de Trajectnota/MER en de ingrijpende gevolgen die een verbreding in oostelijke richting zou hebben, heeft de Staatssecretaris deze keuze heroverwogen. Hierbij is de westelijke variant in aanmerking genomen. Tevens is daarbij bezien of de mogelijkheid bestaat om met inachtneming van de voorwaarden van het in de beleidslijn Ruimte voor de rivier opgenomen principe om het winterbed niet te verkleinen af te wijken van de aanvankelijk gekozen variant. Hiertoe is het rapport “Verbreding Julianakanaal; Hydraulogische berekeningen” van 20 januari 2000 opgesteld. Hieruit blijkt dat bij het verplaatsen van de dijk in westelijke richting de waterstanden in de Grensmaas met maximaal 2 mm zullen stijgen ten opzichte van een situatie zonder verbreding. Voorts zijn in het rapport “Julianakanaal westwaarts” van 15 maart 2000 nogmaals de voor- en nadelen van een verbreding van het kanaal in westelijke richting onderzocht. Vervolgens is de westelijke variant tussen de brug bij Itteren en Stein in het ontwerp-tracébesluit opgenomen.

2.7.2.5. Ingevolge artikel 7.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer worden bij algemene maatregel van bestuur de activiteiten aangewezen, die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu. Daarbij worden een of meer besluiten van bestuursorganen terzake van die activiteiten aangewezen, bij de voorbereiding waarvan een milieu-effectrapport moet worden gemaakt.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Besluit milieu-effectrapportage 1994, zoals gewijzigd op 7 mei 1999 en in werking getreden op 6 juli 1999 (hierna te noemen: Besluit m.e.r.) worden als activiteiten als bedoeld in artikel 7.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer aangewezen de activiteiten die behoren tot een categorie die in onderdeel C van de bijlage is omschreven.

In onderdeel C van de bijlage is in categorie 3.2 bepaald dat bij de vaststelling van het tracé tot vergroting of verdieping van de hoofdvaarweg door de Minister van Verkeer en Waterstaat een MER dient te worden opgesteld in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een vergroting van het ruimte-oppervlak van een hoofdvaarweg met 20% of meer.

2.7.2.6. Niet in geschil is dat de verbreding van het Julianakanaal een m.e.r.-plichtige activiteit is en dat de Trajectnota/MER ook op dit onderdeel van het tracébesluit ziet. In de Trajectnota/MER zijn vier alternatieven bekeken. In drie alternatieven is voor het deel van het Julianakanaal dat hier aan de orde is voorzien in verbreding in oostelijke richting door middel van een taludverbreding. In het vierde alternatief, Meest Milieuvriendelijke Allternatief (MMA), wordt tussen Limmel en Elsloo het kanaal binnen de huidige kanaaldijken verbreed, om extra ruimtebeslag in waardevolle gebieden langs het kanaal te voorkomen.

Het staat derhalve vast dat de westelijke verbreding van het Julianakanaal, zoals die in het tracébesluit is opgenomen, niet in de Trajectnota/MER is bezien. De Staatssecretaris stelt zich blijkens het verweerschrift en het verhandelde ter zitting op het standpunt dat in aanmerking genomen de bovengenoemde rapporten voldoende onderzoek is gedaan naar de westelijke verbreding van het Julianakanaal. De Afdeling deelt dit standpunt niet. Zij neemt daarbij allereerst in aanmerking dat van de rapporten, waarnaar de Staatssecretaris verwijst, het rapport Nota alternatieven en varianten project Maasroute dateert van ruim voor de publicatie van de Trajectnota/MER, waarbij geen rekening is gehouden met de beleidslijn Ruimte voor de rivier. De andere door de Staatssecretaris genoemde onderzoeken dateren van ruim na de publicatie van de Trajectnota/MER. Bovendien konden in het kader van de Trajectnota/MER geen inspraakreacties ten aanzien van de westelijke variant worden ingebracht. Uit meergenoemde rapporten is de Afdeling niet aannemelijk geworden dat uitvoerig onderzoek is gedaan naar de gevolgen van een verbreding aan de westzijde. Dit klemt temeer nu, zoals uit de stukken blijkt, aan de westzijde van het Julianakanaal waardevolle gebieden zijn gelegen. Evenmin ziet de Afdeling in het rapport “Scheepvaart en Kunstwerken” van 20 april 2001 en het “Landschapsplan” dat bij het ontwerp-tracébesluit ter inzage heeft gelegen aanknopingspunten voor het standpunt dat voldoende onderzoek is gedaan naar de milieugevolgen van een westelijke verbreding.

Het vorenstaande in aanmerking genomen is de Afdeling van oordeel dat de Staatssecretaris het tracébesluit op dit onderdeel onzorgvuldig heeft voorbereid. De beroepen van het college van burgemeester en wethouders van Meerssen, Buurtvereniging Voulwames en Stichting Leefbaar Geulle aan de Maas zijn derhalve gegrond, zodat het tracébesluit voor zover dat betrekking heeft op de aanduidingen “permanent ruimtebeslag” en “tijdelijk grondbeslag” tussen kanaalkilometer 2.9 en kanaalkilometer 12.0 wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd. Gelet hierop behoeven de overige bezwaren van het college van burgemeester en wethouders van Meerssen, Buurtvereniging Voulwames en Stichting Leefbaar Geulle aan de Maas geen bespreking meer.

2.7.3. [appellante sub 8]

2.7.3.1. [appellante sub 8], die woonachting is aan [locatie] te [plaats], voert in beroep aan dat de Staatssecretaris ten onrechte het tracébesluit heeft vastgesteld voor zover daarbij ter plaatse is voorzien in een verbreding van het Julianakanaal. Appellante wijst er allereerst op dat zij nooit antwoord op haar vragen heeft ontvangen. Zij heeft immers geen internetaansluiting. Appellante is van mening dat dit project niet gerealiseerd moet worden omdat de samenhang met de Grensmaas niet is geregeld. Zij wenst dan ook dat uitsluitend die delen van haar perceel worden onteigend die strikt noodzakelijk zijn voor het Julianakanaal.

2.7.3.2. Met betrekking tot het bezwaar van appellante ten aanzien van de informatievoorziening verwijst de Afdeling naar hetgeen onder 2.5.1. is overwogen.

2.7.3.3. De Afdeling stelt vast dat het beroep van appellante gericht is tegen de westelijke verbreding van het Julianakanaal.

Zoals de Afdeling naar aanleiding van de beroepen van het college van burgemeester en wethouders van Meerssen, Buurtvereniging Voulwames en Stichting Leefbaar Geulle aan de Maas onder 2.7.2.6. heeft overwogen dient het tracébesluit voor zover dat betrekking heeft op de aanduidingen “permanent ruimtebeslag” en “tijdelijk grondbeslag” tussen kanaalkilometer 2.9 en kanaalkilometer 12.0 te worden vernietigd. Dit betekent dat het beroep van [appellante sub 8] eveneens gegrond is. Gelet hierop behoeven de overige bezwaren van [appellante sub 8] geen bespreking meer.

2.7.4. [appellanten sub 56]

2.7.4.1[plaats] Urmond exploiteren, voeren in beroep aan dat de Staatssecretaris ten onrechte het tracébesluit heeft vastgesteld voor zover daarbij ter plaatse van hun perceel is voorzien in een oostelijke verbreding van het Julianakanaal door dijkverplaatsing. Appellanten stellen dat sprake is van onevenredige getroffenheid. Zij voorzien grote problemen met betrekking tot hun bedrijfsvoering en hun woongenot op deze locatie. Voorts vrezen zij dat de geluidoverlast en de veiligheidsrisico’s vanwege de scheepvaart zullen toenemen.

2.7.4.2. Het bedrijf van appellanten ligt ter hoogte van kanaalkilometer 16.4. Blijkens het tracébesluit wordt vanaf kanaalkilometer 16.15 de verbreding gerealiseerd door dijkverplaatsing in oostelijke richting. De binnenteen van de kanaaldijk zal hier over 13 tot 20 meter in oostelijke richting verplaatst worden. Voor het agrarisch bedrijf van appellanten was in het ontwerp-tracébesluit nog sprake van een gedeeltelijke sloop van gebouwen. Door de verbreding ter plaatse met een damwandconstructie te realiseren wordt sloop voorkomen en het ruimtebeslag beperkt. Het bedrijf van appellanten beschikt over ongeveer 43 ha grond, waarvan 23 ha in eigendom en 20 ha in pacht, in verschillende gemeenten. Hiervan zullen, naar uit het verweerschrift blijkt, appellanten in totaal 00.19.46 ha (in eigendom) en 00.82.62 ha (in pacht) moeten afstaan.

Anders dan appellanten stellen, zullen naar uit het verweerschrift en het deskundigenbericht is af te leiden, na de verbreding van het kanaal de veestal en de mestkelder ook vanaf de noordkant bereikbaar blijven. Voorts is ter zitting door de Staatssecretaris gesteld dat alle voorzieningen die nu op en rond de boerderij aanwezig zijn in de toekomst worden teruggeplaatst. Ten aanzien van de bereikbaarheid van de mestkelder tijdens de uitvoering van de werkzaamheden is ter zitting door de Staatssecretaris toegezegd dat de bereikbaarheid in overleg met appellanten mogelijk zal blijven.

Wat betreft nieuwbouw van bedrijfsgebouwen heeft de Staatssecretaris zich terecht op het standpunt gesteld dat ook in de huidige situatie, gelet op de rooilijn van 30 meter van het kanaal op grond van het Rooilijnen Beleid Rijkswaterstaat en zoals vastgesteld in het bestemmingsplan, binnen die lijn geen bouwactiviteiten mogelijk zijn. Deze rooilijn is bedoeld voor reservering en onderhoud. Ter zitting is door de Staatssecretaris gesteld dat de rooilijn in de toekomst naar verwachting niet verder van het kanaal af komt te liggen dan nu het geval is.

Voor het onderhoud van de westelijke gevel van de stal kan het onderhouds- annex fiets- en voetpad worden gebruikt, aldus de Staatssecretaris. Dit pad wordt verlegd tot de eigendomsgrens van appellanten. De Afdeling ziet niet in dat hierdoor de persoonlijke levenssfeer van appellanten op onaanvaardbare wijze wordt aangetast. Immers een deel van de gronden wordt afgeschermd door de veestal en voorts staan op het perceel hoge coniferen die het zicht op de gronden van appellanten, waaronder de tuin, beperken.

Ten aanzien van de door appellanten gevreesde schade aan gebouwen als gevolg van het aanbrengen van damwanden, verwijst de Afdeling naar hetgeen zij onder 2.5.3.3. heeft overwogen. Niet is gebleken dat op grond van aldaar genoemde regeling niet aan het schade-aspect kan worden tegemoet gekomen. Overigens is uit het verweerschrift gebleken dat voor de aanvang van de werkzaamheden een nulmeting aan de gebouwen zal worden uitgevoerd, zodat eventuele schade zeer eenvoudig zal zijn aan te tonen.

Wat betreft de toeneming van geluidhinder heeft de Staatssecretaris zich op het standpunt gesteld dat ondanks de toeneming van het goederenvervoer het aantal scheepsbewegingen niet zal toenemen, omdat er meer gevaren kan worden met grotere schepen. Deze grotere schepen zijn tevens moderne schepen waarin de motoren gebouwd zijn volgens de strengste geluids- en emissienormen. Daardoor zal de geluids- en emissiebelasting veroorzaakt door het scheepvaartverkeer niet toenemen ten opzichte van de huidige situatie. Dit standpunt komt de Afdeling niet onredelijk voor. Er bestond voor de Staatssecretaris geen grond om ter plaatse een apart geluidsonderzoek in te stellen. Ook ten aanzien van de toeneming van veiligheidsrisico’s door vervoer van gevaarlijke stoffen heeft de Staatssecretaris zich naar het oordeel van de Afdeling op goede gronden op het standpunt gesteld dat de externe veiligheid ter plaatse niet zal verslechteren. Zij neemt daarbij in aanmerking dat het kanaal breder wordt, het vervoer met grotere schepen met de meest moderne veiligheidsuitrustingen zal worden uitgevoerd en het aantal schepen niet zal toenemen.

Het vorenstaande in aanmerking genomen is niet aannemelijk geworden dat appellanten op onaanvaardbare wijze in hun bedrijfsvoering en hun woongenot worden geschaad.

2.7.4.3. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de Staatssecretaris in redelijkheid niet het tracébesluit in zoverre heeft kunnen vaststellen. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat het tracébesluit op dit onderdeel anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellanten sub 56] is ongegrond.

2.7.5. Het college van burgemeester en wethouders van Stein

2.7.5.1. Het college van burgemeester en wethouders van Stein voert in beroep aan dat de Staatssecretaris ten onrechte het tracébesluit heeft vastgesteld voor zover daarbij is voorzien in een verbreding van de scheepvaartroute (Maasroute) voor het kanaalvak Berg a/d Maas – Brug Obbicht (km 16.15-18.9). In verband hiermee wijst appellant erop dat de bij het tracébesluit behorende kaarten met het oog op de rechtszekerheid van grondgebruikers en eigenaren op zijn minst hadden behoren te worden voorzien van een indicatieve maatvoering met betrekking tot het benodigde ruimtebeslag. Appellant brengt verder naar voren dat de evengenoemde verbreding een wezenlijke belemmering vormt voor de agrarische bedrijfsvoering van het agrarische bedrijf [locatie] te [plaats]. Verder stelt appellant zich op het standpunt dat het verlengen van de damwand aan de Paalweg gevolgen kan hebben voor de grondwaterstroming en het adequaat functioneren van het in Oud-Urmond aangelegde drainagesysteem.

2.7.5.2. Met betrekking tot de wijze waarop de bij het tracébesluit behorende kaarten zijn ingericht heeft de Staatssecretaris terecht gesteld dat de kaarten voldoen aan de in de Tracéwet gestelde eisen. In artikel 11, tweede lid, van de Tracéwet is bepaald dat bij het ontwerp-besluit ter voldoening aan artikel 1, eerste lid, onder h, onder 1o, gebruik wordt gemaakt van een of meer detailkaarten met een schaal van tenminste 1:2500 en van een of meer overzichtskaarten met een schaal van tenminste 1:20.000. Op de evengenoemde detailkaarten is onder meer het permanente en tijdelijke ruimtebeslag opgenomen, waaruit belanghebbenden kunnen afleiden welke gronden nodig zijn voor de uitvoering van het tracébesluit. Voorts zijn in de kaartenatlas die behoort bij het tracébesluit ook de dwarsprofielen opgenomen. De Afdeling is dan ook van oordeel dat het tracébesluit op dit onderdeel niet in strijd is met de rechtszekerheid.

2.7.5.3. Voor zover de bezwaren van appellant betrekking hebben op kanaalverbreding ter hoogte van het bedrijf aan de [locatie] te [plaats] verwijst de Afdeling naar hetgeen hierover onder 2.7.4.2. bij de behandeling van het beroep van [appellanten sub 56] is overwogen.

2.7.5.4. Met betrekking tot het verlengen van de damwand aan de Paalweg erkent de Staatssecretaris, naar uit het verweerschrift blijkt, dat dit gevolgen kan hebben voor de grondwaterstroming ter plaatse en dientengevolge voor het adequaat functioneren van het drainagesysteem. Naar verwachting zal medio 2003 worden begonnen met de technische voorbereiding van dit gedeelte van het Julianakanaal. Vanaf dat moment wordt een start gemaakt met de benodigde vergunningaanvragen met bijbehorende onderzoeken, waarvan mogelijk het doen van waterhuishoudkundig onderzoek naar de effecten van de damwand onderdeel uitmaakt. De Staatssecretaris heeft, naar uit het verweerschrift blijkt, toegezegd dat appellant hierbij in een vroegtijdig stadium zal worden betrokken.

2.7.5.5. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de Staatssecretaris in redelijkheid niet het tracébesluit in zoverre heeft kunnen vaststellen. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat het tracébesluit op dit onderdeel anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van burgemeester en wethouders van Stein is ongegrond.

2.8. Tracédeel 4 Kanaalpand Born-Maasbracht

2.8.1. Dit tracédeel betreft het Julianakanaal vanaf het eind van de benedenvoorhaven van sluis Born tot en met de sluis Maasbracht. Het Julianakanaal loopt min of meer evenwijdig aan de (onbevaarbare) Grensmaas en passeert onder meer de plaatsen Buchten, Roosteren, Echt en Maasbracht. De lengte van dit tracédeel bedraagt 13 km.

In dit tracédeel worden de maatregelen en ingrepen beschreven die noodzakelijk zijn om de projectdoelstelling voor het deelproject Maasroute te realiseren. Binnen dit kanaalpand vinden geen maatregelen plaats in het kader van het deelproject Zandmaas.

Ten behoeve van de verbetering van de scheepvaartroute over de Maas tot een klasse Vb-vaarweg (tweeduwbaksvaart) met een diepgang van 3,5 meter worden in het kanaalpand Born-Maasbracht de volgende maatregelen uitgevoerd:

* verlenging van de oostkolk van sluis Maasbracht;

* verhoging van het kanaalpeil met 0,25 meter.

Voor dit tracédeel zijn geen concrete beleidsbeslissingen in het streekplan opgenomen.

2.8.2. De Maasterp BV en andere

2.8.2.1. De Maasterp BV en andere, die gronden hebben in Ohé en Laak, voeren in beroep aan dat de Staatssecretaris en provinciale staten ten onrechte het tracébesluit respectievelijk het streekplan hebben vastgesteld. Appellanten hebben bezwaar tegen het streekplan, voorzover daarin de Dilkensplas te Ohé en Laak als ecologische zone is bestemd. Voorts richten de bezwaren zich tegen het tracébesluit, voor zover daarin een peilopzet van 0,25 meter is voorzien. Zij vrezen als gevolg daarvan gronden te verliezen, waaronder het dagstrand. Tevens stellen zij dat de gevolgen voor de jachthaven nog niet zijn te overzien.

2.8.2.2. Voor zover het beroep van appellanten betrekking heeft op de in het streekplan opgenomen ecologische zone stelt de Afdeling vast, dat dit bezwaar niet is gericht tegen één van de onder 2.4.3. genoemde concrete beleidsbeslissingen. Onder verwijzing naar hetgeen onder 2.4.2. is overwogen, is de Afdeling in zoverre onbevoegd van dit beroep kennis te nemen.

2.8.2.3. Appellanten exploiteren twee jachthavens, een camping en een dagstrand aan de [locatie] te [plaats].

Uit het tracébesluit en de nota van toelichting daarop, tracédeel 4, blijkt dat de Staatssecretaris het peil op het kanaalpand Born-Maasbracht met 0,25 meter verhoogt om de waterdiepte op de benedendrempel van sluis Born te vergroten tot 4,0 meter, zodat de sluis toegankelijk wordt voor schepen met een diepgang van 3,5 meter. De peilopzet leidt niet tot vernatting van aanliggende gebieden. De bodem van het Julianakanaal is voorzien van een slecht waterdoorlatende bekleding waardoor het kanaal hydrologisch een nagenoeg afgesloten geheel is. Het peil heeft daardoor geen invloed op de grondwaterstanden in de omgeving. De Afdeling is niet aannemelijk geworden dat dit standpunt onjuist is.

De Afdeling concludeert dan ook dat de peilopzet in dit tracédeel niet leidt tot een verhoging van de waterstand in de Maas, waarmee de Schroevendaalseplas in verbinding staat. Deze plas en de Dilkensplas staan niet in verbinding met het Julianakanaal. Het is dan ook niet aannemelijk dat het bedrijf van appellanten overlast zal ondervinden als gevolg van de peilopzet.

2.8.2.4. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de Staatssecretaris in redelijkheid niet het tracébesluit in zoverre heeft kunnen vaststellen. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat het tracébesluit op dit onderdeel anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van De Maasterp BV en andere is voor het overige ongegrond.

2.9. Tracédeel 6 Stuwpand Roermond

2.9.1. Dit tracédeel heeft betrekking op het tracégedeelte vanaf stuw Linne tot en met sluis Roermond.

In het streekplan is ten behoeve van de hoogwaterbescherming met een kans van 1:250 per jaar, voor Roermond aanpassing en aanleg van kaden als concrete beleidsbeslissing opgenomen. De tekst van de concrete beleidsbeslissing voor Roermond is opgenomen onder 2.4.3.

In het kader van het tracébesluit zijn in dit tracédeel geen maatregelen voorzien.

2.9.2. Het dagelijks bestuur van het Waterschap Roer en Overmaas (voor het overige)

2.9.2.1. Het dagelijks bestuur van het Waterschap Roer en Overmaas stelt in beroep verder dat provinciale staten ten onrechte het streekplan hebben vastgesteld, voor zover daarin in een groot aantal kadevakken maatregelen zijn genomen.

2.9.2.2. Appellant heeft er bezwaar tegen dat provinciale staten de wijze van verhogen in kadevak 50.740/7 ten opzichte van het ontwerp-plan hebben gewijzigd. Het eerste deel wordt binnenkaads verhoogd in plaats van vierkant verhoogd. Appellant acht deze wijze van verhogen technisch en financieel minder aantrekkelijk. Voorts voert appellant aan dat het ruimtebeslag van het eerste deel van kadevak 50.740/7 zoals op kaartblad 10 van de kaartenatlas behorend bij het streekplan is aangegeven niet in overeenstemming is met de voorgestelde maatregelen in het kadeplan.

Uit het kadeplan blijkt dat ter plaatse van kadevak 50.740/7 de groene kade binnenkaads zal worden verhoogd met 0,30 meter tot 21,81 meter+NAP. Plaatselijk zal een kademuur komen.

Appellant heeft op geen enkele wijze de technische en financiële nadelen onderbouwd. De Afdeling is niet aannemelijk geworden, dat provinciale staten niet in redelijkheid voor het binnenkaads verhogen hadden mogen kiezen.

Ten aanzien van de wijze waarop de maatregelen voor kadevak 50.740/7 op kaartblad 10 van de kaartenatlas behorend bij het streekplan zijn aangegeven overweegt de Afdeling dat op evenbedoelde kaart uitsluitend de verhoging van de groene kade met het bijbehorende ruimtebeslag is aangegeven. Dat ter plaatse mogelijk kademuren zullen komen is niet op de kaart aangegeven. De Afdeling acht dit in strijd met de rechtszekerheid. Het beroep van appellant is in zoverre gegrond, in verband waarmee het streekplan voor zover dat betrekking heeft op de concrete beleidsbeslissing voor Roermond, kadevak 50.740/7 dient te worden vernietigd.

2.9.2.3. Wat betreft kadevak 50.750/9-1, wijst appellant erop dat de tekst van het kadeplan van paragraaf 3.3 (p. 18), inhoudende dat op het eerste deel van onderdeel 9 (ongeveer 0,70 meter) de verhoging wellicht zal plaatsvinden in de vorm van een nieuwe kademuur, ten onrechte niet in tabel 3.2 is opgenomen. De tekst op p. 18 en tabel 3.2 zijn, aldus appellant, niet met elkaar in overeenstemming.

Uit het kadeplan blijkt dat volgens tabel 3.2 er in kadevak 50.750/9-1 geen ingreep zal plaatsvinden. Op kaartblad 11 van de kaartenatlas behorend bij het streekplan is voor dit kadevak als constructietype een nieuwe kademuur aangegeven. De weergave op kaartblad 11 en tabel 3.2 zijn derhalve niet met elkaar in overeenstemming, zoals door provinciale staten ter zitting ook is toegegeven.

De Afdeling acht dit in strijd met de rechtszekerheid. Het beroep van appellant is in zoverre gegrond, in verband waarmee het streekplan voor zover dat betrekking heeft op de concrete beleidsbeslissing voor Roermond, kadevak 50.750/9-1 dient te worden vernietigd.

2.9.2.4. Appellant wijst erop dat in kadevak Hertenerweg/2-1 de tekst van tabel 3.2 van het kadeplan, waarin wordt vermeld dat binnenkaads wordt verhoogd in openbaar groen, niet overeenkomt met de begeleidende tekst in paragraaf 3.3 (p.18). Hierin is immers ook sprake van een kademuur. Voorts wijst appellant erop dat hier geen sprake is van openbaar groen, maar van achtertuinen.

Uit de begeleidende tekst van paragraaf 3 van het kadeplan blijkt dat hier het kadevak Hertenerweg/2 in het geheel is besproken, terwijl in de tabel dit kadevak is opgesplitst in vier deelkadevakken. Gelet hierop acht de Afdeling de tabel wat betreft kadevak Hertenerweg/2-1 in overeenstemming met de begeleidende tekst. Overigens hebben provinciale staten ter zitting opgemerkt dat appellant terecht heeft gesteld dat hier geen sprake is van openbaar groen maar van tuinen. De Afdeling ziet hierin evenwel geen grond om tot vernietiging van dit onderdeel van de concrete beleidsbeslissing over te gaan.

2.9.2.5. Wat betreft kadevak 50.751/5-2 merkt appellant op dat in de begeleidende tekst in paragraaf 3.3 van het kadeplan (p. 19) ten aanzien van de Hambeek/Geuljanslaan is aangegeven dat de ingreep vervalt, maar dat op kaartblad 11 van de kaartenatlas behorend bij het streekplan nog een kademuur is ingetekend.

De Afdeling stelt vast dat in de begeleidende tekst en in tabel 3.2 van het kadeplan geen ingreep wordt vermeld. Op evenbedoeld kaartblad 11 staat een bestaande kademuur aangegeven. Uit de aanduiding kademuur kan niet worden afgeleid dat er een ingreep zal plaatsvinden. Er bestaat derhalve evenmin grond tot vernietiging van dit onderdeel van de concrete beleidsbeslissing over te gaan.

2.9.2.6. Appellant heeft er bezwaar tegen dat provinciale staten de wijze van verhogen in kadevak 50.760/3 ten opzichte van het ontwerp-plan hebben gewijzigd. De verhoging van 0,50 meter van het tweede deel van onderdeel 3 wordt uitgevoerd met een kademuur op de bestaande groene kade in plaats van een binnenkaadse verhoging met 0,50 meter. Appellant acht deze wijze van verhogen technisch en financieel minder aantrekkelijk.

Appellant heeft op geen enkele wijze de technische en financiële nadelen onderbouwd. De Afdeling is niet aannemelijk geworden, dat provinciale staten niet in redelijkheid voor het binnenkaads verhogen hadden mogen kiezen.

2.9.2.7. Appellant voert aan dat het ruimtebeslag van kadevak 50.740/13-2 niet op kaartblad 10 van de kaartenatlas behorend bij het streekplan is opgenomen.

Volgens tabel 3.1 van het kadeplan wordt in onderdeel 13 van kadevak 50.740 de kademuur demontabel verhoogd. Onderdeel 13 is in drie delen verdeeld. De Afdeling stelt vast dat op kaartblad 10 van de kaartenatlas behorend bij het streekplan geen ruimtebeslag voor kadevak 50.740/13-2 is opgenomen, hetgeen ter zitting door provinciale staten is erkend. De Afdeling acht dit in strijd met de rechtszekerheid. Het beroep van appellant is in zoverre gegrond, in verband waarmee het streekplan voor zover dat betrekking heeft op de concrete beleidsbeslissing voor Roermond, kadevak 50.740/13-2 dient te worden vernietigd.

2.9.2.8. Appellant voert tevens aan dat het ruimtebeslag voor de verhoging van de verbindende weg Burgemeester Höppenerlaan-Voorstad St. Jacob tussen kadevak 50.760/5 en kadevak 50.761/4-2 niet op kaartblad 11 van de kaartenatlas behorend bij het streekplan is aangegeven.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is komen vast te staan dat het ruimtebeslag voor de verhoging op kaartblad 11 is opgenomen.

2.9.2.9. Appellant stelt dat het ruimtebeslag van kadevak 50.761/3-1 niet juist op kaartblad 11 van de kaartenatlas behorend bij het streekplan is opgenomen.

Uit tabel 3.5 van het kadeplan blijkt dat ter plaatse van kadevak 50.761/3 de groene kade deels buitenkaads zal worden verhoogd en er deels een kademuur zal komen. Op kaartblad 11 van de kaartenatlas behorende bij het streekplan is voor het ruimtebeslag en het type kade een onderscheid gemaakt tussen kadevak 50.751/3-1 en kadevak 50.751/3-2. Voor beide kadevakken is het constructietype van de kade op kaartblad 11 opgenomen. De Afdeling acht dit niet in strijd met de rechtszekerheid.

2.9.2.10. Met uitzondering van de kadevakken 50.740/7, 50.750/9-1 en 740/13-2 ziet de Afdeling in hetgeen appellant heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten niet in redelijkheid de voorziene maatregelen in de aanvulling op het streekplan hebben kunnen opnemen. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat de concrete beleidsbeslissing voor Roermond op deze onderdelen anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van het dagelijks bestuur van het Waterschap Roer en Overmaas is voor het overige ongegrond.

2.9.3. Buurtvereniging St. Johannes Nepomucenus Ool

2.9.3.1. Buurtvereniging St. Johannes Nepomucenus Ool voert in beroep aan dat provinciale staten ten onrechte het streekplan hebben vastgesteld, voorzover daarin in kadevak 50.740/5 en 6 maatregelen zijn voorzien. Zij wenst dat ter hoogte van de Broekstraat te Ool een demontabele kade wordt opgenomen. Voorts voert appellante aan dat daarin geen duidelijkheid wordt gegeven over de wijze waarop het huidige voet- en fietspad in kadevak 50.740/6 terugkeert. Zij stelt dat het verhogen en verbreden van de kade in het watervoerend deel van de rivier in strijd is met de beleidslijn Ruimte voor de rivier. Verder wijst appellante erop dat het argument van beheersbaarheid van een demontabele kade in dit geval niet opgaat. Zij stelt verder dat de puntenwaardering niet goed is gedaan en geen recht doet aan de specifieke situatie ter plaatse.

2.9.3.2. Blijkens de stukken zijn de leden van appellante woonachtig in de [plaats] ten oosten [locatie]. De woningen van de leden vormen een lintbebouwing en zijn gelegen ter hoogte van [locatie]. De in 1997 aangelegde groene kade in dit kadevak wordt buitenkaads verhoogd met 0,30 meter tot 21,90 meter+NAP.

2.9.3.3. Zoals onder 2.5.2.5. reeds is overwogen acht de Afdeling het door provinciale staten gehanteerde uitgangspunt dat een in het kader van het Deltaplan grote rivieren aangelegde groene kade als groene kade wordt verhoogd niet onjuist. Voorts acht de Afdeling het door provinciale staten gehanteerde beoordelingssysteem voor de keuze van een demontabele kade, zoals ook onder 2.5.2.5. is weergegeven, in zijn algemeenheid niet onjuist. Niet aannemelijk is gemaakt dat provinciale staten in dit geval niet van de voor kadevak 50.740/6 en 5 gegeven puntenwaardering, zoals neergelegd in het rapport “Verhoging kaden Zandmaas; beoordeling van de ruimtelijke effecten” hadden mogen uitgaan. De Afdeling is niet gebleken van zodanige feiten en omstandigheden die provinciale staten aanleiding hadden moeten geven om in dit geval in afwijking van de beoordelingsmethode, voor een demontabele kade te kiezen.

Wat betreft het door appellante aangevoerde bezwaar dat in het watervoerend winterbed van de Maas geen kaden mogen worden verhoogd en verbreed, wijst de Afdeling erop dat uit het kadeplan, zoals overwogen onder 2.5.2.3., naar voren komt dat bij het ontwerpen van de kaden rekening is gehouden met de beleidslijn Ruimte voor de rivier. Provinciale staten stellen zich op het standpunt dat deze activiteiten op grond van de beleidslijn Ruimte voor de rivier zijn toegestaan en aan de daar gestelde voorwaarden is voldaan. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit standpunt onjuist is. Voorts komt uit de stukken naar voren dat de kademaatregelen niet zullen leiden tot vermindering van bescherming elders in het Zandmaasgebied.

2.9.3.4. Het door appellante bedoelde pad loopt thans over de bestaande groene kade en het buitentalud langs de Maasstraat. Als gevolg van de verhoging van de kade zal het pad moeten verdwijnen.

Uit het verweerschrift en het verhandelde ter zitting blijkt dat provinciale staten als uitgangspunt hanteren dat de bestaande infrastructuur wordt gerespecteerd en eventueel in aangepaste vorm weer wordt aangelegd. Gelet hierop zal het pad in de nieuwe situatie weer worden aangelegd, zodat de toeristische route blijft behouden.

2.9.3.5. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten niet in redelijkheid de in kadevak 50.740/5 en 6 voorziene maatregelen in de aanvulling op het streekplan hebben kunnen opnemen. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat de concrete beleidsbeslissing op dit onderdeel anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van Buurtvereniging St. Johannes Nepomucenus Ool is ongegrond.

2.9.4. [appellanten sub 31]

2.9.4.1. [appellanten sub 31] voeren in beroep aan dat provinciale staten ten onrechte het streekplan hebben vastgesteld, voorzover daarin in [locatie] en 11 maatregelen op hun percelen zijn voorzien. Appellanten wijzen erop dat zij bij geruchte hebben vernomen dat delen van hun percelen zullen worden aangekocht dan wel onteigend. Zij stellen dat bij inzage in het gemeentehuis geen enkel plan omtrent hun percelen is terug te vinden. Zij vrezen verder dat de ter hoogte van de woning aanwezige coupure wordt opgeheven.

2.9.4.2. Met betrekking tot het bezwaar van appellanten ten aanzien van de informatievoorziening verwijst de Afdeling naar hetgeen onder 2.5.1. is overwogen.

2.9.4.3. Blijkens het verweerschrift zijn appellanten eigenaar van negen percelen ter hoogte van [plaats]. Deze percelen zijn gelegen aan de [locatie] ter hoogte van [locatie]. Op een van deze percelen staat een vakantiehuis. Ter hoogte van de percelen van appellanten worden de in 1997 aangelegde (demontabele) kademuren demontabel verhoogd. In [locatie] is er sprake van een verhoging met 0,40 meter tot een hoogte van 21,67 meter+NAP. In [locatie] wordt de kade verhoogd met 0,60 meter tot eveneens een hoogte van 21,67 meter+NAP.

Voor deze maatregelen hoeven echter geen gronden van appellanten te worden aangekocht. Ter plaatse is reeds een zakelijk recht gevestigd dat voldoende is, aldus provinciale staten.

Wat betreft de coupure hebben provinciale staten toegezegd dat indien de coupure, zoals door appellanten wordt gesteld, wordt gebruikt, deze overeenkomstig het algemene uitgangspunt dat aanwezige infrastructuur wordt gerespecteerd, in de nieuwe situatie terugkomt.

2.9.4.4. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten niet in redelijkheid de in [locaties] voorziene maatregelen in de aanvulling op het streekplan hebben kunnen opnemen. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat de concrete beleidsbeslissing op dit onderdeel anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellanten sub 31] is ongegrond.

2.9.5. [appellanten sub 30] en [appellanten sub 72]

2.9.5.1. [appellanten sub 30] en [appellanten sub 72], allen bewoners van de [locatie] dan wel de [locatie], voeren in beroep aan dat provinciale staten ten onrechte het streekplan hebben vastgesteld, voor zover daarin in [locaties] maatregelen voor hun percelen zijn opgenomen. [appellanten sub 30] voeren ook aan dat het tracébesluit door de Staatssecretaris ten onrechte is vastgesteld. Een aantal appellanten vindt het bezwaarlijk dat de kade langs de Hambeek geprojecteerd is op hun gronden en dat zij derhalve een stuk tuin voor deze kade moeten afstaan, hetgeen de gebruikswaarde en de gebruiksmogelijkheden van de tuinen vermindert. Appellanten hebben verder bezwaren tegen het gekozen constructie-type van de kade. Tenslotte stellen appellanten dat de gegevens en formuleringen in de teksten en tabellen behorende bij de concrete beleidsbeslissing ten aanzien van [locaties] niet corresponderen dan wel onduidelijk zijn.

Appellanten [naam personen], bewoners van [locatie], verzetten zich tegen het ophogen van het perceel [locatie], omdat zij vrezen voor kwelwater.

2.9.5.2. Voor zover het beroep van [appellanten sub 30] gericht is tegen het tracébesluit, zijn in het tracédeel dat hier aan de orde is op grond van het tracébesluit geen maatregelen voorzien. In zoverre is het beroep ongegrond.

2.9.5.3. Uit de stukken blijkt dat [appellanten] wonen aan de [locatie]. De tuinen van [appellanten] grenzen direct aan de [locatie]. De tuinen van [appellanten] grenzen niet aan de [locatie], maar grenzen in het noorden aan de tuin van [naam persoon], die aan de [locatie] woont. Ter plaatse is een verhoging van de bestaande constructie voorzien in overleg met bewoners. Naar uit kaartblad 11 van de kaartenatlas behorend bij het streekplan blijkt, is een zeer ruim ruimtebeslag opgenomen met het oog op, zo is ter zitting gebleken, het maatwerk dat moet worden geleverd. Het gaat om waardevolle tuinen met hoogteverschillen, deel met een reeds opgerichte kademuur. Ter zitting is gebleken dat inmiddels overleg is gestart met appellanten over de aanleg van kaden, maar dat dit nog niet tot een definitief plan heeft geleid.

De Afdeling stelt vast dat op evengenoemd kaartblad 11 het ruimtebeslag is aangegeven met het constructietype bestaande groene kade. Naar uit het kadeplan blijkt, is ter plaatse in kadevak 50.750/6 evenwel een kademuur aanwezig. Deze is niet op kaartblad 11 aangegeven. Evenmin is op kaartblad 11 aangegeven dat, zoals in de begeleidende tekst bij tabel 3.2 van het kadeplan is aangegeven, in kadevak 50.750/ 5 tot en met 7 ook verhoging door middel van een kademuur mogelijk is. De Afdeling acht een en ander in strijd met de rechtszekerheid. Het beroep van [appellanten sub 30] is voor het overige en het beroep van [appellanten sub 72] is geheel gegrond, in verband waarmee het streekplan voor zover dat betrekking heeft op de concrete beleidsbeslissing voor Roermond, kadevak [locaties], dient te worden vernietigd.

2.9.6. [appellant sub 17]

2.9.6.1. [appellant sub 17], die woonachtig is aan de [locatie] te [plaats], voert in beroep aan dat provinciale staten ten onrechte het streekplan hebben vastgesteld, voor zover daarin in kadevak [locatie] maatregelen op zijn perceel zijn opgenomen. Hij stelt dat de kade niet op zijn perceel, maar op het eigendom van het waterschap moet worden gerealiseerd, strak tegen de huidige kavelgrenzen van de aanliggende woningen en gemeentegrond. Hij meent voorts dat de kademuur de Hambeek strak dient te volgen.

2.9.6.2. Het perceel van appellant is gelegen op de noordelijke oever van de [locatie] ter hoogte van [locaties]. Ter plaatse van het perceel van appellant wordt in overleg met bewoners een kademuur opgericht tot een hoogte van 21,71 meter+NAP. Het perceel van appellant is 00.07.75 ha groot, waarvan maximaal 00.00.23 ha nodig is voor de aanleg van de kade. Dit gedeelte is, naar uit het deskundigenbericht blijkt, in gebruik als tuin.

Naar uit de stukken en het verhandelde ter zitting naar voren is gekomen is door provinciale staten overleg gevoerd met appellant over de aanleg van de kade en zijn precieze berekeningen gemaakt van de hoogte van het maaiveld. Uit een en ander volgt dat de kademuur ter plaatse slechts ongeveer 0,10 tot 0,40 meter hoog behoeft te worden en zo dicht mogelijk bij, of zelfs net buiten de erfgrens, kan worden gesitueerd. De kade kan binnen de grenzen van de concrete beleidsbeslissing worden uitgevoerd. Het vorenstaande in aanmerking genomen, acht de Afdeling niet aannemelijk dat het uitzicht aanzienlijk zal verminderen dan wel het gebruik van de tuin en daarmee het woongenot in ernstige mate zal worden aangetast.

Indien de kade al op de gronden van appellant moet worden aangelegd, zullen hiervoor geen gronden behoeven te worden aangekocht. Ter plaatse kan in dit geval worden volstaan met het vestigen van een zakelijk recht.

De Afdeling is dan ook van oordeel dat provinciale staten bij de afweging van de betrokken belangen in redelijkheid een groter gewicht hebben kunnen toekennen aan het belang dat is gediend met een duurzame bescherming tegen hoogwater dan aan het belang van appellant bij het behoud van het uitzicht en het woongenot.

2.9.6.3. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten niet in redelijkheid de kademaatregel in het [locaties] ter plaatse van het perceel in de aanvulling op het streekplan hebben kunnen opnemen. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat de concrete beleidsbeslissing op dit onderdeel anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 17] is ongegrond.

2.9.7. [appellanten sub 54]

2.9.7.1. [appellanten sub 54], die woonachtig is aan de [locatie], voert in beroep aan dat provinciale staten ten onrechte het streekplan hebben vastgesteld, voor zover daarin rondom Hammerveld West maatregelen zijn opgenomen. Appellant is het allereerst niet eens met de wijze waarop met zijn inspraakreactie is omgegaan. Voorts acht hij het niet nodig beschermende maatregelen te nemen nu zijn woning op voldoende hoogte ligt. Indien dit niet zo zou zijn, wegen de maatschappelijke kosten van kaden niet op tegen het schaderisico van hoogwater. Indien toch kaden moeten worden aangelegd dienen deze het beloop van de Hambeek, Roer en Groene rivier te volgen en dienen deze op eigendom van het waterschap te worden gerealiseerd. Voorts is appellant van mening dat het bovenste deel van een eventuele kademuur op zijn perceel tot minimaal 20 cm onder het huidige peil van de aangrenzende percelen dient te worden uitgevoerd met wegneembare schotten. Hij wenst dat in ieder geval voor [locatie] aan deze wensen wordt voldaan.

2.9.7.2. Met betrekking tot het bezwaar van appellant ten aanzien van de wijze waarop met zijn inspraakreactie is omgegaan verwijst de Afdeling naar hetgeen onder 2.5.1. is overwogen.

2.9.7.3. Het perceel van appellant ligt op de noordelijke oever van de Hambeek ter hoogte van [locaties]. Ter plaatse is een kademuur tot een hoogte van 21,71 meter+NAP in overleg met bewoners voorzien. Het perceel van appellant is 00.05.63 ha groot, waarvan maximaal 00.00.22 ha nodig is voor de aanleg van de kade. Naar uit het deskundigenbericht blijkt, is dit gedeelte van de gronden in gebruik als “zwevend” terras en zwembad.

Met betrekking tot de stelling van appellant dat de maatschappelijke kosten van de aanleg van kaden niet opwegen tegen het schaderisico van hoogwater overweegt de Afdeling, zoals onder 2.5.2.2. is gesteld, dat het doel van de kaden bij Roermond, Venlo en Gennep-Middelaar is het realiseren van een beschermingsniveau behorend bij een overstromingskans van 1:250 per jaar. De Afdeling acht dit uitgangspunt niet onjuist. Daarbij wijst zij erop dat hiermee ook de maatschappelijke kosten die de aanleg van de kaden met zich brengen aanvaardbaar zijn.

Ten aanzien van de noodzaak van de kade voor het perceel van appellant komt uit het verweerschrift naar voren dat op veel plaatsen de individuele woningen dicht langs de Maas hoog genoeg liggen om beschermd te zijn tegen een hoogwatergolf met een kans van 1:250 per jaar, maar het achterliggende gebied lager ligt. De te treffen maatregelen in dit kadevak zijn gebaseerd op door provinciale staten in het kader van de verdere plandetaillering verrichte hoogtemetingen. Het standpunt van provinciale staten dat een kadering moet worden gerealiseerd met voldoende hoogte om het achterliggende land te beschermen komt de Afdeling niet onjuist voor.

Voorts acht de Afdeling het door provinciale staten gehanteerde beoordelingssysteem voor de keuze voor een demontabele kade, zoals ook onder 2.5.2.5. is weergegeven, in zijn algemeenheid niet onjuist. Niet aannemelijk is gemaakt dat provinciale staten in dit geval niet van de [locaties] gegeven puntenwaardering, zoals neergelegd in het rapport “Verhoging kaden Zandmaas; beoordeling van de ruimtelijke effecten” hadden mogen uitgaan. Voorts is de Afdeling niet gebleken van zodanige feiten en omstandigheden die voor provinciale staten in dit geval aanleiding hadden moeten zijn in afwijking van de beoordelingsmethode voor een demontabele kade te kiezen.

Naar uit de stukken en het verhandelde ter zitting naar voren is gekomen is door provinciale staten overleg gevoerd met appellant over de aanleg van de kade en zijn precieze berekeningen gemaakt van de hoogte van het maaiveld. Uit een en ander volgt dat de hoogte van de kademuur ter plaatse slechts ongeveer 0,10 meter boven het terras zal uitkomen. Tevens zal met appellant nog overleg worden gevoerd over het te gebruiken materiaal voor de muur. De kade kan binnen de grenzen van de concrete beleidsbeslissing worden uitgevoerd. Het vorenstaande in aanmerking genomen, acht de Afdeling niet aannemelijk dat het uitzicht aanzienlijk zal verminderen dan wel de gebruikswaarde van het terras en daarmee het woongenot in ernstige mate zal worden aangetast.

Indien de kade al op de gronden van appellant moet worden aangelegd, zullen hiervoor geen gronden behoeven te worden aangekocht. Ter plaatse kan in dit geval worden volstaan met het vestigen van een zakelijk recht.

De Afdeling is dan ook van oordeel dat provinciale staten bij de afweging van de betrokken belangen in redelijkheid een groter gewicht hebben kunnen toekennen aan het belang dat is gediend met een duurzame bescherming tegen hoogwater dan aan het belang van appellant bij het behoud van het uitzicht en het woongenot.

2.9.7.4. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten niet in redelijkheid de kademaatregel in het kadevak Geuljanslaan/2-1 ter plaatse van het perceel in de aanvulling op het streekplan hebben kunnen opnemen. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat de concrete beleidsbeslissing voor Roermond op dit onderdeel anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellanten sub 54] is ongegrond.

2.9.8. [appellant sub 37]

2.9.8.1. [appellant sub 37], die woonachtig is aan de [locatie] te [plaats], voert in beroep aan dat provinciale staten ten onrechte het streekplan hebben vastgesteld, voor zover daarin in [locaties] maatregelen op zijn perceel zijn opgenomen. Hij stelt dat zijn woongenot wordt aangetast, omdat het vrije uitzicht op de Hambeek grotendeels komt te vervallen. Hij acht het niet noodzakelijk een kademuur te plaatsen, omdat zijn perceel op voldoende hoogte ligt.

2.9.8.2. Het perceel van appellant ligt op de noordelijke oever van de Hambeek ter hoogte van kadevak [locaties]. Ter plaatse is een kademuur tot een hoogte van 21,71 meter+NAP in overleg met bewoners voorzien. Het perceel van appellant is 00.05.70 groot, waarvan maximaal 00.00.28 ha nodig is voor de aanleg van de kade. Naar uit het deskundigenbericht blijkt, is dit gedeelte van de gronden in gebruik als tuin.

Met betrekking tot de noodzaak van de kade, verwijst de Afdeling naar hetgeen omtrent het beroep van [appellanten sub 54] onder 2.9.7.3. is overwogen.

Naar uit de stukken en het verhandelde ter zitting naar voren is gekomen is door provinciale staten overleg gevoerd met appellant over de aanleg van de kade en zijn precieze berekeningen gemaakt van de hoogte van het maaiveld. Uit een en ander volgt dat de kademuur ter plaatse slechts ongeveer 0,10 tot 0,40 meter hoog behoeft te worden en zo dicht mogelijk bij, of zelfs net buiten de erfgrens kan worden gesitueerd. De kade kan binnen de grenzen van de concrete beleidsbeslissing worden uitgevoerd. Het vorenstaande in aanmerking genomen, acht de Afdeling het niet aannemelijk dat het uitzicht aanzienlijk zal verminderen dan wel het gebruik van de tuin en daarmee het woongenot in ernstige mate zal worden aangetast.

Indien de kade al op de gronden van appellant moet worden aangelegd, zullen hiervoor geen gronden behoeven te worden aangekocht. Ter plaatse kan in dit geval worden volstaan met het vestigen van een zakelijk recht.

De Afdeling is dan ook van oordeel dat provinciale staten bij de afweging van de betrokken belangen in redelijkheid een groter gewicht hebben kunnen toekennen aan het belang dat is gediend met een duurzame bescherming tegen hoogwater dan aan het belang van appellant bij het behoud van het uitzicht en het woongenot.

2.9.8.3. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten niet in redelijkheid de kademaatregel in het kadevak Geuljanslaan/2-1 ter plaatse van het perceel in de aanvulling op het streekplan hebben kunnen opnemen. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat de concrete beleidsbeslissing voor Roermond op dit onderdeel anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 37] is ongegrond.

2.9.9. [appellante sub 3]

2.9.9.1. [appellante sub 3], die woonachtig is aan de [locatie] te [woonplaats], voert in beroep aan dat provinciale staten ten onrechte het streekplan hebben vastgesteld, voor zover daarin in [locaties] maatregelen op haar perceel zijn opgenomen. Zij stelt dat haar woongenot onevenredig wordt aangetast, omdat haar vrije uitzicht op de Hambeek komt te vervallen. Zij acht het niet noodzakelijk kademuren langs de Hambeek te plaatsen, daar volstaan kan worden met kaden langs de Maas.

2.9.9.2. Het perceel van appellante ligt op de noordelijke oever van de Hambeek ter hoogte van [locaties]. Ter plaatse is een kademuur tot een hoogte van 21,71 meter+NAP in overleg met bewoners voorzien. Het perceel van appellante is 00.05.00 ha groot, waarvan maximaal 00.00.22 ha nodig is voor de aanleg van de kade. Dit gedeelte is in gebruik als tuin.

Met betrekking tot de noodzaak van de kade, verwijst de Afdeling naar hetgeen omtrent het beroep van [appellanten sub 54] onder 2.9.7.3. is overwogen.

Naar uit de stukken en het verhandelde ter zitting naar voren is gekomen is door provinciale staten overleg gevoerd met appellante over de aanleg van de kade en zijn precieze berekeningen gemaakt van de hoogte van het maaiveld. Uit een en ander volgt dat de kademuur ter plaatse slechts ongeveer 0,10 tot 0,40 meter hoog behoeft te worden en zo dicht mogelijk bij, of zelfs net buiten, de erfgrens kan worden gesitueerd. De kade kan binnen de grenzen van de concrete beleidsbeslissing worden uitgevoerd. Het vorenstaande in aanmerking genomen, acht de Afdeling niet aannemelijk dat het uitzicht aanzienlijk zal verminderen dan wel het gebruik van de tuin en daarmee het woongenot in ernstige mate zal worden aangetast.

Indien de kade al op de gronden van appellante moet worden aangelegd, zullen hiervoor geen gronden behoeven te worden aangekocht. Ter plaatse kan in dit geval worden volstaan met het vestigen van een zakelijk recht, aldus provinciale staten.

De Afdeling is dan ook van oordeel dat provinciale staten bij de afweging van de betrokken belangen in redelijkheid een groter gewicht hebben kunnen toekennen aan het belang dat is gediend met een duurzame bescherming tegen hoogwater dan aan het belang van appellant bij het behoud van het uitzicht en het woongenot.

2.9.9.3. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten niet in redelijkheid de kademaatregel in het kadevak Geuljanslaan/2-1 ter plaatse van het perceel in de aanvulling op het streekplan hebben kunnen opnemen. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat de concrete beleidsbeslissing voor Roermond op dit onderdeel anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellante sub 3] is ongegrond.

2.9.10. [appellanten sub 44]

2.9.10.1. [appellanten sub 44], die woonachtig zijn aan de [locatie] te [plaats], voeren in beroep aan dat provinciale staten ten onrechte het streekplan hebben vastgesteld, voor zover daarin in [locatie] op hun perceel de bestaande kade zal worden verhoogd en een groene kade zal worden aangelegd in [locatie]. Allereerst brengen appellanten naar voren dat de reactienota naar aanleiding van hun inspraakreactie op onzorgvuldige wijze is opgesteld. Zij achten een verhoging van de kade op hun perceel niet noodzakelijk vanwege de feitelijke peilhoogte van de woning en tuin en de vastgestelde beschermingshoogte. Het heeft onnodige negatieve ruimtelijke effecten voor de huizen en de wijk. Ter bescherming van het achterliggende rivierengebied van de Hambeek hebben appellanten oplossingen aangedragen. Voorts stellen appellanten dat een kade een onnodige ingreep op hun privégrond is. Appellanten hebben bezwaar tegen de kaden langs de [locatie], omdat daardoor onnodig hun uitzicht wordt belemmerd.

2.9.10.2. Met betrekking tot het bezwaar van appellanten ten aanzien van de wijze waarop de reactienota op de inspraakreacties is tot stand gekomen verwijst de Afdeling naar hetgeen onder 2.5.1. is overwogen.

2.9.10.3. Het perceel van appellanten ligt op de [locatie] ter hoogte van [locatie]. Ter plaatse is een kademuur van ongeveer 0,60 meter tot een hoogte van 21,68 meter+NAP in overleg met de bewoners voorzien. Het perceel van appellanten is 00.13.48 ha groot, waarvan maximaal 00.00.53 ha nodig is voor de aanleg van de kade. Naar uit het deskundigenbericht blijkt, is dit gedeelte van de gronden in gebruik als tuin.

Provinciale staten stellen zich ten aanzien van de noodzaak van de kade in bovengenoemd kadevak op het standpunt dat op veel plaatsen de individuele woningen dicht langs de Maas hoog genoeg liggen om beschermd te zijn tegen een hoogwatergolf met een kans van 1:250 per jaar, maar het achterliggende gebied lager ligt. De te treffen maatregelen in [locatie] zijn gebaseerd op door provinciale staten in het kader van de verdere plandetaillering verrichte hoogtemetingen. Deze metingen hebben uitgewezen dat maatregelen nodig zijn om het vereiste beschermingsniveau van 1:250 per jaar te bereiken. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat provinciale staten van onjuiste gegevens zijn uitgegaan. Derhalve acht de Afdeling de noodzaak voor de aanleg van de kade voldoende aannemelijk.

Naar uit de stukken en het verhandelde ter zitting naar voren is gekomen, zijn door provinciale staten precieze berekeningen gemaakt van het maaiveld. Uit een en ander volgt dat de kademuur van evengenoemd kadevak 0,20 tot 0,60 meter hoog zal worden en zo dicht mogelijk bij, of zelfs net buiten, de erfgrens kan worden gesitueerd. Gelet hierop acht de Afdeling het niet aannemelijk dat het uitzicht aanzienlijk zal verminderen dan wel het gebruik van de tuin en daarmee het woongenot in ernstige mate zal worden aangetast.

Indien de kade al op de gronden van appellanten moet worden aangelegd, zullen hiervoor geen gronden behoeven te worden aangekocht. Ter plaatse kan in dit geval worden volstaan met het vestigen van een zakelijk recht, aldus provinciale staten.

De Afdeling is dan ook van oordeel dat provinciale staten bij de afweging van de betrokken belangen in redelijkheid een groter gewicht hebben kunnen toekennen aan het belang dat is gediend met een duurzame bescherming tegen hoogwater dan aan het belang van appellanten bij het behoud van het uitzicht en het woongenot.

Appellanten hebben als alternatief voor de kade gewezen op de mogelijkheid van het plaatsen van een drijver in de Hambeek onder de rode brug. Het bestaan van alternatieven kan op zichzelf geen grond vormen voor de vernietiging van een concrete beleidsbeslissing. Alternatieven kunnen eerst aan de orde komen indien blijkt van ernstige bezwaren tegen de voorziene kade. Van dergelijke bezwaren is de Afdeling niet gebleken.

2.9.10.4. Wat betreft [locatie], waar aan de westzijde van de [locatie] een groene kade met een hoogte van 1,50 meter tot een hoogte van 21,70 meter+NAP wordt opgericht, blijkt uit het deskundigenbericht dat deze kade op ongeveer 70 meter van de achtergevel van de woning van appellanten zal worden gerealiseerd. Het uitzicht vanuit de tuin op de uiterwaarden van de Maas wordt thans beperkt door de aanwezige begroeiing. Hoewel niet onaannemelijk is dat het uitzicht verder zal worden beperkt, is de Afdeling van oordeel dat dat provinciale staten bij de afweging van de betrokken belangen in redelijkheid een groter gewicht hebben kunnen toekennen aan het belang dat is gediend met een duurzame bescherming tegen hoogwater dan aan het belang van appellanten bij het behoud van het uitzicht. Evenmin is de Afdeling aannemelijk geworden dat de aanleg van een groene kade in [locatie] op onaanvaardbare wijze afbreuk zal doen aan de huidige zichtlijnen van fietsers en wandelaars op de zuidelijke oever.

2.9.10.5. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten niet in redelijkheid de kademaatregelen in de [locaties] in de aanvulling op het streekplan hebben kunnen opnemen. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat de concrete beleidsbeslissing voor Roermond op dit onderdeel anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellanten sub 44] is ongegrond.

2.9.11. [appellant sub 67]

2.9.11.1. [appellant sub 67], die woonachtig is aan de [locatie] te [plaats], voert in beroep aan dat provinciale staten ten onrechte het streekplan hebben vastgesteld, voor zover daarin in [locatie] op zijn perceel een kademuur zal worden gerealiseerd en een groene kade zal worden aangelegd in [locatie]. Allereerst brengt appellant naar voren dat de reactienota naar aanleiding van zijn inspraakreactie op onzorgvuldige wijze is opgesteld. Hij acht een (verhoging van de) kade op zijn perceel niet noodzakelijk vanwege de feitelijke peilhoogte van de woning en tuin en de vastgestelde beschermingshoogte. Appellant is het niet eens met het constructietype van de kade, te weten een kademuur op een groene kade. Ter bescherming van het achterliggende rivierengebied van de Hambeek heeft appellant oplossingen aangedragen. Voorts stelt appellant dat een kade een onnodige ingreep op zijn privégrond is. Appellant heeft bezwaar tegen de kaden langs de [locatie], omdat daardoor onnodig zijn uitzicht wordt belemmerd.

2.9.11.2. Met betrekking tot het bezwaar van appellant ten aanzien van de wijze waarop de reactienota op de inspraakreacties is tot stand gekomen, verwijst de Afdeling naar hetgeen onder 2.5.1. is overwogen.

2.9.11.3. Het perceel van appellant ligt op de [locatie] ter hoogte van [locatie]. Ter plaatse is een kademuur van ongeveer 0,60 meter tot een hoogte van 21,68 meter+NAP in overleg met de bewoners voorzien. Het perceel van appellant is 00.08.55 ha groot, waarvan maximaal 00.00.31 ha nodig is voor de aanleg van de kade.

Met betrekking tot de noodzaak van de kade, verwijst de Afdeling naar hetgeen omtrent het beroep van [appellanten sub 44] onder 2.9.10.3. is overwogen.

Naar uit de stukken en het verhandelde ter zitting naar voren is gekomen zijn door provinciale staten precieze berekeningen gemaakt van het maaiveld. Uit een en ander volgt dat de kademuur van evengenoemd kadevak 0,20 tot 0,60 meter hoog zal worden en zo dicht mogelijk bij, of zelfs net buiten, de erfgrens kan worden gesitueerd. Gelet hierop acht de Afdeling niet aannemelijk dat het uitzicht aanzienlijk zal verminderen dan wel het gebruik van de tuin en daarmee het woongenot in ernstige mate zal worden aangetast.

Indien de kade al op de gronden van appellant moet worden aangelegd, zullen hiervoor geen gronden behoeven te worden aangekocht. Ter plaatse kan in dit geval worden volstaan met het vestigen van een zakelijk recht, aldus provinciale staten.

De Afdeling is dan ook van oordeel dat provinciale staten bij de afweging van de betrokken belangen in redelijkheid een groter gewicht hebben kunnen toekennen aan het belang dat is gediend met een duurzame bescherming tegen hoogwater dan aan het belang van appellant bij het behoud van het uitzicht en het woongenot.

Appellant heeft voor de voorziene kade een aantal alternatieven naar voren gebracht. Met betrekking tot deze alternatieven kan worden verwezen naar hetgeen onder 2.9.10.3. bij het beroep van [appellanten sub 44] is overwogen.

2.9.11.4. Wat betreft [locatie], waar aan de westzijde van de [locatie] een groene kade met een hoogte van 1,50 meter tot een hoogte van 21,70 meter+NAP wordt opgericht, blijkt uit het deskundigenbericht dat deze kade op ongeveer 66 meter van de achtergevel van de woning van appellant zal worden gerealiseerd. Hoewel het uitzicht vanuit de tuin op de uiterwaarden van de Maas deels zal verdwijnen hebben provinciale staten bij de afweging van de betrokken belangen in redelijkheid een groter gewicht kunnen toekennen aan het belang dat is gediend bij bescherming tegen hoogwater dan aan het belang van appellant bij het behoud van het uitzicht. Niet is de Afdeling aannemelijk geworden dat de verhoging in [locatie] op onaanvaardbare wijze afbreuk zal doen aan de huidige zichtlijnen van fietsers en wandelaars op de zuidelijke oever.

2.9.11.5. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten niet in redelijkheid de kademaatregelen in [locaties] in de aanvulling op het streekplan hebben kunnen opnemen. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat de concrete beleidsbeslissing voor Roermond op dit onderdeel anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 67] is ongegrond.

2.9.12. [appellant sub 68]

2.9.12.1. [appellant sub 68], die woonachtig is aan de [locatie] te [plaats], voert in beroep aan dat provinciale staten ten onrechte het streekplan hebben vastgesteld, voor zover daarin in [locatie] op zijn perceel een kademuur zal worden gerealiseerd en een groene kade zal worden aangelegd in [locatie]. Allereerst brengt appellant naar voren dat de reactienota naar aanleiding van zijn inspraakreactie op onzorgvuldige wijze is opgesteld. Hij acht een (verhoging van de) kade op zijn perceel niet noodzakelijk vanwege de feitelijke peilhoogte van de woning en tuin en de vastgestelde beschermingshoogte. Appellant is het niet eens met het constructietype van de kade, nu dit een negatief ruimtelijk effect heeft op individuele gebouwen en de wijk. Ter bescherming van het achterliggende rivierengebied van de Hambeek heeft appellant oplossingen aangedragen. Voorts stelt hij dat een mogelijke belemmering van de afvoer vanuit de Hambeek kan worden opgevangen door profielvergroting en het aanpassen van de vernauwing bij de rode brug. Appellant acht een kade een onnodige ingreep op zijn privégrond. Verder heeft appellant bezwaar tegen kademaatregelen die ook de wegen tegen hoogwater beschermen. Appellant heeft bezwaar tegen de kaden langs de [locatie], omdat daardoor onnodig zijn uitzicht wordt belemmerd.

2.9.12.2. Met betrekking tot het bezwaar van appellant ten aanzien van de wijze waarop de reactienota op de inspraakreacties is tot stand gekomen, verwijst de Afdeling naar hetgeen onder 2.5.1. is overwogen.

2.9.12.3. Met betrekking tot het bezwaar van appellant dat de kademaatregelen ook de wegen betreffen, blijkt uit het verweerschrift dat dit verband houdt met het feit dat in tijden van hoogwater in kritieke situaties mensen moeten worden geëvacueerd. Dit standpunt komt de Afdeling niet onjuist voor.

2.9.12.4. Het perceel van appellant ligt op de [locatie] ter hoogte van [locatie]. Ter plaatse is een kademuur van ongeveer 0,60 meter tot een hoogte van 21,68 meter+NAP in overleg met de bewoners voorzien. Het perceel van appellant is 00.08.55 ha groot, waarvan maximaal 00.00.32 ha nodig is voor de aanleg van de kade. Naar uit het deskundigenbericht blijkt is dit gedeelte van de gronden in gebruik als tuin.

Met betrekking tot de noodzaak van de kade, verwijst de Afdeling naar hetgeen omtrent het beroep van [appellanten sub 44] onder 2.9.10.3. is overwogen.

Naar uit de stukken en het verhandelde ter zitting naar voren is gekomen zijn door provinciale staten precieze berekeningen gemaakt van de hoogte van het maaiveld. Uit een en ander volgt dat de kademuur van evengenoemd kadevak 0,20 tot 0,60 meter hoog zal worden en zo dicht mogelijk bij, of zelfs net buiten, de erfgrens kan worden gesitueerd. Gelet hierop acht de Afdeling niet aannemelijk dat het uitzicht aanzienlijk zal verminderen dan wel het gebruik van de tuin en daarmee het woongenot in ernstige mate zal worden aangetast.

Indien de kade al op de gronden van appellant moet worden aangelegd, zullen hiervoor geen gronden behoeven te worden aangekocht. Ter plaatse kan in dit geval worden volstaan met het vestigen van een zakelijk recht, aldus provinciale staten.

De Afdeling is dan ook van oordeel dat provinciale staten bij de afweging van de betrokken belangen in redelijkheid een groter gewicht hebben kunnen toekennen aan het belang dat is gediend met een duurzame bescherming tegen hoogwater dan aan het belang van appellant bij het behoud van het uitzicht en het woongenot.

Appellant heeft voor de voorziene kade alternatieven naar voren gebracht. Hij heeft daarbij gewezen op het aanbrengen van een drijver in de Hambeek en profielvergroting van deze beek. Zoals onder 2.9.10.3. naar aanleiding van het beroep van [appellanten sub 44] is overwogen kunnen alternatieven eerst aan de orde komen indien blijkt van ernstige bezwaren tegen de voorziene kade. Van dergelijke bezwaren is de Afdeling niet gebleken.

2.9.12.5. Wat betreft [locatie], waar aan de westzijde van de [locatie] een groene kade met een hoogte van 1,50 meter tot een hoogte van 21,70 meter+NAP wordt opgericht, is uit het deskundigenbericht gebleken dat deze kade op ongeveer 82 meter van de achtergevel van de woning van appellant is gelegen. Hoewel het uitzicht vanuit de tuin op de uiterwaarden van de Maas deels zal verdwijnen, hebben provinciale staten bij de afweging van de betrokken belangen in redelijkheid een groter gewicht kunnen toekennen aan het belang dat is gediend bij bescherming tegen hoogwater dan aan het belang van appellant bij het behoud van het uitzicht. Evenmin is de Afdeling aannemelijk geworden dat de verhoging in het [locatie] op onaanvaardbare wijze afbreuk zal doen aan de huidige zichtlijnen van fietsers en wandelaars op de zuidelijke oever.

2.9.12.6. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten niet in redelijkheid de kademaatregelen in de [locaties] in de aanvulling op het streekplan hebben kunnen opnemen. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat de concrete beleidsbeslissing voor Roermond op dit onderdeel anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 68] is ongegrond.

2.9.13. [appellant sub 69]

2.9.13.1. [appellant sub 69], die woonachtig is aan de [locatie] te [plaats], voert in beroep aan dat provinciale staten ten onrechte het streekplan hebben vastgesteld, voor zover daarin in [locatie] op zijn perceel een kademuur wordt gerealiseerd en een groene kade zal worden aangelegd in [locatie]. Allereerst brengt appellant naar voren dat de reactienota naar aanleiding van zijn inspraakreactie op onzorgvuldige wijze is opgesteld. Hij acht een (verhoging van de) kade op zijn perceel niet noodzakelijk vanwege de feitelijke peilhoogte van de woning en tuin en de vastgestelde beschermingshoogte. Voorts stelt appellant dat een kade een onnodige ingreep op zijn privégrond is. Hij meent dat hij extra in zijn belangen wordt getroffen nu op het talud van de Hambeek een theehuis staat met een specifieke architectuur. Tevens bevindt zich op zijn perceel een zwembad. In de reactienota wordt niet gemotiveerd waarom hij niet als ernstig getroffene wordt beschouwd. Appellant is het niet eens met het constructietype van de kade, te weten een kademuur op een groene kade. Appellant is het evenmin eens met de afwegingsmethodiek voor de bepaling van de hinderscores. Deze keuze doet geen recht aan de grote verschillen die bestaan bij één kadevak. Ter bescherming van het achterliggende rivierengebied van de Hambeek heeft appellant oplossingen aangedragen. Appellant heeft bezwaar tegen de kaden langs de [locatie], omdat daardoor onnodig zijn uitzicht wordt belemmerd.

2.9.13.2. Met betrekking tot het bezwaar van appellant ten aanzien van de wijze waarop de reactienota op de inspraakreacties is tot stand gekomen, verwijst de Afdeling naar hetgeen onder 2.5.1. is overwogen.

2.9.13.3. Het perceel van appellant ligt op de [locatie] ter hoogte van [locatie]. Ter plaatse is een kademuur van ongeveer 0,60 meter tot een hoogte van 21,68 meter+NAP in overleg met de bewoners voorzien. Het perceel van appellant is 00.08.18 ha groot, waarvan maximaal 00.00.23 ha nodig is voor de aanleg van de kade. Naar uit het deskundigenbericht blijkt is dit gedeelte van de gronden in gebruik als tuin.

Met betrekking tot de noodzaak van de kade, verwijst de Afdeling naar hetgeen omtrent het beroep van [appellanten sub 44] onder 2.9.10.3. is overwogen.

Voor zover appellant bezwaar heeft tegen de beoordelingsmethode voor het type kade en de genoemde hinderscores verwijst de Afdeling allereerst naar hetgeen onder 2.5.2.5. is overwogen. Uit de gevolgde methode blijkt dat niet per individueel perceel, maar per kadevak een beoordeling is gemaakt. De Afdeling acht dit niet onjuist. Voorts is niet gebleken van zodanige bijzondere omstandigheden die in dit geval voor provinciale staten aanleiding hadden moeten zijn om van de gevolgde methode af te wijken.

Naar uit de stukken en het verhandelde ter zitting naar voren is gekomen zijn door provinciale staten precieze berekeningen gemaakt van de hoogte van het maaiveld. Uit een en ander volgt dat de kademuur van evengenoemd kadevak 0,20 tot 0,60 meter hoog zal worden en zo dicht mogelijk bij, of zelfs net buiten, de erfgrens kan worden gesitueerd. Ten aanzien van appellant hebben provinciale staten ter zitting verklaard dat zij ervan uitgaan dat de nieuwe kademuur het theehuis en het zwembad volledig onaangetast laat. Gelet hierop acht de Afdeling het niet aannemelijk dat het uitzicht aanzienlijk zal verminderen dan wel het gebruik van de tuin en daarmee het woongenot in ernstige mate zal worden aangetast.

Indien de kade al op de gronden van appellant moet worden aangelegd, zullen hiervoor geen gronden behoeven te worden aangekocht. Ter plaatse kan in dit geval worden volstaan met het vestigen van een zakelijk recht, aldus provinciale staten.

De Afdeling is dan ook van oordeel dat provinciale staten bij de afweging van de betrokken belangen in redelijkheid een groter gewicht hebben kunnen toekennen aan het belang dat is gediend met een duurzame bescherming tegen hoogwater dan aan het belang van appellant bij het behoud van het uitzicht en het woongenot.

Appellant heeft voor de voorziene kade een alternatief naar voren gebracht. Hij heeft gewezen op het aanbrengen van een drijver in de Hambeek onder de rode brug. Zoals onder 2.9.10.3. naar aanleiding van het beroep van [appellanten sub 44] is overwogen kunnen alternatieven eerst aan de orde komen indien blijkt van ernstige bezwaren tegen de voorziene kade. Van dergelijke bezwaren is de Afdeling niet gebleken.

2.9.13.4. Wat betreft [locatie], waar aan de westzijde van de [locatie] een groene kade met een hoogte van 1,50 meter tot een hoogte van 21,70 meter+NAP wordt opgericht, blijkt uit het deskundigenbericht dat deze kade op ongeveer 103 meter van de achtergevel van de woning van appellant is gelegen. Het uitzicht vanuit de tuin op de uiterwaarden van de Maas is thans zeer beperkt. Hoewel niet onaannemelijk is dat het uitzicht verder zal worden beperkt, is de Afdeling van oordeel dat dat provinciale staten bij de afweging van de betrokken belangen in redelijkheid een groter gewicht hebben kunnen toekennen aan het belang dat is gediend met een duurzame bescherming tegen hoogwater dan aan het belang van appellanten bij het behoud van het uitzicht. Evenmin is de Afdeling aannemelijk geworden dat de verhoging in [locatie] op onaanvaardbare wijze afbreuk zal doen aan de huidige zichtlijnen van fietsers en wandelaars op de zuidelijke oever.

2.9.13.5. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten niet in redelijkheid de kademaatregelen in [locaties] in de aanvulling op het streekplan hebben kunnen opnemen. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat de concrete beleidsbeslissing voor Roermond op dit onderdeel anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 69] is ongegrond.

2.9.14. [appellant sub 70]

2.9.14.1. [appellant sub 70], die woonachtig is aan de [locatie] te [plaats], voert in beroep aan dat provinciale staten ten onrechte het streekplan hebben vastgesteld, voor zover daarin in [locatie] op zijn perceel een kademuur wordt gerealiseerd en een groene kade zal worden aangelegd in [locatie]. Allereerst brengt appellant naar voren dat de reactienota naar aanleiding van zijn inspraakreactie op onzorgvuldige wijze is opgesteld. Hij acht een (verhoging van de) kade op zijn perceel niet noodzakelijk vanwege de feitelijke peilhoogte van de woning en tuin en de vastgestelde beschermingshoogte. Appellant is het niet eens met het constructietype van de kade, te weten een kademuur op een groene kade. Ter bescherming van het achterliggende rivierengebied van de Hambeek heeft appellant oplossingen aangedragen. Voorts stelt appellant dat een kade een onnodige ingreep op zijn privégrond is. Appellant heeft bezwaar tegen de kaden langs de [locatie], omdat daardoor onnodig zijn uitzicht wordt belemmerd.

2.9.14.2. Met betrekking tot het bezwaar van appellant ten aanzien van de wijze waarop de reactienota op de inspraakreacties is tot stand gekomen, verwijst de Afdeling naar hetgeen onder 2.5.1. is overwogen.

2.9.14.3. Het perceel van appellant ligt op de [locatie] ter hoogte van [locatie]. Ter plaatse is een kademuur van ongeveer 0,60 meter tot een hoogte van 21,68 meter+NAP in overleg met de bewoners voorzien. Het perceel van appellant is 00.11.77 ha groot, waarvan 00.00.42 ha nodig is voor de aanleg van de kade. Naar uit het deskundigenbericht blijkt is dit gedeelte van de gronden in gebruik als tuin.

Met betrekking tot de noodzaak van de kade, verwijst de Afdeling naar hetgeen omtrent het beroep van [appellanten sub 44] onder 2.9.10.3. is overwogen.

Naar uit de stukken en het verhandelde ter zitting naar voren is gekomen zijn door provinciale staten precieze berekeningen gemaakt van de hoogte van het maaiveld. Uit een en ander volgt dat de kademuur van evengenoemd kadevak 0,20 tot 0,60 meter hoog zal worden en zo dicht mogelijk bij, of zelfs net buiten, de erfgrens kan worden gesitueerd. Gelet hierop acht de Afdeling het niet aannemelijk dat het uitzicht aanzienlijk zal verminderen dan wel het gebruik van de tuin en daarmee het woongenot in ernstige mate zal worden aangetast.

Indien de kade al op de gronden van appellanten moet worden aangelegd, zullen hiervoor geen gronden behoeven te worden aangekocht. Ter plaatse kan in dit geval worden volstaan met het vestigen van een zakelijk recht, aldus provinciale staten.

De Afdeling is dan ook van oordeel dat provinciale staten bij de afweging van de betrokken belangen in redelijkheid een groter gewicht hebben kunnen toekennen aan het belang dat is gediend met een duurzame bescherming tegen hoogwater dan aan het belang van appellant bij het behoud van het uitzicht en het woongenot.

Appellant heeft voor de voorziene kade alternatieven naar voren gebracht. Zoals onder 2.9.10.3. naar aanleiding van het beroep van [appellanten sub 44] is overwogen kunnen alternatieven eerst aan de orde komen indien blijkt van ernstige bezwaren tegen de voorziene kade. Van dergelijke bezwaren is de Afdeling niet gebleken.

2.9.14.4. Wat betreft [locatie], waar aan de westzijde van de [locatie] een groene kade met een hoogte van 1,50 meter tot een hoogte van 21,70 meter+NAP wordt opgericht, blijkt uit het deskundigenbericht dat deze kade op ongeveer 125 meter van de achtergevel van de woning van appellant is gelegen. Het uitzicht vanuit de tuin op de uiterwaarden van de Maas is thans zeer beperkt. Hoewel niet onaannemelijk is dat het uitzicht verder zal worden beperkt, is de Afdeling van oordeel dat dat provinciale staten bij de afweging van de betrokken belangen in redelijkheid een groter gewicht hebben kunnen toekennen aan het belang dat is gediend met een duurzame bescherming tegen hoogwater dan aan het belang van appellanten bij het behoud van het uitzicht. Evenmin is de Afdeling aannemelijk geworden dat de ophoging van [locatie] op onaanvaardbare wijze afbreuk zal doen aan de huidige zichtlijnen van fietsers en wandelaars op de zuidelijke oever.

2.9.14.5. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten niet in redelijkheid de kademaatregelen in [locaties] in de aanvulling op het streekplan hebben kunnen opnemen. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat de concrete beleidsbeslissing voor Roermond op dit onderdeel anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 70] is ongegrond.

2.9.15. [appellanten sub 47]

2.9.15.1. [appellanten sub 47], die aan de [locatie] te [plaats] woont, voert in beroep aan dat provinciale staten ten onrechte het streekplan hebben vastgesteld, voor zover daarin in [locatie] op of in de nabijheid van haar perceel maatregelen zijn voorzien. Appellante stelt allereerst dat niet inhoudelijk op haar inspraakreactie is ingegaan. Zij meent verder dat de verhoging van de kade het oeverbeeld, de zichtlijnen voor fietsers en voetgangers aantast. Tevens is het een ingreep op privégrond. Voorts betwijfelt zij of de aangegeven terrein- en bebouwingshoogten wel juist zijn. Het gebouw waarin zij woont is in 1996 gebouwd op juiste hoogte om herhaling van overstromingen te voorkomen. Tevens heeft zij bezwaar tegen de constructie van de kade. Zij wenst een demontabele kade.

2.9.15.2. Met betrekking tot het bezwaar van appellante ten aanzien van de wijze waarop met haar inspraakreactie is omgegaan, verwijst de Afdeling naar hetgeen onder 2.5.1. is overwogen.

2.9.15.3. Appellante woont op de begane grond van een appartementengebouw. Het perceel is gelegen op [locatie]. Ter plaatse zal op ongeveer 17 meter van de gevel van het appartementengebouw een groene kade worden gerealiseerd van 0,40 meter tot een hoogte van 21,78 meter+NAP. Uit de stukken blijkt dat van het perceel waarop het appartementengebouw staat maximaal 00.04.55 ha nodig is voor de aanleg van de kade. Dit gedeelte is, naar uit het deskundigenbericht blijkt, in gebruik als groenvoorziening van het appartementengebouw.

Voor de aanleg van de kade hoeven, naar uit het verweerschrift blijkt, geen gronden te worden aangekocht. Ter plaatse kan worden volstaan met het vestigen van een zakelijk recht.

Uit het deskundigenbericht komt naar voren dat de kade niet zo hoog zal zijn dat appellante er vanuit haar woning niet overheen kan kijken. Voorts blijkt uit het deskundigenbericht dat de gronden in de nabijheid van het appartementencomplex hoger liggen dan de in tabel 3.3. van het kadeplan aangegeven bestaande hoogte van 21,40 meter+NAP, zodat het niet ondenkbaar is dat een lagere kade wordt aangelegd om de vereiste hoogte te bereiken.

Met betrekking tot de wens om ter plaatse in een demontabele kade te voorzien, verwijst de Afdeling naar de beoordelingsmethode voor demontabele kaden onder 2.5.2.5. Zij acht deze methode in haar algemeenheid niet onjuist. In dit geval is niet gebleken van feiten en omstandigheden die provinciale staten aanleiding hadden moeten geven in dit geval in een demontabele kade te voorzien.

De Afdeling is dan ook van oordeel dat provinciale staten bij de afweging van de betrokken belangen in redelijkheid een groter gewicht hebben kunnen toekennen aan het belang dat is gediend met een duurzame bescherming tegen hoogwater dan aan het belang van appellante bij het behoud van het uitzicht.

Wat betreft de aantasting van het uitzicht van fietsers en wandelaars komt uit de stukken naar voren dat de [locatie] ligt tussen het appartementencomplex en de Maas. De kade zal aan de oostzijde van de weg worden gelegd. Het uitzicht op de Maas zal dus niet veranderen als gevolg van de aanleg van de groene kade.

2.9.15.4. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten niet in redelijkheid de maatregel in kadevak Groene rivier/2 in de aanvulling op het streekplan hebben kunnen opnemen. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat de concrete beleidsbeslissing voor Roermond op dit onderdeel anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellanten sub 47] is ongegrond.

2.9.16. [appellanten sub 49]

2.9.16.1. [appellanten sub 49], die woonachtig is aan de [locatie] te [plaats], voert in beroep aan dat de Staatssecretaris en provinciale staten ten onrechte het tracébesluit respectievelijk het streekplan hebben vastgesteld. Appellant stelt dat er veel onduidelijkheden zijn ten aanzien van de uitvoering van de kade in [locatie] die op zijn perceel is voorzien. Hij vraagt zich af in hoeverre de reeds bestaande kade op zijn perceel kan worden benut, wat het benodigde grondbeslag zal zijn en op welke wijze het materiaal zal worden aangevoerd.

2.9.16.2. Voor zover het beroep van appellant betrekking heeft op het tracébesluit, merkt de Afdeling op dat in het tracédeel dat hier aan de orde is op grond van het tracébesluit geen maatregelen zijn voorzien. In zoverre is het beroep ongegrond.

2.9.16.3. Het perceel van appellant ligt op [locatie] ter hoogte van [locatie]. Ingevolge het kadeplan wordt ter hoogte van het perceel van appellant in overleg met bewoners een kademuur opgericht met een hoogte van 0,5 meter. De kade zal een hoogte van 21,72 meter+NAP krijgen.

Inmiddels zijn aan appellant bij brief van 7 maart 2003 door provinciale staten toezeggingen gedaan dat beschermingsmaatregelen door middel van de ophoging van de bestaande voorzieningen zullen plaatsvinden en de werkzaamheden vanaf een werkeiland in de Roer zullen plaatsvinden. Ter zitting is door provinciale staten bevestigd dat de verhoging van de bestaande voorzieningen binnen de kaders van de concrete beleidsbeslissing kunnen worden uitgevoerd.

2.9.16.4. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten niet in redelijkheid de maatregel in [locatie] in de aanvulling op het streekplan hebben kunnen opnemen. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat de concrete beleidsbeslissing voor Roermond op dit onderdeel anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellanten sub 49] is ook in zoverre ongegrond.

2.9.17. Stichting Waterscouting Roermond

2.9.17.1. Stichting Waterscouting Roermond, die is gevestigd aan de Voorstad St. Jacob te Roermond, voert in beroep aan dat provinciale staten ten onrechte het streekplan hebben vastgesteld, voor zover daarin in kadevak 50.770/1 een kadeverhoging op het perceel ten westen van het verenigingsgebouw is voorzien. Zij stelt nooit op de hoogte te zijn gesteld van informatiebijeenkomsten en inspraakmogelijkheden. Appellante vreest dat haar voortbestaan in gevaar komt. Door de kadeverhoging zal het terrein verder in grootte afnemen. Bovendien zal het gebouw in een kuil komen te liggen en op de begane grond zal veel daglicht worden weggenomen. Tevens zullen grote problemen ontstaan bij het uit het water halen van de boten voor het noodzakelijke onderhoud.

2.9.17.2. Voor zover appellante bezwaar maakt tegen de wijze waarop de informatievoorziening heeft plaatsgevonden, verwijst de Afdeling naar hetgeen hieromtrent onder 2.5.1. is overwogen.

2.9.17.3. Het perceel van appellante is gelegen ter hoogte van kadevak 50.770/1 tot en met 2. In geding is de kade in kadevak 50.770/1. Ingevolge het kadeplan wordt ten westen van het perceel van appellante de groene kade verhoogd met 0,70 meter. De kade krijgt daarmee een hoogte van 21,80 meter+NAP. Op het terrein van appellante staan een verenigingsgebouw en twee loodsen. Voorts is een deel van het terrein in gebruik als speelterrein.

Uit het verweerschrift komt naar voren dat evengenoemde groene kade in overleg met appellante zal worden verhoogd, waar bij het detail-ontwerp aandacht zal worden besteed aan de inpassing van het speelterrein. Voorts zullen daarbij, indien nodig mitigerende maatregelen worden genomen om het verlies aan speelterrein te voorkomen dan wel te beperken. Ter zitting is door provinciale staten gesteld dat binnen de grenzen van de concrete beleidsbeslissing afdoende maatregelen kunnen worden getroffen. Niet aannemelijk is gemaakt dat door deze maatregelen niet aan de belangen van appellante tegemoet kan worden gekomen.

Ten aanzien van de boten, die aan de aanlegsteiger ter hoogte van kadevak 50.770/1 liggen aangemeerd en die uit het water moeten worden gehaald, hebben provinciale staten ter zitting gesteld dat deze over de verhoogde kade kunnen worden getild. Overigens kan, indien de boten niet over de kade zouden kunnen worden getild, gebruik worden gemaakt van een pad in de groene rivier, dat bij laagwater droog ligt. Niet is aannemelijk gemaakt dat deze oplossing niet bruikbaar is.

2.9.17.4. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten niet in redelijkheid de verhoging van de groene kade in kadevak 50.770/1 in de aanvulling op het streekplan hebben kunnen opnemen. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat de concrete beleidsbeslissing voor Roermond op dit onderdeel anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van Stichting Waterscouting Roermond is ongegrond.

2.9.18. Steelhaven B.V

2.9.18.1. Steelhaven B.V., die gevestigd is aan de Voorstad St. Jacob te Roermond, voert in beroep aan dat provinciale staten ten onrechte het streekplan hebben vastgesteld voor zover in kadevak 50.770/1 tot en met 7 maatregelen zijn voorzien. Appellantes bezwaren richten zich tegen het oprichten van hogere stenen muren in de binnenhaven en het vervangen van een groene kade door een kademuur ter hoogte van kadevak 50.770/7, omdat hierdoor de exploitatie van het watersportbedrijf in gevaar komt. Appellante heeft een alternatieve kade ter beveiliging van de Voorstad St. Jacob voorgedragen die achter haar percelen langs gaat. Zij begrijpt niet waarom hiervoor niet is gekozen, omdat, indien woningbouw in het gebied wordt gerealiseerd, op dat moment in maatregelen kan worden voorzien.

2.9.18.2. Appellante exploiteert ter plaatse een jachthaven met 240 ligplaatsen, die voornamelijk worden verhuurd aan vaste gasten. Op het terrein staan 6 loodsen en een kantoorgebouw. De loodsen worden in de zomer gebruikt voor kort onderhoud en in de winter voor opslag van boten. De hier in geding zijnde gronden zijn eigendom van de gemeente Roermond en in erfpacht gegeven aan appellante. De aanwezige kademuren in de binnenhaven zullen naar uit het kadeplan blijkt, worden verhoogd met 0,60 respectievelijk 0,70 meter.

Uit het deskundigenbericht blijkt dat rond de binnenhaven reeds muren aanwezig zijn die het uitzicht vanaf de boten op de kade, waar de loodsen en het parkeerterrein zich bevinden, ernstig bemoeilijken. Na verhoging zal er nagenoeg geen zicht meer zijn vanaf de ligplaatsen in de binnenhaven op de kade, aldus het deskundigenbericht. Hoewel aldus aannemelijk is dat het zicht van de ligplaatsen op de kade van de jachthaven als gevolg van de hier te nemen maatregelen verder zal worden beperkt, is de Afdeling van oordeel dat provinciale staten bij de afweging van de betrokken belangen in redelijkheid een groter gewicht hebben kunnen toekennen aan het belang dat is gediend bij bescherming van het achterliggende gebied bij hoogwater dan aan het belang van appellante.

Voorts zal de bestaande groene kade ter plaatse van kadevak 50.770/7 worden vervangen door een kademuur die 0,60 meter hoger is. Hoewel ook hier aannemelijk is dat het zicht vanaf de aanlegsteigers op de kade zal worden beperkt, is de Afdeling van oordeel dat provinciale staten bij de afweging van de betrokken belangen in redelijkheid een groter gewicht hebben kunnen toekennen aan het belang dat is gediend bij bescherming van het achterliggende gebied bij hoogwater dan aan het belang van appellante. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het zicht op de Maas, dat vanaf deze ligplaatsen aanwezig is, door de maatregelen niet verandert.

Het door appellante aangevoerde alternatief kan, zoals hiervoor onder 2.9.10.3. bij de behandeling van het beroep van [appellanten sub 44] reeds is overwogen, eerst aan de orde komen indien blijkt van ernstige bezwaren tegen de voorziene kade. Van dergelijke bezwaren is de Afdeling niet gebleken.

2.9.18.3. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten niet in redelijkheid de maatregelen voor kadevak 50.770/1 tot en met 7 in de aanvulling op het streekplan hebben kunnen opnemen. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat de concrete beleidsbeslissing voor Roermond op dit onderdeel anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van Steelhaven B.V. is ongegrond.

2.9.19. Het college van burgemeester en wethouders van Roermond

2.9.19.1. Het college van burgemeester en wethouders van Roermond voert in beroep aan dat provinciale staten ten onrechte het streekplan hebben vastgesteld, voor zover daarin de kade ter hoogte van kadevak 50.770/10 tot en met 11 met 0,30 meter wordt verhoogd. Appellant stelt dat de beveiliging op een andere wijze dan door verhoging van de kaden had moeten worden verkregen. Hij wenst voor dit kadevak een demontabele kadeverhoging of een vaste verhoging in dik glas. Appellant acht de beoordelingsmethodiek om tot een bepaald type kade te komen onduidelijk. Niet is aangegeven hoe is gekomen aan de individuele criteria en omgevingscriteria alsmede de weegfactoren en het budget. Hij acht de keuze voor het type kadeverhoging niet zorgvuldig nu deze geen recht doet aan het profileren van “de stad aan het water”.

2.9.19.2. Met betrekking tot de mogelijkheid om op andere wijze te beveiligen tegen hoogwater verwijst de Afdeling naar hetgeen naar aanleiding van het beroep van het dagelijks bestuur van het Waterschap Roer en Overmaas onder 2.6.3.5 is overwogen.

2.9.19.3. Met betrekking tot het bezwaar ten aanzien van de beoordelingsmethodiek voor het type kade verwijst de Afdeling allereerst naar hetgeen onder 2.5.2.5. is overwogen. Zij acht de door provinciale staten gebruikte beoordelingsmethode in zijn algemeenheid niet onjuist.

De Afdeling ziet niet in dat de gevolgde criteria onduidelijk zouden zijn. Daarbij neemt zij in aanmerking dat in het als bijlage bij het kadeplan opgenomen hiervoor reeds genoemde rapport “Verhoging kaden Zandmaas; beoordeling van de ruimtelijke effecten” een omschrijving is gegeven van de toegepaste criteria.

Wat betreft de afweging omtrent het toe te passen constructietype hebben provinciale staten, aldus het verweerschrift, het belang van de gemeente bij het uiterlijk en de uitstraling van het betrokken gebied meegewogen. Dit belang is verwoord in onder meer de omgevingscriteria o1 (belevingswaarde waterkering vanuit openbaar gebied), o7 (zichtlijn voor fietsers en voetgangers naar de rivier) en o9 (oeverbeeld en stadsbeeld vanuit rivier of overkant). De Afdeling is dan ook van oordeel dat voldoende rekening is gehouden met de door de gemeente geprofileerde “stad aan het water”.

Verder heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat provinciale staten het bedrag van € 8.621.824,11 dat beschikbaar was voor demontabele kaden niet op juiste wijze hebben aangewend.

De Afdeling is dan ook niet gebleken van zodanige feiten en omstandigheden die provinciale staten in dit geval aanleiding hadden moeten geven om, in afwijking van de beoordelingsmethode, voor een demontabele kade te kiezen.

2.9.19.4. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten niet in redelijkheid de maatregel in kadevak 50.710/10 tot en met 11 in de aanvulling op het streekplan hebben kunnen opnemen. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat de concrete beleidsbeslissing voor Roermond op dit onderdeel anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van het college van burgemeester en wethouders van Roermond is ongegrond.

2.9.20. [appellante sub 81]

2.9.20.1. [appellante sub 81], die is gevestigd aan de [locatie] te [plaats], voert in beroep aan dat provinciale staten ten onrechte het streekplan hebben vastgesteld, voor zover daarin in kadevak 50.770/10 een permanente verhoging van de kademuur nabij haar perceel is voorzien. Appellante is van mening dat door de verhoging het toezicht en daardoor de veiligheid in de haven ernstig zal worden belemmerd. Ligplaatshouders zullen uitzien naar andere locaties.

2.9.20.2. Appellante richt zich op reparatie van motorjachten, handel in scheepsartikelen en detailhandel in watersportartikelen. Verder verhuurt het bedrijf 63 ligplaatsen voor boten in de haven “La Bonne Avonture”. De ligplaatsen worden voornamelijk verhuurd aan vaste gasten. Ter hoogte van het bedrijf van appellante zal de bestaande kademuur met 0,30 meter worden verhoogd.

Wat betreft de veiligheid overweegt de Afdeling dat thans vanuit de winkel aan de overzijde van de Maasboulevard toezicht kan worden uitgeoefend op de jachthaven, maar dat het zicht op de haven, naar uit het deskundigenbericht blijkt, ook reeds wordt beperkt door de bestaande muur. Door de verhoging van de kade zal het zicht op de haven verder worden beperkt. Niet is aannemelijk geworden dat niet op andere wijze in het toezicht op de haven kan worden voorzien.

Hoewel aannemelijk is dat het zicht van de ligplaatsen op de kade van de jachthaven als gevolg van de hier te nemen maatregelen verder zal worden beperkt, is de Afdeling van oordeel dat provinciale staten bij de afweging van de betrokken belangen in redelijkheid een groter gewicht hebben kunnen toekennen aan het belang dat is gediend bij bescherming van het achterliggende gebied bij hoogwater dan aan het belang van appellante. De Afdeling neemt daarbij tevens in aanmerking dat het zicht van de ligplaatsen op de Maas onveranderd blijft.

2.9.20.3. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten niet in redelijkheid de maatregel in kadevak 50.770/10 in de aanvulling op het streekplan hebben kunnen opnemen. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat de concrete beleidsbeslissing voor Roermond op dit onderdeel anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellante sub 81] is ongegrond.

2.9.21. Stichting Ruimte (gedeeltelijk)

2.9.21.1. Stichting Ruimte voert allereerst in beroep aan dat provinciale staten ten onrechte het streekplan hebben vastgesteld, voor zover daarin kaden zijn opgenomen voor het gebied Looskade/Buitenop en de Voorstad St. Jacob. Appellante brengt naar voren dat hier voor een korte termijnoplossing is gekozen. Zij meent dat het beschermd stadsgezicht ter plaatse wordt aangetast. Op geen enkele wijze is aangetoond dat in het betreffende kadevak geen demontabele kaden zijn toe te passen.

2.9.21.2. Gelet op het beroepschrift en het verhandelde ter zitting houdt de Afdeling het ervoor dat het beroep van appellante gericht is op een andere wijze van hoogwaterbescherming dan door kaden dan wel op het alsnog demontabel verhogen van de kaden in het evengenoemde gebied.

2.9.21.3. Voor zover appellante wijst op de mogelijkheid om op andere wijze beveiliging te bewerkstelligen verwijst de Afdeling naar hetgeen onder 2.6.3.5. ten aanzien van het beroep van het dagelijks bestuur van het Waterschap Roer en Overmaas is overwogen.

2.9.21.4. Zoals reeds onder 2.5.2.5. is overwogen volgen provinciale staten een beoordelingsmethode voor de keuze van het type kade. De Afdeling acht deze beoordelingsmethode in zijn algemeenheid niet onjuist. In deze beoordelingsmethode worden ook het uiterlijk en de uitstraling van het betrokken gebied meegewogen. Dit belang is verwoord in onder meer de omgevingscriteria o1 (belevingswaarde waterkering vanuit openbaar gebied), o7 (zichtlijn voor fietsers en voetgangers naar de rivier) en o9 (oeverbeeld en stadsbeeld vanuit rivier of overkant). De Afdeling is dan ook van oordeel dat voldoende rekening is gehouden met het beschermde stadsgezicht. De Afdeling is niet gebleken van zodanige feiten en omstandigheden die provinciale staten aanleiding hadden moeten geven om in dit geval in afwijking van de beoordelingsmethode, voor een demontabele kade te kiezen.

2.9.21.5. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten niet in redelijkheid de maatregelen in kadevak 50.770 in de aanvulling op het streekplan hebben kunnen opnemen. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat de concrete beleidsbeslissing voor Roermond op dit onderdeel anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van Stichting Ruimte is op dit onderdeel ongegrond.

2.9.22. [appellanten sub 12] (gedeeltelijk)

2.9.22.1. [appellanten sub 12], gevestigd en woonachtig aan de [locaties] te [plaats] en [locatie] te [plaats] voeren onder meer aan dat provinciale staten ten onrechte het streekplan hebben vastgesteld, voor zover daarin door het gekozen tracé en de hoogte van de kaden bij Roermond het industrieterrein Willem Alexander buiten beschouwing wordt gelaten.

2.9.22.2. De Afdeling stelt vast dat dit bezwaar is gericht tegen de weigering een concrete beleidsbeslissing te nemen. Daarmee is het niet gericht tegen de onder 2.4.3. genoemde concrete beleidsbeslissingen. Onder verwijzing naar hetgeen onder 2.4.2. is overwogen, is de Afdeling in zoverre onbevoegd van dit beroep kennis te nemen.

2.10. Tracédeel 7 Lateraalkanaal

2.10.1. Dit tracédeel heeft betrekking op het tracégedeelte vanaf sluis Heel tot en met de uitstroom van het Lateraalkanaal in de Maas.

In het streekplan is ten westen van het Lateraalkanaal de aanleg van een retentiegebied voorzien. De maatregelen die behoren tot de eerste fase van de ontwikkeling van de retentiebekkens zijn in het streekplan aangemerkt als concrete beleidsbeslissing. De tekst van deze concrete beleidsbeslissing is opgenomen onder 2.4.3.

In het kader van het tracébesluit zijn in dit tracédeel geen maatregelen voorzien.

2.10.2. [appellante sub 2]

2.10.2.1. [appellante sub 2], eigenares van [landgoed], voert in beroep aan dat provinciale staten ten onrechte het streekplan hebben vastgesteld, voorzover daarin de geplande aanpassing van de kade rond de woonwijk Sleijdal nog niet volledig is uitgewerkt. Voorts stelt zij schade te zullen lijden door het gebruik van het gebied als retentiegebied, waarvan niet duidelijk is of deze zal worden vergoed. Zij wenst zekerheid omtrent de vergoeding van schade aan haar landgoed als gevolg van extreem hoge waterstanden.

2.10.2.2. De Afdeling stelt vast dat het bezwaar inzake de kade rond de woonwijk Sleijdal niet is gericht tegen de onder 2.4.3. genoemde concrete beleidsbeslissingen. In dit verband is van belang dat de aanpassing van deze kaden op kaartblad 6 van de kaartenatlas behorend bij het streekplan met een afzonderlijke aanduiding is weergegeven en deze aanpassing blijkens de tekst van het streekplan en de richtlijnen in tabel 3.1. uitdrukkelijk van de concrete beleidsbeslissing voor het retentiegebied Lateraalkanaal west is uitgesloten. Onder verwijzing naar hetgeen onder 2.4.2. is overwogen, is de Afdeling in zoverre onbevoegd van dit beroep kennis te nemen.

2.10.2.3. Blijkens het streekplan liggen de gronden waar het retentiegebied is voorzien in het winterbed van de Maas. Het zuidelijke gedeelte overstroomt thans relatief weinig (gemiddeld eens per 100 jaar); het noordelijke gedeelte overstroomt thans relatief vaak (gemiddeld eens per jaar).

De aanleg van het retentiegebied langs het Lateraalkanaal is bedoeld om het waterbergend vermogen van het winterbed effectiever in te zetten door pieken van hoogwatergolven af te toppen. Dit houdt in dat, wanneer de waterstand in de rivier sterk gestegen is, in relatief korte tijd het bekken volstroomt en zo bijdraagt aan het waterbergend vermogen van het winterbed van de rivier. Wanneer de waterstand weer daalt, loopt het gebied weer leeg. Het retentiegebied wordt ontworpen en ingericht op een afvoergolf met een kans van 1:250 per jaar. Bij inzet van het retentiegebied in een dergelijke hoogwatersituatie zullen de waterstanden in Roermond ongeveer 0,10-0,15 meter lager zijn dan zonder inzet van het gebied. Benedenstrooms van Roermond neemt het waterstandsdalend effect langzaam af. Dit resulteert in een waterstandsdaling van ongeveer 0,05 meter bij Mook. Het ontwerp is zodanig dat het zuidelijke gedeelte zal beginnen in te stromen bij een waterstand met een kans van 1:70 per jaar. Bij een optimale inzet van het gebied zal de waterstand hier hoger zijn dan thans het geval zou zijn bij een 1:250-situatie. Het noordelijke gedeelte zal langer droog blijven dan in de huidige situatie terwijl voorts de waterstanden niet hoger zullen worden dan thans het geval zou zijn.

Uit het voorgaande volgt dat het zuidelijke gedeelte vaker zal kunnen overstromen dan thans het geval is, terwijl bovendien de waterstanden hoger kunnen worden. Voorts blijkt uit de stukken dat zich in dit gebied een aantal monumentale landgoederen die zijn aangewezen als Rijksmonumenten, bevindt, zoals Nederhoven van appellante, en Pannenhof, welke niet zullen worden beschermd door kaden. Derhalve is aannemelijk dat bij hoge waterstanden hier schade zal optreden. Zoals in het streekplan is aangenomen zal in dat geval schadevergoeding aan de orde zijn. Daarbij is niet vermeld welke regeling hierop van toepassing is. Voor zover provinciale staten, overeenkomstig het gestelde onder 2.5.3.4., verwijzen naar de mogelijkheid tot vergoeding van planschade op grond van artikel 49 van de WRO, merkt de Afdeling op dat dit artikel geen grondslag biedt voor de vergoeding van feitelijke schade die mogelijk zal optreden. In dit verband hebben provinciale staten voorts gesteld dat, gelet op de relatief hoge ligging van de panden, alleen bij waterafvoeren met een kans vanaf ongeveer 1:180 per jaar feitelijke schade zal optreden en de situatie daarom niet zou verschillen van de situatie die op veel andere plaatsen in het onbedijkte gebied van de Maas voorkomt. Ter illustratie hebben zij gewezen op de mogelijkheid tot vergoeding op basis van de Wet tegemoetkoming schade bij rampen en zware ongevallen. Dit standpunt overtuigt de Afdeling niet. Daarbij wijst zij er allereerst op dat provinciale staten niet bevoegd zijn tot toepassing van de Wet tegemoetkoming schade bij rampen en zware ongevallen, zodat niet vaststaat dat op basis van deze wet tot vergoeding van schade kan worden overgegaan. Voorts neemt zij in aanmerking dat in dit geval de verhoogde kans op schade wordt veroorzaakt door de aanleg en aanpassing van de kaden overeenkomstig het besluit van provinciale staten, zoals dit in de concrete beleidsbeslissing is vastgelegd. In dit geval hadden provinciale staten dan ook inzicht moeten geven in de gevolgen van de aanleg van de kaden en in- en uitlaatwerken, waaronder in het bijzonder de gevolgen voor de landgoederen en gebouwen die in het zuidelijke gedeelte van het retentiegebied liggen. Tevens hadden zij inzicht moeten geven in de wijze waarop de schade aan landbouwgronden en gebouwen die daardoor mogelijk kan ontstaan, zou kunnen worden vergoed en of hier wellicht een compensatieregeling op van toepassing is. Dit geldt te meer indien, zoals hier het geval, sprake is van een Rijksmonument, terwijl voorts ter zitting is gebleken dat er mogelijkheden zijn om hieraan enige bescherming te bieden en provinciale staten niet op voorhand stellen dat zij met geen enkele vorm van bescherming zouden kunnen instemmen.

2.10.2.4. Uit het vorenstaande volgt dat provinciale staten de concrete beleidsbeslissing met betrekking tot de kaden en in- en uitlaatwerken voor het functioneren van het retentiegebied Lateraalkanaal west, voor zover het betreft het zuidelijke gedeelte, hebben genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep van [appellante sub 2] is in zoverre gegrond, zodat deze concrete beleidsbeslissing, voor zover het betreft het zuidelijke gedeelte, wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd.

2.10.3. [appellant sub 74]

2.10.3.1. [appellant sub 74], die woonachtig is aan de [locatie] te [plaats], voert in beroep aan dat de Staatssecretaris en provinciale staten ten onrechte het tracébesluit respectievelijk het streekplan hebben vastgesteld. Appellant voert hiertoe aan dat geen besluit is genomen over zijn specifieke situatie, maar op internet slechts een algemene uitleg en reactie op de zienswijzen wordt gegeven. Appellant heeft bezwaar tegen het feit dat hij niet als onevenredig getroffene is aangemerkt, terwijl tweederde deel van zijn landerijen in een stroomvoerend winterbed zal komen te liggen en hij daardoor schade zal lijden. Ter zitting heeft appellant verduidelijkt dat hij met name vreest voor uitspoeling en erosie van zijn gronden als gevolg van de instroming van het retentiegebied.

2.10.3.2. Voor zover het beroep van appellant is gericht tegen het tracébesluit, zijn in het tracédeel dat hier aan de orde is op grond van het tracébesluit geen maatregelen voorzien. In zoverre is het beroep ongegrond.

2.10.3.3. Voor zover appellant bezwaar maakt tegen de wijze waarop met de bedenkingen tegen het ontwerpstreekplan is omgegaan, verwijst de Afdeling naar hetgeen hieromtrent onder 2.5.1. is overwogen.

2.10.3.4. Appellant bezit gronden ten zuidwesten van het zuidelijke bekken van het retentiegebied. De gronden liggen voor een deel in het stroomvoerend winterbed van de Maas en voor een deel in het waterbergend winterbed van de Maas. Dit verandert niet door de aanleg van de kaden en in- en uitlaatwerken voor het retentiegebied. De gronden hebben een gezamenlijke oppervlakte van ongeveer 50 ha.

Blijkens de stukken hebben provinciale staten onderzoek gedaan naar de te verwachten stroomsnelheden op de gronden van appellant. Hieruit blijkt dat in de huidige situatie bij een hoogwatergolf van 1:250 per jaar sprake zal zijn van een snelheid van 0,1 m/s terwijl dit na aanleg van het retentiegebied 0,2 m/s zal zijn. Het onderzoek bevestigt derhalve de aannames waar provinciale staten van zijn uitgegaan. Niet aannemelijk is gemaakt dat de geringe toename van de stroomsnelheid zal leiden tot een onaanvaardbare aantasting van de gronden van appellant.

Met betrekking tot de ter zitting geuite stelling van appellant dat dit onderzoek niet tijdig zou zijn verricht, merkt de Afdeling op dat uit de stukken niet blijkt of appellant al eerder uitsluitsel heeft geboden over de exacte inhoud van zijn bezwaren. Derhalve kan provinciale staten niet worden tegengeworpen dat zij het onderzoek niet eerder hebben verricht.

2.10.3.5. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Afdeling derhalve geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten niet in redelijkheid de aanleg van de kaden en in- en uitlaatwerken voor het functioneren van het retentiegebied Lateraalkanaal west in de aanvulling op het streekplan hebben kunnen opnemen. Zoals zij echter naar aanleiding van het beroep van [appellante sub 2] heeft overwogen, dient de concrete beleidsbeslissing met betrekking tot de kaden en in- en uitlaatwerken voor het functioneren van het retentiegebied Lateraalkanaal west, voor zover het betreft het zuidelijke gedeelte, te worden vernietigd. Nu het beroep van [appellant sub 74] voor een deel is gericht tegen deze concrete beleidsbeslissing is het in zoverre eveneens gegrond.

2.10.4. Essent Netwerk B.V. (voor het overige)

2.10.4.1. Naast hetgeen onder 2.6.1. reeds is weergegeven voert Essent Netwerk B.V. aan dat provinciale staten ten onrechte het streekplan hebben vastgesteld, voor zover hierin de aanleg van een retentiegebied ten westen van het Lateraalkanaal is opgenomen. Appellante vreest dat de bereikbaarheid van hoogspanningslijnen en –masten onvoldoende wordt gewaarborgd en dat ijsvorming tot schade aan de masten zal leiden. De Afdeling vat dit beroepsonderdeel op als gericht tegen de in- en uitlaatwerken van het retentiegebied, waarmee het gebruik van het gebied als retentiegebied mogelijk wordt gemaakt.

2.10.4.2. Zoals reeds eerder overwogen behoren de gronden waar het retentiegebied is voorzien thans reeds tot het winterbed van de Maas. Derhalve kan zich ook thans reeds de situatie voordoen dat de masten verminderd bereikbaar zijn. Provinciale statenhebben in dit verband gesteld dat een gereguleerde overstroming tot een kortdurende verminderde bereikbaarheid kan leiden, maar dit niet tot onoverkomelijke problemen leidt. De Afdeling acht dit standpunt niet onredelijk. Voorts valt niet te verwachten dat zich in een dergelijk kort tijdsbestek dusdanige ijsvorming zal voordoen dat hierdoor de hoogspanningsmasten worden aangetast.

2.10.4.3. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Afdeling derhalve geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten niet in redelijkheid de aanleg van de kaden en in- en uitlaatwerken voor het functioneren van het retentiegebied Lateraalkanaal west in de aanvulling op het streekplan hebben kunnen opnemen. Zoals zij echter naar aanleiding van het beroep van [appellante sub 2] heeft overwogen, dient de concrete beleidsbeslissing met betrekking tot de kaden en in- en uitlaatwerken voor het functioneren van het retentiegebied Lateraalkanaal west, voor zover het betreft het zuidelijke gedeelte, te worden vernietigd. Nu het beroep van Essent Netwerk B.V. voor een deel is gericht tegen deze concrete beleidsbeslissing is het in zoverre eveneens gegrond.

2.10.5. Stichting Beheer Osen

2.10.5.1. Stichting Beheer Osen voert in beroep aan dat de Staatssecretaris en provinciale staten ten onrechte het tracébesluit respectievelijk het streekplan hebben vastgesteld. Appellante heeft bezwaar tegen de ligging van het kunstwerk dat zal dienen als inlaatwerk voor het retentiegebied ten westen van het Lateraalkanaal. Zij vreest dat realisatie hiervan onvermijdelijk zal leiden tot de sloop van de aldaar gesitueerde onroerende goederen.

2.10.5.2. Voor zover het beroep van appellante is gericht tegen het tracébesluit, zijn in het tracédeel dat hier aan de orde is op grond van het tracébesluit geen maatregelen voorzien. In zoverre is het beroep ongegrond.

2.10.5.3. Stichting Beheer Osen is eigenares van het huis Jagershof met bijbehorende gronden, welke gronden plaatselijk bekend zijn als Osen 6 in de gemeente Heel en voorts van de monumentale boerderij Pannenhof en een aantal omliggende percelen. De kaden en het inlaatwerk voor het retentiegebied zijn gedeeltelijk voorzien op een deel van de percelen van appellante. Op de percelen bevinden zich onder meer een kantoor, een schuur en enkele bijgebouwen. Uit de stukken, waaronder het deskundigenbericht, blijkt dat de afstand tussen deze onroerende zaken van appellante en het inlaatwerk minimaal 60 meter zal bedragen. Gelet hierop valt niet te verwachten dat de onroerende zaken als gevolg van de aanleg van het kunstwerk moeten worden gesloopt. In dit verband is ter zitting door provinciale staten bevestigd dat het inlaatwerk, binnen de ruimte die de concrete beleidsbeslissing daarvoor biedt, zoveel mogelijk in westelijke richting zal worden gesitueerd, om de zaken van appellante zoveel mogelijk te ontzien.

2.10.5.3.1. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Afdeling derhalve geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten niet in redelijkheid de aanleg van de kaden en in- en uitlaatwerken voor het functioneren van het retentiegebied Lateraalkanaal west in de aanvulling op het streekplan hebben kunnen opnemen. Zoals zij echter naar aanleiding van het beroep van [appellante sub 2] heeft overwogen, dient de concrete beleidsbeslissing met betrekking tot de kaden en in- en uitlaatwerken voor het functioneren van het retentiegebied Lateraalkanaal west, voor zover het betreft het zuidelijke gedeelte, te worden vernietigd. Nu het beroep van Stichting Beheer Osen voor een deel is gericht tegen deze concrete beleidsbeslissing, is het in zoverre eveneens gegrond.

2.10.6. [appellant sub 92]

2.10.6.1. [appellant sub 92], een akkerbouwbedrijf aan de [locatie] te [plaats], voert in beroep aan dat de Staatssecretaris en provinciale staten ten onrechte het tracébesluit respectievelijk het streekplan hebben vastgesteld. Appellante heeft bezwaren tegen de kaden en in- en uitlaatwerken voor het functioneren van het retentiegebied ten westen van het Lateraalkanaal. Volgens appellante zal de aanleg hiervan leiden tot een ernstige beperking in haar agrarische bedrijfsvoering, welke hierin bestaat dat zij een aardappelloods niet meer zal kunnen bouwen. Appellante vreest verder dat door de aanleg van de kaden haar huiskavel zal worden afgesloten van haar overige percelen. Verder heeft appellante bezwaar tegen de plannen omdat natuurontwikkeling een voorwaarde is geworden voor de oplossing van het hoogwaterprobleem. Appellante acht dit in strijd met de doelstelling van beperkte natuurontwikkeling.

2.10.6.2. Voor zover het beroep van appellante is gericht tegen het tracébesluit, zijn in het tracédeel dat hier aan de orde is op grond van het tracébesluit geen maatregelen voorzien. In zoverre is het beroep ongegrond.

2.10.6.3. Voor zover het beroep van appellante betrekking heeft op natuurontwikkeling betreft dit beleidsmaatregelen uit pakket I, dan wel maatregelen uit pakket II. De Afdeling stelt dan ook vast dat dit bezwaar niet is gericht tegen de onder 2.4.3. genoemde concrete beleidsbeslissingen. Ook het hiermee samenhangende bezwaar inzake de aanwijzing van het gebied als zoekgebied voor kadespecie is niet gericht tegen de concrete beleidsbeslissingen. Onder verwijzing naar hetgeen onder 2.4.2. is overwogen, is de Afdeling in zoverre onbevoegd van dit beroep kennis te nemen.

2.10.6.4. Appellante oefent haar bedrijf onder meer uit op een aantal percelen in het retentiegebied ten westen van het Lateraalkanaal. Uit de stukken blijkt dat in het ontwerp-streekplan een kade was opgenomen, die de huiskavel van appellante zou afsluiten van haar overige percelen. Het streekplan is op dit punt echter gewijzigd vastgesteld. Daarbij zijn in dit gebied geen kaden rond de bebouwing meer opgenomen. Ten aanzien van het bezwaar inzake de huiskavel van appellante, stelt de Afdeling dan ook vast dat dit bezwaar feitelijke grondslag mist.

Met betrekking tot de gevreesde beperking in de agrarische bedrijfsvoering overweegt de Afdeling dat uit de concrete beleidsbeslissing inzake de kaden en in- en uitlaatwerken voor het functioneren van het retentiegebied Lateraalkanaal west niet zonder meer volgt dat in het retentiegebied niet meer gebouwd zal kunnen worden. De bouwmogelijkheden zijn geregeld in het van toepassing zijnde bestemmingsplan. Daarbij is in dit geval van belang, zoals ook ter zitting door provinciale staten is bevestigd, dat het perceel waar appellante zou willen bouwen niet ligt in het winterbed van de Maas. Een vergunning op grond van de Wet Beheer Rijkswaterstaatswerken is hier dan ook niet vereist en evenmin is de beleidslijn Ruimte voor de rivier van toepassing.

2.10.6.5. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Afdeling derhalve geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten niet in redelijkheid de aanleg van de kaden en in- en uitlaatwerken voor het functioneren van het retentiegebied Lateraalkanaal west in de aanvulling op het streekplan hebben kunnen opnemen. Zoals zij echter naar aanleiding van het beroep van [appellante sub 2] heeft overwogen, dient de concrete beleidsbeslissing met betrekking tot de kaden en in- en uitlaatwerken voor het functioneren van het retentiegebied Lateraalkanaal west, voor zover het betreft het zuidelijke gedeelte, te worden vernietigd. Nu het beroep van [appellant sub 92] voor een deel is gericht tegen deze concrete beleidsbeslissing, is het in zoverre eveneens gegrond.

2.10.7. Het college van burgemeester en wethouders van Heel (gedeeltelijk)

2.10.7.1. Het college van burgemeester en wethouders van Heel voert in beroep onder meer aan dat provinciale staten ten onrechte het streekplan hebben vastgesteld voorzover hierin geen kaden zijn opgenomen rond de monumentale panden Nederhoven en Pannenhof. Appellant wenst verder dat een nieuw dijklichaam langs het Lateraalkanaal aan de westkant van de bestaande weg wordt gesitueerd.

2.10.7.2. Voor zover het beroep van appellant betrekking heeft op het niet opnemen van kaden rondom Nederhoven en Pannenhof, is het gericht tegen de weigering een concrete beleidsbeslissing te nemen. Daarmee is het niet gericht tegen de onder 2.4.3. genoemde concrete beleidsbeslissingen. Onder verwijzing naar hetgeen onder 2.4.2. is overwogen, is de Afdeling in zoverre onbevoegd van dit beroep kennis te nemen.

2.10.7.3. Voor zover het beroep van appellant betrekking heeft op het al dan niet verplaatsen van de weg langs het Lateraalkanaal als gevolg van de aanpassing van de kade langs het kanaal, is het beroep evenmin gericht tegen de onder 2.4.3. genoemde concrete beleidsbeslissingen. Hiertoe overweegt de Afdeling dat de concrete beleidsbeslissing betrekking heeft op het maximale ruimtebeslag en de hoogte van de kade. De concrete beleidsbeslissing regelt de gevolgen van de aanpassing van de dijk voor de weg niet. De Afdeling is derhalve ook in zoverre onbevoegd van dit beroep kennis te nemen.

2.10.8. [appellant sub 14] (gedeeltelijk)

2.10.8.1. [appellant sub 14], die woonachtig is aan de [locatie] te [plaats], voert in beroep aan dat de Staatssecretaris en provinciale staten ten onrechte het tracébesluit respectievelijk het streekplan hebben vastgesteld. Hij is onder meer van mening dat ten onrechte een splitsing is gemaakt van de maatregelen in twee pakketten, waardoor de uitvoering een lange periode in beslag zal nemen.

2.10.8.2. Voor zover het beroep van appellant is gericht tegen het tracébesluit, zijn in het tracédeel dat hier aan de orde is op grond van het tracébesluit geen maatregelen voorzien. In zoverre is het beroep ongegrond.

2.10.8.3. Voor zover het beroep van appellant betrekking heeft op de splitsing in twee pakketten is het niet gericht tegen de onder 2.4.3. genoemde concrete beleidsbeslissingen. Onder verwijzing naar hetgeen onder 2.4.2. is overwogen, is de Afdeling in zoverre onbevoegd van het beroep kennis te nemen.

2.10.9. Het college van burgemeester en wethouders van Heel (voor het overige), [appellant sub 14] (voor het overige) en [appellanten sub 16]

2.10.9.1. Naast hetgeen reeds onder 2.10.7. is weergegeven, voert het college van burgemeester en wethouders van Heel voorts aan dat provinciale staten ten onrechte het streekplan hebben vastgesteld, omdat aanleg van de kaden bij de Dorpsstraat – Biezenstraat ten koste zal gaan van de natuur- en cultuurwaarden in dit gebied, waaronder enkele waardevolle lindebomen en een kruisbeeld, en de belangen van grondeigenaren. Voorts wijst appellant op het belang van internationale samenwerking.

[appellant sub 14] voert in beroep aan, naast hetgeen reeds onder 2.10.8. is weergegeven, dat provinciale staten ten onrechte het streekplan hebben vastgesteld, voor zover het betreft de kaden en in- en uitlaatwerken voor het functioneren van het retentiegebied langs het Lateraalkanaal. Hij stelt dat onvoldoende inspanning is betracht om de schade en overlast van de voorziene maatregelen tot een minimum te beperken, nu geen kosten-baten-analyse in de besluitvorming is opgenomen en appellant een groot deel van zijn tuin kwijt zal raken. De berekeningen die aan de besluitvorming zijn voorafgegaan zijn slechts relatief en willekeurig, aldus appellant. Hij wenst dan ook dat thans alleen de kaden langs de westkant van het Lateraalkanaal worden verhoogd en de besluitvorming over de overige werkzaamheden naar een later moment wordt verschoven. Wanneer de kade bij de Dorpsstraat – Biezenstraat toch wordt aangelegd, wenst appellant dat dit gebeurt volgens het tracé dat hij als alternatief heeft voorgesteld.

[appellanten sub 16], die woonachtig zijn aan de [locaties] te [plaats], voeren in beroep aan dat provinciale staten ten onrechte het streekplan hebben vastgesteld voorzover hierin de aanleg van het retentiegebied met de daarbij behorende kaden als concrete beleidsbeslissing is opgenomen. Zij wensen dat thans alleen de twee kaden langs de westkant van het Lateraalkanaal worden verhoogd en dat de besluitvorming over de overige werkzaamheden naar een later moment wordt verschoven en deel gaat uitmaken van pakket 2.

Tot slot vrezen [appellant sub 14] en [appellanten sub 16] dat bij hevige regenval de aan te leggen kade een goede afvoer van het regenwater zal verhinderen en zij hierdoor overlast zullen ondervinden.

2.10.9.2. Zoals onder 2.10.2.3. reeds weergegeven, vervult het retentiegebied langs het Lateraalkanaal een belangrijke rol in de hoogwaterbescherming rond Roermond en verder benedenstrooms. Het is de Afdeling niet aannemelijk gemaakt dat niet van de reeds genoemde gegevens kan worden uitgegaan of dat de beschikbare informatie onvoldoende zou zijn. Provinciale staten hebben derhalve in redelijkheid reeds nu over de aanleg van het retentiegebied kunnen beslissen en behoefden dit niet uit te stellen naar een later moment. Hieraan doet niet af dat de ingebruikname van het retentiebekken pas over een aantal jaren valt te verwachten. Ook de mogelijkheid dat de hoeveelheid kennis en ervaring de komende jaren zal toenemen, vormt geen belemmering voor het nemen van een zorgvuldige beslissing. De Afdeling deelt niet het standpunt van appellanten dat de aanleg van kaden en in- en uitlaatwerken voor het functioneren van het retentiegebied een op zichzelf staande ingreep is die geen verband houdt met de overige maatregelen in het kader van de hoogwaterbescherming. Voor zover appellanten stellen dat meer rekening had moeten worden gehouden met ingrepen bovenstrooms en met maatregelen op internationaal niveau, overweegt de Afdeling dat het tot de verantwoordelijkheid van de Staatssecretaris en provinciale staten behoort om te voldoen aan de doelstelling van het project Zandmaas/Maasroute, zoals weergegeven onder 2.1.1. Daarbij is van belang dat het beoogde beschermingsniveau vóór 2016 moet worden gerealiseerd, waarvan 70-80% reeds vóór 2006. Het standpunt van provinciale staten dat de internationale aanpak van hoogwaterbescherming nog slechts in een beginstadium verkeert, zodat hier niet op kan worden gewacht, acht de Afdeling niet onjuist.

2.10.9.3. [appellanten sub 14] bezitten gronden langs de [locatie] met een totale oppervlakte van ongeveer 00.29.77 ha. Blijkens de stukken betreft het hier een huiskavel met een bijbehorende tuin (00.03.82 ha) en een “extra” tuin (00.25.95 ha). Deze extra tuin heeft een agrarische bestemming, maar is in gebruik als sier- en groentetuin. Ter plaatse van deze extra tuin zal een kade worden aangelegd, de binnenkade bij Beegden. Voor de aanleg van deze kade is van de gronden van appellanten maximaal 00.23.15 ha nodig.

Uit het verweerschrift en het verhandelde ter zitting blijkt dat deze kade nodig is om de ter plaatse aanwezige bebouwing te beschermen tegen de gevolgen van het gebruik van het zuidelijke gedeelte van het retentiegebied, nu deze niet hoog genoeg liggen om beschermd te zijn tegen een hoogwatergolf met een kans op voorkomen van 1:250 per jaar. Dit komt de Afdeling niet onjuist voor. Voorts blijkt uit de stukken dat de situering van de kade het meest recht doet aan de doelstellingen van de beleidslijn Ruimte voor de rivier. Door de situering zo strak mogelijk om de te beschermen bebouwing heen te leggen wordt zo min mogelijk inbreuk gemaakt op de waterstandsverhoging en de belemmering van de waterstandsverlaging, waardoor het waterbergend vermogen van het bekken zo groot mogelijk blijft.

Met betrekking tot de afvoer van het regenwater blijkt uit het deskundigenbericht dat appellanten ook thans reeds af en toe enige overlast van overtollig regenwater ondervinden. Uit de stukken komt naar voren, hetgeen ook ter zitting is bevestigd, dat in de kade een of meer coupures zullen worden aangelegd, waardoor het regenwater kan wegstromen. Indien nodig zullen voorts extra maatregelen worden getroffen, zodat de situatie niet zal verslechteren ten opzichte van de huidige situatie.

Voor zover het college van burgemeester en wethouders van Heel vreest dat de aanleg van de kade bij Beegden ten koste zal gaan van enkele lindebomen en een kruisbeeld, hebben provinciale staten ter zitting gesteld dat het maximale ruimtebeslag voldoende ruimte laat om de kade om de bomen en het beeld heen te leggen en zij bij de aanleg rekening zullen houden met de wens van appellant om deze te sparen.

Gelet op het vorenstaande hebben provinciale staten bij de afweging van de betrokken belangen in redelijkheid een groter gewicht kunnen toekennen aan het belang dat is gediend bij de bescherming tegen hoogwater met behoud van een zo groot mogelijk waterbergend vermogen dan aan het belang van appellanten dat is gediend bij het behoud van hun tuin. Dat een andere ligging van de kade denkbaar is, maakt dit niet anders, aangezien alternatieven eerst aan de orde komen indien blijkt van ernstige bezwaren tegen de voorziene kade. Van dergelijke bezwaren is de Afdeling niet gebleken.

2.10.9.4. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Afdeling derhalve geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten niet in redelijkheid de aanleg van de kaden en in- en uitlaatwerken voor het functioneren van het retentiegebied Lateraalkanaal west in de aanvulling op het streekplan hebben kunnen opnemen. Zoals zij echter naar aanleiding van het beroep van [appellante sub 2] heeft overwogen, dient de concrete beleidsbeslissing met betrekking tot de kaden en in- en uitlaatwerken voor het functioneren van het retentiegebied Lateraalkanaal west, voor zover het betreft het zuidelijke gedeelte, te worden vernietigd. Nu de beroepen van het college van burgemeester en wethouders van Heel en [appellant sub 14] voor een deel en het beroep van [appellanten sub 16] geheel zijn gericht tegen deze concrete beleidsbeslissing, zijn zij (in zoverre) eveneens gegrond.

2.10.10. [appellant sub 83]

2.10.10.1. [appellant sub 83], die woonachtig is aan de [locatie] te [plaats] en eigenaar is van een aantal percelen in het retentiegebied langs het Lateraalkanaal, voert in beroep aan dat provinciale staten ten onrechte het streekplan hebben vastgesteld voorzover hierin de aanleg van kaden en in- en uitlaatwerken voor het retentiegebied langs het Lateraalkanaal als concrete beleidsbeslissing is opgenomen. Appellant voert hiertoe aan dat deze maatregelen leiden tot een aantasting van zijn eigendommen. Volgens appellant is er onvoldoende noodzaak voor de aanleg van retentiegebieden en geeft het besluit onvoldoende onderbouwing voor de verwerping van alternatieven. Voorts wordt volgens appellant onvoldoende inzicht gegeven in de uiteindelijke inrichting van het retentiegebied, terwijl met de realisering van fase 1 wordt vooruitgelopen op fase 2, zodat verwacht moet worden dat ook de maatregelen in fase 2 er wel zullen komen. Tot slot heeft appellant bezwaar tegen de kade langs de autoweg N280, aangezien ook volstaan zou kunnen worden met een verhoging van het talud.

2.10.10.2. Voor zover het beroep van appellant is gericht tegen de inrichting van het retentiegebied en tegen de maatregelen uit pakket 2 stelt de Afdeling vast, dat de bezwaren niet zijn gericht tegen de onder 2.4.3. genoemde concrete beleidsbeslissingen. Onder verwijzing naar hetgeen onder 2.4.2. is overwogen, is de Afdeling in zoverre onbevoegd van het beroep kennis te nemen.

2.10.10.3. Zoals onder 2.10.2.3. reeds weergegeven, vervult het retentiegebied langs het Lateraalkanaal een belangrijke rol in de hoogwaterbescherming rond Roermond en verder benedenstrooms. Het is de Afdeling niet aannemelijk gemaakt dat niet van de reeds genoemde gegevens kan worden uitgegaan of dat de beschikbare informatie onvoldoende zou zijn. Derhalve is de noodzaak tot aanleg van het retentiegebied voldoende aannemelijk.

Voorts blijkt uit de stukken dat verschillende alternatieven voor het retentiegebied zijn overwogen, zoals mee laten stromen van het Lateraalkanaal in hoogwatersituaties, verbreden van de doorgang onder de spoorbrug bij Roermond (Buggenum), aanleggen van een hoogwatergeul bij Stadweide, verdiepen van de rivier ten noorden van Roermond en verlagen van de strekdam tussen Lateraalkanaal en Maas. Deze mogelijkheden zijn echter niet in het voorkeursalternatief opgenomen, omdat van deze maatregelen het waterstandsverlagend effect te gering zou zijn of de kosten te hoog zouden worden.

Met betrekking tot de kade langs de N280 hebben provinciale staten aangegeven dat deze is bedoeld om het noordelijke en zuidelijke bekken van het retentiegebied van elkaar te scheiden. Omdat de waterstanden in het zuidelijke bekken hoger zullen zijn dan in het noordelijke moet worden voorkomen dat het noordelijke bekken zich vanuit het zuidelijke gaat vullen. Hiervoor is een kade ter plaatse noodzakelijk; het talud van de N280 voldoet hiervoor niet. Het is de Afdeling niet gebleken dat dit standpunt onjuist is.

Voorts blijkt uit de stukken dat voor de uitvoering van de diverse maatregelen een klein gedeelte van de gronden van appellant nodig zal zijn. De Afdeling is van oordeel dat verweerders bij de afweging van de betrokken provinciale staten belangen in redelijkheid een groter gewicht hebben kunnen toekennen aan het belang dat is gediend met een duurzame bescherming tegen hoogwater dan het belang van appellant dat is gediend met het behoud van zijn gronden.

2.10.10.4. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten niet in redelijkheid de aanleg van de kaden en in- en uitlaatwerken voor het functioneren van het retentiegebied Lateraalkanaal west in de aanvulling op het streekplan hebben kunnen opnemen. Zoals zij echter naar aanleiding van het beroep van [appellante sub 2] heeft overwogen, dient de concrete beleidsbeslissing met betrekking tot de kaden en in- en uitlaatwerken voor het functioneren van het retentiegebied Lateraalkanaal west, voor zover het betreft het zuidelijke gedeelte, te worden vernietigd. Nu het beroep van [appellant sub 83] voor een deel is gericht tegen deze concrete beleidsbeslissing, is het in zoverre eveneens gegrond. Voor zover het beroep is gericht tegen het noordelijke gedeelte van het retentiegebied, is het ongegrond.

2.10.11. Stichting Ruimte (voor het overige)

2.10.11.1. Naast hetgeen onder 2.9.21. reeds is weergegeven voert Stichting Ruimte aan dat provinciale staten ten onrechte het streekplan hebben vastgesteld voorzover hierin retentiebekkens zijn opgenomen langs het Lateraalkanaal. Volgens appellante gaat aanleg van deze bekkens ten koste van het gegroeide cultuurlandschap. Nog meer grootschalige watervlaktes acht appellante niet verantwoord.

2.10.11.2. De Afdeling stelt vast dat dit bezwaar van appellante betrekking heeft op de inrichting van het retentiegebied. Daarmee is het niet gericht tegen de onder 2.4.3. genoemde concrete beleidsbeslissingen. Onder verwijzing naar hetgeen onder 2.4.2. is overwogen, is de Afdeling in zoverre onbevoegd van het beroep kennis te nemen.

2.10.12. Het college van burgemeester en wethouders van Haelen

2.10.12.1. Het college van burgemeester en wethouders van Haelen voert in beroep aan dat provinciale staten ten onrechte het streekplan hebben vastgesteld voor zover hierin niet duidelijk wordt gemaakt dat de maatregelen uit pakket I volledig onafhankelijk van pakket II kunnen worden gerealiseerd. Appellant heeft bezwaren tegen weerdverlagingen of ontgrondingen in het retentiegebied en wenst zekerheid dat uitvoering van pakket I niet automatisch betekent dat ook pakket II uitgevoerd zal worden.

2.10.12.2. Het beroep van appellant heeft betrekking op maatregelen uit pakket II. De Afdeling stelt dan ook vast dat de bezwaren niet zijn gericht tegen de onder 2.4.3. genoemde concrete beleidsbeslissingen. Onder verwijzing naar hetgeen onder 2.4.2. is overwogen, is de Afdeling derhalve onbevoegd van dit beroep kennis te nemen.

Overigens merkt de Afdeling op dat uit de stukken blijkt dat de maatregelen uit pakket I onafhankelijk van de maatregelen uit pakket II uitgevoerd kunnen worden. Met betrekking tot pakket II zal te zijner tijd aparte besluitvorming plaatsvinden, waartegen rechtsmiddelen open staan.

2.11. Tracédeel 9 Stuwpand Sambeek

2.11.1. Dit tracédeel heeft betrekking op het tracégedeelte vanaf sluis / stuwcomplex Belfeld tot en met sluis / stuwcomplex Sambeek en ligt onder meer langs de plaatsen Tegelen, Venlo, Blerick, Grubbenvorst, Velden, Arcen, Broekhuizenvorst, Blitterswijk, Wanssum, Well, Aijen, Maashees, Vierlingsbeek, Bergen, Afferden en Sambeek. De lengte van dit tracédeel bedraagt 44 km.

In dit tracédeel worden de maatregelen en ingrepen beschreven die noodzakelijk zijn om de projectdoelstelling voor de deelprojecten Zandmaas en Maasroute te realiseren.

Ten behoeve van de verbetering van de scheepvaartroute over de Maas tot een klasse Vb-vaarweg (tweebaksduwvaart) met een diepgang van minimaal 3,5 m worden in het stuwpand Sambeek de volgende maatregelen uitgevoerd:

* aanpassing sluis Sambeek;

* bochtaanpassing bij bocht Steijl.

Om de bescherming tegen overstromingen te verbeteren worden in het stuwpand Sambeek de volgende maatregelen uitgevoerd:

* verdieping zomerbed;

* verruiming winterbed door aanleg van hoogwatergeulen en weerdverlaging;

* aankoop oeverstroken van 25 meter;

* inrichting van hoogwatergeulen bij Lomm en bij Well-Aijen.

Om tot aanpassing van het stuwpeilbeheer te komen, zullen de volgende maatregelen worden uitgevoerd:

* 25 cm peilopzet;

* aanpassing stuwen;

* aanpassing van sluis Sambeek.

In het streekplan is ten behoeve van de hoogwaterbescherming tot een beschermingsniveau met een kans op voorkomen van 1:250 per jaar, voor Venlo aanpassing en aanleg van kaden als concrete beleidsbeslissing opgenomen. De concrete beleidsbeslissing voor Venlo is opgenomen onder 2.4.3.

2.11.2. Stichting Afdelingscommissie Belletable en Watersportvereniging “De Maas”

2.11.2.1. Stichting Afdelingscommissie Belletable en Watersportvereniging “De Maas” voeren in beroep aan dat de Staatssecretaris en provinciale staten ten onrechte het tracébesluit respectievelijk het streekplan hebben vastgesteld. Appellanten zijn van mening dat in de plannen rekening had moeten worden gehouden met de aanleg van een nieuwe jachthaven in de uiterwaarden van de Maas. Volgens appellanten kan een nieuwe haven waterbergend en doorstromend vermogen toevoegen en zo een bijdrage leveren aan de doelstelling van het project Zandmaas/Maasroute. Appellanten vrezen dat het streekplan de wijziging van een bestemmingsplan in deze richting zal tegenhouden.

2.11.2.2. Voor zover de beroepen van appellanten betrekking hebben op het streekplan stelt de Afdeling vast, dat de bezwaren niet zijn gericht tegen één van de onder 2.4.3. genoemde concrete beleidsbeslissingen. Onder verwijzing naar hetgeen onder 2.4.2. is overwogen, is de Afdeling in zoverre onbevoegd van deze beroepen kennis te nemen.

Zij merkt overigens op dat provinciale staten ter zitting hebben verklaard dat het streekplan de hervestiging van een jachthaven niet uitsluit.

2.11.2.3. Voor zover de beroepen van appellanten zijn gericht tegen het tracébesluit, overweegt de Afdeling dat appellanten geen concrete bezwaren hebben tegen de maatregelen die in het tracébesluit worden geregeld. Zij zijn van mening dat in het besluit niet voldoende is geregeld, omdat de plannen voor een nieuwe jachthaven hierin niet zijn opgenomen. Dienaangaande blijkt uit de stukken dat de watersportactiviteiten van appellanten in de bestaande haven in gevaar komen door de mogelijke komst van een nieuwe containerterminal en de verdere industrialisering van het bestaande havengebied. Hieruit volgt dat verplaatsing van de huidige jachthaven, dan wel de komst van een nieuwe jachthaven, niet het gevolg is van de in het tracébesluit opgenomen maatregelen. Reeds hierom behoefde de Staatssecretaris een eventuele nieuwe jachthaven niet in de plannen mee te nemen, nog daargelaten de vraag of de Staatssecretaris deze in het tracébesluit had kunnen opnemen.

2.11.2.4. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de Staatssecretaris niet in redelijkheid het tracébesluit in zoverre heeft kunnen vaststellen. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat het tracébesluit op dit onderdeel anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. De beroepen van Stichting Afdelingscommissie Belletable en Watersportvereniging “De Maas” zijn in zoverre ongegrond.

2.11.3. Het college van burgemeester en wethouders van Maasbree

2.11.3.1. Het college van burgemeester en wethouders van Maasbree voert in beroep aan dat de Staatssecretaris en provinciale staten ten onrechte het tracébesluit respectievelijk het streekplan hebben vastgesteld. Hiertoe voert appellant aan dat verbreding van het winterbed in de strook Baarlo-Blerick niet verenigbaar is met het niet actief nastreven van uitplaatsing van glastuinbouwbedrijven uit dit gebied. Appellant acht het niet juist dat dit in een Reconstructieplan geregeld zal worden. Ook wenst appellant dat de voorziene nevengeul “Baarlo” genoemd gaat worden, in plaats van “Belfeld-west”. Voorts voert appellant aan dat de ophoging van kaden in Venlo een verhoogd risico voor het bevolkingsgebied van Baarlo met zich brengt. Tot slot heeft appellant bezwaar tegen de onduidelijke regeling met betrekking tot de vergoeding van (plan)schade als gevolg van de realisering van de kaden.

2.11.3.2. Voor zover het beroep van appellant betrekking heeft op de nevengeul “Belfeld-west”, stelt de Afdeling vast dat dit bezwaar niet is gericht tegen één van de onder 2.4.3. genoemde concrete beleidsbeslissingen. In dit verband is van belang dat de aankoop van de hiertoe benodigde gronden slechts als beleidslijn in het streekplan is opgenomen, terwijl de daadwerkelijke realisering een maatregel is in pakket II. Onder verwijzing naar hetgeen onder 2.4.2. is overwogen, is de Afdeling in zoverre onbevoegd van dit beroep kennis te nemen.

2.11.3.3. Met betrekking tot de beroepsgrond aangaande de verbreding van het winterbed en de verplaatsing van glastuinbouwbedrijven, stelt de Afdeling vast dat dit bezwaar evenmin is gericht tegen één van de onder 2.4.3. genoemde concrete beleidsbeslissingen. Onder verwijzing naar hetgeen onder 2.4.2. is overwogen, is de Afdeling ook in zoverre onbevoegd van dit beroep kennis te nemen.

Voor zover dit beroepsonderdeel is gericht tegen het tracébesluit, stelt de Afdeling vast dat in de strook Baarlo-Blerick niet is voorzien in verbreding van het winterbed of verplaatsing van bedrijven. In zoverre is het beroep ongegrond.

2.11.3.4. Met betrekking tot mogelijke gevolgen van de kademaatregelen voor gebieden waar geen kaden zijn voorzien, blijkt uit de stukken dat als een van de randvoorwaarden voor het project Zandmaas/Maasroute geldt dat de waterstanden in het onbedijkte gebied van de Maas niet mogen stijgen als gevolg van de te nemen maatregelen. De Staatssecretaris en provinciale staten stellen zich op het standpunt dat voor het grondgebied van Baarlo aan deze randvoorwaarde wordt voldaan en verwijzen hiervoor naar het rapport “Hoogwaterbescherming Zandmaas Brondocument, versie 14 februari 2003”. Dit rapport is door de Staatssecretaris en provinciale staten vóór de zitting in de procedure gebracht. Ter zitting is door de Staatssecretaris en provinciale staten toegelicht dat het rapport een actualisatie is van het rapport “Hoogwaterbescherming Zandmaas Brondocument, versie 2 mei 2001”, welk rapport was gebaseerd op het pakket maatregelen dat in de ontwerp-plannen was opgenomen. Omdat de maatregelen enigszins zijn gewijzigd, zijn de berekeningen aangepast en is het brondocument geactualiseerd. In het brondocument zijn de waterstandseffecten van de verschillende maatregelen, zowel afzonderlijk als gezamenlijk, zoals deze bij verschillende hoogwatergolven zullen optreden, weergegeven. Uit het brondocument volgt dat de waterstanden ter hoogte van Baarlo na realisering van de maatregelen lager zullen zijn dan in de huidige situatie. Van een verhoogd risico is derhalve geen sprake.

2.11.3.5. Ten aanzien van het bezwaar van appellant inzake de vergoeding van planschade, overweegt de Afdeling dat provinciale staten, blijkens het verweerschrift, vooruitlopend op de uitvoering met alle betrokken gemeenten een convenant willen sluiten. Hierin zullen onder meer afspraken worden gemaakt over de afhandeling van eventuele planschadeclaims. Niet is gebleken dat niet op deze wijze aan het schadeaspect kan worden tegemoet gekomen.

2.11.3.6. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten niet in redelijkheid de kademaatregelen voor Venlo in de aanvulling op het streekplan hebben kunnen opnemen. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat de concrete beleidsbeslissing voor Venlo anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van het college van burgemeester en wethouders van Maasbree is ook in zoverre ongegrond.

2.11.4. [appellant sub 36]

2.11.4.1. [appellant sub 36], die woonachtig is aan de [locatie] te [plaats], voert in beroep aan dat provinciale staten ten onrechte het streekplan hebben vastgesteld, voorzover daarin in [locatie] maatregelen voor zijn perceel zijn opgenomen. Hij vindt het bezwaarlijk dat de kade rond het dorp Steyl geprojecteerd is op zijn grond en hij derhalve een stuk tuin voor deze kade moet afstaan, hetgeen de waarde van de tuin vermindert. Appellant vreest dat aanleg van de kade ten koste zal gaan van zijn schuur en leidt tot verlies aan privacy. Appellant heeft in dat kader bezwaar tegen het gebruik van de dijk door fietsers en wandelaars.

2.11.4.2. Het perceel van appellant ligt op [locatie] ter hoogte van [locatie]. Ter plaatse van het perceel van appellant wordt een groene kade aangelegd tot een hoogte van 20,03 meter+NAP, hetgeen neerkomt op een kade met een hoogte van 2,5 meter. Het perceel van appellant is 00.09.55 ha groot, waarvan maximaal 00.02.19 ha nodig is voor de aanleg van de kade. Naar uit het deskundigenbericht blijkt is dit gedeelte van de gronden in gebruik als tuin en plantenkas. De schuur van appellant ligt niet op de gronden die nodig zijn voor de kade.

De kade zal op ongeveer 20 meter van de achtergevel van de woning van appellant worden aangelegd. Tevens blijkt uit het deskundigenbericht dat het uitzicht uit de woning thans wordt beperkt door groenblijvende beplanting. Voorts voorziet de concrete beleidsbeslissing niet in mogelijk gebruik van de kade door fietsers en wandelaars. Het vorenstaande in aanmerking genomen, acht de Afdeling niet aannemelijk dat het uitzicht aanzienlijk zal verminderen, dat het gebruik van de tuin en daarmee het woongenot in ernstige mate zal worden aangetast, dan wel dat de kade tot een aanzienlijk verlies aan privacy zal leiden. Zij is dan ook van oordeel dat provinciale staten bij de afweging van de betrokken belangen in redelijkheid een groter gewicht hebben kunnen toekennen aan het belang dat is gediend met een duurzame bescherming tegen hoogwater dan het belang van appellant bij het behoud van zijn gronden.

Ten aanzien van de door appellant gevreesde schade, waaronder waardevermindering, verwijst de Afdeling naar hetgeen zij onder 2.5.3.4. heeft overwogen. Niet is gebleken dat in dit geval niet via de daar genoemde, bestaande regelingen aan het schade-aspect kan worden tegemoet gekomen.

2.11.4.3. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten niet in redelijkheid de kademaatregel in het kadevak TEG.1.K/NA-2 in de aanvulling op het streekplan hebben kunnen opnemen. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat de concrete beleidsbeslissing voor Venlo op dit onderdeel anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 36] is ongegrond.

2.11.5. [appellanten sub 33]

2.11.5.1. [appellanten sub 33], die woonachtig zijn aan de [locaties] te [plaats], voeren in beroep aan dat provinciale staten ten onrechte het streekplan hebben vastgesteld, voorzover daarin in [locatie] maatregelen voor hun percelen zijn opgenomen. Appellanten zijn van mening dat onvoldoende op hun inspraakreactie is gereageerd. Zij vinden het bezwaarlijk dat de kade rond het dorp Steyl geprojecteerd is op hun gronden en zij derhalve een stuk tuin voor deze kade moeten afstaan, hetgeen de mogelijkheden van de tuinen vermindert. Appellanten hebben verder bezwaren tegen de aantasting van het landschap en tegen het gebruik van de dijk door fietsers en wandelaars. Zij stellen dat zij zelf een muur van ongeveer 0,70 meter hoog kunnen bouwen. Voorzover toch een dijk zal worden gerealiseerd wensen zij dat deze beter aansluit bij de stroom van de Maas en wordt uitgevoerd als een demontabele kade. Voorts zal optredende schade vergoed moeten worden, aldus appellanten.

2.11.5.2. Voor zover appellanten bezwaar maken tegen de wijze waarop met de inspraakreacties is omgegaan, verwijst de Afdeling naar hetgeen hieromtrent onder 2.5.1. is overwogen.

2.11.5.3. De percelen van appellanten liggen op [locatie] ter hoogte van [locatie]. Ter plaatse van de percelen van appellanten wordt een groene kade aangelegd tot een hoogte van 20,03 meter+NAP, hetgeen neerkomt op een kade met een hoogte van 2,5 meter. De percelen van appellanten zijn samen 00.08.70 ha groot, waarvan maximaal 00.03.15 ha nodig is voor de aanleg van de kade. Naar uit het deskundigenbericht blijkt is dit gedeelte van de gronden in gebruik als tuin en vijver.

De kade zal op ongeveer 20 meter van de achtergevel van de woningen van appellanten worden aangelegd. Aanleg van de kade dichter bij de Maas gaat ten koste van het winterbergend vermogen van de rivier en is daarmee in strijd met de beleidslijn Ruimte voor de rivier. Voorts blijkt uit het deskundigenbericht dat het uitzicht uit de woningen thans wordt beperkt door groenblijvende beplanting en ook overigens sprake is van een groene omgeving door de aanwezigheid van onbebouwd grasland. Gelet hierop is niet aannemelijk dat de groene kade voor een aanzienlijke verstoring van het landschap zal zorgen. De concrete beleidsbeslissing voorziet verder niet in mogelijk gebruik van de kade door fietsers en wandelaars. Het vorenstaande in aanmerking genomen, acht de Afdeling niet aannemelijk dat het uitzicht aanzienlijk zal verminderen, dat het gebruik van de tuin en daarmee het woongenot in ernstige mate zal worden aangetast, dan wel dat de kade tot een aanzienlijk verlies aan privacy zal leiden. Met betrekking tot de stelling van appellanten dat zij zelf een muur kunnen bouwen, komt uit het verweerschrift naar voren dat een dergelijke muur weliswaar de eigendommen van appellanten zou beschermen, maar niet voldoende is om ook het achtergelegen gebied voldoende bescherming te bieden. Dit standpunt van provinciale staten komt de Afdeling niet onjuist voor. Zij is dan ook van oordeel dat provinciale staten bij de afweging van de betrokken belangen in redelijkheid een groter gewicht hebben kunnen toekennen aan het belang dat is gediend met een duurzame bescherming tegen hoogwater dan het belang van appellanten bij het behoud van hun gronden.

Ten aanzien van de door appellanten gevreesde schade, waaronder waardevermindering, verwijst de Afdeling naar hetgeen zij onder 2.5.3.4. heeft overwogen. Niet is gebleken dat in dit geval niet via de daar genoemde, bestaande regelingen aan het schade-aspect kan worden tegemoet gekomen.

2.11.5.4. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten niet in redelijkheid tot de kademaatregel in het kadevak TEG.1.K/NA-2 hebben kunnen besluiten. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat de concrete beleidsbeslissing voor Venlo op dit onderdeel anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellanten sub 33] is ongegrond.

2.11.6. [appellanten sub 12] (gedeeltelijk)

2.11.6.1. [appellanten sub 12], gevestigd en woonachtig aan de [locaties] te [woonplaats] en [locatie] te [woonplaats], voeren in beroep aan, naast hetgeen reeds onder 2.9.22. is weergegeven, dat provinciale staten ten onrechte het streekplan hebben vastgesteld voor zover daarin in [locaties] maatregelen op en in de nabijheid van hun percelen zijn opgenomen. Appellanten stellen allereerst dat in de beantwoording van de inspraakreactie hun argumenten onvoldoende worden weerlegd. Zij hebben voorts bezwaren tegen het binnenkaads ruimtebeslag van de kade langs het Gieterijwegje te Blerick (kadevak FB). Appellanten verzetten zich verder tegen de situering van de voorziene kade bij de Pontanusstraat, omdat hun eigendommen buiten de kaden blijven en hun ondernemingen onbereikbaar zullen worden bij plaatsing van een demontabele kade (kadevak KA). Zij zijn bovendien van mening dat de voorziene hoogte van de diverse kadevakken niet voldoet aan de richtlijnen terzake.

2.11.6.2. Voor zover appellanten bezwaar maken tegen de wijze waarop met de inspraakreacties is omgegaan, verwijst de Afdeling naar hetgeen hieromtrent onder 2.5.1. is overwogen.

2.11.6.3. Appellanten zijn eigenaar van een perceel op [locatie], ter hoogte van [locatie]. Ter plaatse van het perceel van appellanten wordt de bestaande groene kade binnenkaads verhoogd tot een hoogte van 19,45 meter+NAP, hetgeen neerkomt op een verhoging met 0,8 meter. Het perceel van appellanten is 00.30.33 ha groot, waarvan maximaal 00.04.03 ha nodig is voor de verhoging van de kade. Naar uit het verweerschrift blijkt ligt dit gedeelte van de gronden aan de rand van het perceel van appellanten en ligt dit gedeelte thans braak. Appellanten hebben dit niet weersproken.

Voor de verhoging van de kade hoeven geen gronden van appellanten te worden aangekocht. Ter plaatse kan worden volstaan met het vestigen van een zakelijk recht, aldus provinciale staten.

Voor zover appellanten betogen dat de verhoging van de kade ertoe leidt dat hun bouwplannen op deze gronden onmogelijk worden gemaakt, overweegt de Afdeling dat uit de concrete beleidsbeslissing inzake de kaden bij Venlo niet zonder meer volgt dat niet meer gebouwd zal kunnen worden. De bouwmogelijkheden zijn geregeld in het van toepassing zijnde bestemmingsplan. Daarbij is in dit geval van belang, dat het perceel waar appellanten willen bouwen in het winterbed van de Maas ligt, zodat hier de beleidslijn Ruimte voor de rivier van toepassing is. Voor het overige ligt thans niet het bouwplan van appellanten ter beoordeling voor, zodat hier niet op kan worden ingegaan.

Het vorenstaande in aanmerking genomen is van een onaanvaardbare beperking in de gebruiksmogelijkheden van het perceel van appellanten geen sprake. De Afdeling is dan ook van oordeel dat provinciale staten bij de afweging van de betrokken belangen in redelijkheid een groter gewicht hebben kunnen toekennen aan het belang dat is gediend met een duurzame bescherming tegen hoogwater dan aan het belang van appellanten.

2.11.6.4. Appellanten bezitten voorts enkele percelen op [locatie], ter hoogte van [locaties]. In de buurt van de percelen van appellanten wordt een demontabele kade opgericht tot een hoogte van 19,45 meter+NAP, hetgeen neerkomt op een kade met een hoogte van 0,8 meter. Blijkens de stukken wordt de kade opgericht op het trottoir van de Pontanusstraat. Voor de aanleg van de kade zijn geen gronden van appellanten nodig.

Uit het deskundigenbericht en het verhandelde ter zitting komt naar voren dat de kade van geringe invloed zal zijn op de bereikbaarheid van de percelen van appellanten aan de westzijde van de [locatie] en langs de [locatie]. Daarbij is van belang dat provinciale staten ter zitting hebben gesteld dat het mogelijk is de funderingen voor de kade ondergronds aan te leggen, waardoor de aanwezigheid van de kadedrempel nauwelijks merkbaar is. Voorts hebben appellanten de stelling van provinciale staten dat de stoep en, indien nodig, de Pontanusstraat, breed genoeg zijn om een kade aan te leggen en vervolgens nog voldoende ruimte over te houden, niet weersproken.

Doordat de kade demontabel zal worden uitgevoerd is niet te verwachten dat de percelen aan de oostzijde [locaties] permanent verminderd bereikbaar zullen zijn. Voorts blijkt uit de stukken dat provinciale staten voor het kadevak VEN.2.K/KA aansluiting hebben gezocht bij de verhoogd liggende Pontanusstraat, welke reeds als verholen kade dienst doet. Aanleggen van een kade aan de achterzijde van de woningen van appellanten zou betekenen dat een metershoge kade moet worden opgericht, omdat de tuinen richting de Maas relatief steil aflopen. Bovendien zou een dergelijke kade bij doortrekking ervan door de tuinen van diverse andere woningen ter plaatse lopen.

Nu derhalve de bereikbaarheid van de bedrijven van appellanten niet in aanzienlijke mate wordt aangetast, bestaat geen grond voor de verwachting dat de continuïteit van de bedrijven van appellanten in gevaar zal komen.

Voor zover appellanten vrezen dat hun plannen voor de bouw van een horecacomplex door de bouw van de kade in gevaar komen, overweegt de Afdeling allereerst dat thans niet het bouwplan van appellanten ter beoordeling voorligt, zodat hier niet op kan worden ingegaan. Voorts volgt uit de concrete beleidsbeslissing inzake de kaden bij Venlo niet zonder meer dat niet meer gebouwd zal kunnen worden. De bouwmogelijkheden zijn geregeld in het van toepassing zijnde bestemmingsplan, waarbij voorts betekenis kan toekomen aan de Wet Beheer Rijkswaterstaatswerken en het Besluit Rijksrivieren. Daarbij is in dit geval van belang, dat het perceel waar appellanten willen bouwen in het waterbergend winterbed van de Maas ligt, zodat hier de beleidslijn Ruimte voor de rivier van toepassing is. Voorts is van belang dat de percelen van appellanten binnen de stedelijke contour rond Venlo liggen. Dit verandert niet door de bouw van de kade.

Met betrekking tot het betoog van appellanten dat de huidige stedelijke contourlijn gevolgd had moeten worden, overweegt de Afdeling, gelijk zij heeft gedaan onder 2.5.2.5., dat zij het door provinciale staten gehanteerde uitgangspunt dat bij de vastlegging van het kadetracé zoveel mogelijk aansluiting wordt gezocht bij de bestaande kaden op grond van de Deltawet grote rivieren, niet onjuist acht. Voorts hebben provinciale staten, zoals hiervoor reeds opgemerkt, voor het kadevak VEN.2.K/KA tevens aansluiting gezocht bij de verhoogd liggende Pontanusstraat, welke reeds als verholen kade dienst doet. Ook dit acht de Afdeling niet onjuist.

Het vorenstaande in aanmerking genomen is van een onaanvaardbare beperking in de gebruiksmogelijkheden van de percelen van appellanten geen sprake. De Afdeling is dan ook van oordeel dat provinciale staten bij de afweging van de betrokken belangen in redelijkheid een groter gewicht hebben kunnen toekennen aan het belang dat is gediend met een duurzame bescherming tegen hoogwater dan aan het belang van appellanten.

2.11.6.5. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten niet in redelijkheid tot de in de kadevakken VEN.2.K/FB en KA voorziene maatregelen hebben kunnen besluiten. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat de concrete beleidsbeslissing voor Venlo op dit onderdeel anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellanten sub 12] is in zoverre ongegrond.

2.11.7. [appellant sub 66] .

2.11.7.1. [appellant sub 66], die woonachtig is aan de [locatie] te [plaats] met een achtertuin tot aan de [locatie], voert in beroep aan dat provinciale staten ten onrechte het streekplan hebben vastgesteld voorzover daarin in [locatie] maatregelen op zijn perceel zijn opgenomen. Appellant vreest voor verlies van gronden en vermindering van de gebruikswaarde en gebruiksmogelijkheden van zijn tuin. Appellant heeft voorts bezwaar tegen de keuze voor een demontabele kade, gelet op de natuurlijke, groene omgeving en de moeilijkheden bij plaatsing van een demontabele kade. Volgens appellant is verhoging van het fietspad langs de Maas, met daarop een demontabele kade een beter alternatief.

2.11.7.2. Het perceel van appellant ligt op de [locatie]. De achtertuin ligt ter hoogte van [locatie]. Ter plaatse van het perceel van appellant wordt blijkens tabel 4.3. van het kadeplan een vaste en demontabele kade opgericht tot een hoogte van 19,35 meter+NAP, hetgeen neerkomt op een kade met een hoogte van 0,9 tot 1,6 meter. De exacte hoogte is afhankelijk van de hoogte van het maaiveld. Het perceel van appellant is 00.05.50 ha groot, waarvan maximaal 00.00.20 ha nodig is voor de aanleg van de kade. Naar uit het deskundigenbericht blijkt is dit gedeelte van de gronden in gebruik als tuin.

Voor de aanleg van de kade behoeven geen gronden van appellant te worden aangekocht. Ter plaatse kan worden volstaan met het vestigen van een zakelijk recht, aldus provinciale staten.

De Afdeling stelt vast dat op kaartblad 13 van de kaartenatlas behorend bij het streekplan voor kadevak VEN.2.K/NK een nieuwe demontabele kade is aangegeven. Dat in dit kadevak, zoals in tabel 4.3., alsmede in de toelichting bij deze tabel, staat aangegeven, de bescherming zal plaatsvinden door middel van een combinatie van kademuren en coupures staat niet op kaartblad 13 aangegeven. Dat een gedeelte van de kade als een groene kade zal worden aangelegd, is noch in de tabel, noch in de toelichting op de tabel, noch op kaartblad 13 aangegeven. De Afdeling acht een en ander in strijd met de rechtszekerheid. Het beroep van [appellant sub 66] is gegrond, in verband waarmee het streekplan voor zover dat betrekking heeft op de concrete beleidsbeslissing voor Roermond, kadevak VEN.2.K/NK, dient te worden vernietigd.

In verband hiermee behoeven de overige bezwaren van appellant geen bespreking.

2.11.8. [appellant sub 4]

2.11.8.1. [appellant sub 4], die woonachtig is aan de [locatie], voert in beroep aan dat provinciale staten ten onrechte het streekplan hebben vastgesteld voorzover daarin in [locatie] maatregelen op zijn perceel zijn opgenomen. Appellant heeft er bezwaar tegen dat op enkele meters van zijn voorgevel een kade van ongeveer 1 meter hoog is voorzien. Hij vreest voor verlies van gronden, aantasting van zijn privacy en waardevermindering van zijn eigendommen. Voorts is appellant van mening dat de communicatie over de plannen onzorgvuldig is geweest en er betere alternatieven zijn.

2.11.8.2. Voor zover appellant bezwaar maakt tegen de wijze waarop de informatievoorzienig heeft plaatsgevonden, verwijst de Afdeling naar hetgeen hieromtrent onder 2.5.1. is overwogen.

2.11.8.3. Het perceel van appellant ligt op [locatie] ter hoogte van [locatie]. Ter plaatse van het perceel van appellant wordt blijkens tabel 4.3. van het kadeplan een vaste en demontabele kade opgericht tot een hoogte van 19,35 meter+NAP, hetgeen neerkomt op een kade met een hoogte van 0,9 tot 1,6 meter. De exacte hoogte is afhankelijk van de hoogte van het maaiveld. Het perceel van appellant is 00.05.26 ha groot, waarvan maximaal 00.00.83 ha nodig is voor de aanleg van de kade. Naar uit het deskundigenbericht blijkt is dit gedeelte van de gronden in gebruik als tuin. Het maximale ruimtebeslag zoals dat voor deze kade op kaartblad 13 van de kaartenatlas behorend bij het streekplan is aangegeven, maakt mogelijk dat de kade op een afstand van 1 meter van de voorgevel van de woning van appellant wordt opgericht.

Voor de aanleg van de kade behoeven geen gronden van appellant te worden aangekocht. Ter plaatse kan worden volstaan met het vestigen van een zakelijk recht, aldus provinciale staten.

Zoals onder 2.11.7.2. naar aanleiding van het beroep van [appellant sub 66] reeds overwogen, stelt de Afdeling vast dat op kaartblad 13 van de kaartenatlas behorend bij het streekplan voor kadevak VEN.2.K/NK een nieuwe demontabele kade is aangegeven. Dat in dit kadevak, zoals in tabel 4.3., alsmede in de toelichting bij deze tabel, staat aangegeven, de bescherming zal plaatsvinden door middel van een combinatie van kademuren en coupures staat niet op kaartblad 13 aangegeven. Dat een gedeelte van de kade als een groene kade zal worden aangelegd, is noch in de tabel, noch in de toelichting op de tabel, noch op kaartblad 13 aangegeven. De Afdeling acht een en ander in strijd met de rechtszekerheid. Het beroep van [appellant sub 4] is, gelet hierop, eveneens gegrond.

In verband hiermee behoeven de overige bezwaren van appellant geen bespreking.

2.11.9. [appellante sub 22]

2.11.9.1. [appellante sub 22], die woonachtig is aan de [locatie], voert in beroep aan dat provinciale staten ten onrechte het streekplan hebben vastgesteld voorzover daarin in [locatie] maatregelen op haar perceel zijn opgenomen. Appellante heeft er bezwaar tegen dat op enkele meters van haar voorgevel een kade van ongeveer 1 meter hoog is voorzien. Zij vreest voor verlies van gronden, aantasting van haar privacy en waardevermindering van haar eigendommen. Voorts is appellante van mening dat de communicatie over de plannen onzorgvuldig is geweest en er betere alternatieven zijn.

2.11.9.2. Voor zover appellante bezwaar maakt tegen de wijze waarop de informatievoorzienig heeft plaatsgevonden, verwijst de Afdeling naar hetgeen hieromtrent onder 2.5.1. is overwogen.

2.11.9.3. Het perceel van appellante ligt op de [locatie] ter hoogte van [locatie]. Ter plaatse van het perceel van appellante wordt een vaste en demontabele kade opgericht tot een hoogte van 19,35 meter+NAP, hetgeen neerkomt op een kade met een hoogte van 0,9 tot 1,6 meter. De exacte hoogte is afhankelijk van de hoogte van het maaiveld. Het perceel van appellante is 00.06.30 ha groot, waarvan maximaal 00.00.85 ha nodig is voor de aanleg van de kade. Naar uit het deskundigenbericht blijkt is dit gedeelte van de gronden in gebruik als tuin. Het maximale ruimtebeslag zoals dat voor deze kade op kaartblad 13 van de kaartenatlas behorend bij het streekplan is aangegeven, maakt mogelijk dat de kade op een afstand van 3 meter van de voorgevel van de woning van appellante wordt opgericht.

Voor de aanleg van de kade behoeven geen gronden van appellante te worden aangekocht. Ter plaatse kan worden volstaan met het vestigen van een zakelijk recht, aldus provinciale staten.

Zoals onder 2.11.7.2. naar aanleiding van het beroep van [appellant sub 66] reeds overwogen, stelt de Afdeling vast dat op kaartblad 13 van de kaartenatlas behorend bij het streekplan voor kadevak VEN.2.K/NK een nieuwe demontabele kade is aangegeven. Dat in dit kadevak, zoals in tabel 4.3., alsmede in de toelichting bij deze tabel, staat aangegeven, de bescherming zal plaatsvinden door middel van een combinatie van kademuren en coupures staat niet op kaartblad 13 aangegeven. Dat een gedeelte van de kade als een groene kade zal worden aangelegd, is noch in de tabel, noch in de toelichting op de tabel, noch op kaartblad 13 aangegeven. De Afdeling acht een en ander in strijd met de rechtszekerheid. Het beroep van [appellante sub 22] is, gelet hierop, eveneens gegrond.

In verband hiermee behoeven de overige bezwaren van appellante geen bespreking.

2.11.10. [appellant sub 7]

2.11.10.1. [appellant sub 7], die woont aan de [locatie] te [plaats], voert in beroep aan dat provinciale staten ten onrechte het streekplan hebben vastgesteld voorzover daarin in [locatie] maatregelen op zijn perceel zijn opgenomen. Appellant vreest als gevolg van de aanleg van de kade voor verlies van gronden, aantasting van zijn privacy en waardevermindering van zijn eigendommen. Voorts meent hij dat de Maaskanten er niet mooier op worden en is hij van mening dat de communicatie over de plannen onzorgvuldig is geweest.

2.11.10.2. Voor zover appellant bezwaar maakt tegen de wijze waarop de informatievoorzienig heeft plaatsgevonden, verwijst de Afdeling naar hetgeen hieromtrent onder 2.5.1. is overwogen.

2.11.10.3. Het perceel van appellant ligt op de westelijke oever van de Maas ter hoogte van kadevak VEN.2.K/NK. Ter plaatse van het perceel van appellant wordt een vaste en demontabele kade opgericht tot een hoogte van 19,35 meter+NAP, hetgeen neerkomt op een kade met een hoogte van 0,9 tot 1,6 meter. De exacte hoogte is afhankelijk van de hoogte van het maaiveld. Het perceel van appellant is 00.17.25 ha groot, waarvan maximaal 00.02.46 ha nodig is voor de aanleg van de kade. Naar uit het deskundigenbericht blijkt is dit gedeelte van de gronden in gebruik als tuin. Het maximale ruimtebeslag zoals dat voor deze kade op kaartblad 13 van de kaartenatlas behorend bij het streekplan is aangegeven, maakt mogelijk dat de kade op een afstand van 1 meter van de voorgevel van de woning van appellant wordt opgericht.

Voor de aanleg van de kade hoeven geen gronden van appellant te worden aangekocht. Ter plaatse kan worden volstaan met het vestigen van een zakelijk recht, aldus provinciale staten.

Zoals onder 2.11.7.2. naar aanleiding van het beroep van [appellant sub 66] reeds overwogen, stelt de Afdeling vast dat op kaartblad 13 van de kaartenatlas behorend bij het streekplan voor kadevak VEN.2.K/NK een nieuwe demontabele kade is aangegeven. Dat in dit kadevak, zoals in tabel 4.3., alsmede in de toelichting bij deze tabel, staat aangegeven, de bescherming zal plaatsvinden door middel van een combinatie van kademuren en coupures staat niet op kaartblad 13 aangegeven. Dat een gedeelte van de kade als een groene kade zal worden aangelegd, is noch in de tabel, noch in de toelichting op de tabel, noch op kaartblad 13 aangegeven. De Afdeling acht een en ander in strijd met de rechtszekerheid. Het beroep van [appellant sub 7] is, gelet hierop, eveneens gegrond.

In verband hiermee behoeven de overige bezwaren van appellant geen bespreking.

2.11.11. [appellanten sub 21]

2.11.11.1. [appellanten sub 21] , die woonachtig zijn aan de [locatie] te [plaats], voeren in beroep aan dat provinciale staten ten onrechte het streekplan hebben vastgesteld voorzover daarin in [locatie] maatregelen op en langs hun percelen zijn opgenomen. Appellanten vrezen voor verlies van gronden, vermindering van het uitzicht en waardevermindering van hun eigendommen. Zij stellen dat de hoogte van de kaden niet juist is vastgesteld. Appellanten geven voorts aan geen bezwaar te hebben tegen een demontabele kade.

2.11.11.2. Het perceel van appellanten ligt op de [locatie] ter hoogte van [locatie]. Ter plaatse van het perceel van appellanten wordt volgens tabel 4.3 in het kadeplan, alsmede kaartblad 13 van de kaartenatlas behorend bij het streekplan, een kademuur opgericht tot een hoogte van 20,03 meter+NAP, hetgeen neerkomt op een muur met een hoogte van 2,5 meter.

Blijkens het verweerschrift zijn provinciale staten thans van mening dat in het kadeplan en op de kaart voor kadevak NM ten onrechte een kademuur is opgenomen. Hier zal een demontabele kade worden gebouwd. Nu provinciale staten zich op een ander standpunt stellen dan zij in de concrete beleidsbeslissing voor Venlo met betrekking tot dit kadevak hebben gedaan en niet is gebleken van gewijzigde omstandigheden sedertdien, moet worden geoordeeld dat de concrete beleidsbeslissing voor Venlo op dit punt is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. In verband hiermee is het beroep van [appellanten sub 21] en H.M.E. Leenen gegrond en dient de concrete beleidsbeslissing voor Venlo voor zover deze betrekking heeft op kadevak VEN.2.K/NM te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht. Gelet hierop behoeven de overige bezwaren van appellanten geen bespreking.

2.11.12. [appellanten sub 12] (voor het overige)

2.11.12.1. Naast hetgeen reeds in eerdere overwegingen is weergegeven voeren [appellanten sub 12] in beroep nog aan dat provinciale staten ten onrechte het streekplan hebben vastgesteld voor zover daarin in kadevakken VEN.4.K/GA, HA en IA kaden zijn opgenomen binnen het stroomvoerend winterbed van de Maas, hetgeen zij in strijd achten met de beleidslijn Ruimte voor de rivier. Appellanten menen voorts dat de hoogten van de voorziene kaden onjuist zijn vastgesteld. Zij vrezen dat de kaden een opstuwend effect zullen hebben.

2.11.12.2. Met betrekking tot de kadevakken VEN.4.K/GA, HA en IA blijkt uit de stukken dat de maatregelen voor deze kadevakken zijn afgestemd op een bestemmingsplan van de gemeente Venlo voor de Maasboulevard. In het kader van de vaststelling van dat plan heeft reeds een toets aan de beleidslijn Ruimte voor de rivier plaatsgevonden. De Afdeling acht het niet onjuist dat provinciale staten, wat betreft de kaden, hierbij hebben aangesloten.

De stelling van appellanten dat de hoogten van de kaden onjuist zouden zijn, is gebaseerd op de vooronderstelling dat ingevolge de beleidslijn Ruimte voor de rivier een beschermingsniveau van 1:1250 per jaar moet worden geboden. Dit volgt echter niet uit eerdergenoemde beleidslijn. Het beschermingsniveau van 1:1250 per jaar geldt voor potentiële schadegevallen. De kademaatregelen vallen hier niet onder. Voorts blijkt uit de stukken dat de kademaatregelen niet zullen leiden tot vermindering van bescherming elders in het Zandmaasgebied.

2.11.12.3. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten niet in redelijkheid de kademaatregelen in de kadevakken VEN.4.K/GA, HA en IA in de aanvulling op het streekplan hebben kunnen opnemen. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat de concrete beleidsbeslissing voor Venlo op deze onderdelen anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellanten sub 12] is ook in zoverre ongegrond.

2.11.13. Océ-Technologies B.V.

2.11.13.1. Océ-Technologies B.V., die bedrijfspercelen bezit aan de Sint Urbanusweg 43 te Venlo, voert in beroep aan dat de Staatssecretaris en provinciale staten ten onrechte het tracébesluit respectievelijk het streekplan hebben vastgesteld. Hiertoe voert zij aan dat onduidelijk is wat de gevolgen zullen zijn van de voorziene maatregelen, in het bijzonder de kadeverhogingen bij Venlo, voor haar gronden en bedrijfspanden. Appellante vreest voor een wateropstuwend effect en een verhoogde kans op overstroming van haar gronden.

2.11.13.2. Het betoog van appellante heeft enkel betrekking op de concrete beleidsbeslissing voor Venlo. Voorzover het beroep van appellante gericht is tegen de overige concrete beleidsbeslissingen zoals weergegeven onder 2.4.3. heeft appellante niet gemotiveerd waarom provinciale staten niet in redelijkheid tot deze maatregelen hebben kunnen besluiten. Voorzover het beroep van appellante gericht is tegen het tracébesluit, heeft appellante eveneens niet gemotiveerd waarom de Staatssecretaris niet in redelijkheid tot de maatregelen in het tracébesluit heeft kunnen besluiten.

2.11.13.3. De bedrijfspercelen van appellante liggen op de oostelijke oever van de Maas, ongeveer 600 meter ten noorden van kadevak VEN.4.K/Urbanusstraat. Volgens appellante liggen de percelen achter een bestaande kade, gedeeltelijk in het winterbed van de Maas. Tegenover de percelen van appellante ligt kadevak VEN.3.K. op de westelijke oever van de Maas. De kadevakken VEN.4.K. en VEN.3.K. worden beide verhoogd. Ter plaatse van de percelen van appellante zijn geen maatregelen voorzien.

Met betrekking tot mogelijke gevolgen van de kademaatregelen voor gebieden waar geen maatregelen zijn voorzien, blijkt uit de stukken dat als een van de randvoorwaarden voor het project Zandmaas/Maasroute geldt dat de maatregelen niet tot gevolg mogen hebben dat het beschermingsniveau elders zal afnemen. Provinciale staten stellen zich op het standpunt dat voor de percelen van appellante aan deze randvoorwaarde wordt voldaan en verwijzen hiervoor naar het rapport “Hoogwaterbescherming Zandmaas Brondocument, versie 14 februari 2003”. Dit rapport is door de Staatssecretaris en provinciale staten voor de zitting in de procedure gebracht. Ter zitting is door de Staatssecretaris en provinciale staten toegelicht dat het rapport een actualisatie is van het rapport “Hoogwaterbescherming Zandmaas Brondocument, versie 2 mei 2001”, welk rapport was gebaseerd op het pakket maatregelen dat in de ontwerp-plannen was opgenomen. Omdat de maatregelen enigszins zijn gewijzigd, zijn de berekeningen aangepast en is het brondocument geactualiseerd. In het brondocument zijn de waterstandseffecten van de verschillende maatregelen, zowel afzonderlijk als gezamenlijk, zoals deze bij verschillende hoogwatergolven zullen optreden, weergegeven. Uit het brondocument volgt dat de waterstanden ter hoogte van de percelen van appellante na realisering van de maatregelen lager zullen zijn dan in de huidige situatie. Van een verhoogd risico is derhalve geen sprake. Voorts is niet aannemelijk dat de druk op de bestaande kaden dermate zal toenemen dat deze hiertegen niet bestand zijn.

2.11.13.4. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten niet in redelijkheid tot de in de kadevakken VEN.4.K. en VEN.3.K. voorziene maatregelen hebben kunnen besluiten. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat de concrete beleidsbeslissing voor Venlo op deze punten anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van Océ-Technologies B.V. is ongegrond.

2.11.14. [appellant sub 57]

2.11.14.1. [appellant sub 57], die gronden bezit op de westelijke oever van de Maas ter hoogte van Maaskilometer 111.9 tot 112.1, voert in beroep aan dat de Staatssecretaris ten onrechte het tracébesluit heeft vastgesteld voorzover dat voorziet in de aankoop van zijn gronden ten behoeve van de realisatie van oeverstroken langs de Maas. Appellant is van mening dat met het sluiten van een overeenkomst tot gebruik van de gronden kan worden volstaan, op gelijke wijze als voor zijn noordelijke percelen. Deze liggen ter hoogte van Maaskilometer 112.9. Wanneer de gronden voor onderhoud in handen van derden komen, zal een onbeheersbare situatie ontstaan, aldus appellant. Hij stelt voorts dat de informatievoorziening onzorgvuldig is geweest.

2.11.14.2. Voor zover appellant bezwaar maakt tegen de wijze waarop de informatievoorziening heeft plaatsgevonden, verwijst de Afdeling naar hetgeen hieromtrent onder 2.5.1. is overwogen.

2.11.14.3. De percelen van appellant hebben een gezamenlijke oppervlakte van 03.97.55 ha, waarvan 00.51.43 ha nodig is voor de realisatie van een 25 meter brede oeverstrook. Naar uit het deskundigenbericht blijkt is dit gedeelte van de gronden voornamelijk in gebruik als bosgebied en grasland. Een gedeelte van de gronden is in gebruik als oeververdediging.

Uit de stukken blijkt dat de Staatssecretaris rekening wil houden met mogelijke gevolgen van de verdieping van het zomerbed van de Maas in dit tracédeel voor de stabiliteit van het oevertalud. De oevers kunnen gaan eroderen en afkalven. De Staatssecretaris wil de gronden verwerven om meer mogelijkheden te hebben om direct te kunnen ingrijpen bij het optreden van te grote oeverafschuivingen. De oevers zullen dienen als buffer en op termijn dienen als vrij eroderende natuurlijke oevers. Dit acht de Afdeling niet onredelijk. De omstandigheid dat wellicht ook met een andere regeling had kunnen worden volstaan, maakt dit niet anders. Voorzover appellant erop wijst dat zijn noordelijke percelen niet zullen worden aangekocht, maar hier met een overeenkomst wordt volstaan, blijkt uit de stukken dat op deze oevers in verband met de aldaar aanwezige bebouwing erosie ongewenst is. Derhalve zullen hier geen natuurlijke oevers worden gerealiseerd en behoeven deze gronden niet aangekocht te worden.

De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat reeds thans ervan moet worden uitgegaan dat een onbeheersbare situatie zal ontstaan met betrekking tot het onderhoud van de gronden. Voorts valt niet te verwachten dat de aanwezigheid van een persleiding en de mogelijke aanwezigheid van landmijnen in de weg staan aan de realisatie van natuurlijke oevers.

Ten aanzien van de door appellant gevreesde schade, verwijst de Afdeling naar hetgeen zij onder 2.5.3.3. heeft overwogen. Niet is gebleken dat in dit geval niet via de daar genoemde, bestaande regelingen aan het schade-aspect kan worden tegemoet gekomen.

2.11.14.4. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de Staatssecretaris niet in redelijkheid het tracébesluit in zoverre heeft kunnen vaststellen. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat het tracébesluit op dit onderdeel anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 57] is ongegrond.

2.11.15. [appellante sub 32]

2.11.15.1. [appellante sub 32], die gronden bezit op [locatie] ter hoogte van [locatie], voert in beroep aan dat de Staatssecretaris ten onrechte het tracébesluit heeft vastgesteld voorzover dat voorziet in de aankoop van haar gronden ten behoeve van de realisatie van oeverstroken langs de Maas. Appellante is van mening dat met het sluiten van een overeenkomst tot gebruik van de gronden kan worden volstaan, op gelijke wijze als voor haar noordelijke perceel ter hoogte van Maaskilometer 112.7 en de percelen van andere eigenaren. Wanneer de gronden voor onderhoud in handen van derden komen, zal een onbeheersbare situatie ontstaan, aldus appellante, in het bijzonder bij het ontmoetingspunt van het wél en het níet eroderende systeem. Zij stelt voorts dat de informatievoorziening onzorgvuldig is geweest.

2.11.15.2. Voor zover appellante bezwaar maakt tegen de wijze waarop de informatievoorziening heeft plaatsgevonden, verwijst de Afdeling naar hetgeen hieromtrent onder 2.5.1. is overwogen.

2.11.15.3. De percelen van appellante hebben een gezamenlijke oppervlakte van 06.52.50 ha, waarvan 01.03.59 ha nodig is voor de realisatie van een 25 meter brede oeverstrook. Naar uit het deskundigenbericht blijkt is dit gedeelte van de gronden voornamelijk in gebruik als bosgebied en grasland. Een gedeelte van de gronden is in gebruik als oeververdediging.

Uit de stukken blijkt dat de Staatssecretaris rekening wil houden met mogelijke gevolgen van de verdieping van het zomerbed van de Maas in dit tracédeel voor de stabiliteit van het oevertalud. De oevers kunnen gaan eroderen en afkalven. De Staatssecretaris wil de gronden verwerven om meer mogelijkheden te hebben om direct te kunnen ingrijpen bij het optreden van te grote oeverafschuivingen. De oevers zullen dienen als buffer en op termijn dienen als vrij eroderende natuurlijke oevers. Dit acht de Afdeling niet onredelijk. De omstandigheid dat wellicht ook met een andere regeling had kunnen worden volstaan, maakt dit niet anders. Voorzover appellante erop wijst dat haar noordelijke perceel, alsmede percelen van andere eigenaren, niet zullen worden aangekocht, maar hier met een overeenkomst wordt volstaan, blijkt uit de stukken dat op deze oevers in verband met de aldaar aanwezige bebouwing erosie ongewenst is. Derhalve zullen hier geen natuurlijke oevers worden gerealiseerd en behoeven deze gronden niet aangekocht te worden.

De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat reeds thans ervan moet worden uitgegaan dat een onbeheersbare situatie zal ontstaan met betrekking tot het onderhoud van de gronden. Met betrekking tot het ontmoetingspunt van het wél en het níet eroderende systeem blijkt uit de stukken dat de Staatssecretaris te zijner tijd zal bekijken of hier extra maatregelen noodzakelijk zijn, waarbij tevens monitoring zal plaatsvinden. Niet is gebleken dat het niet mogelijk zou zijn om op deze manier ongewenste effecten te voorkomen.

Ten aanzien van de door appellante gevreesde schade, verwijst de Afdeling naar hetgeen zij onder 2.5.3.3. heeft overwogen. Niet is gebleken dat in dit geval niet via de daar genoemde, bestaande regelingen aan het schade-aspect kan worden tegemoet gekomen.

2.11.15.4. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de Staatssecretaris niet in redelijkheid het tracébesluit in zoverre heeft kunnen vaststellen. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat het tracébesluit op dit onderdeel anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellante sub 32] is ongegrond.

2.11.16. [appellanten sub 91]

2.11.16.1. [appellanten sub 91], die woonachtig zijn aan de [locatie] te [plaats], voeren in beroep aan dat de Staatssecretaris en provinciale staten ten onrechte het tracébesluit respectievelijk het streekplan hebben vastgesteld. Appellanten voeren hiertoe aan dat de maatregelen in de nabijheid van hun eigendommen, in het bijzonder de peilopzet, tot schade aan hun eigendommen zullen leiden doordat veranderingen in de grondwaterstanden zullen optreden. Zij wensen een garantie voor de vergoeding van deze schade en een nulmeting om de huidige grondwatersituatie in kaart te brengen. Appellanten zijn van mening dat de methode die is gebruikt om de natschade aan bebouwing en percelen te bepalen ongenuanceerd is. Voorts stellen appellanten dat diverse maatregelen nadelige gevolgen voor hun leefmilieu en gezondheid zullen hebben door langdurige geluids- en stofoverlast. Tot op heden hebben zij geen concrete reactie op hun bezwaren gekregen, aldus appellanten.

2.11.16.2. Voor zover het beroep van appellanten gericht is tegen het streekplan stelt de Afdeling vast, dat de bezwaren niet zijn gericht tegen één van de onder 2.4.3. genoemde concrete beleidsbeslissingen. Onder verwijzing naar hetgeen onder 2.4.2. is overwogen, is de Afdeling in zoverre onbevoegd van dit beroep kennis te nemen.

2.11.16.3. Voor zover appellanten bezwaar maken tegen de wijze waarop met de inspraakreacties is omgegaan, verwijst de Afdeling naar hetgeen hieromtrent onder 2.5.1. is overwogen.

2.11.16.4. Appellanten bezitten gronden op de [locatie] ter hoogte van [locaties]. Hun woning is een op staal gefundeerde woning, die ligt in het stroomvoerend winterbed van de Maas. Naar uit het deskundigenbericht blijkt, ligt de woning van appellanten op korte afstand van de waterlijn. In de buurt van de woning van appellanten liggen geen kaden en zijn ook geen kaden voorzien.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat voorafgaand aan de totstandkoming van het tracébesluit en het streekplan is onderzocht in hoeverre derden door de voorziene maatregelen mogelijk zodanig worden getroffen, dat ontoelaatbare schade aan opstallen optreedt, woongenot onaanvaardbaar wordt verstoord of de continuïteit van de bedrijfsvoering wordt bedreigd. Het onderzoek dat is uitgevoerd naar de gevolgen van de toepassing van peilopzet is neergelegd in het peilopzetplan, een bijlage bij het tracébesluit. Voor de gekozen peilopzet zijn eerst de effecten berekend op de waterstanden in de Maas. Hiervoor is gebruik gemaakt van het stromingsmodel SOBEK. De berekeningen zijn uitgevoerd voor tijdsperioden van één decade. Op basis van de berekende veranderingen in Maaswaterstanden zijn met behulp van regionale grondwatermodellen de effecten bepaald voor de grondwaterstanden in het beïnvloedingsgebied van het project Zandmaas/Maasroute. Uit de resultaten van het onderzoek is af te leiden dat de waterstanden in de Maas ter hoogte van de percelen van appellanten bij waterafvoeren tot ongeveer 450 m3/s enkele centimeters hoger zullen zijn dan in de huidige situatie. Bij hogere afvoeren zullen de waterstanden enigszins lager zijn. De grondwaterstanden ter plaatse zullen niet veranderen als gevolg van de peilopzet. Naar het oordeel van de Afdeling is de door de Staatssecretaris gevolgde methode om de natschade vast te stellen in zijn algemeenheid niet onjuist te achten. Voorts is niet gebleken dat de Staatssecretaris de methode in dit geval onjuist heeft toegepast. Het standpunt van de Staatssecretaris dat niet valt te verwachten dat appellanten onevenredig nadeel zullen lijden, is dan ook niet onredelijk. Overigens hebben zij ter zitting verklaard dat enkele jaren voor de toepassing van de peilopzet met monitoring zal worden begonnen en dat dan tevens een nulmeting van de woning van appellanten zal plaatsvinden.

Met betrekking tot hinder en overlast als gevolg van de uitvoering van de maatregelen, overweegt de Afdeling dat niet aannemelijk is gemaakt dat reeds op voorhand ervan moet worden uitgegaan dat de beperking van die hinder en overlast tot een aanvaardbaar niveau niet in het kader van de verlening van de benodigde vergunningen kan worden geregeld.

Ten aanzien van de overigens door appellanten gevreesde schade verwijst de Afdeling naar hetgeen zij onder 2.5.3.3. heeft overwogen. Niet is gebleken dat in dit geval niet via de daar genoemde, bestaande regelingen aan het schade-aspect kan worden tegemoet gekomen. Daarbij wordt voorts opgemerkt dat thans nog niet kan worden vastgesteld welke schade appellanten zullen lijden en in hoeverre deze schade voor vergoeding in aanmerking komt. Appellanten zullen te zijner tijd een verzoek om schadevergoeding kunnen indienen en daarbij een beroep kunnen doen op de Regeling Nadeelcompensatie Verkeer en Waterstaat 1999.

2.11.16.5. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de Staatssecretaris niet in redelijkheid het tracébesluit in zoverre heeft kunnen vaststellen. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat het tracébesluit op dit onderdeel anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellanten sub 91] is voor het overige ongegrond.

2.11.17. [appellant sub 82]

2.11.17.1. [appellant sub 82], die gevestigd is aan de [locatie] te [plaats], voert in beroep aan dat de Staatssecretaris en provinciale staten ten onrechte het tracébesluit respectievelijk het streekplan hebben vastgesteld. Zij voert hiertoe aan dat de peilopzet zal leiden tot een vermindering van haar hellingcapaciteit en tot het onder water staan van haar afvoergoot. Voorts meent appellante dat de kademaatregelen tot onaanvaardbare gevolgen voor het gebruiksgenot van haar bedrijfswoning zullen leiden. Zij wenst dat eventueel optredende schade wordt vergoed.

2.11.17.2. Appellante bezit gronden op de [locatie] ter hoogte van [locaties]. Zij exploiteert daar een scheepswerf, smederij en reparatiebedrijf voor jachten, beroepsvaartuigen, machines en motoren, alsmede inbouw. Uit de stukken blijkt dat ter plaatse van de percelen van appellante een peilopzet van 0,25 meter wordt toegepast bij afvoeren tussen 0 en 600 m3/s. Voorts worden ten zuiden en ten noorden van de percelen van appellante gronden aangekocht voor de realisatie van natuurlijke oevers. Van appellante zijn echter geen gronden nodig. Naar uit het deskundigenbericht blijkt, zal bij toepassing van de peilopzet het waterpeil bij een afvoer van 450 m3/s gelijk zijn aan de huidige situatie. Voorts is in de bestaande situatie bij een afvoer van 500 m3/s reeds sprake van een hoger peil dan de oever ter plaatse. Het is de Afdeling niet gebleken dat niet van deze gegevens kan worden uitgegaan. Voorts is, gelet op het voorgaande, niet aannemelijk dat de peilopzet voor aanzienlijke negatieve gevolgen voor appellante, waaronder onaanvaardbare gevolgen voor het gebruiksgenot van haar bedrijfswoning, zal leiden.

Ten aanzien van de door appellante gevreesde schade verwijst de Afdeling naar hetgeen zij onder 2.5.3.3. heeft overwogen. Niet is gebleken dat in dit geval niet via de daar genoemde, bestaande regelingen aan het schade-aspect kan worden tegemoet gekomen.

2.11.17.3. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de Staatssecretaris niet in redelijkheid het tracébesluit in zoverre heeft kunnen vaststellen. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat het tracébesluit op dit onderdeel anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is in zoverre ongegrond.

2.11.17.4. Met betrekking tot mogelijke gevolgen van de kademaatregelen voor gebieden waar geen kaden zijn voorzien, blijkt uit de stukken dat als een van de randvoorwaarden voor het project Zandmaas/Maasroute geldt dat de waterstanden in het onbedijkte gebied van de Maas niet mogen stijgen als gevolg van de te nemen maatregelen. De Staatssecretaris en provinciale staten stellen zich op het standpunt dat voor de gronden van appellante aan deze randvoorwaarde wordt voldaan en verwijzen hiervoor naar het rapport “Hoogwaterbescherming Zandmaas Brondocument, versie 14 februari 2003”. Dit rapport is door de Staatssecretaris en provinciale staten voor de zitting in de procedure gebracht. Ter zitting is door de Staatssecretaris en provinciale staten toegelicht dat het rapport een actualisatie is van het rapport “Hoogwaterbescherming Zandmaas Brondocument, versie 2 mei 2001”, welk rapport was gebaseerd op het pakket maatregelen dat in de ontwerp-plannen was opgenomen. Omdat de maatregelen enigszins zijn gewijzigd, zijn de berekeningen aangepast en is het brondocument geactualiseerd. In het brondocument zijn de waterstandseffecten van de verschillende maatregelen, zowel afzonderlijk als gezamenlijk, zoals deze bij verschillende hoogwatergolven zullen optreden, weergegeven. Uit het brondocument volgt dat de waterstanden ter hoogte van de gronden van appellante na realisering van de maatregelen lager zullen zijn dan in de huidige situatie. Van een verhoogd risico is derhalve geen sprake. Evenmin is aannemelijk dat de kademaatregelen tot onaanvaardbare gevolgen voor het gebruiksgenot van appellantes bedrijfswoning zullen leiden.

2.11.17.5. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten niet in redelijkheid tot de kademaatregelen hebben kunnen besluiten. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat de concrete beleidsbeslissingen op deze onderdelen anderszins zijn voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 82] is ook in zoverre ongegrond.

2.11.18. Stichting Lomm Actief en andere

2.11.18.1. Stichting Lomm Actief en andere voeren in beroep aan dat de Staatssecretaris ten onrechte het tracébesluit heeft vastgesteld voorzover dat voorziet in de aanleg van een hoogwatergeul te Lomm.

2.11.18.2. Binnen tracédeel 9 (Stuwpand Sambeek) zullen twee hoogwatergeulen worden gerealiseerd. Eén daarvan is de hoogwatergeul Lomm op de oostelijke oever van de Maas ter hoogte van Maaskilometer 114.8 tot 117.3. Dit gebied bestaat uit de geul zelf en de omliggende weerdgronden die gedeeltelijk worden afgegraven. Onder het gebied van de hoogwatergeul worden delfstoffen gewonnen. De hierbij ontstane ruimte wordt gebruikt voor de berging van niet-vermarktbaar materiaal uit het zomerbed en van de weerdverlaging ter plaatse. Daarnaast zal in en rond de hoogwatergeul ruimte worden geboden aan riviergebonden natuurontwikkeling. Dit betreft ongeveer 57 ha.

2.11.18.3. Appellanten stellen allereerst dat de aanleg van een hoogwatergeul niet past binnen de reikwijdte van de Tracéwet.

In artikel 1, eerste lid, aanhef en onder h, sub 2, van de Tracéwet wordt onder tracé onder meer verstaan bijkomende infrastructurele voorzieningen en maatregelen van landschappelijke, landbouwkundige en ecologische aard.

Blijkens het verweerschrift is de Staatssecretaris van mening dat de aanleg van de hoogwatergeul te beschouwen is als een maatregel van landschappelijke en ecologische aard, nu deze voorziet in berging van vrijkomende grond en dient als natuurcompensatie.

Naar uit de stukken blijkt moeten er als gevolg van de maatregelen die worden getroffen ter verbetering van de scheepvaartroute over de Maas en ter verbetering van de bescherming tegen hoogwater een aantal bijkomende voorzieningen worden getroffen. Deze hebben onder meer betrekking op de aanleg van bergings- en verwerkingslocaties voor de grote hoeveelheden grond die vrijkomen bij de verbreding en verdieping van de Maas en de aanpassing van oevers langs de Maas ten behoeve van de infrastructuur en de ontwikkeling van natuur. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat niet gesteld kan worden dat de aanleg van een hoogwatergeul met deze functies niet noodzakelijk is en niet zou passen binnen de reikwijdte van de Tracéwet.

2.11.18.4. Appellanten voeren voorts aan dat het nut en de noodzaak van de hoogwatergeul niet zijn aangetoond, nu nergens duidelijk staat aangegeven wat precies het waterstandsverlagend effect van de geul zal zijn. Dit klemt volgens appellanten te meer omdat het gebied deel uitmaakt van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) en ingrepen in de EHS in beginsel niet zijn toegestaan. Zij hebben er bezwaar tegen als RBON-hectares zullen worden gebruikt voor natuurcompensatie. Appellanten menen voorts dat de locatiekeuze voor de geul is ingegeven door de voorkeur van de ontgronder.

Blijkens de nota van toelichting bij het tracébesluit, tracédeel 9, vormt de aanleg van de hoogwatergeulen een rivierverruimende maatregel en dragen deze geulen bij aan de verlaging van de waterstanden tijdens hoge afvoeren. Naar uit het verweerschrift blijkt, bedraagt de waterstandsdaling ongeveer 0,08 meter. Door enkele negatieve effecten zou deze daling minder kunnen zijn, maar is het uiteindelijke effect nog steeds een daling van de waterstand en geen stijging. Voorts blijkt uit de stukken dat de hoogwatergeul door middel van de berging van grond die vrijkomt bij het verbeteren van de vaarweg, door de bijdrage aan de hoogwaterstandsdaling alsmede door de natuurontwikkeling, bijdraagt aan de doelstelling van het project Zandmaas/Maasroute zoals weergegeven onder 2.1.1. De Afdeling acht het nut en de noodzaak van de hoogwatergeul dan ook voldoende aannemelijk.

Met betrekking tot de locatiekeuze voor de hoogwatergeul blijkt uit de Trajectnota/MER en de aanvullende MER dat verscheidene locaties op hun geschiktheid zijn onderzocht. Onderdeel van de Trajectnota/MER is het achtergronddocument “Grond” van januari 1999. De aanvullende MER “Berging van niet-vermarktbare grond” is een aanvulling van het document “Grond”. In het onderzoek naar de geschiktheid van de mogelijke locaties is gelet op alle doelstellingen van het project. Daarbij hebben diverse aspecten een rol gespeeld, zoals de mogelijkheden voor het bergen van niet-vermarktbare grond, initiatieven van derden en de mogelijkheden voor het winnen van delfstoffen. De locatie Lomm kwam als een van de meest haalbare locaties uit het onderzoek naar voren. Gelet hierop kan niet worden gesteld dat de locatiekeuze enkel is ingegeven door de voorkeur van de ontgronder. Dat initiatieven van derden, alsmede de wens van een zoveel mogelijk budgetneutrale uitvoering in de belangenafweging voor de locatiekeuze zijn meegenomen, is niet onredelijk.

In het Provinciaal Omgevingsplan Limburg van 29 juni 2001 (verder te noemen: het POL) is het noordelijke deel van het gebied dat is gereserveerd voor de hoogwatergeul Lomm aangeduid als “Ecologische ontwikkelingszone”. Daarmee behoort dit gebied tot de Provinciale Ecologische Structuur, welke een uitwerking vormt van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) zoals die is aangeduid in het Structuurschema Groene Ruimte. Ingrepen in de EHS zijn niet toegestaan indien deze de wezenlijke kenmerken of waarden van respectievelijk de nagestreefde natuurontwikkeling in deze gebieden aantasten. Het provinciale beleid voor ecologische ontwikkelingszones is gericht op het realiseren van 10.000 ha nieuw natuurgebied. Gelet op de plannen met de hoogwatergeul Lomm, acht de Afdeling het standpunt van de Staatssecretaris dat met deze geul een bijdrage wordt geleverd aan de natuurdoelstelling, niet onjuist. Niet aannemelijk is dat sprake is van een ingreep welke niet is toegestaan. Voor zover ingrepen worden verricht die compensatieplichtig zijn, wordt volgens de Staatssecretaris voor compensatie gezorgd. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat hier niet van kan worden uitgegaan.

Blijkens het POL zijn RBON-gebieden reservaats-, beheers- en natuurontwikkelingsgebieden, voorzover die zijn vastgesteld in de Begrenzingenplannen of nog aanvullend vastgesteld gaan worden in de Stimuleringsplannen Natuur, Bos en Landschap. Voorts blijkt uit Kaart 4.2 Groene waarden, behorend bij het POL, dat de gronden welke zijn gereserveerd voor de hoogwatergeul Lomm niet zijn aangewezen als begrensd RBON-gebied. Derhalve is geen sprake van inzet van RBON-hectares ten behoeve van natuurcompensatie. Naar uit het verweerschrift blijkt is wel sprake van overlap van natuurontwikkeling met RBON. Gelet op de natuurontwikkeling die met beide wordt nagestreefd, acht de Afdeling dit niet onredelijk.

2.11.18.5. Appellanten voeren verder aan dat de Staatssecretaris ten onrechte heeft geanticipeerd op de vaststelling van de beleidsnotitie “Actief Bodembeheer Maas” (ABM). Zij stellen voorts dat de geul dieper zal worden dan strikt noodzakelijk is, waardoor extra depotruimte zal ontstaan. Appellanten menen dat het project van de hoogwatergeul ten onrechte wordt gebruikt om ruimte te creëren voor het storten van vervuilde grond. Dit achten zij in strijd met (de uitgangspunten van) de beleidsnotitie ABM. Deze regels zouden overigens onjuist worden toegepast, aldus appellanten. Zij vrezen voorts voor onaanvaardbare gezondheidsrisico’s als gevolg van de stortingen, alsmede hinder, overlast en gevaarlijke situaties. Appellanten zetten vraagtekens bij de Publiek Private Samenwerkings-constructie (verder te noemen: de PPS-constructie) met de ontgronder.

De beleidsnotitie ABM vormt een uitwerking van de landelijke beleidsnotitie “Actief Bodembeheer Rivierbed” uit 1998. De landelijke beleidsnotitie geeft regels voor een gebiedsgerichte toepassing van bestaande regelgeving met betrekking tot het omgaan met diffuus verontreinigde weerdgrond in het riviersysteem. De beleidsnotitie ABM is specifiek opgesteld voor Maasprojecten om te voorkomen dat de projecten niet kunnen worden uitgevoerd door een gebrek aan toepassingsmogelijkheden van de vrijkomende weerdgronden. Hierbij is rekening gehouden met de landelijke beleidsontwikkeling op het gebied van hoogwaterveiligheid, bodembescherming en bodemsanering, afvalstoffen, delfstoffenwinning en grondstromen. In de gehele procedure is bij de voorbereiding en vaststelling van de maatregelen uit het tracébesluit rekening gehouden met het beleid dat is ontwikkeld in de beleidsnotitie ABM. Het ontwerp is in maart 2002 vastgesteld. De notitie wordt naar verwachting in 2003 definitief vastgesteld. Gelet op het feit dat de beleidsnotitie ABM specifiek is opgesteld als toetsingskader voor het gebruik van de bevoegdheden in het kader van de Wet milieubeheer, de Wet bodembescherming en de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, en steeds als uitgangspunt is genomen voor de maatregelen die zijn voorzien in het kader van het project Zandmaas/Maasroute, is de Afdeling van oordeel dat in dit geval de Staatssecretaris niet ten onrechte heeft geanticipeerd op de vaststelling van deze beleidsnotitie.

Blijkens de beleidsnotitie ABM is het beleid erop gericht om, bij voortzetting of realisatie van de bij herinrichting gewenste functies, tevens de gewenste milieuverbetering te realiseren door concentratie en isolatie van de verontreiniging en gerichte verplaatsing van vrijkomend materiaal. Blijkens de notitie zijn er meer verwerkingsopties voor vrijkomende weerdgrond, waaronder het bergen van vrijkomende weerdgrond in plassen/kleischermen/depots en het storten in (baggerspecie)stortplaatsen. In bergingslocaties mag verontreinigde grond worden geborgen, zolang er sprake is van gebiedseigen diffuus verontreinigde grond en wordt voldaan aan het Beleidsstandpunt Verwijderen Baggerspecie met betrekking tot emissie en verspreiding van verontreiniging uit het depot. Daarbij dient de vrijkomende grond afkomstig te zijn uit het riviersysteem van de Maas en dienen de eventuele risico’s voor de omgeving kleiner te worden of tenminste gelijk te blijven, het zogenoemde “stand-still”principe.

Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting vallen onder het riviersysteem van de Maas ook enkele op de Maas uitmondende kanalen. Dit is expliciet in de definitieve beleidsnotitie ABM vastgelegd teneinde verwarring hierover te voorkomen. Dat in de hoogwatergeulen grond wordt geborgen die afkomstig is uit het Julianakanaal is derhalve niet in strijd met de beleidsnotitie ABM.

Met betrekking tot mogelijke gezondheidsrisico’s als gevolg van de stortingen heeft in het kader van de m.e.r. onderzoek plaatsgevonden. Daarbij is met name gekeken naar de effecten (emissie en verspreiding) op het grond- en oppervlaktewater. De resultaten van dit onderzoek zijn weergegeven in het “Achtergronddocument Emissie en verspreiding van verontreiniging bij berging van niet-vermarktbare grond Zandmaas, Zandmaaslokaties Lomm en Well-Aijen”. Uit dit document blijkt dat de risico’s als gevolg van (indirecte) verspreiding van verontreiniging naar het oppervlaktewater aanvaardbaar worden geacht. Voorts blijkt uit dit onderzoek dat zich in de directe nabijheid van de bergingslocatie geen grondwaterwinningen ten behoeve van drinkwater bevinden. Het is de Afdeling niet gebleken dat de Staatssecretaris niet van deze gegevens heeft kunnen uitgaan. Overigens heeft de Staatssecretaris aangegeven dat voorzien zal worden in een monitoringsplan om mogelijke negatieve effecten vroegtijdig te onderkennen. Ten aanzien van de mogelijke negatieve gevolgen voor de kwaliteit van de drinkwatervoorziening als gevolg van algengroei blijkt uit het deskundigenbericht dat niet aannemelijk is dat eventuele algengroei aanleiding zal geven tot problemen bij de drinkwaterbereiding. De Afdeling ziet geen reden hierover anders te oordelen. Niet aannemelijk is dat wordt gehandeld in strijd met het “stand-still”principe.

Overigens merkt de Afdeling, in aanvulling op hetgeen zij reeds onder 2.3.3. en 2.3.4. heeft overwogen, op dat niet met de werkzaamheden kan worden begonnen voordat de hiervoor benodigde vergunningen zijn verleend. In het tracébesluit is weliswaar opgenomen dat bij de hoogwatergeul een depot voor vrijkomende weerdgrond zal worden aangelegd, doch hierin is niet geregeld hoe de grond zal worden geborgen en hoe dit depot overigens zal worden vormgegeven. Ten aanzien van deze aspecten, in relatie tot het “stand-still”principe en de mogelijke gezondheidsrisico’s als gevolg van de stortingen, ziet de Afdeling dan ook niet in dat in de procedures met betrekking tot de benodigde vergunningen geen bedenkingen kunnen worden ingebracht dan wel beroep kan worden ingesteld, zodat in een dergelijk geval de werking van artikel 25c van de Tracéwet niet kan worden tegengeworpen.

Uit de stukken blijkt voorts dat met de ontgraving en storting meer functies worden gediend: creëren van bergingsruimte voor niet-vermartktbare grond, voorkomen van verdroging van het achterland en genereren van een financiële opbrengst om de hoogwatergeul te kunnen financieren. Dat de besluitvorming over de uiteindelijke omvang van de hoogwatergeul heeft geleid tot een keus voor een ruimere ontgraving dan strikt noodzakelijk is, waarbij ook het belang van een budgetneutrale uitvoering een rol heeft gespeeld, acht de Afdeling niet onredelijk.

Met betrekking tot hinder en overlast als gevolg van de uitvoering van de maatregelen, overweegt de Afdeling dat niet aannemelijk is gemaakt dat reeds op voorhand ervan moet worden uitgegaan dat de beperking van die hinder en overlast tot een aanvaardbaar niveau niet in het kader van de verlening van de benodigde vergunningen kan worden geregeld.

Ten aanzien van de PPS-constructie overweegt de Afdeling dat geen grond bestaat voor het oordeel dat de Staatssecretaris niet op deze wijze tot realisatie mag overgaan. De voorwaarden voor de ontgronding die appellanten reeds nu in het tracébesluit opgenomen willen zien, kunnen in het kader van de vergunningverlening aan de orde komen. In die procedure staan zelfstandige rechtsmiddelen voor appellanten open. Voor zover appellanten vrezen dat archeologisch erfgoed verloren zal gaan, blijkt uit de stukken dat archeologisch onderzoek is uitgevoerd, waaronder een verwachtingsonderzoek, een Aanvullende Archeologische Inventarisatie en een Aanvullend Archeologisch Onderzoek. Naar aanleiding hiervan is in het tracébesluit vastgelegd dat het ontwerp van de geul zodanig is gekozen dat een in het gebied gelegen archeologisch monument, een oude watermolen, en het terrein ten noorden hiervan gespaard blijven.

2.11.18.6. Appellanten voeren verder aan dat als gevolg van het kleischerm een reëel gevaar voor vernatting ontstaat. Voorts zou het kleischerm de ontwikkeling van natuur tegenhouden, hetgeen appellanten in strijd achten met de doelstelling van het project. Zij achten het bovendien technisch niet mogelijk het scherm in het water op te bouwen. Appellanten stellen voorts dat een waterplas van 250 meter breed geen geul meer is en niet meer de randvoorwaarden schept voor de gewenste karakteristieke natuurontwikkeling.

Blijkens de stukken heeft de Staatssecretaris onderzoek verricht naar de noodzaak en effecten van het kleischerm. De resultaten hiervan zijn weergegeven in het rapport “Geohydrologisch onderzoek OTB Zandmaas. Onderzoek naar de noodzaak van het kleischerm bij Lomm” van 14 januari 2000. Uit dit rapport is af te leiden dat het achterwege laten van het kleischerm leidt tot grondwaterstandsdalingen in het omliggende gebied. Dit is in strijd met het beleid ten aanzien van verdroging van grondwaterafhankelijke natuurgebieden. Door het kleischerm kunnen de bestaande natuurwaarden en met name de mogelijkheden voor natuurontwikkeling in het gebied De Voort worden gewaarborgd. Bovendien biedt een kleischerm betere perspectieven voor natuurontwikkeling in de strook ten oosten van de hoogwatergeul. Voorts blijkt uit de stukken dat het achterwege laten van het kleischerm een verwaarloosbaar effect op landbouwschade zou hebben. De aanleg van het scherm zal niet tot een verdere vernatting van landbouwgronden leiden. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat de Staatssecretaris niet van de resultaten van het onderzoek heeft mogen uitgaan.

Ten aanzien van de omvang van de geul blijkt uit de nota van toelichting bij het tracébesluit, tracédeel 9, dat de geul 1600 meter lang zal worden en een breedte zal hebben die op de oeverlijn varieert van 100 tot 250 meter en op de bodem van 50-200 meter. Door de aanleg van de geul ontstaat ruimte voor riviergebonden natuur in de geul zelf en in het gebied daar omheen. Daarbij kan gedacht worden aan stroomdalgrasland of droog grasland, zachthoutooibos, hardhoutooibos, struweel en moerassig uiterwaardengrasland. Ook in de samenstelling van het te bergen (gebiedseigen) materiaal in het kleischerm zal rekening worden gehouden met het landschapsecologisch streefbeeld voor de hoogwatergeul.

2.11.18.7. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de Staatssecretaris niet in redelijkheid het tracébesluit in zoverre heeft kunnen vaststellen. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat het tracébesluit op dit onderdeel anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van Stichting Lomm Actief en andere is ongegrond.

2.11.19. Het college van burgemeester en wethouders van Arcen en Velden

2.11.19.1. Het college van burgemeester en wethouders van Arcen en Velden voert in beroep aan dat de Staatssecretaris ten onrechte het tracébesluit heeft vastgesteld voorzover dat voorziet in de aanleg van een hoogwatergeul te Lomm. Appellant is van mening dat het oorspronkelijke doel van de hoogwatergeul, het leveren van een bijdrage aan de verbetering van het beveiligingsniveau van de Maasgemeenten, leidend moet zijn. Voorts stelt appellant dat aan eerder afgesproken uitgangspunten moet worden vastgehouden, dat de uitvoering zo min mogelijk overlast mag geven en dat geen gezondheidsrisico’s mogen optreden. Appellant wenst aanvullende maatregelen in het kader van een verantwoorde beschermingsopbouw binnen de gemeente en een afdoende en inzichtelijke schadevergoedingsregeling.

2.11.19.2. Zoals hiervoor onder 2.11.18.4. naar aanleiding van het beroep van Stichting Lomm Actief en andere reeds overwogen, acht de Afdeling het nut en de noodzaak van de hoogwatergeul voldoende aannemelijk gemaakt. Met de aanleg van de geul worden meerdere doelen van het project Zandmaas/Maasroute gediend. De zienswijze van de Staatssecretaris om deze doelen gelijkwaardig te achten en er niet een leidend te maken, zoals appellant wenst, acht de Afdeling niet onjuist.

Voor zover de bezwaren van appellant betrekking hebben op het optreden van overlast, overweegt de Afdeling dat deze bezwaren betrekking hebben op de uitvoering van het besluit. Niet is aannemelijk gemaakt dat reeds op voorhand ervan moet worden uitgegaan dat de beperking van die hinder en overlast tot een aanvaardbaar niveau niet in het kader van de benodigde vergunningen kan worden geregeld. Voorts blijkt uit de stukken en het verhandelde ter zitting dat het gemeentebestuur de intentieverklaring “hoogwatergeul Lomm en ruimtelijke ontwikkeling Lomm en omgeving” heeft getekend en geen doorslaggevende bezwaren heeft tegen de aanleg van de hoogwatergeul als zodanig.

Met betrekking tot de gewenste aanvullende maatregelen heeft appellant niet duidelijk gemaakt welke maatregelen dit zouden moeten zijn. Overigens merkt de Afdeling op dat hetgeen de Staatssecretaris niet in de plannen heeft opgenomen thans niet ter beoordeling staat.

Ten aanzien van de door appellant gewenste schadevergoedingsregeling verwijst de Afdeling naar hetgeen zij onder 2.5.3.3. heeft overwogen. Niet is gebleken dat in dit geval niet via de daar genoemde, bestaande regelingen aan het schade-aspect kan worden tegemoet gekomen.

2.11.19.3. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de Staatssecretaris niet in redelijkheid het tracébesluit in zoverre heeft kunnen vaststellen. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat het tracébesluit op dit onderdeel anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van het college van burgemeester en wethouders van Arcen en Velden is ongegrond.

2.11.20. [appellant sub 88] en [appellanten sub 89]

2.11.20.1. [appellant sub 88], die woonachtig is aan de [locatie] te [plaats], en [appellanten sub 89], die woonachtig zijn aan de [locatie] te [plaats], voeren in beroep aan dat de Staatssecretaris ten onrechte het tracébesluit heeft vastgesteld voorzover dat voorziet in de aanleg van een hoogwatergeul te Lomm in de nabijheid van hun percelen. Zij voeren hiertoe aan dat de noodzaak van de hoogwatergeul niet is aangetoond. Voorts hebben appellanten bezwaren tegen de stof- en lawaaioverlast en de toename van vrachtverkeer. Zij vrezen bovendien dat de stort van vervuilde grond onverantwoorde risico’s voor de gezondheid van omwonenden met zich zal brengen. Appellanten stellen de verantwoordelijken aansprakelijk voor de te lijden schade.

2.11.20.2. Zoals hiervoor onder 2.11.18.4. naar aanleiding van het beroep van Stichting Lomm Actief en andere reeds overwogen, acht de Afdeling het nut en de noodzaak van de hoogwatergeul voldoende aannemelijk gemaakt.

Met betrekking tot mogelijke hinder en overlast en de toename van vrachtverkeer, overweegt de Afdeling dat dit bezwaar betrekking heeft op de uitvoering van het besluit. Niet is aannemelijk gemaakt dat reeds op voorhand ervan moet worden uitgegaan dat de beperking van die hinder en overlast tot een aanvaardbaar niveau niet in het kader van de benodigde vergunningen kan worden geregeld.

Met betrekking tot mogelijke gezondheidsrisico’s als gevolg van de stortingen heeft in het kader van de m.e.r. onderzoek plaatsgevonden. Daarbij is met name gekeken naar de effecten (emissie en verspreiding) op het grond- en oppervlaktewater. De resultaten van dit onderzoek zijn weergegeven in het “Achtergronddocument Emissie en verspreiding van verontreiniging bij berging van niet-vermarktbare grond Zandmaas, Zandmaaslokaties Lomm en Well-Aijen”. Uit dit document blijkt dat de risico’s als gevolg van (indirecte) verspreiding van verontreiniging naar het oppervlaktewater aanvaardbaar worden geacht. Voorts blijkt uit dit onderzoek dat zich in de directe nabijheid van de bergingslocatie geen grondwaterwinningen ten behoeve van drinkwater bevinden. Het is de Afdeling niet gebleken dat de Staatssecretaris niet van deze gegevens heeft kunnen uitgaan.

Overigens merkt de Afdeling op, in aanvulling op hetgeen zij reeds onder 2.3.3. en 2.3.4. heeft overwogen, dat niet met de werkzaamheden kan worden begonnen voordat de hiervoor benodigde vergunningen zijn verleend. In het tracébesluit is weliswaar opgenomen dat bij de hoogwatergeul een depot voor vrijkomende weerdgrond zal worden aangelegd, doch hierin is niet geregeld hoe de grond zal worden geborgen en hoe dit depot overigens zal worden vormgegeven. Ten aanzien van deze aspecten, in relatie tot het “stand-still”principe en de mogelijke gezondheidsrisico’s als gevolg van de stortingen, ziet de Afdeling dan ook niet in dat in de procedures met betrekking tot de benodigde vergunningen geen bedenkingen kunnen worden ingebracht dan wel beroep kan worden ingesteld, zodat in een dergelijk geval de werking van artikel 25c van de Tracéwet niet kan worden tegengeworpen.

Ten aanzien van de door appellanten gevreesde schade verwijst de Afdeling naar hetgeen zij onder 2.5.3.3. heeft overwogen. Niet is gebleken dat in dit geval niet via de daar genoemde, bestaande regelingen aan het schade-aspect kan worden tegemoet gekomen.

2.11.20.3. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de Staatssecretaris niet in redelijkheid het tracébesluit in zoverre heeft kunnen vaststellen. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat het tracébesluit op dit onderdeel anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. De beroepen van [appellant sub 88] en [appellanten sub 89] zijn ongegrond.

2.11.21. [appellanten sub 71]

2.11.21.1. [appellanten sub 71], die woonachtig zijn aan de [locatie] en de [locatie] te [plaats], voeren in beroep aan dat de Staatssecretaris ten onrechte het tracébesluit heeft vastgesteld voorzover dat voorziet in de tijdelijke inbeslagneming van hun gronden gedurende de realisering van de bergingslocatie en hoogwatergeul te Lomm.

2.11.21.2. Appellanten bezitten gronden op de [locatie], ter hoogte van [locaties]. Van hun percelen is ongeveer 01.83.11 ha nodig voor de uitvoering van de werken in en rond de hoogwatergeul te Lomm. Blijkens het verweerschrift betreft het de aanleg van een tijdelijk depot voor niet-vermarktbare grond dat tevens dient als geluidswal aan de landzijde van de geul met een hoogte van ongeveer 5 meter. Zo mogelijk zal ten behoeve van het gebruik van de terreinen met appellanten een gebruiksovereenkomst worden gesloten. De Afdeling is van oordeel dat de Staatssecretaris bij de afweging van de betrokken belangen in redelijkheid een groter gewicht heeft kunnen toekennen aan het belang dat is gediend bij bescherming tegen hoogwater door middel van de voorgenomen maatregelen dan aan het belang van appellanten dat is gediend bij een voortdurend beheer over hun gronden.

2.11.21.3. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de Staatssecretaris niet in redelijkheid het tracébesluit in zoverre heeft kunnen vaststellen. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat het tracébesluit op dit onderdeel anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellanten sub 71] is ongegrond.

2.11.22. [appellant sub 11] en anderen

2.11.22.1. [appellant sub 11] en anderen, allen bewoners van buurtschap “De Kamp” in Well, voeren in beroep aan dat de Staatssecretaris ten onrechte het tracébesluit heeft vastgesteld voor zover dat voorziet in de aanleg van een hoogwatergeul te Well-Aijen. Appellanten voeren hiertoe aan dat de mogelijkheden voor delfstoffenwinning bepalend zijn geweest voor de keuze van de locatie te Well-Aijen en niet de (beperkte) waterstandsverlagende effecten. Zij zijn van mening dat ten onrechte is gekozen voor storting en berging van verontreinigde grond, in plaats van reiniging en dat gehandeld wordt in strijd met de beleidsnotitie ABM. Voorts vrezen appellanten voor onaanvaardbare gezondheidsrisico’s in de vorm van grondwaterverontreiniging, geluidoverlast, licht- en omgevingsverontreiniging. Appellanten stellen verder dat de vergroting van de haven ’t Leuken niets met de doelstelling van het project Zandmaas heeft te maken. Zij vinden voorts dat hun inspraakreacties verkeerd zijn geïnterpreteerd, onjuist zijn samengevat of slechts ten dele zijn beantwoord.

2.11.22.2. De hoogwatergeul Well-Aijen is de tweede hoogwatergeul die binnen tracédeel 9 (Stuwpand Sambeek) zal worden gerealiseerd. De hoogwatergeul wordt gevormd door twee min of meer in elkaars verlengde geprojecteerde geulen in een binnenbocht op de oostelijke oever van de Maas, ter hoogte van Maaskilometer 132.9 tot 134.4 (Well) en ter hoogte van Maaskilometer 135.7 tot 138.0 (Aijen). De gebieden bestaan uit de geulen zelf en de omliggende weerdgronden die gedeeltelijk worden afgegraven. Onder de gebieden van de hoogwatergeul worden delfstoffen gewonnen. De hierbij ontstane ruimte wordt gebruikt voor de berging van niet-vermarktbaar materiaal uit het zomerbed en van de weerdverlaging ter plaatse. Daarnaast zal in en rond de hoogwatergeul ruimte worden geboden aan riviergebonden natuurontwikkeling. Dit betreft ongeveer 127 ha.

2.11.22.3. Voor zover appellanten bezwaar maken tegen de wijze waarop met de inspraakreacties is omgegaan, verwijst de Afdeling naar hetgeen hieromtrent onder 2.5.1. is overwogen. Ten aanzien van de stelling van appellanten dat zij op de aanvullende MER niet apart hebben kunnen reageren, overweegt de Afdeling dat op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting is komen vast te staan dat de aanvullende MER gelijktijdig met het ontwerp-tracébesluit ter inzage heeft gelegen waarbij de mogelijkheid bestond een reactie op de aanvullende MER kenbaar te maken.

2.11.22.4. Blijkens de nota van toelichting bij het tracébesluit, tracédeel 9, vormen de hoogwatergeulen een rivierverruimende maatregel en dragen zij bij aan de verlaging van de waterstanden tijdens hoge afvoeren. Ter zitting is naar voren gekomen dat de waterstandsdaling ongeveer 0,11 meter bedraagt. Voorts blijkt uit de stukken dat de hoogwatergeul door middel van de berging van grond die vrijkomt bij het verbeteren van de vaarweg, door de bijdrage aan de hoogwaterstandsdaling alsmede door de natuurontwikkeling, bijdraagt aan de doelstellingen van het project Zandmaas / Maasroute, zoals weergegeven onder 2.1.1. De Afdeling acht het nut en de noodzaak van de hoogwatergeul dan ook voldoende aannemelijk gemaakt.

Met betrekking tot de locatiekeuze voor de hoogwatergeul blijkt uit de Trajectnota/MER en de aanvullende MER dat meer locaties op hun geschiktheid zijn onderzocht. Onderdeel van de Trajectnota/MER is het achtergronddocument “Grond” van januari 1999. De aanvullende MER “Berging van niet-vermarktbare grond” is een aanvulling van het document “Grond”. In het onderzoek naar de geschiktheid van de mogelijke locaties is gelet op alle doelstellingen van het project. Daarbij hebben diverse aspecten een rol gespeeld, zoals de mogelijkheden voor het bergen van niet-vermarktbare grond, initiatieven van derden en de mogelijkheden voor het winnen van delfstoffen. De locatie Well-Aijen kwam als een van de meest haalbare locaties uit het onderzoek naar voren. Gelet hierop kan niet worden gesteld dat de locatiekeuze enkel is ingegeven door de mogelijkheden voor delfstoffenwinning. Dat deze mogelijkheden, in combinatie met de wens van een zoveel mogelijk budgetneutrale uitvoering in de belangenafweging voor de locatiekeuze zijn meegenomen, is niet onjuist.

Zoals reeds onder 2.11.18.5. naar aanleiding van het beroep van Stichting Lomm Actief en andere overwogen, is het beleid volgens de beleidsnotitie ABM erop gericht om, bij voortzetting of realisatie van de bij herinrichting gewenste functies, tevens de gewenste milieuverbetering te realiseren door concentratie van de verontreiniging, isolatie van de verontreiniging en gerichte verplaatsing van vrijkomend materiaal. Blijkens de notitie zijn er meerdere verwerkingsopties voor vrijkomende weerdgrond, waaronder het bergen van vrijkomende weerdgrond in plassen/kleischermen/depots en het storten in (baggerspecie)stortplaatsen.

Met betrekking tot mogelijke gezondheidsrisico’s als gevolg van de stortingen heeft in het kader van de m.e.r. uitgebreid onderzoek plaatsgevonden. Daarbij is met name gekeken naar de effecten (emissie en verspreiding) op het grond- en oppervlaktewater. De resultaten van dit onderzoek zijn weergegeven in het “Achtergronddocument Emissie en verspreiding van verontreiniging bij berging van niet-vermarktbare grond Zandmaas, Zandmaaslokaties Lomm en Well-Aijen”. Uit dit document is af te leiden dat de risico’s als gevolg van (indirecte) verspreiding van verontreiniging naar het oppervlaktewater aanvaardbaar worden geacht. Voorts blijkt uit dit onderzoek dat zich in de directe nabijheid van de bergingslocatie geen grondwaterwinningen ten behoeve van drinkwater bevinden. Het is de Afdeling niet gebleken dat de Staatssecretaris niet van deze gegevens heeft kunnen uitgaan. Overigens heeft de Staatssecretaris aangegeven dat voorzien zal worden in een monitoringsplan om mogelijke negatieve effecten vroegtijdig te onderkennen. Niet aannemelijk is dat wordt gehandeld in strijd met het “stand-still”principe.

Overigens merkt de Afdeling op, in aanvulling op hetgeen zij reeds onder 2.3.3. en 2.3.4. heeft overwogen, dat niet met de werkzaamheden kan worden begonnen voordat de hiervoor benodigde vergunningen zijn verleend. In het tracébesluit is weliswaar opgenomen dat bij de hoogwatergeul een depot voor vrijkomende weerdgrond zal worden aangelegd, doch hierin is niet geregeld hoe de grond zal worden geborgen en hoe dit depot overigens zal worden vormgegeven. Ten aanzien van deze aspecten, in relatie tot het “stand-still”principe en de mogelijke gezondheidsrisico’s als gevolg van de stortingen, ziet de Afdeling dan ook niet in dat in de procedures met betrekking tot de benodigde vergunningen geen bedenkingen kunnen worden ingebracht dan wel beroep kan worden ingesteld, zodat in een dergelijk geval de werking van artikel 25c van de Tracéwet niet kan worden tegengeworpen.

Ten aanzien van mogelijke geluidoverlast als gevolg van de uitvoering van werkzaamheden, overweegt de Afdeling dat uit de stukken blijkt dat reeds onderzoek is gedaan naar de akoestische effecten van de maatregelen in en rond de hoogwatergeul Well-Aijen. De resultaten van dit onderzoek zijn weergegeven in het Achtergronddocument “Akoestisch onderzoek bergingslokaties in het kader van het project Zandmaas/Maasroute”. Uit dit document blijkt onder meer dat de activiteiten vergunningplichtig zijn en dat de geluidsbelasting ten hoogste 49 dB(A) zal bedragen en dus voldoet aan de streefwaarde van 50 dB(A). Het is de Afdeling niet aannemelijk gemaakt dat reeds op voorhand ervan moet worden uitgegaan dat de beperking van geluidoverlast niet in het kader van de benodigde vergunningen kan worden geregeld.

Voor zover appellanten bezwaren hebben tegen de vergroting van de haven ’t Leuken, stelt de Afdeling vast dat het tracébesluit niet voorziet in een afzonderlijke vergroting van de haven. Het tracébesluit regelt de aanleg van een hoogwatergeul en de bezwaren daartegen zijn in het voorgaande besproken. Dat de geul in verbinding staat met de haven doet aan het voorgaande niets af.

2.11.22.5. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de Staatssecretaris niet in redelijkheid het tracébesluit in zoverre heeft kunnen vaststellen. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat het tracébesluit op dit onderdeel anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 11] en anderen is ongegrond.

2.11.23. Rekreatiepark Leukermeer B.V. en andere

2.11.23.1. Rekreatiepark Leukermeer B.V. en Groepsaccommodatie/Waterrecreatie Bergerheide B.V., recreatiebedrijven langs de Maas in het traject Well-Aijen, voeren in beroep aan dat de Staatssecretaris en provinciale staten ten onrechte het tracébesluit respectievelijk het streekplan hebben vastgesteld. Zij vrezen onevenredig nadeel te ondervinden van de peilopzet. Voorts hebben appellanten bezwaren tegen de delfstoffenwinning en de daarmee gepaard gaande hinder en overlast. Zij vrezen in het bijzonder voor geluidoverlast. Voorts menen appellanten dat het slibdepot bij de hoogwatergeul Well-Aijen gezondheidsrisico’s tot gevolg heeft en dat de aan- en afvoer in het kader van de realisering van het project onvoldoende is geregeld. Volgens appellanten wordt geen rekening gehouden met de ontwikkeling van hun recreatiebedrijven.

2.11.23.2. Voor zover het beroep van appellanten is gericht tegen het streekplan stelt de Afdeling vast, dat de bezwaren niet zijn gericht tegen één van de onder 2.4.3. genoemde concrete beleidsbeslissingen. Onder verwijzing naar hetgeen onder 2.4.2. is overwogen, is de Afdeling in zoverre onbevoegd van dit beroep kennis te nemen.

2.11.23.3. Met betrekking tot mogelijke gezondheidsrisico’s als gevolg van de stortingen heeft in het kader van de m.e.r. onderzoek plaatsgevonden. Daarbij is met name gekeken naar de effecten (emissie en verspreiding) op het grond- en oppervlaktewater. De resultaten van dit onderzoek zijn weergegeven in het “Achtergronddocument Emissie en verspreiding van verontreiniging bij berging van niet-vermarktbare grond Zandmaas, Zandmaaslokaties Lomm en Well-Aijen.” Uit dit document blijkt dat de risico’s als gevolg van (indirecte) verspreiding van verontreiniging naar het oppervlaktewater aanvaardbaar worden geacht.

Overigens merkt de Afdeling op, in aanvulling op hetgeen zij reeds onder 2.3.3. en 2.3.4. heeft overwogen, dat niet met de werkzaamheden kan worden begonnen voordat de hiervoor benodigde vergunningen zijn verleend. In het tracébesluit is weliswaar opgenomen dat bij de hoogwatergeul een depot voor vrijkomende weerdgrond zal worden aangelegd, doch hierin is niet geregeld hoe de grond zal worden geborgen en hoe dit depot overigens zal worden vormgegeven. Ten aanzien van deze aspecten, in relatie tot het “stand-still”principe en de mogelijke gezondheidsrisico’s als gevolg van de stortingen, ziet de Afdeling dan ook niet in dat in de procedures met betrekking tot de benodigde vergunningen geen bedenkingen kunnen worden ingebracht dan wel beroep kan worden ingesteld, zodat in een dergelijk geval de werking van artikel 25c van de Tracéwet niet kan worden tegengeworpen.

Ten aanzien van de bezwaren aangaande de delfstoffenwinning, in verband met de hiermee mogelijk gepaard gaande hinder en (geluids)overlast overweegt de Afdeling dat deze bezwaren betrekking hebben op de uitvoering van het besluit. Niet is aannemelijk gemaakt dat reeds op voorhand ervan moet worden uitgegaan dat de beperking van die hinder en overlast tot een aanvaardbaar niveau niet in het kader van de benodigde vergunningen kan worden geregeld. Hetzelfde geldt voor mogelijke hinder bij de aan- en afvoer van de materialen. Dienaangaande heeft de Staatssecretaris ter zitting overigens aangegeven dat dit vervoer zoveel mogelijk over water zal plaatsvinden.

Ten aanzien van de nadelen van de maatregelen voor de bedrijven van appellanten blijkt uit de nota van toelichting bij het tracébesluit, tracédeel 9, dat ter hoogte van Maaskilometer 135 herstelwerkzaamheden zijn voorzien. De aanlegplaatsen (perkoenpalen) zullen worden opgehoogd, evenals een strandje bij camping Leukermeer. Voorts blijkt uit het verweerschrift dat de Staatssecretaris zich op het standpunt stelt dat de voorziene maatregelen, in het bijzonder de realisatie van een nieuwe waterplas en de verbetering van de natuur, ook nieuwe kansen bieden voor de toeristisch-recreatieve sector, in het bijzonder wat betreft extensieve recreatie. De Afdeling acht dit niet onaannemelijk. Ter zitting heeft de Staatssecretaris nog gesteld dat de werkzaamheden meestentijds zullen plaatsvinden in een gesloten berging, om vertroebeling van het zwemwater te voorkomen.

Ten aanzien van de overigens door appellanten gevreesde schade verwijst de Afdeling naar hetgeen zij onder 2.5.3.3. heeft overwogen. Niet is gebleken dat in dit geval niet via de daar genoemde, bestaande regelingen aan het schade-aspect kan worden tegemoet gekomen.

2.11.23.4. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de Staatssecretaris in redelijkheid niet het tracébesluit in zoverre heeft kunnen vaststellen. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat het tracébesluit op dit onderdeel anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van Rekreatiepark Leukermeer B.V. en andere is in zoverre ongegrond.

2.11.24. [appellant sub 94] (gedeeltelijk)

2.11.24.1. [appellant sub 94], een melkveehouderij aan de [locatie] te [plaats], voert in beroep onder meer aan dat de Staatssecretaris ten onrechte het tracébesluit heeft vastgesteld, omdat de effecten van de hoogwatergeul Well-Aijen en de weerdverlaging dermate minimaal zijn dat het onredelijk is om daarvoor zoveel agrarische grond te claimen.

2.11.24.2. Zoals reeds onder 2.11.22.4. naar aanleiding van het beroep van [appellant sub 11] en anderen overwogen, acht de Afdeling het nut en de noodzaak van de hoogwatergeul Well-Aijen en de hiermee samenhangende weerdverlaging voldoende aannemelijk.

Voorts is de Afdeling van oordeel dat de Staatssecretaris bij de afweging van de betrokken belangen in redelijkheid een groter gewicht heeft kunnen toekennen aan de belangen die zijn gediend bij de aanleg van de hoogwatergeul dan aan het belang van appellante bij het behoud van haar gronden.

Voor zover appellante als gevolg van de aanleg van de hoogwatergeul gronden verliest en zij hierdoor schade lijdt, verwijst de Afdeling naar hetgeen zij onder 2.5.3.3. heeft overwogen. Niet is gebleken dat in dit geval niet via de daar genoemde bestaande regelingen aan het schade-aspect kan worden tegemoet gekomen.

2.11.24.3. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de Staatssecretaris niet in redelijkheid het tracébesluit in zoverre heeft kunnen vaststellen. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat het tracébesluit op dit onderdeel anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 94] is in zoverre ongegrond.

2.11.25. Het college van burgemeester en wethouders van Bergen

2.11.25.1. Het college van burgemeester en wethouders van Bergen voert in beroep aan dat de Staatssecretaris en provinciale staten ten onrechte het tracébesluit respectievelijk het streekplan hebben vastgesteld. Hiertoe voert appellant aan dat het niet mogelijk is om de hoogwatergeul Well-Aijen in het tracébesluit op te nemen wanneer geen zicht bestaat op de financiering van de geul en tijdige realisatie ervan. Volgens appellant is het daarom nodig om het plan Leukerwaarden in het tracébesluit op te nemen. Appellant meent verder dat de noodzakelijke scheidingsinstallatie dient te worden geplaatst binnen het gebied waarvoor het tracébesluit geldt. Voorts vreest appellant dat de verhoging van diverse kaden tot waterstandsverhoging op het grondgebied van de gemeente Bergen zal leiden, terwijl er alternatieven voorhanden zijn. Bovendien is volgens appellant ten onrechte niet voorzien in bescherming van de buitenkaadse bebouwing. De reactie op de gegeven inspraak acht appellant onvoldoende.

2.11.25.2. Voor zover het beroep van appellant betrekking heeft op het niet opnemen van kaden rondom enige solitaire buitenkaadse bebouwing, is het gericht tegen de weigering een concrete beleidsbeslissing te nemen. Daarmee is het niet gericht tegen de onder 2.4.3. genoemde concrete beleidsbeslissingen. Onder verwijzing naar hetgeen onder 2.4.2. is overwogen, is de Afdeling in zoverre onbevoegd van dit beroep kennis te nemen.

2.11.25.3. Voor zover appellant bezwaar maakt tegen de wijze waarop met de inspraakreacties is omgegaan, verwijst de Afdeling naar hetgeen hieromtrent onder 2.5.1. is overwogen.

2.11.25.4. Met betrekking tot de financiering van de hoogwatergeul blijkt uit het tracébesluit dat voor de maatregelen uit pakket I, welke in dit besluit zijn opgenomen, financiering is verzekerd. Blijkens de stukken vindt financiering van de hoogwatergeul onder meer plaats door middel van winning en verwerking van delfstoffen en wordt gestreefd naar een budgetneutrale uitvoering. Niet aannemelijk is geworden dat aan de financiering en tijdige realisatie van de hoogwatergeul getwijfeld zou moeten worden. Derhalve is evenmin aannemelijk dat dit onderdeel van het tracébesluit niet zonder een koppeling aan het bestemmingsplan Leukerwaarden uitgevoerd zou kunnen worden, nog daargelaten de vraag of een dergelijke koppeling of opname van dit plan in het tracébesluit wel mogelijk is.

Ten aanzien van de positionering van de scheidingsinstallatie, overweegt de Afdeling dat het bezwaar dienaangaande betrekking heeft op de uitvoering van het besluit. Uit de stukken blijkt dat de Staatssecretaris ervan uitgaat dat de installatie slechts tijdelijk in de voorhaven ’t Leuken geplaatst zal worden, zolang de hoogwatergeul nog onvoldoende ruimte biedt voor de plaatsing van de scheidingsinstallatie. Zodra de geul voldoende ruimte biedt, zal de scheidingsinstallatie hiernaar worden verplaatst. Voorts zal ernaar worden gestreefd gedurende de uitvoering de doorvaart zoveel als mogelijk te behouden. Het is de Afdeling dan ook niet aannemelijk gemaakt dat reeds op voorhand ervan moet worden uitgegaan dat deze aspecten niet in het kader van de benodigde vergunningen kunnen worden geregeld.

2.11.25.5. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de Staatssecretaris niet in redelijkheid het tracébesluit in zoverre heeft kunnen vaststellen. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat het tracébesluit op dit onderdeel anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van het college van burgemeester en wethouders van Bergen is in zoverre ongegrond.

2.11.25.6. Met betrekking tot mogelijke gevolgen van de kademaatregelen voor gebieden waar geen maatregelen zijn voorzien, blijkt uit de stukken dat als een van de randvoorwaarden voor het project Zandmaas/Maasroute geldt dat de maatregelen niet tot gevolg mogen hebben dat het beschermingsniveau elders zal afnemen. De Staatssecretaris stelt zich op het standpunt dat voor het grondgebied van Bergen aan deze randvoorwaarde wordt voldaan en verwijzen hiervoor naar het rapport “Hoogwaterbescherming Zandmaas Brondocument, versie 14 februari 2003”. Dit rapport is door de Staatssecretaris en provinciale staten voor de zitting in de procedure gebracht. Ter zitting is door de Staatssecretaris en provinciale staten toegelicht dat het rapport een actualisatie is van het rapport “Hoogwaterbescherming Zandmaas Brondocument, versie 2 mei 2001”, welk rapport was gebaseerd op het pakket maatregelen dat in de ontwerp-plannen was opgenomen. Omdat de maatregelen enigszins zijn gewijzigd, zijn de berekeningen aangepast en is het brondocument geactualiseerd. In het brondocument zijn de waterstandseffecten van de verschillende maatregelen, zowel afzonderlijk als gezamenlijk, zoals deze bij verschillende hoogwatergolven zullen optreden, weergegeven. Uit het brondocument volgt dat de waterstanden ter hoogte van het grondgebied van Bergen na realisering van de maatregelen lager zullen zijn dan in de huidige situatie. Van een verhoogd risico is derhalve geen sprake.

2.11.25.7. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten niet in redelijkheid tot de kademaatregelen hebben kunnen besluiten. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat de concrete beleidsbeslissingen op dit onderdeel anderszins zijn voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van het college van burgemeester en wethouders van Bergen is ook in zoverre ongegrond.

2.11.26. [appellant sub 98]

2.11.26.1. [appellant sub 98], een akkerbouwbedrijf en varkenshouderij aan de [locatie] te [plaats], voert in beroep aan dat de Staatssecretaris ten onrechte het tracébesluit heeft vastgesteld. Naar de mening van appellante is het tracébesluit in strijd met de Tracéwet, omdat in het besluit een beschrijving van de te realiseren maatregelen van landbouwkundige aard ontbreekt. Voorts vreest appellante voor vernatting van haar landbouwgronden als gevolg van de peilopzet en aantasting van de kelders van de stallen vanwege verhoging van de grondwaterstand. Appellante meent dat de individuele belangen van afzonderlijke agrariërs onvoldoende zijn meegewogen, omdat gebruik is gemaakt van een algemene methode en in de beantwoording van de inspraakreacties slechts algemene antwoorden worden gegeven.

2.11.26.2. Voor zover appellante bezwaar maakt tegen de wijze waarop met de inspraakreacties is omgegaan, verwijst de Afdeling naar hetgeen hieromtrent onder 2.5.1. is overwogen.

2.11.26.3. Artikel 1, eerste lid, aanhef en onder h, van de Tracéwet bepaalt, voor zover thans van belang, dat onder “tracé” wordt verstaan de aanduiding op een of meer topografische kaarten van het verloop en de geografische omvang van een aan te leggen of te wijzigen hoofdvaarweg en een nauwkeurige beschrijving van de bij de aanleg of wijziging van de hoofdvaarweg te realiseren bijkomende infrastructurele voorzieningen en de daarbij te realiseren maatregelen van landschappelijke, landbouwkundige en ecologische aard. Naar het oordeel van de Afdeling kan uit deze bepaling niet worden afgeleid dat in ieder tracébesluit een beschrijving van maatregelen van landbouwkundige aard dient te worden opgenomen. Uit deze bepaling volgt slechts dat wanneer dergelijke maatregelen worden genomen deze nauwkeurig in het besluit dienen te worden omschreven. In dit geval wordt in onderdeel 6 (Maatregelen voor het milieu) van het tracébesluit ingegaan op de milieumaatregelen, waarbij de landschappelijke en ecologische aspecten worden beschreven. Daarbij wordt verwezen naar de nota van toelichting bij het tracébesluit, met name de toelichting op de verschillende tracédelen, alsmede naar het Compensatieplan, dat deel uitmaakt van het tracébesluit. In deze stukken is uitgebreid aandacht gegeven aan de landbouwkundige gevolgen van de verschillende maatregelen.

Gelet op het voorgaande kan niet worden gesteld dat het tracébesluit onvolledig is, omdat een beschrijving van de te realiseren maatregelen van landbouwkundige aard ontbreekt.

2.11.26.4. Zoals reeds onder 2.6.2.5., naar aanleiding van het beroep van de ZLTO en GLTO, overwogen, acht de Afdeling de door de Staatssecretaris gevolgde beoordelingsmethode ter bepaling van de vernattingsschade aan de landbouw in zijn algemeenheid niet onjuist. Voorts is niet gebleken dat de Staatssecretaris deze methode in dit geval onjuist heeft toegepast.

Appellante bezit een aantal percelen op de [locatie] met een totale oppervlakte van 23.33.28 ha. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de percelen niet liggen binnen de aandachtsgebieden vernattingsschade landbouw. Volgens de berekeningen liggen de gronden evenmin binnen de vernattingsklassen. Het standpunt van de Staatssecretaris dat er geen reden is op grond waarvan reeds nu ervan moet worden uitgegaan dat de bedrijfsvoering dermate zwaar zal worden getroffen dat deze ter plaatse niet rendabel kan worden voortgezet, is niet onredelijk.

Met betrekking tot de mogelijke aantasting van de kelders van de stallen blijkt uit het deskundigenbericht dat niet aannemelijk is dat hier schade zal optreden, omdat de peilopzet alleen bij lage afvoeren wordt toegepast en een mogelijke geringe verhoging van de grondwaterstand zal vallen binnen de marges van de huidige variaties in de grondwaterstand. Ter zitting heeft appellante de juistheid van deze bevindingen bevestigd.

Gelet op het voorgaande is de Afdeling niet gebleken dat de Staatssecretaris te weinig gewicht heeft toegekend aan de individuele belangen van appellante.

2.11.26.5. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de Staatssecretaris niet in redelijkheid het tracébesluit in zoverre heeft kunnen vaststellen. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat het tracébesluit op dit onderdeel anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 98] is ongegrond.

2.11.27. [appellant sub 28]

2.11.27.1. [appellant sub 28], een melkrundveehouderij aan de [locatie] te [plaats], voert in beroep aan dat de Staatssecretaris en provinciale staten ten onrechte het tracébesluit respectievelijk het streekplan hebben vastgesteld. Naar de mening van appellante hadden voorafgaand aan de besluitvorming inzake het tracébesluit bij de afweging van de betrokken belangen de gevolgen voor afzonderlijke bedrijven moeten worden meegewogen en is dit in strijd met de Tracéwet niet gebeurd. Voorts vreest appellante voor vernattingsschade als gevolg van de peilopzet. Zij meent dat zij ten onrechte niet als onevenredig getroffene is aangemerkt. Met betrekking tot het streekplan heeft appellante bezwaar tegen de aanpassing van de begrenzing tussen het stroomvoerend en waterbergend winterbed van de Maas, waardoor haar huiskavel in het stroomvoerend bed komt te liggen.

2.11.27.2. Voor zover het beroep van appellante betrekking heeft op het streekplan stelt de Afdeling vast, dat dit bezwaar niet is gericht tegen één van de onder 2.4.3. genoemde concrete beleidsbeslissingen. Onder verwijzing naar hetgeen onder 2.4.2. is overwogen, is de Afdeling in zoverre onbevoegd van dit beroep kennis te nemen.

2.11.27.3. Zoals reeds onder 2.6.2.5., naar aanleiding van het beroep van de ZLTO en GLTO, overwogen, acht de Afdeling de door de Staatssecretaris gevolgde beoordelingsmethode ter bepaling van de vernattingsschade aan de landbouw in zijn algemeenheid niet onjuist. Voorts is niet gebleken dat de Staatssecretaris deze methode in dit geval onjuist heeft toegepast.

Appellante bezit een aantal percelen op de westelijke oever van de Maas ter hoogte van Maaskilometer 132.5 tot 133.0 met een totale oppervlakte van 21.00.05 ha. Uit de stukken is gebleken dat de percelen niet liggen binnen de aandachtsgebieden vernattingsschade landbouw. Wel ligt volgens de berekeningen ongeveer 02.00.35 ha binnen de vernattingsklasse 1-5% en ongeveer 00.28.16 ha binnen de vernattingsklasse 5-10%. Het standpunt van de Staatssecretaris dat er geen reden is op grond waarvan reeds nu ervan moet worden uitgegaan dat de bedrijfsvoering dermate zwaar zal worden getroffen dat deze ter plaatse niet rendabel kan worden voortgezet, is niet onredelijk. Het bedrijf behoefde derhalve niet als onevenredig getroffene te worden aangemerkt.

Gelet op het voorgaande is de Afdeling niet gebleken dat de Staatssecretaris te weinig gewicht heeft toegekend aan de individuele belangen van appellante.

2.11.27.4. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de Staatssecretaris niet in redelijkheid het tracébesluit in zoverre heeft kunnen vaststellen. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat het tracébesluit op dit onderdeel anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 28] is in zoverre ongegrond.

2.11.28. [appellant sub 93]

2.11.28.1. [appellant sub 93], die woonachtig is aan de [locatie] te [plaats], voert in beroep aan dat de Staatssecretaris ten onrechte het tracébesluit heeft vastgesteld. Appellant vreest voor vernattingsschade als gevolg van de peilopzet en kan zich niet verenigen met het feit dat zijn bedrijf niet als een onevenredig getroffen bedrijf wordt aangemerkt. Volgens appellant bestaat er geen noodzaak voor de peilopzet. Appellant meent dat de individuele belangen van afzonderlijke agrariërs onvoldoende in de besluitvorming zijn meegewogen, omdat gebruik is gemaakt van een algemene methode.

2.11.28.2. Zoals reeds onder 2.6.2.3., naar aanleiding van het beroep van de ZLTO en GLTO, overwogen, acht de Afdeling het nut en de noodzaak van de peilopzet voldoende aangetoond. Voorts heeft zij onder 2.6.2.5. overwogen dat zij de door de Staatssecretaris gevolgde beoordelingsmethode ter bepaling van de vernattingsschade aan de landbouw in zijn algemeenheid niet onjuist acht. Het is de Afdeling niet gebleken dat de Staatssecretaris deze methode in dit geval onjuist heeft toegepast.

Appellant bezit een aantal percelen [locatie], op de [locatie] ter hoogte van [locatie] en heeft hier een melkveehouderij. De percelen hebben een gezamenlijke oppervlakte van ongeveer 32,5 ha. Daarnaast pacht appellant een aantal percelen. Uit de stukken is gebleken dat de percelen niet liggen binnen de aandachtsgebieden vernattingsschade landbouw. Wel ligt volgens de berekeningen 02.27.42 ha van de eigendomsgronden binnen de vernattingsklasse 5-10%, alsmede 03.81.39 ha van de gepachte gronden. Het standpunt van de Staatssecretaris dat er geen reden is op grond waarvan reeds nu ervan moet worden uitgegaan dat de bedrijfsvoering dermate zwaar zal worden getroffen dat deze ter plaatse niet rendabel kan worden voortgezet, is niet onredelijk. Het bedrijf van appellant behoefde derhalve niet als onevenredig getroffene te worden aangemerkt.

Gelet op het voorgaande is de Afdeling niet gebleken dat de Staatssecretaris te weinig gewicht heeft toegekend aan de individuele belangen van appellant.

2.11.28.3. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de Staatssecretaris niet in redelijkheid het tracébesluit in zoverre heeft kunnen vaststellen. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat het tracébesluit op dit onderdeel anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 93] is ongegrond.

2.11.29. [appellant sub 96]

2.11.29.1. [appellant sub 96], die woonachtig is aan de [locatie] te [plaats], voert in beroep aan dat de Staatssecretaris en provinciale staten ten onrechte het tracébesluit respectievelijk het streekplan hebben vastgesteld. Naar de mening van appellant is het tracébesluit in strijd met de Tracéwet, omdat in het besluit een beschrijving van de te realiseren maatregelen van landbouwkundige aard ontbreekt. Voorts vreest appellant voor vernatting van zijn landbouwgronden als gevolg van de peilopzet. Nu de aanwijzing van het Heukelomse beekgebied als natuurgebied niet langer als concrete beleidsbeslissing wordt aangeduid, blijft de onzekerheid ten aanzien van het bedrijf van appellant bestaan. Appellant meent dat de individuele belangen van afzonderlijke agrariërs onvoldoende in de besluitvorming zijn meegewogen, omdat de inspraakreactie slechts in algemene bewoordingen is beantwoord en omdat gebruik is gemaakt van een algemene methode.

2.11.29.2. Voor zover het beroep van appellant betrekking heeft op de aanwijzing van het Heukelomse beekgebied als natuurgebied stelt de Afdeling vast, dat dit bezwaar niet is gericht tegen één van de onder 2.4.3. genoemde concrete beleidsbeslissingen. Dat in het ontwerp-streekplan de in dit gebied voorziene natuurontwikkeling als een concrete beleidsbeslissing was opgenomen, maakt dit niet anders.

Voor zover met het beroep wordt bedoeld dat de voorziene maatregelen ook in het vastgestelde streekplan als een concrete beleidsbeslissing hadden moeten worden opgenomen, is het gericht tegen de weigering een concrete beleidsbeslissing te nemen. Daarmee is het eveneens niet gericht tegen de onder 2.4.3. genoemde concrete beleidsbeslissingen.

Onder verwijzing naar hetgeen onder 2.4.2. is overwogen, is de Afdeling in zoverre onbevoegd van het beroep kennis te nemen.

2.11.29.3. Voor zover appellant bezwaar maakt tegen de wijze waarop met de inspraakreacties is omgegaan, verwijst de Afdeling naar hetgeen hieromtrent onder 2.5.1. is overwogen.

2.11.29.4. Met betrekking tot het bezwaar inzake strijd met de Tracéwet overweegt de Afdeling, onder verwijzing naar hetgeen onder 2.11.26.3. is overwogen, dat niet kan worden gesteld dat het tracébesluit onvolledig is, omdat een beschrijving van de te realiseren maatregelen van landbouwkundige aard ontbreekt.

2.11.29.5. Zoals reeds onder 2.6.2.5., naar aanleiding van het beroep van de ZLTO en GLTO, overwogen, acht de Afdeling de door de Staatssecretaris gevolgde beoordelingsmethode ter bepaling van de vernattingsschade aan de landbouw in zijn algemeenheid niet onjuist. Voorts is niet gebleken dat de Staatssecretaris deze methode in dit geval onjuist heeft toegepast.

Appellant bezit een aantal percelen ten [locatie], op de [locatie] ongeveer ter hoogte van [locatie] en heeft hier een melkveehouderij en akkerbouwbedrijf. De percelen hebben een gezamenlijke oppervlakte van 06.48.90 ha. Daarnaast pacht appellant een aantal percelen. Deze hebben een gezamenlijke oppervlakte van 11.01.40 ha. Uit de stukken is gebleken dat de percelen niet liggen binnen de aandachtsgebieden vernattingsschade landbouw. Wel ligt volgens de berekeningen 01.26.94 ha van de eigendomsgronden binnen de vernattingsklasse 5-10%, alsmede 09.94.61 ha van de gepachte gronden. Het standpunt van de Staatssecretaris dat er geen reden is op grond waarvan reeds nu ervan moet worden uitgegaan dat de bedrijfsvoering dermate zwaar zal worden getroffen dat deze ter plaatse niet rendabel kan worden voortgezet, is niet onredelijk.

Voor zover appellant aanvoert dat niet zou zijn onderzocht welke bedrijven gehandhaafd blijven en welke zullen moeten verdwijnen, blijkt uit de stukken dat geen enkel bedrijf als gevolg van de vernattingsschade gedwongen zou moeten verdwijnen.

Gelet op het voorgaande is de Afdeling niet gebleken dat de Staatssecretaris te weinig gewicht heeft toegekend aan de individuele belangen van appellant.

2.11.29.6. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de Staatssecretaris niet in redelijkheid het tracébesluit in zoverre heeft kunnen vaststellen. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat het tracébesluit op dit onderdeel anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 96] is in zoverre ongegrond.

2.11.30. [appellant sub 27]

2.11.30.1. [appellant sub 27], een land- en tuinbouwbedrijf aan de [locatie] te [plaats], voert in beroep aan dat de Staatssecretaris ten onrechte het tracébesluit heeft vastgesteld. Appellante vreest dat als gevolg van de hoogwatergeul Well-Aijen de stroming in de Maas sneller zal worden en dat dit tot extra overstromingen zal leiden. Voorts vreest appellante voor vernattingsschade als gevolg van de peilopzet en wenst zij duidelijkheid omtrent de mogelijkheden tot vergoeding van deze schade. Naar de mening van appellante hadden voorafgaand aan de besluitvorming bij de afweging van de betrokken belangen de gevolgen voor afzonderlijke bedrijven moeten worden meegewogen en is dit in strijd met de Tracéwet niet gebeurd.

2.11.30.2. Zoals reeds onder 2.6.2.5., naar aanleiding van het beroep van de ZLTO en GLTO, overwogen, acht de Afdeling de door de Staatssecretaris gevolgde beoordelingsmethode ter bepaling van de vernattingsschade aan de landbouw in zijn algemeenheid niet onjuist. Voorts is niet gebleken dat de Staatssecretaris deze methode in dit geval onjuist heeft toegepast.

Appellante bezit een aantal percelen ten oosten van [plaats], op de [locatie] ongeveer ter hoogte van [locatie] en heeft hier een land- en tuinbouwbedrijf. De percelen hebben een gezamenlijke oppervlakte van 07.50.90 ha. Uit de stukken is gebleken dat de percelen niet liggen binnen de aandachtsgebieden vernattingsschade landbouw. Wel ligt volgens de berekeningen 00.01.07 ha binnen de vernattingsklasse meer dan 15%, 00.84.40 ha binnen de vernattingsklasse 5-10% en 00.58.09 ha binnen de vernattingsklasse 1-5%. Het standpunt van de Staatssecretaris dat er geen reden is op grond waarvan reeds nu ervan moet worden uitgegaan dat de bedrijfsvoering dermate zwaar zal worden getroffen dat deze ter plaatse niet rendabel kan worden voortgezet, is niet onredelijk.

Ten aanzien van de stroomsnelheid van de Maas stelt de Staatssecretaris zich op het standpunt dat als gevolg van de rivierverruimende maatregelen, waartoe ook de aanleg van de hoogwatergeul Well-Aijen behoort, de Maas meer ruimte krijgt om water af te voeren. In het algemeen leidt dit niet tot hogere stroomsnelheden, maar tot meer afvoercapaciteit. Alleen in het gebied direct bovenstrooms van de ingreep zou deze tot een iets hogere stroomsnelheid kunnen leiden. De Afdeling acht dit standpunt niet onjuist. Voorts zorgen de maatregelen voor een betere bescherming en daardoor een lagere overstromingskans. Voor zover appellante vreest voor opstuwingseffecten, heeft de Staatssecretaris er in redelijkheid op kunnen wijzen dat in het algemeen de waterstand als gevolg van de maatregelen zal dalen.

2.11.30.3. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de Staatssecretaris niet in redelijkheid het tracébesluit in zoverre heeft kunnen vaststellen. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat het tracébesluit op dit onderdeel anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 27] is ongegrond.

2.11.31. [appellant sub 95]

2.11.31.1. [appellant sub 95], die woonachtig is aan de [locatie] te [plaats], voert in beroep aan dat de Staatssecretaris ten onrechte het tracébesluit heeft vastgesteld. Appellant vreest voor vernattingsschade, distelschade en schade aan zijn gebouwen als gevolg van de peilopzet en kan zich niet verenigen met het feit dat zijn bedrijf niet als een onevenredig getroffen bedrijf wordt aangemerkt. Volgens appellant bestaat er geen noodzaak voor de peilopzet. Appellant meent dat de individuele belangen van afzonderlijke agrariërs onvoldoende in de besluitvorming zijn meegewogen, omdat de inspraakreactie slechts in algemene bewoordingen is beantwoord en omdat gebruik is gemaakt van een algemene methode.

2.11.31.2. Voor zover appellant bezwaar maakt tegen de wijze waarop met de inspraakreacties is omgegaan, verwijst de Afdeling naar hetgeen hieromtrent onder 2.5.1. is overwogen.

2.11.31.3. Zoals reeds onder 2.6.2.3., naar aanleiding van het beroep van de ZLTO en GLTO, overwogen, acht de Afdeling het nut en de noodzaak van de peilopzet voldoende aangetoond. Voorts heeft zij onder 2.6.2.5. overwogen dat zij de door de Staatssecretaris gevolgde beoordelingsmethode ter bepaling van de vernattingsschade aan de landbouw in zijn algemeenheid niet onjuist acht. Het is de Afdeling niet gebleken dat de Staatssecretaris deze methode in dit geval onjuist heeft toegepast.

Appellant bezit een aantal percelen op de [locatie] ter hoogte van [locatie] en heeft hier een melkveehouderij, akkerbouwbedrijf en coniferenkwekerij. De percelen hebben een gezamenlijke oppervlakte van 25.41.20 ha. Volgens de berekeningen ligt 00.03.08 ha binnen de vernattingsklasse 5-10% en 02.15.83 ha binnen de vernattingsklasse 1-5%. Het standpunt van de Staatssecretaris dat er geen reden is op grond waarvan reeds nu ervan moet worden uitgegaan dat de bedrijfsvoering dermate zwaar zal worden getroffen dat deze ter plaatse niet rendabel kan worden voortgezet, is dan ook niet onredelijk.

Voor zover appellant vreest voor distelschade, acht de Afdeling niet aannemelijk gemaakt dat vernatting van zijn gronden tot extra distelschade zal leiden. Met betrekking tot mogelijke schade aan zijn gebouwen als gevolg van de grondwaterverhoging die ontstaat door de peilopzet heeft de Staatssecretaris ter zitting verklaard dat hij voorafgaand aan de toepassing van de peilopzet de situatie met betrekking tot de gebouwen in kaart zal brengen en monitoring zal plaatsvinden aangaande de vraag of schade als gevolg van de peilopzet optreedt.

Ten aanzien van de door appellant gevreesde schade verwijst de Afdeling overigens naar hetgeen zij onder 2.5.3.3. heeft overwogen. Niet is gebleken dat in dit geval niet op grond van de daar genoemde, bestaande regelingen aan het schade-aspect kan worden tegemoet gekomen.

2.11.31.4. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de Staatssecretaris niet in redelijkheid het tracébesluit in zoverre heeft kunnen vaststellen. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat het tracébesluit op dit onderdeel anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 95] is ongegrond.

2.11.32. [appellant sub 26]

2.11.32.1. [appellant sub 26], die woonachtig is aan de [plaats] te [locatie], voert in beroep aan dat de Staatssecretaris en provinciale staten ten onrechte het tracébesluit respectievelijk het streekplan hebben vastgesteld. Appellant vreest voor vernattingsschade als gevolg van de peilopzet en wenst duidelijkheid omtrent de mogelijkheden tot vergoeding van deze schade. Appellant meent dat hij, nu de natuurontwikkeling in de Heukelomse Beek niet langer als concrete beleidsbeslissing in het streekplan is opgenomen, ten onrechte niet langer als onevenredig getroffene is aangemerkt, aangezien het voortbestaan van zijn bedrijf als gevolg van de vernatting serieus in gevaar komt. Naar de mening van appellant hadden voorafgaand aan de besluitvorming bij de afweging van de betrokken belangen de gevolgen voor afzonderlijke bedrijven moeten worden meegewogen en is dit in strijd met de Tracéwet niet gebeurd.

2.11.32.2. Voor zover het beroep van appellant betrekking heeft op de aanwijzing van het Heukelomse beekgebied als natuurgebied stelt de Afdeling vast, dat dit bezwaar niet is gericht tegen één van de onder 2.4.3. genoemde concrete beleidsbeslissingen. Dat in het ontwerp-streekplan de in dit gebied voorziene natuurontwikkeling als een concrete beleidsbeslissing was opgenomen, maakt dit niet anders.

Voor zover met het beroep wordt bedoeld dat de voorziene maatregelen ook in het vastgestelde streekplan als een concrete beleidsbeslissing hadden moeten worden opgenomen, is het gericht tegen de weigering een concrete beleidsbeslissing te nemen. Daarmee is het eveneens niet gericht tegen de onder 2.4.3. genoemde concrete beleidsbeslissingen.

Onder verwijzing naar hetgeen onder 2.4.2. is overwogen, is de Afdeling in zoverre onbevoegd van het beroep kennis te nemen.

2.11.32.3. Zoals reeds onder 2.6.2.5., naar aanleiding van het beroep van de ZLTO en GLTO, overwogen, acht de Afdeling de door de Staatssecretaris gevolgde beoordelingsmethode ter bepaling van de vernattingsschade aan de landbouw in zijn algemeenheid niet onjuist. Voorts is niet gebleken dat de Staatssecretaris deze methode in dit geval onjuist heeft toegepast.

Appellant bezit gronden op de [locatie] ter hoogte van [locatie] en ter hoogte van [locatie] en heeft hier een melkveehouderij. Een deel van de gronden wordt gebruikt voor de teelt van maïs. De percelen hebben een gezamenlijke oppervlakte van 22.34.43 ha. Daarnaast pacht appellant een aantal percelen. Deze hebben een gezamenlijke oppervlakte van 15.18.72 ha. Volgens de berekeningen ligt 09.61.45 ha van de eigendomsgronden binnen de vernattingsklasse 5-10%, alsmede 07.03.87 ha van de gepachte gronden. Verder ligt 00.37.55 ha van de eigendomsgronden binnen de vernattingsklasse 1-5%. Met betrekking tot de stelling van appellant dat de vernatting van de laagste en zwaarst getroffen gronden ervoor zorgt dat de overige gronden nauwelijks bereikbaar zullen zijn, heeft de Staatssecretaris verklaard dat dit effect gemitigeerd kan worden, bijvoorbeeld door peilverlaging van de Heukelomse Beek, en dat hij hiervoor zal zorgen. De Afdeling ziet geen reden hieraan te twijfelen. Het standpunt van de Staatssecretaris dat er geen reden is op grond waarvan reeds nu ervan moet worden uitgegaan dat de bedrijfsvoering dermate zwaar zal worden getroffen dat deze ter plaatse niet rendabel kan worden voortgezet, is niet onredelijk.

Gelet op het voorgaande is de Afdeling niet gebleken dat de Staatssecretaris te weinig gewicht heeft toegekend aan de individuele belangen van appellant.

2.11.32.4. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de Staatssecretaris niet in redelijkheid het tracébesluit in zoverre heeft kunnen vaststellen. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat het tracébesluit op dit onderdeel anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 26] is in zoverre ongegrond.

2.11.33. [appellant sub 99]

2.11.33.1. [appellant sub 99], die woonachtig is aan de [locatie] te [plaats], voert in beroep aan dat de Staatssecretaris en provinciale staten ten onrechte het tracébesluit respectievelijk het streekplan hebben vastgesteld. Naar de mening van appellant is het tracébesluit in strijd met de Tracéwet, omdat in het besluit een beschrijving van de te realiseren maatregelen van landbouwkundige aard ontbreekt. Voorts vreest appellant voor vernatting van zijn landbouwgronden als gevolg van de peilopzet. Nu de aanwijzing van het Heukelomse beekgebied als natuurgebied niet langer als concrete beleidsbeslissing wordt aangeduid, blijft de onzekerheid ten aanzien van het voortbestaan van het bedrijf van appellant bestaan. Appellant meent dat in de beantwoording van de inspraakreacties de individuele belangen van afzonderlijke agrariërs onvoldoende zijn meegewogen, omdat de inspraakreactie slechts in algemene bewoordingen is beantwoord en omdat gebruik is gemaakt van een algemene methode.

2.11.33.2. Voor zover het beroep van appellant betrekking heeft op de aanwijzing van het Heukelomse beekgebied als natuurgebied stelt de Afdeling vast, dat dit bezwaar niet is gericht tegen één van de onder 2.4.3. genoemde concrete beleidsbeslissingen. Dat in het ontwerp-streekplan de in dit gebied voorziene natuurontwikkeling als een concrete beleidsbeslissing was opgenomen, maakt dit niet anders.

Voor zover met het beroep wordt bedoeld dat de voorziene maatregelen ook in het vastgestelde streekplan als een concrete beleidsbeslissing hadden moeten worden opgenomen, is het gericht tegen de weigering een concrete beleidsbeslissing te nemen. Daarmee is het eveneens niet gericht tegen de onder 2.4.3. genoemde concrete beleidsbeslissingen.

Onder verwijzing naar hetgeen onder 2.4.2. is overwogen, is de Afdeling in zoverre onbevoegd van het beroep kennis te nemen.

2.11.33.3. Met betrekking tot het bezwaar inzake strijd met de Tracéwet overweegt de Afdeling, onder verwijzing naar hetgeen onder 2.11.26.3. is overwogen, dat niet kan worden gesteld dat het tracébesluit onvolledig is, omdat een beschrijving van de te realiseren maatregelen van landbouwkundige aard ontbreekt.

2.11.33.4. Zoals reeds onder 2.6.2.5., naar aanleiding van het beroep van de ZLTO en GLTO, overwogen, acht de Afdeling de door de Staatssecretaris gevolgde beoordelingsmethode ter bepaling van de vernattingsschade aan de landbouw in zijn algemeenheid niet onjuist. Voorts is niet gebleken dat de Staatssecretaris deze methode in dit geval onjuist heeft toegepast.

Appellant bezit een aantal percelen op de [locatie] ter hoogte van [plaats] en heeft hier een melkveehouderij. De percelen hebben een gezamenlijke oppervlakte van 27.50.35 ha. Daarnaast pacht appellant een aantal percelen. Deze hebben een gezamenlijke oppervlakte van 02.02.10 ha. Volgens de berekeningen ligt 10.32.82 ha van de gronden binnen de vernattingsklasse meer dan 15% en 04.46.58 ha binnnen de vernattingsklasse 5-10%. Het standpunt van de Staatssecretaris dat er geen reden is op grond waarvan reeds nu ervan moet worden uitgegaan dat de bedrijfsvoering dermate zwaar zal worden getroffen dat deze ter plaatse niet rendabel kan worden voortgezet, is niet onredelijk. Overigens blijkt uit de stukken dat de Staatssecretaris ten aanzien van het bedrijf van appellant heeft voorgesteld nader onderzoek te doen op bedrijfsniveau, maar dat dit op verzoek van appellant heeft uitgesteld.

Voor zover appellant aanvoert dat niet zou zijn onderzocht welke bedrijven gehandhaafd blijven en welke zullen moeten verdwijnen, blijkt uit de stukken dat geen enkel bedrijf als onevenredig getroffen is aangeduid, zodat ervan moet worden uitgegaan dat geen enkel bedrijf gedwongen zal moeten verdwijnen.

Gelet op het voorgaande is de Afdeling niet gebleken dat de Staatssecretaris te weinig gewicht heeft toegekend aan de individuele belangen van appellant.

2.11.33.5. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de Staatssecretaris niet in redelijkheid het tracébesluit in zoverre heeft kunnen vaststellen. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat het tracébesluit op dit onderdeel anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 99] is in zoverre ongegrond.

2.11.34. [appellant sub 94] (voor het overige)

2.11.34.1. [appellant sub 94], een melkveehouderij aan de [locatie] te [plaats], voert in beroep aan dat de Staatssecretaris en provinciale staten ten onrechte het tracébesluit respectievelijk het streekplan hebben vastgesteld. Appellante is van mening dat het tracébesluit in strijd is met de Tracéwet, omdat er zaken als het proefproject eroderende oevers in zijn opgenomen. Deze oevers zouden bovendien zinloos zijn. Voorts vreest appellante voor vernattingsschade als gevolg van de peilopzet en waardevermindering van haar gronden, terwijl de noodzaak van de peilopzet niet is aangetoond. Appellante stelt dat haar bedrijf ten onrechte niet als onevenredig getroffen wordt aangemerkt, ook al wordt de aanwijzing van het Heukelomse beekgebied als natuurgebied niet langer als concrete beleidsbeslissing aangeduid. Naar haar mening zal er veel meer schade optreden dan uit de berekeningen van de Staatssecretaris blijkt. Zij meent voorts dat de individuele belangen van afzonderlijke agrariërs onvoldoende in de besluitvorming zijn meegewogen, omdat de inspraakreactie slechts in algemene bewoordingen is beantwoord en omdat gebruik is gemaakt van een algemene methode.

2.11.34.2. Voor zover het beroep van appellante betrekking heeft op de aanwijzing van het Heukelomse beekgebied als natuurgebied stelt de Afdeling vast, dat dit bezwaar niet is gericht tegen één van de onder 2.4.3. genoemde concrete beleidsbeslissingen. Dat in het ontwerp-streekplan de in dit gebied voorziene natuurontwikkeling als een concrete beleidsbeslissing was opgenomen, maakt dit niet anders.

Voor zover met het beroep wordt bedoeld dat de voorziene maatregelen ook in het vastgestelde streekplan als een concrete beleidsbeslissing hadden moeten worden opgenomen, is het gericht tegen de weigering een concrete beleidsbeslissing te nemen. Daarmee is het eveneens niet gericht tegen de onder 2.4.3. genoemde concrete beleidsbeslissingen.

Onder verwijzing naar hetgeen onder 2.4.2. is overwogen, is de Afdeling in zoverre onbevoegd van het beroep kennis te nemen.

2.11.34.3. Blijkens de nota van toelichting bij het tracébesluit, tracédeel 9, in combinatie met kaartblad 152 van de kaartenatlas behorend bij het tracébesluit zullen in dit tracédeel op enkele plaatsen eroderende oevers worden gerealiseerd. Eén daarvan is voorzien op de oostelijke oever van de Maas ter hoogte van Maaskilometer 139.4 tot 140.5. Voor deze eroderende oever is een gedeelte van de gronden van appellante nodig.

In artikel 1, eerste lid, aanhef en onder h, sub 2, van de Tracéwet wordt onder tracé ook verstaan bijkomende infrastructurele voorzieningen en maatregelen van landschappelijke, landbouwkundige en ecologische aard.

Blijkens het verweerschrift is de Staatssecretaris van mening dat de eroderende oevers een maatregel van ecologische en landschappelijke aard vormen en tevens behoren tot het infrastructurele werk.

Naar uit de stukken blijkt, dienen de eroderende oevers als mitigerende maatregel voor het verlies aan rivierdynamiek als gevolg van de zomerbedverruiming. Het project met de oevers is gericht op het herstellen van natuurlijke processen in watersystemen door het gedeeltelijk verwijderen van de bestaande oeverbescherming, waardoor het natuurlijke proces van erosie en sedimentatie meer kans krijgt. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat niet gesteld kan worden dat de aanleg van eroderende oevers met deze functies niet noodzakelijk is en niet zou passen binnen de reikwijdte van de Tracéwet.

Met betrekking tot het betoog van appellante dat de oevers zinloos zijn, omdat ze geen bijdrage leveren aan de veiligheid, blijkt uit de stukken dat de oevers niet primair bedoeld zijn als veiligheidsmaatregel, maar als maatregel van landschappelijke en ecologische aard, gericht op natuurontwikkeling. Mede gelet op het feit dat het project Zandmaas/Maasroute tevens tot doel heeft een beperkte hoeveelheid natuur te ontwikkelen en de eroderende oevers hieraan een bijdrage leveren, kan niet worden gesteld dat deze zinloos zijn.

Voor zover appellante als gevolg van de ontwikkeling van de eroderende oevers gronden verliest en zij hierdoor schade lijdt, verwijst de Afdeling naar hetgeen zij onder 2.5.3.3. heeft overwogen. Niet is gebleken dat in dit geval niet via de daar genoemde bestaande regelingen aan het schade-aspect kan worden tegemoet gekomen. Daarbij is in dit geval van belang dat de fysieke begrenzing van de maatregelen niet altijd gelijk is aan de begrenzing van de percelen. Dienaangaande heeft de Staatssecretaris ter zitting gesteld dat wanneer onwerkbare, smalle strookjes grond over zouden blijven, overwogen zal worden of deze mee aangekocht kunnen worden.

2.11.34.4. Zoals reeds onder 2.6.2.3., naar aanleiding van het beroep van de ZLTO en GLTO, overwogen, acht de Afdeling het nut en de noodzaak van de peilopzet voldoende aangetoond. Voorts heeft zij onder 2.6.2.5. overwogen dat zij de door de Staatssecretaris gevolgde beoordelingsmethode ter bepaling van de vernattingsschade aan de landbouw in zijn algemeenheid niet onjuist acht. Het is de Afdeling niet gebleken dat de Staatssecretaris deze methode in dit geval onjuist heeft toegepast.

Appellante bezit een aantal percelen op de [locatie] ter hoogte van [locatie] en ter hoogte van [locatie] en heeft hier een melkveehouderij. Een deel van de gronden wordt gebruikt voor de teelt van maïs. De percelen hebben, samen met percelen van appellante buiten het beïnvloedingsgebied van het project Zandmaas/Maasroute, een gezamenlijke oppervlakte van ongeveer 69,5 ha. Volgens de berekeningen ligt 02.72.41 ha van de gronden binnen de vernattingsklasse meer dan 15%, 00.27.66 ha binnen de vernattingsklasse 10-15%, 03.16.23 ha binnen de vernattingsklasse 5-10% en 10.27.73 ha binnen de vernattingsklasse 1-5%. Het standpunt van de Staatssecretaris dat er geen reden is op grond waarvan reeds nu ervan moet worden uitgegaan dat de bedrijfsvoering dermate zwaar zal worden getroffen dat deze ter plaatse niet rendabel kan worden voortgezet, is niet onredelijk.

Gelet op het voorgaande is de Afdeling niet gebleken dat de Staatssecretaris te weinig gewicht heeft toegekend aan de individuele belangen van appellante.

2.11.34.5. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de Staatssecretaris niet in redelijkheid het tracébesluit in zoverre heeft kunnen vaststellen. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat het tracébesluit op dit onderdeel anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 94] is in zoverre ongegrond.

2.11.35. [appellant sub 97]

2.11.35.1. [appellant sub 97], die woonachtig is aan de [locatie] te [plaats], voert in beroep aan dat de Staatssecretaris en provinciale staten ten onrechte het tracébesluit respectievelijk het streekplan hebben vastgesteld. Naar de mening van appellant is het tracébesluit in strijd met de Tracéwet, omdat in het besluit een beschrijving van de te realiseren maatregelen van landbouwkundige aard ontbreekt. Voorts vreest appellant voor vernatting van zijn landbouwgronden als gevolg van de peilopzet. Nu de aanwijzing van het Heukelomse beekgebied als natuurgebied niet langer als concrete beleidsbeslissing wordt aangeduid, blijft de onzekerheid ten aanzien van het voortbestaan van het bedrijf van appellant bestaan. Appellant meent dat in de beantwoording van de inspraakreacties de individuele belangen van afzonderlijke agrariërs onvoldoende zijn meegewogen, omdat de inspraakreactie slechts in algemene bewoordingen is beantwoord en omdat gebruik is gemaakt van een algemene methode.

2.11.35.2. Voor zover het beroep van appellant betrekking heeft op de aanwijzing van het Heukelomse beekgebied als natuurgebied stelt de Afdeling vast, dat dit bezwaar niet is gericht tegen één van de onder 2.4.3. genoemde concrete beleidsbeslissingen. Dat in het ontwerp-streekplan de in dit gebied voorziene natuurontwikkeling als een concrete beleidsbeslissing was opgenomen, maakt dit niet anders.

Voor zover met het beroep wordt bedoeld dat de voorziene maatregelen ook in het vastgestelde streekplan als een concrete beleidsbeslissing hadden moeten worden opgenomen, is het gericht tegen de weigering een concrete beleidsbeslissing te nemen. Daarmee is het eveneens niet gericht tegen de onder 2.4.3. genoemde concrete beleidsbeslissingen.

Onder verwijzing naar hetgeen onder 2.4.2. is overwogen, is de Afdeling in zoverre onbevoegd van het beroep kennis te nemen.

2.11.35.3. Met betrekking tot het bezwaar inzake strijd met de Tracéwet overweegt de Afdeling, onder verwijzing naar hetgeen onder 2.11.26.3. is overwogen, dat niet kan worden gesteld dat het tracébesluit onvolledig is, omdat een beschrijving van de te realiseren maatregelen van landbouwkundige aard ontbreekt.

2.11.35.4. Zoals reeds onder 2.6.2.5., naar aanleiding van het beroep van de ZLTO en GLTO, overwogen, acht de Afdeling de door de Staatssecretaris gevolgde beoordelingsmethode ter bepaling van de vernattingsschade aan de landbouw in zijn algemeenheid niet onjuist. Voorts is niet gebleken dat de Staatssecretaris deze methode in dit geval onjuist heeft toegepast.

Appellant bezit een aantal percelen op de [locatie] ter hoogte van [locatie] en heeft hier een melkveehouderij en akkerbouwbedrijf. Een deel van de gronden wordt gebruikt voor de teelt van aardappelen, bieten en maïs. De percelen hebben een gezamenlijke oppervlakte van 21.55.69 ha. Daarnaast pacht appellant een aantal percelen. Deze hebben een gezamenlijke oppervlakte van 02.15.20 ha. Volgens de berekeningen ligt 07.39.62 ha van de gronden binnen de vernattingsklasse meer dan 15%, 00.00.27 ha binnen de vernattingsklasse 10-15%, 00.41.49 ha binnen de vernattingsklasse 5-10% en 01.21.63 ha binnen de vernattingsklasse 1-5%. Het standpunt van de Staatssecretaris dat er geen reden is op grond waarvan reeds nu ervan moet worden uitgegaan dat de bedrijfsvoering dermate zwaar zal worden getroffen dat deze ter plaatse niet rendabel kan worden voortgezet, is niet onredelijk.

Voor zover appellant aanvoert dat niet zou zijn onderzocht welke bedrijven gehandhaafd blijven en welke zullen moeten verdwijnen, blijkt uit de stukken dat geen enkel bedrijf als onevenredig getroffen is aangeduid, zodat ervan moet worden uitgegaan dat geen enkel bedrijf gedwongen moet verdwijnen.

Gelet op het voorgaande is de Afdeling niet gebleken dat de Staatssecretaris te weinig gewicht heeft toegekend aan de individuele belangen van appellant.

2.11.35.5. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de Staatssecretaris niet in redelijkheid het tracébesluit in zoverre heeft kunnen vaststellen. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat het tracébesluit op dit onderdeel anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 97] is in zoverre ongegrond.

2.11.36. [appellant sub 101]

2.11.36.1. [appellant sub 101], die woonachtig is aan de [locatie] te [plaats], voert in beroep aan dat de Staatssecretaris ten onrechte het tracébesluit heeft vastgesteld. Appellant vreest voor vernattingsschade aan zijn percelen als gevolg van de peilopzet. Als gevolg hiervan meent appellant dat de opbrengsten- en inkomstenderving zo groot zal zijn, dat zijn bedrijf niet langer kan voortbestaan en hij als onevenredig getroffen had moeten worden aangemerkt. Appellant meent dat het uitgevoerde onderzoek niet zorgvuldig is geweest en te weinig aandacht is gegeven aan concrete omstandigheden en individuele belangen.

2.11.36.2. Zoals reeds onder 2.6.2.5., naar aanleiding van het beroep van de ZLTO en GLTO, overwogen, acht de Afdeling de door de Staatssecretaris gevolgde beoordelingsmethode ter bepaling van de vernattingsschade aan de landbouw in zijn algemeenheid niet onjuist. Voorts is niet gebleken dat de Staatssecretaris deze methode in dit geval onjuist heeft toegepast.

Appellant bezit een aantal percelen ten oosten van [plaats], op de [locatie] ongeveer ter hoogte van [locatie] en heeft hier een melkveehouderij. Een deel van de gronden wordt gebruikt voor de teelt van maïs. De percelen hebben een gezamenlijke oppervlakte van 41.31.47 ha. Volgens de berekeningen ligt 10.36.81 ha van de gronden binnen de vernattingsklasse meer dan 15% en 07.03.00 ha binnen de vernattingsklasse 10-15%. Een deel van de gronden die zullen vernatten ligt binnen de afgebakende aandachtsgebieden, op grond waarvan het bedrijf van appellant is geselecteerd als mogelijk onevenredig getroffen. Het bedrijf behoort tot de tien bedrijven waar vervolgens aanvullend onderzoek heeft plaatsgevonden. Uit dit onderzoek is gebleken dat er ter plaatse goede mogelijkheden zijn om de vernattingseffecten te mitigeren door het treffen van aanvullende maatregelen. Ter zitting is nogmaals door de Staatssecretaris bevestigd dat hier nader onderzoek naar zal worden gedaan en dat de noodzakelijke maatregelen zullen worden getroffen. Daarbij behoren ook aankoop of uitruil van gronden tot de mogelijke oplossingen. Het standpunt van de Staatssecretaris dat er geen reden is op grond waarvan reeds nu ervan moet worden uitgegaan dat de bedrijfsvoering dermate zwaar zal worden getroffen dat deze ter plaatse niet rendabel kan worden voortgezet, is niet onredelijk. Het bedrijf van appellant behoefde derhalve niet als onevenredig getroffene te worden aangemerkt.

Gelet op het voorgaande is de Afdeling niet gebleken dat de Staatssecretaris te weinig gewicht heeft toegekend aan de individuele belangen van appellant.

2.11.36.3. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de Staatssecretaris niet in redelijkheid het tracébesluit in zoverre heeft kunnen vaststellen. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat het tracébesluit op dit onderdeel anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 101] is ongegrond.

2.11.37. [appellanten sub 51]

2.11.37.1. [appellanten sub 51], die woonachtig is aan de [locatie] te [locatie], voert in beroep aan dat de Staatssecretaris en provinciale staten ten onrechte het tracébesluit respectievelijk het streekplan hebben vastgesteld. Appellant vreest voor vernattingsschade als gevolg van de peilopzet en meent dat zijn percelen ten onrechte niet als aandachtsgebied voor vernattingsschade zijn aangewezen. Volgens appellant zijn de gebruikte grondwatermodellen en kaarten niet geschikt voor interpretaties op bedrijfs- of perceelsniveau. Voorts stelt appellant dat op basis van de huidige meetpunten geen betrouwbaar monitoringsnetwerk opgezet kan worden. Tot slot maakt appellant bezwaar tegen de natuurlijke oevers ter hoogte van Heukelom, aangezien hij verwacht dat deze in de toekomst verbreed zullen worden.

2.11.37.2. Voorzover het beroep van appellant betrekking heeft op de in het streekplan opgenomen natuurlijke oever te Heukelom, stelt de Afdeling vast, dat dit bezwaar niet is gericht tegen één van de onder 2.4.3. genoemde concrete beleidsbeslissingen. Onder verwijzing naar hetgeen onder 2.4.2. is overwogen, is de Afdeling in zoverre onbevoegd van dit beroep kennis te nemen.

2.11.37.3. Zoals reeds onder 2.6.2.5., naar aanleiding van het beroep van de ZLTO en GLTO, overwogen, acht de Afdeling de door de Staatssecretaris gevolgde beoordelingsmethode ter bepaling van de vernattingsschade aan de landbouw in zijn algemeenheid niet onjuist. Voorts is niet gebleken dat de Staatssecretaris deze methode in dit geval onjuist heeft toegepast.

Appellant bezit gronden op de [locatie] ten zuiden van [plaats] ongeveer ter hoogte van [locatie] en heeft hier een varkens- en melkrundveehouderij. De percelen hebben een gezamenlijke oppervlakte van 31.44.88 ha. Daarnaast pacht appellant een aantal percelen. Deze hebben een gezamenlijke oppervlakte van 04.42.50 ha. Volgens de berekeningen ligt 00.26.74 ha van de gronden binnen vernattingsklasse 5-10% en 02.10.45 ha binnen vernattingsklasse 1-5%. Het standpunt van de Staatssecretaris dat er geen reden is op grond waarvan reeds nu ervan moet worden uitgegaan dat de bedrijfsvoering dermate zwaar zal worden getroffen dat deze ter plaatse niet rendabel kan worden voortgezet, is niet onredelijk.

Met betrekking tot het grondwatermonitoringsmeetnet blijkt uit de stukken dat de Staatssecretaris in het hele projectgebied aanvullend op het bestaande grondwaterarchief een monitoringsmeetnet zal inrichten. Hiermee zullen reeds een aantal jaren voorafgaand aan de toepassing van de peilopzet de grondwaterstanden worden gemeten. De gegevens die deze metingen opleveren zullen worden gebruikt bij de afhandeling van eventuele verzoeken om schadevergoeding/nadeelcompensatie. Op grond hiervan deelt de Afdeling het standpunt van appellant dat geen betrouwbaar monitoringsnetwerk opgezet kan worden, dan ook niet.

Gelet op het voorgaande is de Afdeling niet gebleken dat de Staatssecretaris te weinig gewicht heeft toegekend aan de individuele belangen van appellant.

2.11.37.4. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de Staatssecretaris niet in redelijkheid het tracébesluit in zoverre heeft kunnen vaststellen. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat het tracébesluit op dit onderdeel anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellanten sub 51] is in zoverre ongegrond.

2.11.38. [appellanten sub 73]

2.11.38.1. [appellanten sub 73] die woonachtig zijn op het [landgoed] aan de [locatie] te [plaats], voeren in beroep aan dat de Staatssecretaris en provinciale staten ten onrechte het tracébesluit respectievelijk het streekplan hebben vastgesteld. Appellanten hebben bezwaar tegen onteigening van hun gronden. Zij willen wel meewerken aan de natuurontwikkeling in de nevengeul Sambeek-Oost, maar menen dat dit ook mogelijk is door middel van een samenwerkingsovereenkomst.

2.11.38.2. Voor zover het beroep van appellanten betrekking heeft op de regeling in het streekplan met betrekking tot de nevengeul Sambeek-oost, stelt de Afdeling vast dat dit bezwaar niet is gericht tegen één van de onder 2.4.3. genoemde concrete beleidsbeslissingen. Hierbij merkt de Afdeling op dat weliswaar de grondaankoop voor de nevengeul Sambeek-Oost in pakket I van het streekplan is opgenomen, doch dit slechts is opgenomen als beleid en overigens de realisatie van de nevengeul een maatregel is in pakket II. Onder verwijzing naar hetgeen onder 2.4.2. is overwogen, is de Afdeling in zoverre onbevoegd van het beroep kennis te nemen.

2.11.38.3. Voor zover het beroep van appellanten gericht is tegen het tracébesluit, stelt de Afdeling vast, dat uit de maatregelen die in het tracébesluit voor dit deel zijn opgenomen, niet volgt dat gronden van appellanten onteigend moeten worden. Het beroep is in zoverre ongegrond.

2.12. Tracédeel 10 Stuwpand Grave

2.12.1. Dit tracédeel volgt de loop van de rivier de Maas vanaf sluis/stuwcomplex Sambeek tot en met sluis/stuwcomplex Grave en ligt onder andere langs de plaatsen Boxmeer, Heijen, Gennep, Cuijk, Mook, Heumen, Overasselt en Grave. De lengte van dit tracédeel bedraagt 29 km.

In dit tracédeel zijn de maatregelen en ingrepen uitgewerkt, die noodzakelijk zijn om de projectdoelstelling voor het deelproject Zandmaas/Maasroute te realiseren. Voor het stuwpand Grave bestaat het maatregelpakket met name uit zomerbedverdieping, de aankoop van oeverstroken en een verhoging van het stuwpeil.

Om de bescherming tegen overstromingen in het Maasdal te verbeteren worden de hoogwaterstanden in de Maas in het stuwpand Grave verlaagd door middel van zomerbedverdieping.

De rivierverdieping heeft plaatselijk mogelijk gevolgen voor de stabiliteit van het oevertalud. Dit is met name het geval op locaties waar door de rivierverdieping fijne erosiegevoelige lagen worden aangesneden en waar de verdieping over grote breedte plaatsvindt. Langs deze trajecten worden daarom tussen Maaskilometer 155.7 en 174.2 oeverstroken van 25 meter aangekocht die kunnen dienen als buffer bij het optreden van oeverinstabiliteit.

De peilopzet in het stuwpand Grave bedraagt 0,50 meter.

In het streekplan is ten behoeve van de hoogwaterbescherming met een kans van 1:250 per jaar, voor Gennep en Middelaar aanpassing en aanleg van kaden als concrete beleidsbeslissing opgenomen. De tekst van de concrete beleidsbeslissing is opgenomen onder 2.4.3.

2.12.2. [appellanten sub 50]

2.12.2.1. [appellanten sub 50], die woonachtig [locatie] te [plaats], voert in beroep aan dat provinciale staten ten onrechte het streekplan hebben vastgesteld, voor zover daarin in kadevak GEN.1.K, onderdelen AA2-1, AA2-2, AA3 en AA4 geen afdoende maatregelen zijn opgenomen voor het [Huis]. Appellant brengt naar voren dat [Huis] een beschermd monument is dat onder de Natuurschoonwet valt. Overstroming is schadelijk voor de constructie. Appellant heeft een aantal alternatieve plannen naar voren gebracht, waarbij het waterbergend vermogen niet verloren gaat. Voorts wijst appellant erop dat verschillende malen toezeggingen zijn gedaan dat het kasteel beschermd zou worden. Hij meent dat er geen sprake is van gelijke behandeling, nu zijn buurman die een manegebedrijf heeft, wel beschermd wordt. Hij kan ook niet zelf tot bescherming overgaan, nu de beleidslijn Ruimte voor de rivier zich hiertegen verzet.

2.12.2.2. Het [Huis] dateert uit het jaar 1500 en ligt in het [locatie] ter hoogte van [locatie]. In het kasteel waren ten tijde van het vaststellen van het streekplan ongeveer 110 asielzoekers gehuisvest.

Ten noorden, oosten en zuiden van het kasteel zijn kaden opgenomen in kadevak GEN.1.K, onderdelen AA2-1, AA2-2, AA3 en AA4, met een hoogte van 0,1 tot 0,5 meter boven het huidige maaiveld. De kaden liggen op de grens van het waterbergend winterbed en sluiten aan op bestaande kaden of verholen kaden die in het kader van de Deltawet grote rivieren zijn gerealiseerd. Ten westen van het perceel, aan de [locatie], zijn in het kadeplan geen kaden opgenomen.

Provinciale staten hebben zich op het standpunt gesteld dat de kademaatregelen zoveel mogelijk aansluiten bij de bestaande verholen kaden die in het kader van het Deltaplan grote rivieren zijn aangelegd. Voorts is het [Huis] in het [locatie] gelegen. De aanleg van kaden in het stroomvoerend winterbed zal tot verhoging van de waterstand leiden, hetgeen ongewenst moet worden geacht. De Afdeling acht deze uitgangspunten van provinciale staten niet onredelijk. De omstandigheid dat [Huis] een monumentale status heeft doet hieraan niet af. Voorts is uit de stukken en het verhandelde ter zitting af te leiden dat als gevolg van het totale pakket maatregelen dat in het kader van het project Zandmaas/Maasroute wordt uitgevoerd ter hoogte van het perceel van appellant een waterstandsdaling verwacht wordt van 0,31 meter.

Appellant heeft een aantal alternatieven naar voren gebracht die, naar zijn mening, het waterbergend vermogen niet zullen aantasten. Het bestaan van alternatieven kan op zichzelf geen grond vormen voor de vernietiging van een concrete beleidsbeslissing. Alternatieven kunnen eerst aan de orde komen indien blijkt van ernstige bezwaren tegen de voorziene kaden. Van dergelijke bezwaren is de Afdeling niet gebleken.

Wat betreft het beroep op gelijke behandeling merkt de Afdeling op dat provinciale staten zich op het standpunt stellen dat het manegebedrijf waar appellant op wijst, is gelegen binnen de strakke contour om de bestaande bebouwing rond de dorpen, terwijl het perceel van appellant daarbuiten ligt. Nu geen sprake is van gelijke gevallen komt de Afdeling dit standpunt niet onjuist voor.

2.12.2.3. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten niet in redelijkheid de in kadevak GEN.1.K, onderdelen AA2-1, AA2-2, AA3 en AA4 voorziene maatregelen in de aanvulling op het streekplan hebben kunnen opnemen. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat de concrete beleidsbeslissing op dit onderdeel anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellanten sub 50] is ongegrond.

2.12.3. [appellant sub 5]

2.12.3.1. [appellant sub 5], die woonachtig is aan de [locatie] te [plaats], voert in beroep aan dat de Staatssecretaris en provinciale staten ten onrechte het tracébesluit respectievelijk het streekplan hebben vastgesteld. Appellant brengt allereerst naar voren dat op geen enkele wijze is ingegaan op zijn bezwaren tegen het ontwerp-plan. Hij stelt dat zijn perceel en zijn woning niet worden beschermd tegen het water van de Niers, terwijl de woningen ten noorden van de Niers wel worden beschermd door een kade die nu wordt vernieuwd en verhoogd. Hij vreest waterstandsverhoging als gevolg van de getroffen kademaatregelen. Verder verzoekt appellant om garanties voor vergoeding van de schade indien de Niers toch overstroomt.

2.12.3.2. Voor zover het beroep van appellant betrekking heeft op het niet opnemen van een kade rond zijn perceel en woning in het streekplan is het gericht tegen een weigering om een concrete beleidsbeslissing te nemen. Daarmee is het niet gericht tegen de 2.4.3. genoemde concrete beleidsbeslissingen. Onder verwijzing naar hetgeen onder 2.4.2. is overwogen, is de Afdeling in zoverre dan ook onbevoegd van dit beroep kennis te nemen.

2.12.3.3. Ten aanzien van het bezwaar tegen de wijze waarop zijn bedenkingen tegen het ontwerp-plan zijn weerlegd, verwijst de Afdeling naar hetgeen hieromtrent onder 2.5.1. is overwogen.

2.12.3.4. Voor zover het beroep van appellant is gericht tegen het tracébesluit, stelt de Afdeling vast dat de bezwaren van appellant geen betrekking hebben op de maatregelen die in het tracébesluit zijn opgenomen. Het beroep is in zoverre ongegrond.

2.12.3.5. Appellant vreest dat als gevolg van kademaatregelen die wel als concrete beleidsbeslissing in het streekplan zijn opgenomen de waterstand ter hoogte van zijn perceel zal toenemen. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is af te leiden dat als gevolg van het totale pakket maatregelen dat in het kader van het project Zandmaas/Maasroute wordt uitgevoerd ter hoogte van het perceel van appellant een waterstandsdaling verwacht wordt van 0,42 meter.

2.12.3.6. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten niet in redelijkheid de kademaatregelen in de aanvulling op het streekplan hebben kunnen opnemen. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat de concrete beleidsbeslissing op dit onderdeel anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 5] is ook voor het overige ongegrond.

2.12.4. [appellant sub 25]

2.12.4.1. [appellant sub 25], die woonachting is aan de [locatie] te [plaats], voert in beroep aan dat provinciale staten ten onrechte het streekplan hebben vastgesteld, voor zover daarin voor zijn woning geen maatregelen zijn voorzien en voorts een kade dwars over zijn perceel is gelegd. Hij stelt dat de kade aanvankelijk was geprojecteerd langs de westelijke en noordelijke grens van zijn eigendom. In het gewijzigde kadeplan komt de kade dwars over zijn perceel te liggen, waardoor zijn woning buiten de kade blijft. Derhalve is er geen hoogwaterbescherming. Hij wijst erop dat door de aanleg van de kaden het water sneller zal stijgen. Hij brengt naar voren dat er geen duidelijkheid is over de hoogte van de kade. Hij heeft verder bezwaar tegen de claim op zijn eigendom voor een strook van 180 meter lengte.

2.12.4.2. De Afdeling stelt vast dat, anders dan appellant kennelijk meent, geen kademaatregelen zijn voorzien op zijn perceel. Voor zover het beroep van appellant betrekking heeft op het niet opnemen van een kade ter bescherming van zijn woning is het gericht tegen een weigering om een concrete beleidsbeslissing te nemen. Daarmee is het niet gericht tegen de onder 2.4.3. genoemde concrete beleidsbeslissingen. Onder verwijzing naar hetgeen onder 2.4.2. is overwogen, is de Afdeling onbevoegd van dit beroep kennis te nemen. Overigens is uit de stukken en het verhandelde ter zitting af te leiden dat als gevolg van het totale pakket maatregelen dat in het kader van het project Zandmaas/Maasroute wordt uitgevoerd ter hoogte van het perceel van appellant een waterstandsdaling verwacht wordt van 0,42 meter.

2.12.5. Het Recreatieschap Nijmegen en Omstreken

2.12.5.1. Het Recreatieschap Nijmegen en Omstreken, dat eigenaar is van onder meer het recreatiepark de Mookerplas, voert in beroep aan dat de Staatssecretaris ten onrechte het tracébesluit heeft vastgesteld voor zover daarin is voorzien in peilopzet voor dit tracédeel. Appellant stelt allereerst dat zijn bezwaren door middel van een standaardformulering van de hand zijn gewezen. Appellant wijst er verder op dat geen mitigerende of compenserende maatregelen zijn opgenomen voor een aantal infrastructurele voorzieningen, te weten: dagstrand “de Grote Siep”, aanlegsteiger voor werkboten van het recreatieschap, aanlegoevers, eilandje bij de Schapenwei, oeververdediging visoevers en overige oevers en de brug Cuijkse Steeg. In dit verband brengt appellant ook naar voren dat niet is voldaan aan het compensatiebeginsel, zoals neergelegd in het Structuurschema Groene Ruimte. Voorts voert appellant, onder verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling van 28 mei 1998, no. E01.96.0532, en van 5 november 1998, no. E01.95.0587, aan dat indien het tracébesluit ernstige gevolgen heeft voor een bedrijf een zorgvuldige voorbereiding van het besluit eist dat de Staatssecretaris onderzoekt of, en zo ja op welke wijze die gevolgen kunnen worden beperkt.

2.12.5.2. Voor zover appellant bezwaar maakt tegen de wijze waarop de bedenkingen zijn weerlegd, verwijst de Afdeling naar hetgeen hieromtrent onder 2.5.1. is overwogen.

2.12.5.3. De Mookerplas ligt ten oosten van de Maas in de gemeente Mook en Middelaar en deze plas is via een toegangskanaal verbonden met de Maas. De monding van de Mookerplas bevindt zich ter hoogte van Maaskilometer 164.4. In het recreatiegebied bevinden zich twee jachthavens, één camping, een dagstrand, een surfstrand (nabij Pastoordijk), diverse visstekken, parkeerplaatsen en verschillende horecafaciliteiten.

Uit de stukken blijkt dat voor dit tracédeel een peilopzet wordt gerealiseerd van 0,50 meter voor afvoeren tussen 0 en 600 m3. Door de peilopzet zal de gemiddelde waterstand ter hoogte van de monding van het toegangskanaal naar de Mookerplas van ongeveer 7,52 meter+NAP stijgen naar ongeveer 8,12 meter+NAP. In het voorjaar zal de gemiddelde waterstand ter plaatse stijgen van 7,90 meter+NAP naar 8,30 meter+NAP en in de winter stijgt het gemiddelde Maaspeil op dat punt van 8,15 meter+NAP tot 8,35 meter+NAP.

Zoals onder 2.6.2.3. is overwogen acht de Afdeling het nut en de noodzaak van de peilopzet voldoende aangetoond.

Uit de nota van toelichting bij het tracébesluit, tracédeel 10, en het peilopzetplan (p. 42) blijkt dat de Staatssecretaris voor een aantal infrastructurele voorzieningen in het tracédeel 10 schade verwacht als gevolg van peilopzet. De Staatssecretaris heeft alvorens het tracébesluit te nemen onderzoek uitgevoerd naar de effecten van de peilopzet op de infrastructurele voorzieningen binnen het beïnvloedingsgebied van onder meer het hier aan de orde zijnde stuwpand Grave. Voor de bepaling van de schade is een inventarisatie gemaakt van de aanwezige voorzieningen. Deze inventarisatie is neergelegd in bijlage 8 van het peilopzetplan. Vervolgens is per locatie een kwalitatieve beoordeling gemaakt van de kans op schade. Deze beoordeling is gebaseerd op de waterstanden bij verschillende afvoeren in de huidige situatie en in de situatie na peilopzet. Voor de infrastructurele voorzieningen is nagegaan of de peilopzet leidt tot een beperking van de gebruiksmogelijkheid van de voorzieningen of dat de voorziening permanent onbruikbaar wordt. De conclusie van deze beoordeling is dat in het stuwpand Grave, zoals uit de toelichting bij het tracébesluit, tracédeel 10, blijkt, acht locaties tijdelijk of permanent onbruikbaar worden. Hiertoe behoren voor de Mookerplas het dagstrand “de Grote Siep” en de beschoeiing van het scoutingterrein. Als herstelmaatregel worden ophoging van het strand met 0,50 meter respectievelijk het verhogen van de beschoeiing met 0,40 meter aangegeven.

Uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat de Staatssecretaris erkent dat ook in andere gevallen dan de hiervoor genoemde acht gevallen schade kan ontstaan. Tevens heeft de Staatssecretaris inmiddels toegezegd dat de brug Cuijkse Steeg zodanig wordt verhoogd dat de huidige doortvaarthoogte wordt gehandhaafd. De Staatssecretaris heeft hierbij opgemerkt dat voorafgaand aan het nemen van het tracébesluit alleen is gekeken naar de grootste probleemgevallen. Daarbij is ervan uitgegaan dat, nu dit bij de grootste probleemgevallen kan, ook in minder ernstige schadegevallen gemitigeerd kan worden. In verband hiermede zal ruimschoots voordat de peilopzet feitelijk zal plaatsvinden in overleg met de eigenaars of beheerders van voorzieningen tot een oplossing worden gekomen. Voor de inventarisatie zal een onafhankelijk bureau worden ingeschakeld. De Staatssecretaris heeft deze afspraken ook aan appellant bevestigd in een brief van 29 januari 2003.

De Afdeling ziet niet in dat de Staatssecretaris de hem overigens bekende gevallen waarin schade kan ontstaan niet voorafgaand aan het nemen van het tracébesluit in het onderzoek heeft kunnen betrekken en de te treffen maatregelen niet in het tracébesluit heeft kunnen opnemen. Zij neemt daarbij tevens in aanmerking dat ook nog onduidelijkheid bestaat over de vraag in hoeverre de Staatssecretaris de kosten van het herstel van de schade aan de infrastructurele voorzieningen op zich zal nemen. Het vorenstaande in aanmerking genomen is de Afdeling van oordeel dat de Staatssecretaris het tracébesluit op dit onderdeel onzorgvuldig heeft voorbereid. Het beroep van het Recreatieschap Nijmegen en Omstreken is derhalve gegrond, zodat het tracébesluit voor zover dat betrekking heeft op de peilopzet van 0,50 meter in tracédeel 10 (Stuwpand Grave) wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd. Gelet hierop behoeven de overige bezwaren van het Recreatieschap Nijmegen en Omstreken geen bespreking meer.

2.12.6. [appellant sub 34]

2.12.6.1. [appellant sub 34], die in het westelijk deel van de [locatie] een jachthaven exploiteert, voert in beroep aan dat de Staatssecretaris ten onrechte het tracébesluit heeft vastgesteld voor zover daarin is voorzien in peilopzet voor dit tracédeel. Appellante brengt naar voren dat de aanlegoever (ongeveer 180 meter) onder water komt te staan en daardoor niet meer bruikbaar is voor het op de wal plaatsen van kleinere boten. Voorts wordt de brughoogte voor de recreatievaart naar haar haven 0,50 meter minder voor de bruggen Cuijkse Steeg (Mook) en Witteweg (Middelaar). Er zullen aanpassingen moeten worden gerealiseerd voor zes loopbruggen naar drijvende steigers. Bovenstaande zal leiden tot hogere bedrijfskosten.

2.12.6.2. Met betrekking tot de doorvaarthoogte van de brug over de Witteweg merkt de Afdeling op dat uit de stukken naar voren is gekomen dat deze brug ook na de peilopzet niet tot doorvaartproblemen zal leiden.

2.12.6.3. De Afdeling stelt vast dat het beroep van appellante gericht is tegen de peilopzet in tracédeel 10 (Stuwpand Grave) vanwege de schade aan de infrastructurele voorzieningen. Zoals de Afdeling naar aanleiding van het beroep van het Recreatieschap Nijmegen en Omstreken onder 2.12.5.3. heeft overwogen dient het tracébesluit voor zover dat betrekking heeft op de peilopzet in tracédeel 10 (Stuwpand Grave) te worden vernietigd. Dit betekent dat het beroep van [appellant sub 34] eveneens gegrond is. Gelet hierop behoeven de overige bezwaren van appellante geen bespreking meer.

2.12.7. Camping Eldorado Mook BV en andere

2.12.7.1. Camping Eldorado Mook BV en andere, die een camping respectievelijk jachthaven aan de Mookerplas exploiteren, voeren in beroep aan dat de Staatssecretaris ten onrechte het tracébesluit heeft vastgesteld voor zover daarin is voorzien in peilopzet voor dit tracédeel. Appellanten stellen allereerst dat hun bezwaren door middel van een standaardformulering van de hand zijn gewezen. Appellanten wijzen er verder op dat geen mitigerende of compenserende maatregelen zijn opgenomen voor een aantal infrastructurele voorzieningen, te weten: aanlegsteigertjes bij de camping, oeverbescherming bij de camping en jachthaven, oeverbeplanting, zandstrandjes bij de camping, hekwerken, ligplaatsen voor jollen en bijboten, aanlegsteigers van jachthaven, vulleidingen van tankstation, steigers bij beide hijsinstallaties van de jachthaven, grondverlies en brug Cuijkse Steeg. In dit verband brengen appellanten ook naar voren dat niet is voldaan aan het compensatiebeginsel, zoals neergelegd in het Structuurschema Groene Ruimte. Voorts voeren appellanten, onder verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling van 28 mei 1998, no. E01.96.0532, en van 5 november 1998, no. E01.95.0487 aan dat indien het tracébesluit ernstige gevolgen heeft voor een bedrijf een zorgvuldige voorbereiding van het besluit eist dat de Staatssecretaris onderzoekt of, en zo ja op welke wijze die gevolgen kunnen worden beperkt.

2.12.7.2. Voor zover appellanten bezwaar maken tegen de wijze waarop de bedenkingen zijn weerlegd, verwijst de Afdeling naar hetgeen hieromtrent onder 2.5.1. is overwogen.

2.12.7.3. De Afdeling stelt vast dat het beroep van appellanten gericht is tegen de peilopzet in tracédeel 10 (Stuwpand Grave) vanwege de schade aan de infrastructurele voorzieningen. Zoals de Afdeling naar aanleiding van het beroep van het Recreatieschap Nijmegen en Omstreken onder 2.12.5.3. heeft overwogen dient het tracébesluit voor zover dat betrekking heeft op de peilopzet in tracédeel 10 (Stuwpand Grave) te worden vernietigd. Dit betekent dat het beroep van Camping Eldorado Mook BV en andere eveneens gegrond is. Gelet hierop behoeven de overige bezwaren van appellanten geen bespreking meer.

2.12.8. Het college van burgemeester en wethouders van Cuijk

2.12.8.1. Het college van burgemeester en wethouders van Cuijk voert in beroep aan dat de Staatssecretaris het tracébesluit ten onrechte heeft vastgesteld, voor zover daarin is voorzien in peilopzet en voor zover daarin op een aantal plaatsen ter hoogte van Cuijk is afgezien van de aankoop van 25 meter oeverstrook. Voorts voert appellant aan dat de Kraaijenbergse Plassen niet in aanmerking dienen te komen als potentiële delfstoffenverwerkingslocatie voor de tijdelijke opslag en bewerking van vermarktbaar materiaal vrijkomend uit de zomerbedverdieping in het stuwpand Lith. Hij wijst er op dat peilopzet grote gevolgen zal hebben voor het beheer van de riolering, de aanleg van nieuwe werken, inrichting zandstrand en de natuurlijke plasdrasoevers van de Kraaijenbergse Plassen, oeverafwerking nieuwbouwwijk Heeswijkse Kampen en de passantenhaven van Cuijk. Appellant acht verwijzing naar de Regeling Nadeelcompensatie Verkeer en Waterstaat 1999 onzeker. Wat betreft de inrichting van de natuurlijke oevers verwacht appellant een flexibele opstelling van Rijkswaterstaat met betrekking tot de definitieve inrichting van het gebied tussen de Beersebaan en de Hapsebaan. Er is wel degelijk sprake van onevenredige schade als gevolg van de uitvoering van de plannen van het rijk.

2.12.8.2. Het gebruik van de Kraaijenbergse Plassen als bewerkingslocatie van vermarktbare grond is niet als maatregel opgenomen in het tracébesluit. Naar uit de nota van toelichting bij het tracébesluit, algemeen deel, blijkt, zal in de Kraaijenbergse Plassen bewerking van vermarktbaar materiaal plaatsvinden dat vrijkomt bij verdieping van het zomerbed in het stuwpand Lith en stuwpand Grave. Hierover vindt nog bestuurlijk overleg plaats. Deze locatie is niet in het tracébesluit opgenomen, maar zal te zijner tijd voor zover nodig via een streekplan- en/of bestemmingsplanherziening worden geregeld. Nu deze maatregel niet in het tracébesluit is opgenomen, is het beroep in zoverre ongegrond.

2.12.8.3. Appellant is sinds 1995 bezig met de herontwikkeling van de maasoeverzone. De Maasboulevard zal worden omgevormd van een drukke doorgaande weg tot een rustige 30-km weg met een toeristisch, recreatief karakter. In verband met deze plannen heeft de Staatssecretaris de tegen het ontwerp-tracébesluit ingebrachte bedenkingen gegrond verklaard door tussen de veerstoep en de passantenhaven (Maaskilometer 161.95 tot 162.35) af te zien van de aankoop van 25 meter oeverstroken. Naar uit het verweerschrift blijkt verwacht de Staatssecretaris geen problemen bij de inpassing op de 25 meter oeverstrook ten noorden van de veerstoep en net ten zuiden van de passantenhaven. De Afdeling acht niet aannemelijk gemaakt dat de plannen van appellant voor de herontwikkeling van de maasoeverzone door de uitvoering van het tracébesluit onmogelijk worden gemaakt. Ook op dit onderdeel is het beroep van appellant ongegrond.

2.12.8.4. De Afdeling stelt vast dat het beroep van appellant verder gericht is tegen de peilopzet in tracédeel 10 (Stuwpand Grave) vanwege de schade aan de infrastructurele voorzieningen. Zoals de Afdeling naar aanleiding van het beroep van het Recreatieschap Nijmegen en Omstreken onder 2.12.5.3. heeft overwogen dient het tracébesluit voor zover dat betrekking heeft op de peilopzet in tracédeel 10 (Stuwpand Grave) te worden vernietigd. Dit betekent dat het beroep van het college van burgemeester en wethouders van Cuijk eveneens op dit onderdeel gegrond is. Gelet hierop behoeven de overige bezwaren van appellant geen bespreking meer.

2.12.9. [appellant sub 24]

2.12.9.1. [appellant sub 24], die woonachtig is aan de [locatie] te [plaats], voert in beroep aan dat de Staatssecretaris ten onrechte het tracébesluit heeft vastgesteld voor zover daarin voor dit tracédeel peilopzet is voorzien. Appellant brengt naar voren dat normale bewoning in de woonwijk Kouwenberg ernstig wordt bedreigd door de voorgenomen peilopzet. Hij heeft nu reeds wateroverlast. Verder heeft appellant er bezwaar tegen dat hij door de gemeente Cuijk niet over deze zaak is geconsulteerd.

2.12.9.2. Voor zover appellant stelt dat de gemeente Cuijk onvoldoende informatie heeft gegeven over de wateroverlast en appellant niet door de gemeente is geconsulteerd, merkt de Afdeling op dat de gemeente Cuijk niet het tracébesluit heeft vastgesteld.

2.12.9.3. Uit de stukken blijkt dat voor dit tracédeel een peilopzet wordt gerealiseerd van 0,50 meter voor afvoeren tussen 0 en 600 m3.

Uit het deskundigenbericht blijkt dat de woning van appellant is onderkelderd. De kelderruimte is hoofdzakelijk in gebruik voor opslag.

Uit het peilopzetplan, bijlage 3, p. 75 blijkt dat de GHG als gevolg van de peilopzet in Cuijk tussen de 0,05 en 0,10 meter zal stijgen. De GLG zal stijgen met 0,10 tot 0,40 meter en de GVG met 0,0 tot 0,20 meter (p. 87 en 99). Door het uitvoeren van onderzoek is bepaald waar de mogelijke gebieden liggen waar overlast als gevolg van een stijging van de grondwaterstand zou kunnen optreden. Deze gebieden met een mogelijke toename van de schade aan bebouwing als gevolg van stijgend grondwater (natschade) zijn opgenomen in bijlage 9 van het peilopzetplan. Binnen de gemeente Cuijk is de wijk Padbroek(1) aangewezen als gebied waar mogelijk een toename van de overlast door het stijgende water ondervonden kan worden. In het rapport “Peilverhoging stuwpand Grave- analyse potentiële grondwateroverlast” van Royal Haskoning van 13 februari 2002 zijn de resultaten van een specifieker onderzoek naar de toename van grondwateroverlast in deze aandachtsgebieden beschreven. Naast de woonwijk Padbroek zijn ook de wijken Linden en Kouwenberg in de gemeente Cuijk als onderzoeksgebied aangewezen. Voor deze onderzoeksgebieden is de bodemopbouw geschetst en zijn op grond van informatie van de gemeente en rioleringskaarten het wegpeil en het bouwpeil vastgesteld. Verder is nagegaan of er in de woningen kruipruimten aanwezig zijn. Met de eventuele aanwezigheid van kelders is geen rekening gehouden. Ten aanzien van de wijk Kouwenberg wordt voorts specifiek opgemerkt dat uit de modelberekeningen blijkt dat de GHG na peilverhoging in de wintersituatie 9,11 meter+NAP komt te liggen. Dit betekent een stijging van 0,21 meter ten opzichte van de huidige situatie. De als uitgangspunt genomen schadegrens van 0,70 meter beneden maaiveld wordt niet overschreden. Derhalve is Kouwenberg niet als risicogebied aangemerkt.

De Afdeling stelt vast dat de Staatssecretaris bij het onderzoek naar de grondoverlast naar de woning van appellant geen rekening heeft gehouden met de aanwezigheid van een kelder in de woning van appellant. Dit klemt tem eer nu uit het onderzoek is gebleken dat zich een stijging van de GHG met 0,21 meter zal voordoen. De Afdeling is dan ook van oordeel dat de Staatssecretaris het tracébesluit wat betreft de peilopzet in tracédeel 10 (Stuwpand Grave) ook op dit punt onzorgvuldig heeft voorbereid. Het beroep van [appellant sub 24] is derhalve gegrond, zodat het tracébesluit ook om deze reden op dit onderdeel moet worden vernietigd.

2.12.10. [appellant sub 85]

2.12.10.1. [appellant sub 85], die woonachtig is aan de [locatie] te [plaats], voert in beroep aan dat de Staatssecretaris ten onrechte het tracébesluit heeft vastgesteld voor zover daarin is voorzien in peilopzet voor dit tracédeel. Hij wijst erop dat de woningen in de wijk Kouwenberg diepliggende ruimten zoals kelders en dergelijke hebben. Hij ondervindt bij hoogwater in de Maas duidelijk grondwateroverlast. Bij de voorgenomen peilopzet zal dit tot permanente wateroverlast leiden. Hij acht het onjuist dat de overheid jaren geleden toestemming heeft gegeven voor de bouw van de woningen in de wijk, en nu een besluit tot peilopzet neemt. De bewoners zijn niet geconsulteerd.

2.12.10.2. Voor zover appellant stelt dat de gemeente Cuijk onvoldoende informatie heeft gegeven over de wateroverlast en appellant niet door de gemeente is geconsulteerd, merkt de Afdeling op dat de gemeente Cuijk niet het tracébesluit heeft vastgesteld.

2.12.10.3. Uit de stukken blijkt dat voor dit tracédeel een peilopzet wordt gerealiseerd van 0,50 meter voor afvoeren tussen 0 en 600 m3.

Uit het deskundigenbericht blijkt dat een deel van de benedenverdieping van de woning van appellant zich onder maaiveld bevindt. De ruimten zijn in gebruik als slaapvertrekken. Tevens bevindt zich daar de installatie van de heteluchtverwarming.

De Afdeling stelt vast dat het beroep van appellant gericht is tegen de peilopzet in tracédeel 10 (Stuwpand Grave) vanwege de eventuele schade in de woning door de grondwaterstijging. Zoals de Afdeling naar aanleiding van het beroep van [appellant sub 24] onder 2.12.9.3. heeft overwogen is het tracébesluit ook op dit punt onzorgvuldig voorbereid. Dit betekent dat het beroep van [appellant sub 85] eveneens gegrond is.

2.12.11. [appellante sub 61]

2.12.11.1. [appellante sub 61], waarin industriezandproducenten participeren en die gronden heeft ten noorden van [plaats], voert in beroep aan dat de Staatssecretaris het tracébesluit ten onrechte heeft vastgesteld voor zover daarin is voorzien in een peilopzet voor dit tracédeel. Appellante wijst erop dat dit voornemen leidt tot aanzienlijke problemen in het ontgrondings- en herinrichtingsproject Heeswijkse Kampen dat tot 2004 in uitvoering is. De voorziene aanleg van moeraszones wordt onmogelijk, omdat plas-dras-situaties veranderen in water. De voorziene oever-verdedigingen zullen niet meer toereikend zijn. Verder verliezen de aanwezige en te realiseren bruggen doorvaarthoogte voor de toegankelijkheid van winwerktuigen van de industriezandproducenten.

2.12.11.2. Voor zover appellante bezwaar maakt tegen de wijze waarop met haar bedenkingen is omgegaan, verwijst de Afdeling naar hetgeen hieromtrent onder 2.5.1. is overwogen.

2.12.11.3. Naar uit de stukken blijkt liggen de Heeswijkse Kampen in de gemeente Cuijk ter hoogte van Maaskilometer 165.3 tot 167.7 en zijn deze via een toegangskanaal ter hoogte van de haven van Cuijk verbonden met de Maas. In de Heeswijkse Kampen worden sinds 2000 bouwstofffen geproduceerd. De gebieden worden voornamelijk ingericht ten behoeve van wonen aan het water en daarnaast voor kleinschalige recreatie, natuur- en landschapsbouw. De inrichting wordt afgestemd op het peil 7,60 meter+NAP.

Uit de stukken blijkt dat voor dit tracédeel een peilopzet wordt gerealiseerd van 0,50 meter voor afvoeren tussen 0 en 600 m3. Door de peilopzet zal de gemiddelde waterstand ter hoogte van de monding van het toegangskanaal naar de Heeswijkse Kampen stijgen naar ongeveer 8,11 meter+NAP. In de winter stijgt het gemiddelde Maaspeil op dat punt van 7,90 meter+NAP tot 8,25 meter+NAP.

Wat betreft de toegankelijkheid van de waterplas voor winvaartuigen merkt de Afdeling op dat naar uit de stukken blijkt de werkzaamheden in de Heeswijkse Kampen in 2004 zullen worden beëindigd, terwijl de peilopzet eerst is gepland voor 2008 of 2009. In het geval de werkzaamheden zullen worden vertraagd kunnen door een tijdelijke peilverlaging de winvaartuigen toch onder de bruggen door de waterplas verlaten.

Zoals de Afdeling naar aanleiding van het beroep van het Recreatieschap Nijmegen en Omstreken onder 2.12.5.3. heeft overwogen dient het tracébesluit voor zover dat betrekking heeft op de peilopzet in tracédeel 10 (Stuwpand Grave) te worden vernietigd. Dit betekent dat het beroep van de [appellante sub 61] eveneens gegrond is. Gelet hierop behoeven de overige bezwaren van appellante geen bespreking meer.

2.12.12. [appellante sub 79]

2.12.12.1. [appellante sub 79], die in [locatie] te [plaats] een zandverwerkingsinstallatie exploiteert, voert in beroep aan dat de Staatssecretaris en provinciale staten ten onrechte het tracébesluit respectievelijk het streekplan hebben vastgesteld. Appellante stelt dat als gevolg van de peilopzet de vaarbewegingen van de drijvende zandverwerkingsinstallatie zullen worden beperkt, nu bruggen niet meer kunnen worden gepasseerd. Tevens zullen door de peilopzet belangrijke onderdelen van de eindinrichting van het gebied sterk aan waarde inboeten. Appellante wenst dat de verwerkingsfunctie voor de specie die vrijkomt uit het stuwpand Lith die in het tracébesluit is toegekend aan de Kraaijenbergse Plassen ook in het streekplan van de provincie Noord-Brabant wordt opgenomen.

2.12.12.2. Voor zover appellante stelt dat de verwerkingsfunctie van de Kraaijenbergse Plassen in het streekplan van de provincie Noord-Brabant moet worden opgenomen, merkt de Afdeling op dat dit streekplan in deze procedure niet ter beoordeling staat. Reeds hierom is het beroep in zoverre ongegrond.

2.12.12.3. Naar uit de stukken blijkt liggen de Kraaijenbergse Plassen in de gemeente Cuijk ter hoogte van Maaskilometer 167 tot 170 en zijn deze via een toegangskanaal ter hoogte van de haven van Cuijk verbonden met de Maas. In de Kraaijenbergse Plassen wordt sinds 1970 onder meer beton- en gewonnen. De werkzaamheden in het gebied zijn in fasen verdeeld. De plassen 1 tot en met 5 en de west- en noordoever van plas 7 zijn ingericht en opgeleverd. Met de aanleg van de noordzijde van plas 8 is een aanvang gemaakt. De gebieden zijn voornamelijk ingericht ten behoeve van (water)recreatie en natuurbouw. De inrichting wordt afgestemd op het peil 7,60 meter+NAP.

Uit de stukken blijkt dat voor dit tracédeel een peilopzet wordt gerealiseerd van 0,50 meter voor afvoeren tussen 0 en 600 m3. Door de peilopzet zal de gemiddelde waterstand ter hoogte van de monding van het toegangskanaal naar de Kraaijenbergse Plassen stijgen naar ongeveer 8,11 meter+NAP. In de winter stijgt het gemiddelde Maaspeil op dat punt van 7,90 meter+NAP tot 8,25 meter+NAP. Naar uit het verweerschrift blijkt, erkent de Staatssecretaris dat de peilopzet kan leiden tot nadelige gevolgen voor infrastructurele en recreatieve voorzieningen die langs de Maas of aan in verbinding staande plassen zijn gelegen.

Wat betreft de toegankelijkheid van de plassen voor de drijvende zandverwerkingsinstallatie “Vierlingsbeek” merkt de Afdeling op dat, naar uit de stukken blijkt, de werkzaamheden in de Kraaijenbergse Plassen in 2006 zullen worden beëindigd, terwijl de peilopzet eerst is gepland voor 2008 of 2009. In het geval de werkzaamheden zouden worden vertraagd, kan door een tijdelijke peilverlaging de installatie toch onder de bruggen door de plassen verlaten.

Zoals de Afdeling naar aanleiding van het beroep van het Recreatieschap Nijmegen en Omstreken onder 2.12.5.3. heeft overwogen dient het tracébesluit voor zover dat betrekking heeft op de peilopzet in tracédeel 10 (Stuwpand Grave) te worden vernietigd. Dit betekent dat het beroep van de [appellante sub 79] eveneens wat dit onderdeel betreft gegrond is. Gelet hierop behoeven de overige bezwaren van appellante geen bespreking meer.

2.12.13. [appellant sub 102]

2.12.13.1. [appellant sub 102], die een woonark te [locatie] bewoont aan het begin van [locatie] ter hoogte van [locatie], voert in beroep aan dat de Staatssecretaris en provinciale staten ten onrechte het tracébesluit respectievelijk het streekplan hebben vastgesteld. Hij stelt dat door de peilopzet een door hem bij zijn ligplaats geslagen damwand 0,30 meter onder het nieuwe waterpeil zal komen te staan en de loopplank te laag zal komen te liggen. De grond aan de binnenkant van de damwand zal wegspoelen door golfslag en zuiging van de scheepvaart. Dit zal erger worden door het gebruik van grotere schepen. Tevens heeft appellant bezwaar tegen de ontgronding tussen zijn ligplaats en de Maas. Appellant vraagt waar hij deze schade kan verhalen.

2.12.13.2. De Afdeling begrijpt het bezwaar van appellant tegen de ontgronding tussen zijn ligplaats en de Maas aldus dat dit is gericht tegen de in het streekplan opgenomen rivierverruiming en natuurontwikkeling. Dit project is opgenomen in pakket II. In zoverre is het beroep niet gericht tegen één van de onder 2.4.3. genoemde concrete beleidsbeslissingen. Onder verwijzing naar hetgeen onder 2.4.2. is overwogen, is de Afdeling in zoverre onbevoegd van het beroep kennis te nemen.

2.12.13.3. Voor zover appellant bezwaar maakt tegen de wijze waarop de informatievoorzienig heeft plaatsgevonden, verwijst de Afdeling naar hetgeen hieromtrent onder 2.5.1. is overwogen.

2.12.13.4. De Afdeling stelt vast dat het beroep van appellant gericht is tegen de peilopzet in tracédeel 10 (Stuwpand Grave) vanwege de schade aan de infrastructurele voorzieningen. Zoals de Afdeling naar aanleiding van het beroep van het Recreatieschap Nijmegen en Omstreken onder 2.12.5.3. heeft overwogen dient het tracébesluit voor zover dat betrekking heeft op de peilopzet in tracédeel 10 (Stuwpand Grave) te worden vernietigd. Dit betekent dat het beroep van [appellant sub 102] eveneens op dit onderdeel gegrond is. Gelet hierop behoeven de overige bezwaren van appellant geen bespreking meer.

2.12.14. [appellanten sub 46]

2.12.14.1. [appellanten sub 46], die een melkveehouderij exploiteren aan de [locatie] te [plaats], voeren in beroep aan dat de Staatssecretaris het tracébesluit ten onrechte heeft vastgesteld voor zover daarin is voorzien in de aankoop van natuurlijke oevers en in peilopzet voor dit tracédeel. Appellanten stellen dat zij een deel van hun huiskavel moeten afstaan. Zij vrezen de uiterwaarden niet meer als weiland te kunnen gebruiken, terwijl zij het gebruik van de gronden niet kunnen missen. Bovendien resteert een onwerkbare strook. Voorts vrezen appellanten voor schaduwhinder als gevolg van de aanleg van een wilgenbos aan de oever. Tevens kan hierdoor geen water uit de Maas worden gehaald voor beregening en voor het vee. Met betrekking tot de peilopzet vrezen appellanten voor vernattingsschade. Zij vragen zich af waarom in het tracébesluit niet is opgenomen om peilbuizen aan te brengen en de nulsituatie vast te leggen.

2.12.14.2. Appellanten hebben ter hoogte van [locatie] 13 percelen in eigendom met een totale oppervlakte van 35.09.05 ha. De huiskavel van appellanten heeft een oppervlakte van 06.06.60 ha. Van de gronden die langs de Maas liggen, is 01.85.87 ha nodig voor de realisatie van oeverstroken. Anders dan appellanten stellen, blijkt uit het verweerschrift dat geen gronden van de huiskavel nodig zijn.

Uit de stukken blijkt dat de Staatssecretaris rekening wil houden met de mogelijke gevolgen van de verdieping van het zomerbed van de Maas in dit tracédeel voor de stabiliteit van het oevertalud. De oevers kunnen gaan eroderen en afkalven. De Staatssecretaris wil de gronden verwerven om meer mogelijkheden te hebben om direct te kunnen ingrijpen bij het optreden van te grote oeverafschuivingen. De oevers zullen dienen als buffer en op termijn dienen als vrij eroderende natuurlijke oever. Dit acht de Afdeling niet onredelijk of onjuist.

Wat betreft de vrees van appellanten voor de aanleg van een wilgenbos op de oeverstrook en de daarmee samenhangende schaduwhinder merkt de Afdeling op dat het tracébesluit niet voorziet in een maatregel om een wilgenbos te planten.

Ten aanzien van de door appellanten gevreesde schade, verwijst de Afdeling naar hetgeen zij onder 2.5.3.3. heeft overwogen. Niet is gebleken dat in dit geval niet via de daar genoemde, bestaande regelingen aan het schade-aspect kan worden tegemoetgekomen. In zoverre is het beroep ongegrond.

2.12.14.3. Zoals reeds onder 2.6.2.5. overwogen, naar aanleiding van het beroep van de ZLTO en GLTO, acht de Afdeling de door de Staatssecretaris gevolgde beoordelingsmethode ter bepaling van de vernattingsschade aan de landbouw in zijn algemeenheid niet onjuist. Voorts is niet gebleken dat de Staatssecretaris deze methode in dit geval onjuist heeft toegepast.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de percelen niet liggen binnen de aandachtsgebieden vernattingsschade landbouw. Het standpunt van de Staatssecretaris dat er geen reden is op grond waarvan reeds nu ervan moet worden uitgegaan dat de bedrijfsvoering dermate zwaar zal worden getroffen dat deze ter plaatse niet rendabel kan worden voortgezet, is niet onredelijk.

Ten aanzien van de wens van appellanten om peilbuizen aan te brengen en het opnemen van een nulsituatie blijkt uit de stukken dat de Staatssecretaris in het hele projectgebied aanvullend op het bestaande grondwaterarchief een monitoringsmeetnet zal inrichten. Hiermee zullen reeds een aantal jaren voorafgaand aan de toepassing van de peilopzet de grondwaterstanden worden gemeten. De gegevens die deze metingen opleveren zullen worden gebruikt bij de afhandeling van eventuele verzoeken om schadevergoeding/nadeelcompensatie. De Afdeling acht dit voldoende om aan de belangen van appellanten tegemoet te komen.

2.12.14.4. In hetgeen appellanten ten aanzien van de aankoop van de natuurlijke oeverstroken en de gevolgen van de peilopzet in tracédeel 10 (Stuwpand Grave) hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de Staatssecretaris niet in redelijkheid in zoverre het tracébesluit heeft kunnen vaststellen. Zoals zij echter naar aanleiding van het beroep van het Recreatieschap Nijmegen en Omstreken onder 2.12.5.3. heeft overwogen, dient het tracébesluit met betrekking tot de peilopzet in tracédeel 10 (stuwpnd Grave) te worden vernietigd. Nu het beroep van [appellanten sub 46] en P.J.J. Gerrits eveneens gedeeltelijk gericht is tegen de gevolgen van evengenoemde peilopzet is dit beroep in zoverre gegrond.

2.12.15. [appellant sub 84]

2.12.15.1. [appellant sub 84], die een veehouderij en akkerbouwbedrijf op gronden in de gemeenten […] en […] exploiteert, voert in beroep aan dat de Staatssecretaris ten onrechte het tracébesluit heeft vastgesteld. Appellant vreest voor vernatting van zijn grond als gevolg van de peilopzet, vooral omdat het merendeel van zijn grond laag is gelegen en bestaat uit kleigrond. Hij wijst er tevens op dat het moeilijk is aan te tonen dat de vernatting komt door de weersomstandigheden of door peilopzet. De verbetering van de sloten zal teniet worden gedaan door de peilverhogingen. Hij vreest voor inkomensschade.

2.12.15.2. Zoals reeds onder 2.6.2.5., naar aanleiding van het beroep van de ZLTO en GLTO, overwogen, acht de Afdeling de door de Staatssecretaris gevolgde beoordelingsmethode ter bepaling van de vernattingsschade aan de landbouw in zijn algemeenheid niet onjuist. Voorts is niet gebleken dat de Staatssecretaris deze methode in dit geval onjuist heeft toegepast.

Appellant bezit een aantal percelen met een totale oppervlakte van 21.29.35 ha grond. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de percelen niet liggen binnen de aandachtsgebieden vernattingsschade landbouw. Wel ligt volgens de berekeningen 02.15.12 ha binnen de vernattingsklasse 1-5%. Het standpunt van de Staatssecretaris dat er geen reden is op grond waarvan reeds nu ervan moet worden uitgegaan dat de bedrijfsvoering dermate zwaar zal worden getroffen dat deze ter plaatse niet rendabel kan worden voortgezet, is niet onredelijk.

Ten aanzien van de door appellant gevreesde schade, verwijst de Afdeling naar hetgeen zij onder 2.5.3.3. heeft overwogen. Niet is gebleken dat in dit geval niet op grond van de daar genoemde, bestaande regelingen aan het schade-aspect kan worden tegemoetgekomen.

2.12.15.3. In hetgeen appellant ten aanzien van de gevolgen van de peilopzet in tracédeel 10 (Stuwpand Grave) heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de Staatssecretaris niet in redelijkheid in zoverre het tracébesluit heeft kunnen vaststellen. Zoals zij echter naar aanleiding van het beroep van het Recreatieschap Nijmegen en Omstreken onder 2.12.5.3. heeft overwogen, dient het tracébesluit met betrekking tot de peilopzet in tracédeel 10 (Stuwpand Grave) te worden vernietigd. Nu het beroep van [appellant sub 84] gericht is tegen de gevolgen van evengenoemde peilopzet is dit beroep eveneens gegrond.

2.12.16. [appellant sub 100]

2.12.16.1. [appellant sub 100], die een gemengd bedrijf exploiteert aan de [locatie] te [plaats], voert in beroep aan dat de Staatssecretaris ten onrechte het tracébesluit heeft vastgesteld. Appellant stelt dat de peilopzet zal leiden tot een ernstige vernatting van nagenoeg al zijn percelen, hetgeen het huidige agrarisch gebruik op deze gronden onmogelijk zal maken. Hij acht het onjuist dat hij niet meer als onevenredig getroffen wordt aangemerkt. Appellant kan zich niet verenigen met de cijfers die door de Maaswerken worden gepresenteerd. In de besluitvorming en beantwoording van de bedenkingen is geen duidelijke belangenafweging gemaakt. Voorts heeft hij bezwaar tegen de methode die is gebruikt voor de beoordeling van de vernattingsschade, nu het daarbij niet mogelijk is om op bedrijfsniveau een uitspraak te doen.

2.12.16.2. Voor zover appellant bezwaar maakt tegen de wijze waarop met zijn bedenkingen is omgegaan, verwijst de Afdeling naar hetgeen hieromtrent onder 2.5.1. is overwogen.

2.12.16.3. Zoals reeds onder 2.6.2.5. overwogen, naar aanleiding van het beroep van de ZLTO en GLTO, acht de Afdeling de door de Staatssecretaris gevolgde beoordelingsmethode ter bepaling van de vernattingsschade aan de landbouw in zijn algemeenheid niet onjuist. Voorts is niet gebleken dat de Staatssecretaris deze methode in dit geval onjuist heeft toegepast.

Uit het verweerschrift blijkt dat appellant vijf percelen in eigendom heeft met een totale oppervlakte van 18.61.35 ha en daarnaast ongeveer 8 ha in vaste pacht heeft. Een deel van de percelen van appellant ligt binnen de aandachtsgebieden. Het bedrijf behoort tot de tien bedrijven waar vervolgens aanvullend onderzoek heeft plaatsgevonden. Uit dit onderzoek blijkt dat de totale schade ten gevolge van de peilopzet wordt geraamd op 5% van het normatief bepaalde bedrijfssaldo uit de grondgebonden landbouw op het bedrijf. Tevens is uit het onderzoek gebleken dat er ter plaatse goede mogelijkheden zijn om de vernattingseffecten te mitigeren door het treffen van vervangende maatregelen. Het standpunt van de Staatssecretaris dat er geen reden is op grond waarvan reeds nu ervan moet worden uitgegaan dat de bedrijfsvoering dermate zwaar zal worden getroffen dat deze ter plaatse niet rendabel kan worden voortgezet, is niet onredelijk. Het bedrijf van appellant behoefde derhalve niet als onevenredig getroffene te worden aangemerkt.

Gelet op het voorgaande is de Afdeling niet gebleken dat de Staatssecretaris te weinig gewicht heeft toegekend aan de individuele belangen van appellant.

Ten aanzien van de door appellant gevreesde schade, verwijst de Afdeling naar hetgeen zij onder 2.5.3.3. heeft overwogen. Niet is gebleken dat in dit geval niet op grond van de daar genoemde, bestaande regelingen aan het schade-aspect kan worden tegemoetgekomen.

2.12.16.4. In hetgeen appellant ten aanzien van de gevolgen van de peilopzet in tracédeel 10 (Stuwpand Grave) heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de Staatssecretaris niet in redelijkheid in zoverre het tracébesluit heeft kunnen vaststellen. Zoals zij echter naar aanleiding van het beroep van het Recreatieschap Nijmegen en Omstreken onder 2.12.5.3. heeft overwogen, dient het tracébesluit met betrekking tot de peilopzet in tracédeel 10 (Stuwpand Grave) te worden vernietigd. Nu het beroep van [appellant sub 100] gericht is tegen de gevolgen van evengenoemde peilopzet is dit beroep eveneens gegrond.

2.13. Tracédeel 11 Maas-Waalkanaal

2.13.1. Dit tracédeel betreft het Maas-Waalkanaal dat zich bij Heumen afsplitst van de Maas en uitmondt in de Waal bij Nijmegen. Het Maas-Waalkanaal ligt onder andere langs de plaatsen Heumen, Malden, Nijmegen en Weurt. De lengte van dit tracédeel bedraagt 30 km.

In dit tracédeel zijn alleen maatregelen genomen die behoren tot het deelproject Maasroute en dienen ter modernisering van de vaarweg.

Ten behoeve van de verbetering van de scheepvaartroute over de Maas tot een klasse Vb-vaarweg (tweebaksduwvaart) geschikt voor schepen met een diepgang van 3,5 meter worden binnen het tracédeel het Maas-Waalkanaal de volgende maatregelen uitgevoerd:

* aanleg keersluis Heumen;

* aanpassing bruggen over het Waalhoofd van sluis Weurt.

De peilopzet in het stuwpand Grave heeft tot gevolg dat het peil op het Maas-Waalkanaal eveneens 0,50 meter stijgt.

Dit tracédeel ligt in de provincie Gelderland en valt daarmee buiten de reikwijdte van het streekplan.

2.13.2. Het college van burgemeester en wethouders en de raad van de gemeente Beuningen

2.13.2.1. Het college van burgemeester en wethouders en de raad van de gemeente Beuningen voeren in beroep aan dat de Staatssecretaris ten onrechte het tracébesluit heeft vastgesteld voor zover daarin is voorzien in het aanpassen van de bruggen over het Waalhoofd van sluis Weurt. Appellanten betwisten de noodzaak van de verhoging van de bruggen en de Van Heemstraweg, nu hiernaar geen enkel onderzoek is gedaan. De verhoging van de Van Heemstraweg zal leiden tot een verdere aantasting van het woon- en leefklimaat in het dorp Weurt en is in strijd met de structuurvisie voor Weurt. Tevens zal de geplande woningbouwlocatie ter hoogte van het sportcomplex Weurt niet verder ontwikkeld kunnen worden.

2.13.2.2. Uit de nota van toelichting bij het tracébesluit, tracédeel 11, blijkt dat een aanpassing van de bruggen over de sluis Weurt zal plaatsvinden met bijbehorende toeritten. Het sluiscomplex bij Weurt omvat twee sluizen met verschillende afmetingen. Over de noordelijke hoofden van de sluizen loopt de Van Heemstraweg via een vaste brug over de westelijke sluis en een beweegbare brug over de oostelijke sluis. Bij hoge waterstanden op de Waal kunnen schepen met vier lagen containers het complex alleen via de oostelijke kolk passeren. Dit leidt ertoe dat zowel voor het scheepvaartverkeer als voor het wegverkeer lange wachttijden ontstaan. De ingreep bij sluis Weurt bestaat uit het verhogen van beide bruggen met 2,5 meter, waarbij bovendien ook de brug over de westelijke kolk beweegbaar wordt gemaakt.

Naar de noodzaak tot de verhoging van de bruggen van sluis Weurt is, anders dan appellanten stellen, onderzoek gedaan, hetgeen is neergelegd in het rapport “Sluis Weurt, een onderzoek naar de oorzaken en mogelijke oplossingen van verkeershinder” van december 1996. Uit evenbedoeld rapport komt naar voren dat het sluiscomplex Weurt in principe geen problemen oplevert voor de doorvaart van schepen met een diepgang van 3,5 meter. Wel zal gedurende grote delen van de tijd slechts één van de twee sluiskolken benut kunnen worden. Gedurende ongeveer tien dagen per jaar (3% van de tijd) zal vanwege problemen met de doorvaarthoogte er in het geheel geen vierlaagscontainervaart in sluis Weurt mogelijk zijn. Gedurende grote delen van het jaar zal één van de twee sluiskolken niet gebruikt kunnen worden voor de doorvaart van vierlaagscontainerschepen met een diepgang van 3,5 meter. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat niet van deze gegevens kon worden uitgegaan.

De Staatssecretaris heeft zich vervolgens gebaseerd op de Richtlijn Vaarwegen van de Commissie Vaarweg Beheerders. In deze richtlijn is bepaald dat een scheepvaartroute zoveel mogelijk beschikbaar moet zijn voor bevaring met schepen met de bijbehorende maatgevende afmeting (in dit geval klasse Vb-3,5). Nieuw te bouwen objecten in de vaarweg dienen 98,5% van de tijd passeerbaar te zijn voor het maatgevende schip. Hieraan voldoet sluis Weurt niet. Voor aanpassing van bestaande objecten bestaat een beschikbaarheidscijfer van 95,5%, waaraan sluis Weurt voldoet. Met de aanpassing van sluis Weurt wordt wel een verbetering voor de scheepvaart bereikt en wordt ook de aantrekkelijkheid van de Maasroute vergroot. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de Staatssecretaris de noodzaak voor de verhoging van de bruggen aannemelijk gemaakt.

Wat betreft de verhoging van op- en afritten stelt de Afdeling vast dat deze aanpassing, voor zover die is neergelegd in het tracébesluit, geen gevolgen heeft voor de kern Weurt. Wat betreft de mogelijke gevolgen voor de in de structuurvisie opgenomen nieuwe woonwijk die is voorzien ter hoogte van het sportcomplex, is uit de stukken naar voren gekomen dat voor de aanpassing nagenoeg geen gronden nodig zullen zijn. Voor de aansluiting met de Westkanaaldijk zal een aantal bomen gerooid moeten worden. Naar uit het verweerschrift blijkt zullen zoveel mogelijk bomen worden gespaard en zullen de gerooide bomen vervangen worden door jonge aanplant. Van het perceel van de woning die staat in de oksel van de Van Heemstraweg en de Westkanaaldijk, zijn gronden nodig voor het ophogen van de weg. Tevens zal de woning lager ten opzichte van het wegdek komen te liggen. Niet is de Afdeling aannemelijk geworden dat de Staatssecretaris hieraan bij de afweging van de betrokken belangen een doorslaggevend gewicht had moeten toekennen.

Het staat vast dat het hellingspercentage van de op- en afritten naar de bruggen als gevolg van de verhoging zal toenemen. Niet is de Afdeling aannemelijk geworden dat bij de aanpassing van de op- en afritten niet kan worden voldaan aan de voor hellingen gestelde normen.

Met betrekking tot de gevolgen van de verhoging van de bruggen over sluis Weurt voor de geluidbelasting heeft de Staatssecretaris, naar uit de bij het tracébesluit behorende toelichting, tracédeel 11, blijkt een akoestisch onderzoek laten instellen. Uit het Akoestisch onderzoek naar de akoestische consequenties van het verhogen van bruggen over sluis Weurt en aansluitende weginfrastructuur, Witteveen + Bos van 9 januari 2001 blijkt dat na uitvoering van de maatregel de geluidbelasting zal afnemen als gevolg van geluidreducerend asfalt. De Staatssecretaris stelt dan ook dat geen sprake is van een reconstructie in de zin van artikel 1, eerste lid, van de Wet geluidhinder, nu de geluidbelasting vanwege de weg niet met 2 dB(A) of meer wordt verhoogd. Nadien is gebleken dat als gevolg van werkzaamheden de metingen die ten grondslag hebben gelegen aan het akoestisch onderzoek niet geheel representatief zouden zijn en er sprake zou kunnen zijn van onderschatting. De Staatssecretaris stelt zich echter op het standpunt dat in dit geval een hogere verkeersintensiteit niet leidt tot een zodanige toename van de geluidbelasting dat sprake zou zijn van een reconstructie in de zin van de Wet geluidhinder. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat dit standpunt onjuist is.

Anders dan appellanten in een nader schrijven hebben gesteld, heeft de Staatssecretaris bij het akoestisch onderzoek in redelijkheid uit kunnen gaan van een maximum snelheid van 50 km/uur, nu bij de verhoging van de bruggen de huidige kruising zal worden vervangen door een rotonde. Ter plaatse zal een maximum snelheid van 50 km/uur gaan gelden. Voorts zal geluidreducerend asfalt worden aangebracht. Ter zitting is door de Staatssecretaris toegezegd dat zowel de kosten van de aanleg als het beheer van dat asfalt voor rekening van de Staatssecretaris zullen komen.

2.13.2.3. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de Staatssecretaris in redelijkheid niet het tracébesluit in zoverre heeft kunnen vaststellen. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat het tracébesluit op dit onderdeel anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van het college van burgemeester en wethouders en de raad van de gemeente Beuningen is ongegrond.

2.13.3. Het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen

2.13.3.1. Het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen voert in beroep aan dat de Staatssecretaris ten onrechte het tracébesluit heeft vastgesteld voor zover daarin is voorzien in de verhoging van de bruggen over sluis Weurt en maatregelen als gevolg van de peilopzet in tracédeel 10 (Stuwpand Grave). Appellant heeft ter onderbouwing van zijn beroep een groot aantal argumenten naar voren gebracht.

2.13.3.2. Uit de nota van toelichting bij het tracébesluit, tracédeel 11, blijkt dat een aanpassing van de bruggen over de sluis Weurt zal plaatsvinden met bijbehorende toeritten.

Appellant stelt dat bij de verhoging van de bruggen over de sluis onvoldoende rekening is gehouden met de lopende m.e.r.-procedure voor de A73 en met de mogelijkheid van een alternatieve verkeersafwikkeling van het verkeer tussen Nijmegen en Beuningen, anders dan over de Van Heemstraweg. Uit de stukken komt naar voren dat de besluitvorming ten aanzien van het doortrekken van de A15 naar de A73 zich ten tijde van het vaststellen van het tracébesluit niet in een zodanig vergevorderd stadium bevond dat hiermee rekening kon worden gehouden. Voor de Staatssecretaris bestond dan ook geen reden rekening te houden met het doortrekken van de A15 naar de A73.

Naar uit het verweerschrift blijkt, worden door de provincie Gelderland in het kader van de evengenoemde m.e.r. de milieueffecten van de verschillende uitvoeringsvarianten onderzocht. Nu voor een alternatieve afwikkeling van het verkeer via een rondweg rond Weurt nog geen financiën beschikbaar waren, bestond voor de Staatssecretaris evenmin aanleiding hiermee rekening te houden.

Voor de aanpassing van de toerit naar de bruggen is van de gemeente Nijmegen voor het verhogen van het talud ongeveer 2 meter grond aan weerszijden van de voet van het bestaande talud nodig. Niet is aannemelijk geworden dat dit ten koste gaat van de gronden die bestemd zijn voor het industrieterrein Oostkanaaldijk.

Wat betreft de akoestische bezwaren ten aanzien van de verhoging van de bruggen over sluis Weurt kan worden verwezen naar hetgeen bij het beroep van het college van burgemeester en wethouders en de raad van de gemeente Beuningen onder 2.13.2.2. is overwogen.

In hetgeen appellant ten aanzien van de verhoging van de bruggen over sluis Weurt heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de Staatssecretaris niet in redelijkheid in zoverre het tracébesluit heeft kunnen vaststellen. Op dit onderdeel is het beroep ongegrond.

2.13.3.3. De Afdeling deelt niet het standpunt van appellant dat geen duidelijkheid bestaat over de gevolgen van het tracébesluit voor de stedelijke ontwikkelingsplannen in Nijmegen (Hatert, Dukenburg, industrie/bedrijventerrein). Uit het tracébesluit en de daarbij behorende kaartenatlas blijkt dat voor de in het tracébesluit voorziene maatregelen geen gronden van de gemeente Nijmegen nodig zijn, met uitzondering van de gronden die nodig zijn voor de verhoging van de bruggen over de sluis Weurt. Evenmin ziet de Afdeling in dat het tracébesluit gevolgen heeft voor het programma van het Europees Fonds voor regionale Ontwikkeling (EFRO) voor het Kanaalgebied voor de periode 2000-2006. Het gaat daarbij immers om een programma met bijbehorende subsidie om de economische ontwikkeling in het gebied te stimuleren.

2.13.3.4. Appellant is van mening dat de Staatssecretaris ten onrechte geen onderzoek heeft gedaan naar de gevolgen voor de woonomgeving als gevolg van de verhoging van de bruggen Hatert, Dukenburg en de Graafsebrug.

De bruggen worden tussen de 0,25 en 0,35 meter verhoogd, nu door de peilverhoging van 0,50 meter in het stuwpand Grave de onderkant van de bruggen te laag is voor de vierlaagscontainervaart.

De Staatssecretaris stelt dat er geen sprake is van een reconstructie van een weg in de zin van de Wet geluidhinder, nu de geluidbelasting vanwege de weg niet met 2 dB(A) of meer wordt verhoogd.

De Afdeling stelt vast dat het tracébesluit niet voorziet in een wijziging van het dwarsprofiel van de wegen over de bruggen. Voorts is niet aannemelijk gemaakt dat de verkeersintensiteit als gevolg van de in het tracébesluit opgenomen maatregelen op de drie bruggen zal toenemen. Door de verhoging van de bruggen en de toeritten zal het wegdek wel enkele centimeters dichter bij de hogere gedeelten van de geluidgevoelige objecten komen te liggen. De toename van het stijgingspercentage van de toeritten naar de bruggen is echter beperkt.

In aanmerking genomen dat uit het deskundigenbericht is af te leiden dat de dichtst bij de bruggen gelegen geluidgevoelige bebouwing op 30 meter van de bruggen en toeritten staat en de verkeersintensiteit niet zal toenemen, komt het standpunt van de Staatssecretaris dat hier geen sprake is van een reconstructie in de zin van de Wet geluidhinder de Afdeling niet onjuist voor. Voor de Staatssecretaris bestond dan ook geen grond om voor de verhoging van evengenoemde drie bruggen een akoestisch onderzoek in te stellen.

2.13.3.5. De Staatssecretaris stelt zich, blijkens het verweerschrift, op het standpunt dat niet aannemelijk is dat de geluidbelasting van het scheepvaartverkeer zal toenemen ten gevolge van het tracébesluit.

De Afdeling stelt voorop dat geen wettelijke geluidnormen bestaan voor scheepvaartlawaai. Voorts is ter zitting onweersproken gesteld dat de scheepvaart in het Maas-Waalkanaal thans niet tot geluidoverlast aanleiding geeft.

Uit de stukken, waaronder het deskundigenbericht, blijkt dat vanwege de maatregelen die in het tracébesluit zijn voorzien er sprake zou kunnen zijn van een toename van het scheepvaartlawaai. Als gevolg van het tracébesluit zal de hoeveelheid goederen over het Maas-Waalkanaal toenemen, maar zal er met grotere schepen over het kanaal worden gevaren. De schepen zullen vanwege de stijging van het peil in het kanaal gedurende delen van het jaar op een grotere hoogte ten opzichte van de omliggende woonbebouwing varen. Daar staat tegenover dat het maximale peil zoals dat in de huidige situatie in het Maas-Waalkanaal wordt aangehouden als gevolg van de peilopzet niet zal worden overschreden. Ook de vaarroute zal niet wijzigen. Naar uit de Trajectnota/MER, deelrapport scheepvaart, blijkt zal als gevolg van de verbetering van de Maasroute het aantal vervoersbewegingen over de Maasroute vanwege de mogelijkheid om met grotere schepen te varen in 2010 afnemen ten opzichte van de autonome ontwikkeling. Door de afname van het aantal vervoersbewegingen zal de wellicht hogere geluidemissie van de grotere schepen worden ondervangen. Deze grotere schepen zijn tevens moderne schepen met motoren die voldoen aan de strengste geluid- en emissienormen die de scheepvaartinspectie stelt. Ter zitting is door de Staatssecretaris in dit kader nog opgemerkt dat er regelingen zijn voor de scheepvaart om het vervangen van oude door nieuwe schepen, die stiller en zuiniger zijn, te stimuleren. Daardoor zal de geluid- en emissiebelasting veroorzaakt door het scheepvaartverkeer niet toenemen ten opzichte van de huidige situatie, aldus de Staatssecretaris. De Afdeling is niet aannemelijk gemaakt dat de Staatssecretaris niet van deze gegevens heeft mogen uitgaan. Er bestond voor de Staatssecretaris derhalve geen aanleiding om een apart geluidonderzoek naar scheepvaartlawaai in te stellen.

2.13.3.6. Ten aanzien van de toename van veiligheidsrisico’s door vervoer van gevaarlijke stoffen heeft de Staatssecretaris zich naar het oordeel van de Afdeling op goede gronden op het standpunt gesteld dat de externe veiligheid niet zal verslechteren. Zij neemt daarbij, onder verwijzing naar hetgeen bij het beroep van [appellanten sub 56] onder 2.7.4.2. is overwogen, in aanmerking dat het vervoer met grotere schepen met de meest moderne veiligheidsuitrustingen zal worden uitgevoerd en het aantal schepen met gevaarlijke stoffen niet zal toenemen.

2.13.3.7. Onbetwist is dat als gevolg van de peilopzet in het stuwpand Grave en de daarmee verband houdende verhoging van het waterpeil in het Maas-Waalkanaal de grondwaterstand langs dit kanaal zal stijgen. Naar uit kaart 3.6 betreffende de “grondwaterstand” van de kaartbijlage behorende bij de Trajectnota/MER blijkt, varieert de gemiddelde grondwaterstand in de huidige situatie, rekening houdend met autonome ontwikkelingen in Nijmegen, van minder dan 1,5 meter onder maaiveld tot 5 meter onder maaiveld. Gelet op de in bijlage 3, p. 77, van het peilopzetplan opgenomen kaart blijkt dat de GHG in Nijmegen tussen de 0,05 en 0,10 meter zal stijgen. De GLG zal gelet op de op p. 89 opgenomen kaart eveneens met 0,10 meter stijgen, terwijl plaatselijk een stijging van 0,20 meter kan optreden. De GVG zal gelet op de op p. 101 opgenomen kaart tussen de 0,05 en 0,10 meter stijgen. Naar uit het peilopzetplan blijkt is door het uitvoeren van generiek onderzoek bepaald waar de mogelijke gebieden liggen waar overlast als gevolg van een stijging van het grondwater zou kunnen optreden. In het onderzoek is uitgegaan van de aanname dat in gebieden waar een grondwaterstijging optreedt van 0,05 meter of meer in een droge situatie en 0,25 meter of meer in een natte situatie en de GHG dieper is dan 2 meter onder maaiveld in geval van oude bebouwing of 0,70 meter onder maaiveld in geval van nieuwbouw er sprake zal zijn van vernattingsschade. Deze gebieden met een mogelijke toename van de schade aan bebouwing als gevolg van stijgend grondwater (natschade) zijn opgenomen in bijlage 9, p. 145, van het peilopzetplan. Binnen de gemeente Nijmegen zijn de wijken Weezenhof, Malvert/Lankhorst en Winkelsteeg aangewezen als gebieden waar mogelijk een toename van de overlast door het stijgende water ondervonden kan worden. In het rapport “Peilverhoging stuwpand Grave- analyse potentiële grondwateroverlast” van Royal Haskoning van 13 februari 2002 zijn de resultaten van een specifieker onderzoek naar de toename van grondwateroverlast in deze aandachtsgebieden beschreven. Uit dit onderzoek blijkt dat alleen de wijk Weezenhof in Nijmegen wordt aangewezen als risicogebied. Op grond van de uitgevoerde berekeningen wordt in het risicogebied Weezenhof vanwege de beperkte overschrijding van de schadegrens geen schade aan wegen verwacht. In het rapport wordt voorgesteld om mogelijke schade vanwege de stijging van de grondwaterstand te ondervangen door maatregelen te treffen aan de waterafvoer in deze wijk. Naar uit het verweerschrift blijkt zal de Staatssecretaris in overleg met appellant voorafgaand aan de peilopzet die is voorzien in 2005 tot 2008 een plan van aanpak voor waterhuishoudkundige maatregelen opstellen en uitvoeren. De Afdeling wijst er evenwel op dat, zoals zij ook onder 2.12.9.3. ten aanzien van het beroep van [appellant sub 24] heeft overwogen, in evengenoemd onderzoek van 13 februari 2002 geen rekening is gehouden met in woningen aanwezige kelders. De Afdeling is dan ook van oordeel dat het tracébesluit wat betreft de peilopzet in tracédeel 10 (stuwpand Grave) ook op dit punt onzorgvuldig is voorbereid.

De Staatssecretaris stelt zich op het standpunt dat de peilverhoging geen gevolgen zal hebben voor de verspreiding van de bodem- en grondwaterverontreiniging die binnen de gemeente Nijmegen aanwezig zal zijn. Verspreiding van verontreinigingen in het grondwater wordt bepaald door de lokale grondwaterstroming (snelheid en richting) en de mobiliteit van de verontreiniging. Een verandering van de stroomsnelheid van het grondwater kan positief of negatief zijn. Bij een grotere stroomsnelheid zal de spreiding toenemen. Verandering van de stroomrichting is altijd negatief omdat de verontreiniging zich dan over een ander of groter gebied verspreidt. Naar uit de Trajectnota/MER, Basisalternatieven deel 1/Rivierverruiming naar voren komt, geven de resultaten van de berekeningen ten aanzien van de verspreiding van puntverontreinigingen, zoals die in het kader van de m.e.r. zijn uitgevoerd, aan dat de verschillen in grondwaterstanden en grondwaterstromingssnelheid zo gering zijn dat deze niet doorwerken in de berekende verspreiding van verontreinigde stoffen uit puntverontreiniging. Voor de meeste puntverontreinigingen is een neutraal effect berekend dat wil zeggen dat geen wijziging in snelheid of richting van de verspreiding van verontreinigingen plaatsvindt. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat de Staatssecretaris niet van deze gegevens heeft kunnen uitgaan. Het vorenstaande in aanmerking genomen acht de Afdeling niet aannemelijk dat de peilopzet aanzienlijke gevolgen zal hebben voor de bodemverontreiniging.

2.13.3.8. In hetgeen appellant ten aanzien van de gevolgen van de peilopzet heeft aangevoerd ziet de Afdeling, met uitzondering van hetgeen omtrent het onderzoek ten aanzien van de grondwaterstand is overwogen, geen aanleiding voor het oordeel dat de Staatssecretaris niet in redelijkheid in zoverre het tracébesluit heeft kunnen vaststellen. Zoals zij echter naar aanleiding van het beroep van het Recreatieschap Nijmegen en Omstreken onder 2.12.5.3. heeft overwogen, dient het tracébesluit met betrekking tot de peilopzet in tracédeel 10 (Stuwpand Grave) te worden vernietigd. Nu het beroep van het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen onder meer gericht is tegen de gevolgen van evengenoemde peilopzet in tracédeel 10 voor tracédeel 11 is dit beroep op dit onderdeel eveneens gegrond.

2.13.4. [appellant sub 29]

2.13.4.1. [appellant sub 29], die woonachtig is aan de [locatie], te [plaats], voert in beroep aan dat de Staatssecretaris ten onrechte het tracébesluit heeft vastgesteld voor zover daarin is voorzien in peilopzet voor dit tracédeel. Appellant stelt de afgelopen jaren regelmatig wateroverlast te hebben ondervonden. De stijging van de grondwaterstand ten gevolge van de voorgenomen verhoging van het waterpeil zal tot verdere wateroverlast leiden. Tevens zal de stabiliteit van de keermuur in gevaar komen. Appellant vreest tevens voor een verhoogd overstromingsrisico voor de omwonenden. Als alternatief heeft appellant de verlaging van de kanaalbodem naar voren gebracht.

2.13.4.2. Uit het deskundigenbericht blijkt dat de woning van appellant een benedenverdieping heeft onder maaiveldniveau, waarin onder meer een tandartsenpraktijk is gevestigd.

Met betrekking tot de bezwaren ten aanzien van de grondwateroverlast in de wijk Weezenhof verwijst de Afdeling naar hetgeen onder 2.13.3.7. en 2.13.3.8. omtrent het beroep van het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen is overwogen. Dit betekent dat het beroep van [appellant sub 29] eveneens gegrond is. Gelet hierop behoeven de overige bezwaren geen bespreking meer.

2.13.5. [appellant sub 35]

2.13.5.1. [appellant sub 35], die woonachtig is aan de [locatie] te [plaats], voert in beroep aan dat de Staatssecretaris ten onrechte het tracébesluit heeft vastgesteld voor zover daarin is voorzien in peilopzet voor dit tracédeel. Appellant stelt de afgelopen jaren regelmatig wateroverlast te hebben ondervonden, waartegen hij maatregelen heeft genomen. Uit de nota van toelichting bij het tracébesluit, tracédeel 11, blijkt dat de verhoging van de waterstanden in het Maas-Waalkanaal opnieuw tot wateroverlast zal leiden. Hij meent dat volstrekt onvoldoende is onderzocht in welke mate wateroverlast zal optreden en welke maatregelen moeten worden getroffen.

2.13.5.2. Uit het deskundigenbericht blijkt dat de woning van appellant een benedenverdieping heeft onder maaiveldniveau, waarin zich een kantoorruimte en sauna bevinden.

Met betrekking tot de bezwaren ten aanzien van de grondwateroverlast in de wijk Weezenhof verwijst de Afdeling naar hetgeen onder 2.13.3.7. en 2.13.3.8. omtrent het beroep van het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen is overwogen. Dit betekent dat het beroep van [appellant sub 35] eveneens gegrond is. Gelet hierop behoeven de overige bezwaren geen bespreking meer.

2.14. Tracédeel 13 Benedenstrooms Lith

2.14.1. Dit tracédeel volgt de loop van de rivier de Maas vanaf Lith, via Heerewaarden, Kerkdriel, ’s-Hertogenbosch tot en met Hedel. De lengte van dit tracédeel bedraagt 18 km.

In dit tracédeel vinden geen maatregelen plaats om de bescherming tegen overstromingen te verbeteren. Ook in het kader van het deelproject Maasroute zijn hier geen maatregelen gepland. Wel wordt in dit tracédeel het vrijkomend niet-vermarktbaar materiaal geborgen dat vrijkomt bij de verruiming van het zomerbed in het stuwpand Lith.

Dit tracédeel ligt in de provincies Gelderland en Noord-Brabant en valt daarmee buiten de reikwijdte van het streekplan.

2.14.2. Het college van burgemeester en wethouders van Maasdriel

2.14.2.1. Het college van burgemeester en wethouders van Maasdriel voert in beroep aan dat de Staatssecretaris ten onrechte het tracébesluit heeft vastgesteld voor zover daarin is voorzien in een tijdelijk gebruik van de Hedelse Bovenwaarden als bewerkingslocatie voor vermarktbare grond en ook voor opslag van niet-vermarktbare grond. Met betrekking tot de bewerkingslocatie voor vermarktbare grond stelt appellant dat voor de keuze van deze locatie geen of nauwelijks belangenafweging heeft plaatsgevonden. Ten aanzien van de niet-vermarktbare grond acht appellant het tracébesluit te onduidelijk. Niet is aangegeven op welke wijze de specie wordt geborgen. Evenmin is duidelijk wat de toegevoegde waarde is voor de natuurontwikkeling. Appellant vreest voor verontreiniging van het grondwater, nu ook klasse 1 en 2 slib zal worden gestort. Voorts merkt hij op dat het opslaan van slib in strijd is met het bestemmingsplan.

2.14.2.2. Uit de nota van toelichting bij het tracébesluit, tracédeel 13, blijkt dat bij de verruiming van het zomerbed in stuwpand Lith grond vrijkomt. Deels bestaat deze grond uit delfstoffen die vermarkt kunnen worden. Daarnaast komt er bij de rivierverruiming 0,1 miljoen m3 niet-vermarktbare grond vrij, die kan worden geborgen in de nabijgelegen diepe zandwinplas Bovenwaarden. Locatie Bovenwaarden is gelegen binnen de Gelderse gemeente Maasdriel en bestaat uit een waterplas omringd door landbouwgebied in de Maasuiterwaarden, ter hoogte van Maaskilometer 218. Naar uit de stukken blijkt zal de ontgronding in de Bovenwaarden worden beëindigd in 2003-2004. De grond uit het zomerbed van Lith kan gebruikt worden om de plas Bovenwaarden plaatselijk te verondiepen. De locatie maakt deel uit van natuurontwikkelingsproject Fort Sint Andries.

2.14.2.3. Het gebruik van de plas Bovenwaarden als bewerkingslocatie voor vermarktbare grond is niet als maatregel opgenomen in het tracébesluit. Naar uit de nota van toelichting bij het tracébesluit, algemeen deel, blijkt, zal in de plas Bovenwaarden bewerking van vermarktbaar materiaal plaatsvinden dat vrijkomt bij verdieping van het zomerbed in het stuwpand Lith en stuwpand Grave. Hierover vindt nog bestuurlijk overleg plaats. Te zijner tijd zal voor zover nodig deze locatie via een streekplan- en/of bestemmingsplanherziening worden geregeld. Nu deze maatregel niet in het tracébesluit is opgenomen is het beroep in zoverre ongegrond.

2.14.2.4. Wat betreft de berging voor niet-vermarktbare grond heeft de Staatssecretaris op grond van onderzoeken in het kader van de Trajectnota/MER en een aanvullende MER gekozen voor deze locatie. Daarbij is tevens in aanmerking genomen dat gezien de planning van de uitvoering van de verruiming in stuwpand Lith het niet mogelijk bleek deze grond naar de bergingen Lomm of Well-Aijen te brengen. De ontgraving bij deze twee locaties is dan nog niet ver genoeg gevorderd om al grond te kunnen bergen. Dit standpunt van de Staatssecretaris komt de Afdeling niet onjuist voor.

De kwalititeit van de in de Bovenwaarden te bergen grond is vastgelegd in het rapport Bodemonderzoek Zomerbed Zandmaas van 11 januari 2000, DLB2000/690 dat als basis-document voor het (ontwerp-)besluit heeft gediend. Uit bodemonderzoek is gebleken dat deze partij overwegend schone grond (klasse 0) betreft met enkele uitschieters naar klasse 1 en 2. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat de Staatssecretaris niet van deze gegevens mocht uitgaan. Vanwege de beperkte omvang van het te bergen materiaal en de goede kwaliteit van de grond zijn voor deze locatie geen aparte uitlogingsberekeningen gemaakt. De Staatssecretaris verwacht geen problemen ten aanzien van uitloging. Hij acht het niet aannemelijk dat het gebruik van de Bovenwaarden als bergingslocatie risico’s oplevert voor de volksgezondheid dan wel tot aantasting van de drinkwaterkwaliteit zal leiden. De Afdeling is niet aannemelijk geworden dat de Staatssecretaris niet van dit standpunt heeft mogen uitgaan. Zij neemt daarbij in aanmerking, zoals in het deskundigenbericht wordt gesteld, dat de bergingslocatie buiten de 60-dagen zone van het drinkwaterpompstation is gelegen en geen drinkwater wordt opgepompt in dezelfde grondlaag waarin de vermarktbare grond wordt gestort. Voorts zal, zoals eveneens in het deskundigenbericht wordt gesteld, indien er al sprake is van uitloging van de bergingslocatie het verontreinigde gedeelte rondom de bergingslocatie beperkt blijven doordat zware metalen en het aanwezige PAK niet als erg mobiel moeten worden beschouwd en derhalve snel zullen worden gebonden in de bodem rondom de locatie.

Wat betreft de natuurontwikkeling is uit het deskundigenbericht naar voren gekomen dat het oostelijk deel van de plas zich in de afwerkingsfase bevindt en dat daar een begin is gemaakt met de natuurlijke afwerking van de oevers. De huidige ontgronder moet volgens de vergunningvoorschriften een afgesproken eindsituatie opleveren. De natuurontwikkeling ter plaatse maakt geen deel uit van het tracébesluit.

De wijze van het storten van het slib is evenmin in het tracébesluit geregeld en betreft de uitvoering daarvan. De Afdeling is niet aannemelijk gemaakt dat reeds op voorhand ervan moet worden uitgegaan dat de wijze van storten niet in het kader van de eventueel benodigde vergunningen kan worden geregeld.

Voor zover het storten van slib in strijd is met het bestemmingsplan merkt de Afdeling op dat artikel 15, zesde lid, van de Tracéwet bepaalt dat voor zover het tracébesluit in strijd is met het bestemmingsplan het tracébesluit geldt als vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. Ingevolge het negende lid van artikel 15 is de gemeenteraad verplicht binnen een jaar nadat het tracébesluit onherroepelijk is geworden het bestemmingsplan overeenkomstig het tracébesluit vast te stellen of te herzien.

2.14.2.5. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de Staatssecretaris in redelijkheid niet het tracébesluit in zoverre heeft kunnen vaststellen. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat het tracébesluit op dit onderdeel anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van het college van burgemeester en wethouders van Maasdriel is ook in zoverre ongegrond.

2.14.3. [appellant sub 45]

2.14.3.1. [appellant sub 45], die woonachting is op de [locatie] te [plaats], voert in beroep aan dat de Staatssecretaris ten onrechte het tracébesluit heeft vastgesteld voor zover daarin maatregelen zijn opgenomen die een hoogwatergolf tot gevolg hebben en daarbij is voorzien in berging van niet-vermarktbare grond in de zandwinplas Bovenwaarden. Hij heeft bezwaar tegen de opslag van verontreinigd slib. Er is, zo stelt appellant, ten onrechte geen grondwatermodel gemaakt voor de Bovenwaarden. Voorts vreest hij voor geluidoverlast ten gevolge van de uitvoering van het project.

2.14.3.2. De woning van appellant staat tussen de Maas, ter hoogte van Maaskilometer 217, de A2 en de Hedelse Bovenwaarden en wordt niet beschermd door een dijk. Ten noorden van de woning bevindt zich de toegangsroute tot de woning van appellant. De woning staat op een terp op ongeveer 100 meter afstand van de Maas. Naar uit het deskundigenbericht blijkt, ligt de woning ten oosten van de plas Bovenwaarden op een afstand van 200 meter ten opzichte van de bergingslocatie.

2.14.3.3. Uit de stukken, waaronder het verweerschrift, komt naar voren dat de maatregelen in het kader van de Zandmaas zijn gericht op de verhoging van de bescherming van de bewoners in de bekade gebieden van de onbedijkte Maas tot een niveau van 1:250 per jaar. Door de verruiming van het zomer- en winterbed van de rivier worden op de onbedijkte Maas lagere waterstanden gerealiseerd bij extreem hoge afvoeren. Een harde randvoorwaarde die hieraan verbonden is, is dat het waterniveau dat behoort bij een kans van 1:1250 per jaar geen benedenstroomse effecten mag veroorzaken. Maatregelen ter voorkoming van deze benedenstroomse effecten vinden niet plaats in het hier aan de orde zijnde tracédeel. De Staatssecretaris stelt zich op het standpunt dat voor de gronden van appellant aan deze randvoorwaarde wordt voldaan en verwijst hiervoor naar het rapport “Hoogwaterbescherming Zandmaas Brondocument, versie 14 februari 2003”. Dit rapport is door de Staatssecretaris en provinciale staten voor de zitting in de procedure gebracht. Ter zitting is door de Staatssecretaris en provinciale staten toegelicht dat het rapport een actualisatie is van het rapport “Hoogwaterbescherming Zandmaas Brondocument, versie 2 mei 2001”, welk rapport was gebaseerd op het pakket maatregelen dat in de ontwerp-plannen was opgenomen. Omdat de maatregelen enigszins zijn gewijzigd, zijn de berekeningen aangepast en is het brondocument geactualiseerd. In het brondocument zijn de waterstandseffecten van de verschillende maatregelen, zowel afzonderlijk als gezamenlijk, zoals deze bij verschillende hoogwatergolven zullen optreden, weergegeven. Uit het eerstgenoemde brondocument volgt dat de waterstand ter hoogte van Maaskilometer 217 na afronding van het project in 2012 bij een hoogwatergolf met een kans van 1:250 per jaar gelijk zal zijn aan de huidige situatie. Bij een hoogwatergolf met een kans van 1:1250 zal in 2012 de waterstand 0,05 meter lager zijn dan in de huidige situatie. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit standpunt van de Staatssecretaris niet juist is.

2.14.3.4. Wat betreft de bezwaren ten aanzien van de opslag van niet-vermarktbare grond in de plas Bovenwaarden kan allereerst worden verwezen naar hetgeen hieromtrent bij de behandeling van het beroep van het college van burgemeester en wethouders van Maasdriel in 2.14.2.4. is overwogen.

Met betrekking tot de eigen drinkwatervoorziening van appellant is ter zitting door de Staatssecretaris aangegeven dat voorafgaand aan de daadwerkelijke berging in Bovenwaarden in overleg met appellant zal worden bekeken in hoeverre aanvullende maatregen nodig zijn.

2.14.3.5. De bezwaren betreffende de geluidoverlast bij de uitvoering van het project betreffen de uitvoering van het tracébesluit. De Afdeling is niet aannemelijk gemaakt dat reeds op voorhand ervan moet worden uitgegaan dat het beperken van de geluidoverlast tot een aanvaardbaar niveau niet in het kader van de eventueel benodigde vergunningen kan worden geregeld.

2.14.3.6. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de Staatssecretaris in redelijkheid niet het tracébesluit in zoverre heeft kunnen vaststellen. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat het tracébesluit op dit onderdeel anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 45] is ongegrond.

2.14.4. [appellanten sub 55]

2.14.4.1. [appellanten sub 55], die woonachtig is aan de [locatie] te [plaats] en agrarische percelen heeft in de uiterwaarden ter hoogte van [locatie], voert in beroep aan dat de Staatssecretaris ten onrechte het tracébesluit heeft vastgesteld voor zover daarbij in de zandwinplas Bovenwaarden niet-vermarktbare grond kan worden geborgen en daarbij de uiterwaarden als natuurgebied zijn aangemerkt. Appellant stelt allereerst op eerdere inspraak geen antwoord te hebben ontvangen. Hij brengt verder naar voren dat het niet te begrijpen is dat schone grond wordt verwijderd en er vervuilde grond voor in de plaats komt. Hij vreest dat door de storting van slib het opleveren van het natuurgebied jaren zal worden verboden. De stortingen dragen niet bij aan de veiligheid van de bewoners. Voorts vreest appellant dat het aanmerken van de uiterwaarden als natuurgebied voor appellant negatieve alsmede waardebeperkende gevolgen zal hebben.

2.14.4.2. Het aanmerken van de uiterwaarden ter plaatse als natuurgebied is niet als maatregel in het tracébesluit opgenomen. Derhalve is dit onderdeel van het beroep ongegrond.

2.14.4.3. Met betrekking tot het bezwaar van appellant ten aanzien van de inspraak, verwijst de Afdeling naar hetgeen onder 2.5.1. is overwogen.

2.14.4.4. Ten aanzien van het bezwaar betreffende de opslag van niet-vermarktbare grond in de plas Bovenwaarden kan worden verwezen naar hetgeen hieromtrent bij de behandeling van het beroep van het college van burgemeester en wethouders van Maasdriel in 2.14.2.4. is overwogen.

2.14.4.5. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de Staatssecretaris in redelijkheid niet het tracébesluit in zoverre heeft kunnen vaststellen. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat het tracébesluit op dit onderdeel anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellanten sub 55] is ook in zoverre ongegrond.

2.14.5. Het dagelijks bestuur van het Waterschap de Aa, de dijkstoel van het Waterschap de Maaskant, het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant en het dagelijks bestuur van het Waterschap de Dommel

2.14.5.1. Het dagelijks bestuur van het Waterschap de Aa, de dijkstoel van het Waterschap de Maaskant, het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant en het dagelijks bestuur van het Waterschap de Dommel voeren in beroep aan dat de Staatssecretaris het tracébesluit ten onrechte heeft vastgesteld. Zij stellen dat in dit besluit geen maatregelen zijn genomen om een vervroegde stremming van de Aa en de Dommel bij ’s-Hertogenbosch tegen te gaan, met als gevolg dat het beschermingsniveau tegen hoogwater van de stad en zijn omgeving afneemt. Een binnendijkse retentie van naar verwachting 4 miljoen m3 is benodigd om negatieve effecten van deze vervroegde stremming te compenseren. Appellanten achten het noodzakelijk dit expliciet in het tracébesluit te vermelden als noodzakelijke juridische basis voor het vervolgtraject. Voorts dient naar hun mening in het tracébesluit de toezegging te worden opgenomen dat de financiële middelen beschikbaar zijn, die nodig zijn om de als gevolg van het tracébesluit en het streekplan benodigde compensatiemaatregelen voor waterberging te realiseren op basis van de gemiddelde prijs per kubieke meter berging welke volgt uit het nog uit te werken integrale plan van ongeveer 15 miljoen m3. Eveneens dient te worden opgenomen dat wordt bijgedragen in de kosten van de uitwerking van het integrale plan.

2.14.5.2. De dijkstoel van het Waterschap de Maaskant heeft zijn bezwaar ten aanzien van de aankoop van 25 m brede oeverstroken bij Cuijk ter zitting ingetrokken.

2.14.5.3. Onbetwist is dat mede als gevolg van de maatregelen in het tracébesluit en streekplan afvoerproblemen voor de Dommel en de Aa zullen ontstaan en dat hiertoe in het tracébesluit geen maatregelen zijn genomen. Voorts is er, naar uit het verhandelde ter zitting naar voren is gekomen, geen verschil van mening over dat in het beheersgebied van de hiervoor genoemde waterschappen als gevolg van de in het kader van het tracébesluit en streekplan genomen maatregelen 4.000.000 m3 waterberging moet worden gerealiseerd

Uit onderzoek is gebleken dat er verschillende maatregelen mogelijk zijn, aldus de Staatssecretaris. Nader onderzoek zal worden verricht naar mogelijke extra (retentie)maatregelen in de regio. Thans bestaat nog geen duidelijkheid omtrent de precieze aard en locatie van de te treffen retentiemaatregelen. Ter zitting is gebleken dat appellanten bezig zijn met het opstellen van een plan. Gelet op het vorenstaande lag voor de Staatssecretaris het opnemen van een specifieke vermelding van deze maatregelen zoals door appellanten gewenst in het tracébesluit niet voor de hand en evenmin het opnemen van een toezegging omtrent de financiering van de maatregelen. Overigens heeft de Staatssecretaris ter zitting toegezegd een reële bijdrage te leveren aan de waterberging van 4.000.000 m3 .

2.14.5.4. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de Staatssecretaris in redelijkheid niet het tracébesluit in zoverre heeft kunnen vaststellen. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat het tracébesluit op dit onderdeel anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. De beroepen van het dagelijks bestuur van het Waterschap de Aa, de dijkstoel van het Waterschap de Maaskant, gedeputeerde staten van Noord-Brabant en het dagelijks bestuur van het Waterschap de Dommel zijn ongegrond.

2.15. Proceskosten

2.15.1. De Staatssecretaris en provinciale staten dienen op na te melden wijze in de proceskosten van [appellante sub 8], [appellanten sub 72], [appellant sub 74], [appellant sub 14], [appellanten sub 16], [appellant sub 66], [appellant sub 4], [appellant sub 7], het Recreatieschap Nijmegen en omstreken, Camping Eldorado Mook B.V. en andere, [appellante sub 79], [appellanten sub 46] en [appellant sub 100] worden veroordeeld. Ten aanzien van het college van burgemeester en wethouders van Meerssen, Buurtvereniging Voulwames, Stichting Leefbaar Geulle aan de Maas, het dagelijks bestuur van het Waterschap Roer en Overmaas, [appellant sub 30] en anderen, [appellante sub 2], Essent Netwerk B.V., Stichting Beheer Osen, [appellant sub 92], het college van burgemeester en wethouders van Heel, [appellant sub 83], [appellante sub 22], [appellanten sub 21], [appellant sub 34], het college van burgemeester en wethouders van Cuijk, [appellant sub 24], [appellant sub 85], [appellante sub 61], [appellant sub 102], [appellant sub 84], het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen, [appellant sub 29] en [appellant sub 35] is van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, niet gebleken.

Ten aanzien van de overige appellanten bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van de beroepen van

- het college van burgemeester en wethouders van Haelen,

- het beroep van [appellant sub 25], voor het geheel, en de beroepen van

- het dagelijks bestuur van het Waterschap Roer en Overmaas, voor zover het betreft het niet opnemen van kwelvoorzieningen als concrete beleidsbeslissing,

- het algemeen bestuur van het Waterschap Peel en Maasvallei, voor zover het betreft het niet opnemen van de verholen waterkeringen als concrete beleidsbeslissing,

- De Maasterp BV en andere, voor zover het betreft de in het streekplan opgenomen ecologische zone,

- het dagelijks bestuur van het Waterschap Roer en Overmaas, voor zover het betreft het niet opnemen van kwelvoorzieningen als concrete beleidsbeslissing,

- [appellanten sub 12], voor zover het betreft het niet opnemen van kaden bij het industrieterrein Willem Alexander te Roermond als concrete beleidsbeslissing,

- [appellante sub 2], voor zover het betreft de kade rond de woonwijk Sleijdal,

- [appellant sub 92], voor zover het betreft de natuurontwikkeling en de aanwijzing van het retentiegebied ten westen van het Lateraalkanaal als zoekgebied voor kadespecie,

- het college van burgemeester en wethouders van Heel, voor zover het betreft het niet opnemen van kaden rondom Nederhoven en Pannenhof als concrete beleidsbeslissing en het verplaatsen van de weg langs het Lateraalkanaal,

- [appellant sub 14], voor zover het betreft de splitsing van de maatregelen in twee pakketten,

- [appellant sub 83], voor zover het betreft de inrichting van het retentiegebied langs het Lateraalkanaal en de maatregelen uit pakket 2,

- Stichting Ruimte, voor zover het betreft de inrichting van het retentiegebied,

- Stichting Afdelingscommissie Belletable, voor zover haar beroep is gericht tegen het streekplan,

- Watersportvereniging “De Maas”, voor zover haar beroep is gericht tegen het streekplan,

- het college van burgemeester en wethouders van Maasbree, voor zover het betreft de nevengeul “Belfeld-west”, de verbreding van het winterbed en de verplaatsing van glastuinbouwbedrijven,

- [appellanten sub 91] en Y.A. Broekman-Spek, voor zover hun beroep is gericht tegen het streekplan,

- Rekreatiepark Leukermeer B.V. en andere, voor zover hun beroep is gericht tegen het streekplan,

- het college van burgemeester en wethouders van Bergen, voor zover het betreft het niet opnemen van kaden rondom enige solitaire buitenkaadse bebouwing als concrete beleidsbeslissing,

- [appellant sub 28], voor zover het betreft de aanpassing van de begrenzing tussen het stroomvoerend en waterbergend winterbed,

- [appellant sub 96], voor zover het betreft de aanwijzing van het Heukelomse beekgebied als natuurgebied,

- [appellant sub 26], voor zover het betreft de aanwijzing van het Heukelomse beekgebied als natuurgebied,

- [appellant sub 99], voor zover het betreft de aanwijzing van het Heukelomse beekgebied als natuurgebied,

- [appellant sub 94], voor zover het betreft de aanwijzing van het Heukelomse beekgebied als natuurgebied,

- [appellant sub 97], voor zover het betreft de aanwijzing van het Heukelomse beekgebied als natuurgebied,

- [appellanten sub 51], voor zover het betreft de natuurlijke oever te Heukelom,

- L.P. Lommen en S.A. Lommen-de Heer, voor zover het betreft de nevengeul Sambeek-oost,

- [appellant sub 5], voor zover betreft het niet opnemen van een kade rond zijn perceel en woning als concrete beleidsbeslissing;

- [appellant sub 102], voor zover dat betreft de in het streekplan opgenomen rivierverruiming en natuurontwikkeling;

II. verklaart de beroepen van

- het college van burgmeester en wethouders van Meerssen,

- Buurtvereniging Voulwames,

- Stichting Leefbaar Geulle aan de Maas,

- [appellante sub 8],

- [appellanten sub 72],

- [appellanten sub 16],

- [appellant sub 66],

- [appellant sub 4],

- [appellante sub 22],

- [appellant sub 7],

- [appellanten sub 21],

- het Recreatieschap Nijmegen en Omstreken,

- [appellant sub 34],

- Camping Eldorado Mook B.V. en andere,

- [appellant sub 24],

- [appellant sub 85],

- [appellante sub 61],

- [appellant sub 84],

- [appellant sub 100],

- [appellant sub 29],

- [appellant sub 35],

geheel, en de beroepen van

- het dagelijks bestuur van het Waterschap Roer en Overmaas,

- [appellanten sub 30],

- [appellante sub 2],

- [appellant sub 74],

- Essent Netwerk B.V.,

- Stichting Beheer Osen,

- [appellant sub 92],

- het college van burgemeester en wethouders van Heel,

- [appellant sub 14],

- [appellant sub 83],

- het college van burgemeester en wethouders van Cuijk,

- de [appellante sub 79],

- [appellant sub 102],

- [appellanten sub 46],

- het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen, gedeeltelijk gegrond;

III. vernietigt het besluit van de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat in overeenstemming met de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 12 maart 2002 (tracébesluit Zandmaas/Maasroute) voor zover het betreft:

1. de aanduidingen “permanent ruimtebeslag” en “tijdelijk ruimtebeslag” tussen kanaalkilometer 2.9 en 12.0,

2. de peilopzet van 0,50 meter in tracédeel 10 (Stuwpand Grave);

IV. vernietigt het besluit van provinciale staten van Limburg van 1 februari 2002 (Provinciaal Omgevingsplan Limburg, Aanvulling Zandmaas) voor zover het betreft:

1. de concrete beleidsbeslissing voor Roermond ”Gelet op de overwegingen zoals deze in de hoofdstukken 1, 2 en 3 van dit kadeplan zijn opgenomen wijst de provincie trajecten aan voor de aanleg en/of verhoging van kaden. De provincie stelt daarbij ook vast: de hoogte van de kaden ten opzichte van het Normaal Amsterdams Peil (NAP), het type constructie, het maximale ruimtebeslag en eventuele andere randvoorwaarden. De trajecten die aangewezen worden, zijn weergegeven in:

- voor de kadetracés: het ruimtebeslag zoals dat is weergegeven op kaartbladen 10 en 11, Kaartenatlas POL Zandmaas,

- voor de nieuwe kadehoogten ten opzichte van NAP: de tabellen 3.1 tot en met 3.7, inclusief de bijbehorende beschrijvende teksten in de paragrafen 3.1 tot en met 3.5,

- voor de constructietypen: de constructietypen zoals weergegeven op de kaartbladen 10 en 11, Kaartenatlas POL Zandmaas en de tabellen 3.1 tot en met 3.7, inclusief de bijbehorende beschrijvende teksten in de paragrafen 3.1 tot en met 3.5,” voor zover deze beslissing betrekking heeft op de kadevakken 50.740/1, 50.750/9-1, 50.740/13-2 en 50.750/5 tot en met 7,

2. de concrete beleidsbeslissing “De provincie besluit kaden en in- en uitlaatwerken aan te leggen voor het functioneren van het retentiegebied Lateraalkanaal west conform de in dit POL Zandmaas beschreven richtlijnen

(tabel 3.1) en zoals op kaart 6 en 7 van de Kaartenatlas POL Zandmaas is weergegeven.”, voor zover deze beslissing betrekking heeft op het zuidelijke

gedeelte van het retentiegebied, zoals omschreven in tabel 3.1. en weergegeven op kaart 6 en 7 van de Kaartenatlas POL Zandmaas,

3. de concrete beleidsbeslissing voor Venlo “Gelet op de overwegingen zoals deze in de hoofdstukken 1, 2 en 4 van dit Kadeplan zijn opgenomen wijst de provincie trajecten aan voor de aanleg en/of verhoging van kaden. De provincie stelt daarbij ook vast: de hoogte van de kaden ten opzichte van het Normaal Amsterdams Peil (NAP), het type constructie, het maximale ruimtebeslag en eventuele andere randvoorwaarden. De trajecten die aangewezen worden, zijn weergegeven in:

- voor de kadetracé’s: het ruimtebeslag zoals dat weergegeven is op kaartbladen 12 en 13, Kaartenatlas POL Zandmaas;

- voor de nieuwe kadehoogten ten opzichte van NAP: de tabellen 4.1 tot en met 4.5, inclusief de bijbehorende beschrijvende teksten in de paragrafen 4.1 tot en met 4.6;

- voor de constructietypen: de constructietypen zoals weergegeven op de kaartbladen 12 en 13, Kaartenatlas POL Zandmaas en de tabellen 4.1 tot en met 4.5, inclusief de bijbehorende beschrijvende teksten in de paragrafen 4.1 tot en met 4.6.”, voor zover deze beslissing betrekking heeft op de kadevakken VEN.2.K/NK en VEN.2.K/NM;

V. verklaart de beroepen van

- de ZLTO en GLTO,

- [appellanten sub 56],

- het college van burgemeester en wethouders van Stein,

- Buurtvereniging St. Johannes Nepomucenus Ool,

- [appellanten sub 31],

- [appellant sub 17],

- [appellanten sub 54],

- [appellant sub 37],

- [appellante sub 3],

- [appellanten sub 44],

- [appellant sub 67],

- [appellant sub 68],

- [appellant sub 69],

- [appellant sub 70],

- [appellanten sub 47],

- [appellanten sub 49],

- Stichting Waterscouting Roermond,

- Steelhaven B.V.,

- het college van burgemeester en wethouders van Roermond,

- [appellante sub 81],

- [appellant sub 36],

- [appellanten sub 33],

- Océ-Technologies B.V.,

- [appellant sub 57],

- [appellante sub 32],

- [appellant sub 82],

- Stichting Lomm Actief en andere,

- het college van burgemeester en wethouders van Arcen en Velden,

- [appellant sub 88],

- [appellanten sub 89],

- [appellanten sub 71],

- [appellant sub 11] en anderen,

- [appellant sub 98],

- [appellant sub 93],

- [appellant sub 27],

- [appellant sub 95],

- [appellant sub 101],

- [appellanten sub 50],

- het college van burgemeester en wethouders en de gemeenteraad

van Beuningen,

- het college van burgemeester en wethouders van Maasdriel,

- [appellant sub 45],

- [appellanten sub 55],

- het dagelijks bestuur van het Waterschap de Aa,

- de dijkstoel van het Waterschap de Maaskant,

- gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

- het dagelijks bestuur van het Waterschap de Dommel geheel, en de beroepen van

- het dagelijks bestuur van het Waterschap Roer en Overmaas,

- het algemeen bestuur van het Waterschap Peel en Maasvallei,

- De Maasterp BV en andere,

- [appellanten sub 30],

- [appellant sub 74],

- Essent Netwerk B.V.,

- Stichting Beheer Osen,

- maatschap Jenniskens,

- [appellant sub 14],

- Stichting Ruimte,

- [appellant sub 83],

- Stichting Afdelingscommissie Belletable,

- Watersportvereniging “De Maas”,

- het college van burgemeester en wethouders van Maasbree,

- [appellanten sub 12],

- [appellanten sub 91],

- Rekreatiepark Leukermeer B.V. en andere,

- [appellant sub 94],

- het college van burgemeester en wethouders van Bergen,

- [appellant sub 28],

- [appellant sub 96],

- [appellant sub 26],

- [appellant sub 99],

- [appellant sub 97],

- [appellanten sub 51],

- [appellanten sub 73],

- [appellant sub 5],

- het college van burgemeester en wethouders van Cuijk,

- de B.V. Grint- en Zandexploitatie Maatschappij v/h Gebrs Smals,

- [appellanten sub 46] en P.J.J. Gerrits,

- het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen, voor het overige, ongegrond;

VI. veroordeelt de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat, in overeenstemming met de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, en de provincie Limburg in de door appellanten in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een totaal bedrag van € 10.471,04;

een deel van het bedrag dient door de Staat der Nederlanden als volgt te worden vergoed aan:

- [appellante sub 8] € 54,60

- Recreatieschap Nijmegen en omstreken € 6785,30, waarvan een gedeelte groot € 805,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- Camping Eldorado Mook B.V. en andere € 880,70 ,waarvan een gedeelte groot € 805,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- B.V. Grint- en Zandexploitatie Maatschappij v/h Gebrs Smals € 130,08;

- [appellanten sub 46] en P.J.J. Gerrits € 322,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- [appellant sub 100] € 483,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

een deel van het bedrag dient door de provincie Limburg als volgt te worden vergoed aan:

- [appellanten sub 72] € 133,68;

- [appellant sub 74] € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- [appellant sub 14] € 133,68;

- [appellanten sub 16] € 104,00;

- [appellant sub 66] € 696,00, waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- [appellant sub 4] € 52,00;

- [appellant sub 7] € 52,00;

VII. 1. gelast dat de Staat der Nederlanden aan :

- [appellante sub 8],

- [appellant sub 24],

- [appellant sub 85],

- [appellant sub 102],

- [appellanten sub 46],

- [appellant sub 84],

- [appellant sub 100],

- [appellant sub 29],

- [appellant sub 35],

afzonderlijk het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 109,00) vergoedt en aan

- het college van burgemeester en wethouders van Meerssen,

- Buurtvereniging Voulwames,

- Stichting Leefbaar Geulle aan de Maas,

- het Recreatieschap Nijmegen en Omstreken,

- [appellant sub 34],

- Camping Eldorado Mook B.V. en andere,

- het college van burgemeester en wethouders van Cuijk,

- [appellante sub 61],

- [appellante sub 79],

- het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen,

afzonderlijk het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 218,00) vergoedt;

2. gelast dat de provincie Limburg aan:

- [appellanten sub 30],

- [appellanten sub 72],

- [appellante sub 2],

- [appellant sub 74],

- [appellant sub 14],

- [appellanten sub 16],

- [appellant sub 83],

- [appellant sub 66],

- [appellant sub 4],

- [appellante sub 22],

- [appellant sub 7],

- [appellanten sub 21] en H.M.E. Leenen,

afzonderlijk het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 109,00) vergoedt en aan

- het dagelijks bestuur van het Waterschap Roer en Overmaas,

- Essent Netwerk B.V.,

- Stichting Beheer Osen,

- [appellant sub 92],

- het college van burgemeester en wethouders van Heel,

afzonderlijk het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 218,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, Voorzitter, en mr. R. Cleton en mr. A. Kosto, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.G.L. de Vette, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel w.g. De Vette

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2003

196-350.