Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AH9209

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-06-2003
Datum publicatie
04-07-2003
Zaaknummer
200302789/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 augustus 2000 heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan verzoekster voor een periode van tien jaar een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor haar inrichting voor het storten en be- en verwerken van afval op het perceel [locatie] te [plaats].

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 10.14
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAF 2003/24 met annotatie van Van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200302789/2.

Datum uitspraak: 10 juni 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoekster], gevestigd te [plaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Utrecht,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 augustus 2000 heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan verzoekster voor een periode van tien jaar een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor haar inrichting voor het storten en be- en verwerken van afval op het perceel [locatie] te [plaats].

De Afdeling heeft dit besluit, naar aanleiding van het hiertegen door onder meer verzoekster ingestelde beroep, bij haar uitspraak van 4 december 2002, nummer 200005047/2, gedeeltelijk vernietigd en verweerder opgedragen binnen twaalf weken na de verzending van de uitspraak met inachtneming daarvan een nieuw besluit te nemen.

Naar aanleiding van deze uitspraak heeft verweerder bij besluit van 11 maart 2003, nummer 2003WEM001058i, voorzover hier van belang, een aantal voorschriften, verbonden aan de bij besluit van 30 augustus 2000 verleende revisievergunning, gewijzigd. Dit besluit is op 20 maart 2003 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief van 29 april 2003, bij de Raad van State ingekomen op 1 mei 2003, beroep ingesteld.

Bij brief van 29 april 2003, bij de Raad van State ingekomen op 1 mei 2003, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 3 juni 2003, waar verzoekster, vertegenwoordigd door mr. F.P.J.M. Otten, advocaat te Utrecht, [directeur], en [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door mr. N.S.J. Koeman, advocaat te Amsterdam, mr. J.W.L. Bakker, G.J. Versteeg en ing. F.G. Hoffer, ambtenaren van de provincie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Verzoekster stelt allereerst dat verweerder het besluit van 11 maart 2003 niet heeft genomen binnen de door de Afdeling gestelde termijn van twaalf weken na verzending van de uitspraak.

De Voorzitter overweegt dat een overschrijding van de beslistermijn de rechtmatigheid van het besluit niet aantast. In deze grond ziet de Voorzitter dan ook geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

2.3. Verzoekster kan zich niet verenigen met het nieuwe voorschrift 6.1.1. In dit verband voert zij als bezwaar van formele aard aan dat verweerder voor de voorbereiding van het bestreden besluit ten onrechte niet de in paragraaf 3.5.6 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure heeft gevolgd. Verder voert zij – kort samengevat - aan dat voorschrift 6.1.1 onwerkbaar is voor een bestaande stortplaats en in strijd met het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen (hierna: BSSA).

2.3.1. Bij haar uitspraak van 4 december 2002 heeft de Afdeling met betrekking tot het aan de revisievergunning uit 2000 verbonden voorschrift 6.1.1, waarin is bepaald dat slechts C3-afvalstoffen die conform de circulaire “Storten van gevaarlijke afvalstoffen, december 1999, ministerie van VROM” als C3-afvalstoffen moeten worden aangemerkt, mogen worden gestort, geoordeeld dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het belang van het milieu zich ertegen verzet dat ook gevaarlijke afvalstoffen met een gloeirest van minder dan 90% worden gestort onder de in de “Grenswaardennotitie, storten van gevaarlijk afval” uit 1993 genoemde condities. De Afdeling heeft daarop het besluit tot vergunningverlening vernietigd voorzover in voorschrift 6.1.1 niet is toegestaan dat op de C3-stortplaats onder de in de “Grenswaardennotitie, storten van gevaarlijk afval” genoemde condities ook gevaarlijke afvalstoffen met een gloeirest kleiner dan 90% mogen worden gestort.

De Voorzitter constateert dat verweerder naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling, met inachtneming van het thans geldende recht en beleid, opnieuw in de zaak heeft voorzien door aan de vergunning een nieuw voorschrift 6.1.1 te verbinden. Daarbij heeft verweerder het niet nodig gevonden een nieuw ontwerp-besluit op te stellen en ter inzage te leggen.

De Voorzitter overweegt dat in het geval van (gedeeltelijke) vernietiging van een besluit door de bestuursrechter, het het bevoegd gezag in beginsel vrij staat om bij het opnieuw in de zaak voorzien terug te vallen op de procedure die aan het vernietigde besluit ten grondslag lag. Er kunnen zich echter omstandigheden voordoen waarin het uit een oogpunt van zorgvuldige voorbereiding van een besluit, mede gelet op de aard en de ernst van de gebreken die tot vernietiging hebben geleid en het verhandelde in die eerste procedure, niet passend moet worden geoordeeld indien het bevoegd gezag ermee volstaat terug te vallen op de eerdere procedure, en niet een nieuw ontwerp-besluit opstelt en ter inzage legt. Van dergelijke omstandigheden is de Voorzitter niet gebleken, zodat er geen grond bestaat voor het oordeel dat verweerder een nieuw ontwerp-besluit had moeten opstellen en ter inzage had moeten leggen.

2.3.2. In het nieuwe voorschrift 6.1.1 is – kort samengevat – bepaald dat slechts afvalstoffen die conform het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen kunnen worden aangemerkt als C3-afvalstoffen, mogen worden gestort. In afwijking hiervan kan door gedeputeerde staten op aanvraag ontheffing worden verleend voor afvalstoffen die op basis van hun organisch stofgehalte niet kunnen worden aangemerkt als C3-afvalstof indien dit organisch stofgehalte niet door middel van een voorbehandeling verlaagd kan worden en de stort van deze afvalstoffen verantwoord is in verband met verzuring van C3-stortcompartiment en de negatieve gevolgen op de uitloging van de overige gestorte C3-afvalstoffen.

2.3.3. Voorzover verzoekster stelt dat het ontheffingensysteem, zoals dat uit voorschrift 6.1.1 volgt, voor haar inrichting niet goed werkbaar is gelet op de criteria waaraan verweerder de aanvraag om ontheffing zal toetsen, waaronder met name de zekerheid dat het totale gehalte aan organische stof overal in het stortlichaam beneden de 5% blijft, overweegt de Voorzitter dat deze criteria niet in voorschrift 6.1.1, noch in andere voorschriften behorende bij het bestreden besluit zijn opgenomen. De criteria waarop verzoekster doelt maken geen deel uit van het dictum van het bestreden besluit en kunnen als zodanig dan ook niet in onderhavige procedure aan de orde worden gesteld. Het bestreden besluit bevat wel een overweging waaruit blijkt dat verweerder bij de toetsing van de aanvraag om ontheffing de criteria die in het Landelijk afvalbeheerplan 2002-2012 (hierna: LAP) worden genoemd zal hanteren, doch deze overweging is geen op zelfstandig rechtsgevolg gericht onderdeel van het bestreden besluit. Overigens staat tegen een besluit waarbij al dan niet ontheffing op basis van het voorschrift wordt verleend, bezwaar en beroep open.

2.3.4. Voorzover verzoekster - onder verwijzing naar artikel 1, eerste lid, aanhef en onder 24 in samenhang bezien met artikel 2, aanhef en onder f, van het BSSA en sectorplan 22 van het LAP - stelt dat in voorschrift 6.1.1 ten onrechte geen uitzondering is gemaakt voor ernstig verontreinigde grond waarvan het Service Centrum Grond heeft vastgesteld dat deze niet reinigbaar is, en dat verweerder daarmee in strijd heeft gehandeld met het BSSA, deelt de Voorzitter deze stelling niet.

Verweerder heeft naar het oordeel van de Voorzitter terecht naar voren gebracht dat het op grond van de door verzoekster aangehaalde bepalingen uit het BSSA en het LAP weliswaar mogelijk is om niet-reinigbare ernstig verontreinigende grond, al dan niet aangewezen als gevaarlijk afval, te storten op stortplaatsen voor gevaarlijk afval, maar dat dit niet betekent dat het storten van deze grond ook op de onderhavige stortplaats moet worden toegestaan. Het BSSA bevat naast de stortverboden en de daarop gestelde uitzonderingen, waarop verzoekster doelt, specifieke bepalingen met betrekking tot de acceptatie van afvalstoffen op stortplaatsen. Deze bepalingen voorzien in onder meer een verplichting voor het bevoegd gezag om in de vergunning voor een stortplaats een aantal voorschriften op te nemen. Blijkens het bestreden besluit heeft verweerder met het opnemen van voorschrift 6.1.1 aan de verplichting, zoals deze volgt uit de artikelen 11b, eerste lid, onderdeel b, en 11c, eerste lid, aanhef en onder b, van het BSSA, uitvoering gegeven. De Voorzitter ziet geen reden om aan te nemen dat de wijze waarop verweerder dit heeft gedaan op zichzelf strijdig is met het BSSA.

2.3.5. De Voorzitter overweegt verder dat verweerder zich blijkens het bestreden besluit wat de in voorschrift 6.1.1 opgenomen ontheffingsregeling betreft heeft gebaseerd op het LAP, waarmee hij ingevolge artikel 10.14 van de Wet milieubeheer rekening moet houden. In het LAP is bepaald dat te storten C3-afvalstoffen een organisch stofgehalte van minder dan 10%, of 5% oxideerbaar koolstof, dienen te hebben. Indien verlaging van het organisch stofgehalte niet mogelijk is door middel van een voorbehandeling, is het storten op een C3-stortplaats volgens het LAP op basis van een gevraagde ontheffing, die wordt beoordeeld aan de hand van bepaalde criteria, toegestaan.

Nu voorschrift 6.1.1 in zoverre overeenstemt met het LAP, ziet de Voorzitter in hetgeen verzoekster bij nadere memorie en ter zitting heeft aangevoerd - onder andere met betrekking tot de in 1994 vergunde situatie en de acceptatiemogelijkheden bij andere stortplaatsen - geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder, gegeven de hem toekomende beoordelingsvrijheid, niet in redelijkheid dit voorschrift aan de vergunning heeft kunnen verbinden. Daarbij heeft de Voorzitter in aanmerking genomen dat verweerder naar zijn oordeel met het opnemen van de ontheffingsregeling in voldoende mate gevolg heeft gegeven aan de uitspraak van de Afdeling van 4 december 2002. Dat verweerder in het bestreden besluit geen aandacht heeft besteed aan de, in de uitspraak van de Afdeling genoemde “Grenswaardennotitie, storten van gevaarlijk afval” uit 1993, zoals verzoekster ter zitting heeft gesteld, maakt dit - gelet op het thans geldende LAP - niet anders.

2.4. Gelet op het voorgaande ziet de Voorzitter aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. S.L. Toorenburg-Bovenkerk, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll w.g. Toorenburg-Bovenkerk

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2003

334.