Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AH9081

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-06-2003
Datum publicatie
02-07-2003
Zaaknummer
200303330/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 april 2003, kenmerk 191/03, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan de gemeente Leiden, dienst Milieu en Beheer, sector Wijkbeheer (hierna: de sector Wijkbeheer), een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een wijkonderkomen, gelegen aan de Hallenweg 14 te Leiden, kadastraal bekend gemeente Leiden, sectie K, nummer 4588, gedeeltelijk. Dit besluit is op 29 april 2003 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200303330/2.

Datum uitspraak: 24 juni 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoeker], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Leiden,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 april 2003, kenmerk 191/03, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan de gemeente Leiden, dienst Milieu en Beheer, sector Wijkbeheer (hierna: de sector Wijkbeheer), een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een wijkonderkomen, gelegen aan de Hallenweg 14 te Leiden, kadastraal bekend gemeente Leiden, sectie K, nummer 4588, gedeeltelijk. Dit besluit is op 29 april 2003 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 20 mei 2003, bij de Raad van State ingekomen op 21 mei 2003, beroep ingesteld.

Bij deze brief heeft verzoeker de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 17 juni 2003, waar verzoeker in persoon en bijgestaan door [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door [gemachtigde], zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Verzoeker betoogt dat verweerder ten onrechte een revisievergunning heeft verleend, omdat daardoor in strijd met het bepaalde in artikel 8.4, derde lid, van de Wet milieubeheer de rechten die verzoeker aan een eerder verleende vergunning ontleende, komen te vervallen. Verzoeker stelt in dit verband met de gemeente in overleg te zijn om het hele gebied te gaan herontwikkelen. Bovendien is het gebruik van het betreffende perceel door de gemeente volgens verzoeker slechts van tijdelijke aard.

2.3. De Voorzitter overweegt als volgt. Bij besluit van 12 augustus 1988 is voor onbepaalde tijd een vergunning ingevolge de Hinderwet verleend aan de [voormalig huurder], die tot 30 september 1998 huurder was van het onderhavige perceel. Verzoeker is eigenaar van het perceel en heeft het perceel thans aan de sector Wijkbeheer verhuurd. Het is de Voorzitter uit de stukken gebleken dat de door de sector Wijkbeheer aangevraagde inrichting ongeveer driekwart van de aan [voormalig huurder] vergunde inrichting beslaat en wezenlijk andere activiteiten betreft dan in de onderliggende vergunning aan [voormalig huurder] vergund. De Voorzitter overweegt echter dat de Wet milieubeheer zich er niet tegen verzet dat een revisievergunning wordt verleend voor een wezenlijk andere inrichting dan die waarop de onderliggende vergunning ziet. Gelet op het vorenstaande is de Voorzitter van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat aan de sector Wijkbeheer een revisievergunning wordt verleend. Ingevolge artikel 8.4, vierde lid, van de Wet milieubeheer komt de vergunning van 12 augustus 1988 derhalve te vervallen met ingang van het tijdstip waarop de onderhavige vergunning onherroepelijk wordt.

2.4. Gelet op het vorenstaande wijst de Voorzitter het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. R.G.P. Oudenaller, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd w.g. Oudenaller

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2003

179-415.