Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AH9069

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-06-2003
Datum publicatie
02-07-2003
Zaaknummer
200302679/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 november 2002, kenmerk NL101131, heeft verweerder bezwaar gemaakt tegen het voornemen van verzoekster om, met gebruikmaking van de procedure van algemene kennisgeving als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de Verordening 259/93/EEG van 1 februari 1993 betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschap (hierna te noemen: de EVOA), 40.000.000 kg mengsel van papier, karton, hout, metalen, textiel, kunststoffen en mineralen uit te voeren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200302679/2.

Datum uitspraak: 25 juni 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoeker], gevestigd te [plaats],

en

de staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 november 2002, kenmerk NL101131, heeft verweerder bezwaar gemaakt tegen het voornemen van verzoekster om, met gebruikmaking van de procedure van algemene kennisgeving als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de Verordening 259/93/EEG van 1 februari 1993 betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschap (hierna te noemen: de EVOA), 40.000.000 kg mengsel van papier, karton, hout, metalen, textiel, kunststoffen en mineralen uit te voeren.

Bij besluit van 9 april 2003, kenmerk IMA 2003-7719, heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief van 25 april 2003, bij de Raad van State ingekomen op 28 april 2003, beroep ingesteld.

Bij deze brief heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 5 juni 2003, waar verzoekster, vertegenwoordigd door [gemachtigden], en verweerder, vertegenwoordigd door mr. R. Ahraoui en mr. ing. J.A. Koreman, ambtenaren van het ministerie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. In artikel 28, eerste lid, van de EVOA is –voorzover hier van belang– bepaald dat de kennisgever met inachtneming van zijn verplichtingen uit hoofde van de toepasselijke artikelen 3, 6, 9, 15, 17, 20, 22, 23 en 24 gebruik kan maken van een procedure van algemene kennisgeving, wanneer voor verwijdering of nuttige toepassing bestemde afvalstoffen met dezelfde fysische of chemische eigenschappen periodiek via dezelfde route naar dezelfde ontvanger worden overgebracht.

2.3. Verweerder heeft in het bestreden besluit overwogen dat de afzonderlijk over te brengen partijen afvalstoffen niet dezelfde fysische of chemische eigenschappen bezitten zoals artikel 28, eerste lid, van de EVOA vereist.

2.4. Verzoekster heeft ter zitting onweersproken gesteld dat anders dan ten tijde van de kennisgeving NL101131 de restfractie niet meer wordt afgenomen van tien bedrijven maar slechts van AVR Zuid BV te Heerlen, AVR Midden BV te Utrecht en HRM BV te Den Haag. Gezien het sorteerproces van deze drie bedrijven voldoet de restfractie aan de weergegeven samenstelling in kennisgeving NL101131 en bezitten deze dezelfde fysische of chemische eigenschappen als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de EVOA, aldus verzoekster. Zij heeft ter zitting aangekondigd binnen twee weken drie afzonderlijke kennisgevingen te doen voor de uitvoer van de restfractie van deze drie bedrijven naar Duitsland. Verzoekster heeft de Voorzitter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen waarmee zij tot het moment waarop zij toestemming heeft van de bevoegde autoriteiten krachtens de nieuwe kennisgevingen de afvalstoffen van voormelde bedrijven naar Duitsland te exporteren zij dit mag doen krachtens de kennisgeving NL101131.

2.5. Nu verzoekster ter zitting voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat, gezien de toegepaste sorteerprocessen, de restfractie van de drie voormelde bedrijven aan de weergegeven samenstelling in kennisgeving NL101131 voldoet en deze dezelfde fysische of chemische eigenschappen bezitten, ziet de Voorzitter bij afweging van de betrokken belangen aanleiding de na te melden voorlopige voorzieningen te treffen.

2.6. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van de staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 9 april 2003, kenmerk IMA 2003-7719, voorzover daarbij is gehandhaafd het bezwaar tegen de export van afvalstoffen als vermeld in kennisgeving NL101131 die afkomstig zijn van AVR Zuid BV te Heerlen, AVR Midden BV te Utrecht en HRM BV te Den Haag;

II. treft de voorlopige voorziening dat aan verzoekster, mits zij met betrekking tot de van AVR Zuid BV, AVR Midden BV en HRM BV afkomstige afvalstoffen de hiertoe vereiste nieuwe kennisgevingen voor de overbrenging naar Duitsland heeft gedaan, wordt geacht toestemming te zijn gegeven voor de overbrenging van afvalstoffen afkomstig van deze bedrijven overeenkomstig het kennisgevingsformulier NL101131, voorzover het afvalstoffen van voormelde bedrijven betreft;

III. bepaalt dat de voorlopige voorzieningen onder I. en II. vervallen zodra bevoegde autoriteiten naar aanleiding van de onder II. bedoelde kennisgevingen toestemming hebben verleend voor, dan wel bezwaar hebben gemaakt tegen de overbrenging van de betrokken afvalstoffen naar Duitsland;

IV. gelast dat de Staat der Nederlanden (het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer) aan verzoekster het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht (€ 232,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd w.g. Van Hardeveld

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 juni 2003

312.