Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AH9055

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-07-2003
Datum publicatie
02-07-2003
Zaaknummer
200205970/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 februari 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Ouderkerk (hierna: het college) appellanten onder aanzegging van bestuursdwang gelast om in het gebied tussen het perceel [locatie] en [locatie] een viertal dammen in een tweetal sloten te verwijderen, de demping van deze sloten tussen twee dammen ongedaan te maken, in het gebied tussen beide percelen en op het [locatie] de opslag van baggermaterialen en stalling van bedrijfsvoertuigen te beëindigen, de op dat perceel geplaatste zeecontainers en daarop geplaatste ijzeren stellage te verwijderen alsmede het perceel in de oude toestand te herstellen en de met het bestemmingsplan strijdige bedrijfsactiviteiten te beëindigen. Bij dat besluit heeft het college tevens het besluit van 12 januari 1999, waarbij appellante sub 1 onder oplegging van een dwangsom werd gelast op de hiervoor aangegeven locaties de vier dammen te verwijderen en de sloten te dempen alsmede de opslag van baggermaterialen en stalling van bedrijfsvoertuigen te beëindigen, ingetrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200205970/1.

Datum uitspraak: 2 juli 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

1. [appellante sub 1] en

2. [appellante sub 2] beide gevestigd te [plaats], en

3. [appellant], wonend te [woonplaats],

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank te 's-Gravenhage van 27 september 2002 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Ouderkerk.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 februari 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Ouderkerk (hierna: het college) appellanten onder aanzegging van bestuursdwang gelast om in het gebied tussen het perceel [locatie] en [locatie] een viertal dammen in een tweetal sloten te verwijderen, de demping van deze sloten tussen twee dammen ongedaan te maken, in het gebied tussen beide percelen en op het [locatie] de opslag van baggermaterialen en stalling van bedrijfsvoertuigen te beëindigen, de op dat perceel geplaatste zeecontainers en daarop geplaatste ijzeren stellage te verwijderen alsmede het perceel in de oude toestand te herstellen en de met het bestemmingsplan strijdige bedrijfsactiviteiten te beëindigen. Bij dat besluit heeft het college tevens het besluit van 12 januari 1999, waarbij appellante sub 1 onder oplegging van een dwangsom werd gelast op de hiervoor aangegeven locaties de vier dammen te verwijderen en de sloten te dempen alsmede de opslag van baggermaterialen en stalling van bedrijfsvoertuigen te beëindigen, ingetrokken.

Bij besluit van 28 augustus 2001 heeft het college het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar gegrond verklaard voorzover het betreft op de bestemming “bedrijfsterrein II” geplaatse zeecontainers, het besluit in zoverre herroepen, de bezwaren voor het overige ongegrond verklaard en bepaald dat de nadere begunstigingstermijn van drie maanden begint op de dag na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.

Bij uitspraak van 27 september 2002, verzonden op 30 september 2002, heeft de rechtbank te 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 8 november 2002, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 13 januari 2003 heeft het college een memorie van antwoord ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 maart 2003, waar appellanten, vertegenwoordigd door mr. H.H. Luigies, advocaat te Rotterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. H.J.M. Winkelhuijzen, advocaat te Alphen aan den Rijn, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Bij besluit van 12 januari 1999 heeft het college appellante sub 1 onder oplegging van een dwangsom gelast op de hiervoor aangegeven locaties de vier dammen te verwijderen en de sloten te dempen alsmede de opslag van baggermaterialen en stalling van bedrijfsvoertuigen te beëindigen. Bij haar uitspraak van 12 juni 2002, inzake no. 200101780/1, heeft de Afdeling de uitspraak van de rechtbank waarbij het beroep van appellante sub 1 tegen de ongegrondverklaring van het bezwaarschrift tegen dat besluit ongegrond is verklaard, bevestigd. Deze dwangsom is geheel verbeurd zonder dat appellante sub 1 uitvoering heeft gegeven aan de last. Bij besluit van 6 februari 2001 heeft het college daarom de hiervoor vermelde last opgelegd onder aanzegging van bestuursdwang, onder intrekking van het besluit van 12 januari 1999.

2.2. Vaststaat dat het college bevoegd was tot handhavend optreden tegen de zonder daartoe vereiste aanlegvergunning aangelegde dammen en gedempte sloten, alsook tegen het met het bestemmingsplan strijdige gebruik van genoemde gronden voor de opslag van baggermaterialen - al dan niet in containers - en de stalling van bedrijfsvoertuigen.

2.3. Alleen in bijzondere gevallen kan van het bestuursorgaan worden verlangd dat het afziet van handhavend optreden tegen een illegale situatie. Een bijzonder geval kan worden aangenomen indien concreet zicht bestaat op legalisering van de situatie.

2.4. Met voormelde uitspraak van 12 juni 2002 is komen vast te staan dat geen zicht bestaat op legalisering van het gebruik van de percelen voor het baggerbedrijf. Dat zicht ontbrak eveneens voor de nadien geplaatste zeecontainers. Deze zijn geplaatst ten behoeve van het baggerbedrijf. Het voorontwerp van het bestemmingsplan “IJsseldijk Noord” voorziet niet in een baggerbedrijf ter plaatse. Anders dan appellanten betogen, was van concreet zicht op legalisering ten tijde van het nemen van de beslissing op bezwaar dan ook geen sprake.

2.5. Appellanten betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het college geen last onder bestuursdwang mocht opleggen omdat zij, in aanmerking genomen de gestelde afwezigheid van een geschikte andere locatie voor hun bedrijfsactiviteiten, in de onmogelijkheid verkeren daaraan gevolg te geven.

Dat betoog faalt. Van de gestelde onmogelijkheid te voldoen aan de last is reeds geen sprake, nu appellanten daaraan in ieder geval kunnen voldoen door hun activiteiten ter plaatse te beperken tot hetgeen volgens het bestemmingsplan is toegestaan. De problemen die daaruit voor het bedrijf voortvloeien vormen geen bijzondere omstandigheid op grond waarvan het college van handhavend optreden had behoren af te zien. Die problemen zijn immers een voorzienbaar gevolg van het feit dat appellanten de gronden op een met het bestemmingsplan strijdige wijze zijn gaan gebruiken en dienen derhalve voor risico en rekening van appellanten te komen.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. B.J. van Ettekoven, Leden, in tegenwoordigheid van mr. D. Haan, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Haan

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2003

27-412.