Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AH9044

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-07-2003
Datum publicatie
02-07-2003
Zaaknummer
200204858/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 juli 2002, kenmerk WM 004501, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan “Groen Anodiseerinrichting” een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een anodiseerinrichting op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Groningen. Dit besluit is op 24 juli 2002 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200204858/1.

Datum uitspraak: 2 juli 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Groningen,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 juli 2002, kenmerk WM 004501, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan “Groen Anodiseerinrichting” een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een anodiseerinrichting op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Groningen. Dit besluit is op 24 juli 2002 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 3 september 2002, bij de Raad van State ingekomen op 4 september 2002, beroep ingesteld.

Bij brief van 8 november 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 10 februari 2003. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 mei 2003, waar verweerder, vertegenwoordigd door W. Brandsma en R. Dekker, ambtenaren van de gemeente, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. In de inrichting worden aluminium onderdelen corrosiebestendig gemaakt door middel van anodiseren. Dit is het langs elektrochemische weg aanbrengen van een oxidelaag.

Eerder is voor de inrichting vergunning krachtens de Hinderwet verleend op 18 mei 1978. Bij besluit van 1 juni 1988 zijn nadere voorschriften aan die vergunning verbonden.

2.2. Ingevolge artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door:

a. degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;

b. de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;

c. degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;

d. belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.

Appellanten hebben de gronden inzake de toereikendheid en de naleefbaarheid van de voorschriften uit de onderliggende vergunning en de controle en handhaafbaarheid daarvan, het door verweerder geven van een onjuiste voorstelling van zaken ten tijde van het ontwerp van het besluit, het opstarten van een nieuwe vergunningprocedure, geluidhinder, toekomstige ontwikkelingen en stankhinder niet als bedenkingen tegen het ontwerp van het besluit ingebracht. Verder is het bepaalde onder b en c hier niet van toepassing. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan appellanten redelijkerwijs niet kan worden verweten op deze punten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep van appellanten in zoverre niet-ontvankelijk is.

2.3. Appellanten betogen dat verweerder niet heeft gereageerd op het in de bedenkingen ingebrachte punt aangaande van buiten de inrichting optredende calamiteiten.

Ingevolge artikel 3:27 van de Algemene wet bestuursrecht vermeldt het bestuursorgaan bij de bekendmaking van het besluit zijn overwegingen omtrent de ingebrachte bedenkingen.

Appellanten hebben in hun bedenkingen tegen het ontwerp van het besluit onder meer aangevoerd dat de opslag van de in de inrichting te gebruiken chemicaliën bij van buitenaf komende calamiteiten grote gevolgen kan hebben voor de woonomgeving. Verweerder is in het bestreden besluit niet op deze bedenking ingegaan. Aangezien verweerder deze bedenking van appellanten ook niet heeft behandeld bij de andere bedenkingen en evenmin is gebleken dat hij deze bedenking anderszins in zijn overwegingen bij de bekendmaking van het besluit heeft betrokken, is het bestreden besluit in zoverre in strijd met artikel 3:27 van de Algemene wet bestuursrecht. Ter zitting echter is door verweerder deze grond voldoende gemotiveerd weerlegd. Mede gelet op de aard van de bedenking die voor een deel samenvalt met hetgeen in overweging 2.9 aan de orde komt, is niet gebleken dat appellanten zijn benadeeld door het feit dat verweerder in het bestreden besluit geen overwegingen heeft gewijd aan voormelde bedenking. Gelet hierop ziet de Afdeling aanleiding het geconstateerde gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht te passeren. Dit onderdeel van het beroep kan derhalve niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.

2.4. Appellanten betogen dat de in geding zijnde locatie niet geschikt is voor de activiteiten van de inrichting.

Verweerder is gehouden op grondslag van de aanvraag te beoordelen of voor de in de aanvraag genoemde locatie vergunning kan worden verleend. Of een andere locatie meer geschikt is voor de vestiging van de inrichting speelt hierbij geen rol. Deze beroepsgrond treft geen doel.

2.5. Appellanten betogen dat een oprichtings- in plaats van een revisievergunning had moeten worden verleend. Hiertoe voeren zij aan dat voor het aanleggen van een vloeistofdichte vloer het gehele bedrijf dient te worden ontruimd en vervolgens weer opnieuw moet worden ingericht.

Onweersproken is dat de door appellanten genoemde activiteit geen – al dan niet tijdelijke - gevolgen heeft voor de plek waar de inrichting is gevestigd. Deze blijft dezelfde als onder de onderliggende vergunning. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder ten onrechte een vergunning als geregeld in artikel 8.4 van de Wet milieubeheer en geen oprichtingsvergunning heeft verleend. Het beroep treft inzoverre geen doel.

2.6. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.7. Appellanten voeren bezwaren met betrekking tot bodemverontreiniging aan. Zij betogen dat de bewoners van de aangrenzende percelen niet of onvoldoende zijn geïnformeerd inzake de bodemverontreiniging. Voorts betogen zij dat onderzocht dient te worden in hoeverre de nikkelvervuiling zich uitstrekt naar de omliggende percelen. Daarnaast voeren appellanten aan dat de saneringsurgentie voorrang heeft boven verdere ontwikkeling van het bedrijf en dat het twijfelachtig is of een bodemsanering in de toekomst alleen gunstige gevolgen heeft voor het milieu.

In hoofdstuk 2 van de vergunningvoorschriften zijn voorschriften opgenomen die bodemverontreiniging moeten voorkomen, danwel zoveel mogelijk beperken. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze voorschriften toereikend zijn om dit doel te bereiken.

Voorzover het beroep betrekking heeft op het saneren van verontreinigde grond, overweegt de Afdeling dat de Wet bodembescherming voor dit aspect regels geeft en dat het daarmee buiten de beoordeling van het hier aan de orde zijnde bestreden besluit valt. De voornoemde onderdelen van het beroep kunnen derhalve niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.

2.8. Appellanten betogen dat de in de inrichting vrijkomende dampen zich via de muren kunnen verplaatsen naar de naastgelegen woningen. Verder betogen appellanten dat ten onrechte niet is voorgeschreven dat de dampen uit de bedrijfsruimte naar omhoog moeten worden afgevoerd.

Verweerder heeft aan het bestreden besluit voorschrift 8.3.1 verbonden, ingevolge welk voorschrift de scheidingsconstructies tussen de inrichting en de niet tot de inrichting behorende ruimten gasdicht moeten zijn en elk een brandwerendheid moeten hebben van tenminste 60 minuten, bepaald overeenkomstig de norm NEN 6069. Eventuele dampen zullen gelet hierop volgens verweerder slechts kunnen uitwijken via de ventilatie openingen en niet via de muren naar de aanliggende ruimtes. De Afdeling is, mede gelet op de stukken, waaronder het deskundigenbericht, van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat dit voorschrift toereikend is ter voorkoming dan wel voldoende beperking van verplaatsing van vrijkomende dampen naar de naastgelegen woningen.

Verweerder heeft voor de afvoer van dampen voorschrift 4.1.1 aan de vergunning verbonden, ingevolge welk voorschrift de uitmondingen in de buitenlucht zodanig moeten zijn gesitueerd dat een afdoende verspreiding van de dampen is gewaarborgd, zonder dat hinder buiten de inrichting wordt veroorzaakt. Het bevoegd gezag kan een nadere eis stellen ten aanzien van de plaats en hoogte van de uitmondingen.

Ingevolge voorschrift 10.3.1 moet de inrichting voldoende worden geventileerd zodat vrijkomend waterstofgas zich niet kan ophopen in de ruimte.

In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Afdeling, mede gelet op het deskundigenbericht, geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de genoemde voorschriften toereikend zijn om hinder van de vrijkomende dampen te voorkomen dan wel voldoende te beperken. Het beroep treft inzoverre geen doel.

Voorzover appellanten vrezen dat voorschrift 8.3.1. niet wordt nageleefd, overweegt de Afdeling dat de Algemene wet bestuursrecht voorziet in de mogelijkheid tot het treffen van maatregelen die strekken tot het afdwingen van de naleving van de voorschriften die aan de vergunning zijn verbonden.

2.9. Appellanten betogen dat de opslag van gevaarlijke stoffen gevaren voor de woonomgeving met zich brengt.

In de voorschriften 5.1.1. tot en met 5.3.6. van het bestreden besluit zijn voorschriften opgenomen over de opslag van gevaarlijke stoffen. De Afdeling is, mede gezien het deskundigenbericht en het verhandelde ter zitting, van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat deze voorschriften toereikend zijn ter voorkoming danwel voldoende beperking van gevaren voor de woonomgeving van de opslag van gevaarlijke stoffen in de inrichting. Deze beroepsgrond treft in zoverre geen doel.

2.10. Appellanten betogen dat de in de Nederlandse emissie Richtlijnen lucht (hierna: de NeR) aan salpeterzuur en zwavelzuur gestelde eisen door de verandering van de inrichting zullen worden overschreden.

2.10.1. Verweerder heeft de emissie van dampen vanwege de inrichting getoetst aan paragraaf 3.2 van de NeR. Voor zwavelzuur geldt ingevolge deze paragraaf een emissie-eis van 5,0 mg/mo3 bij een ongereinigde massastroom per stof van 50 gram per uur of meer; voor salpeterzuur geldt een emissie-eis van 30 mg/mo3 bij een ongereinigde massastroom van 300 gram per uur of meer.

Uit de stukken, waaronder het deskundigenbericht, blijkt dat vanwege de onderhavige inrichting de ongereinigde massastroom van zwavelzuur en salpeterzuur beide ongeveer 4 gram per uur bedraagt. De Afdeling stelt vast dat de ongereinigde massastroom per uur van zwavelstroom en salpeterzuur vanwege de inrichting beneden de in paragraaf 3.2 van de NeR voor deze zuren opgenomen grenswaarden per uur blijft. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de in de NeR aan salpeterzuur en zwavelzuur gestelde eisen door de verandering van de inrichting zullen worden overschreden. Het beroep treft inzoverre geen doel.

2.11. Appellanten vrezen dat wat betreft het gebruik van de ventilator en geluid de aan de vergunning verbonden voorschriften niet worden nageleefd. Deze beroepsgrond heeft geen betrekking op de rechtmatigheid van de ter beoordeling staande vergunning en kan om die reden niet slagen. De Algemene wet bestuursrecht voorziet overigens in de mogelijkheid tot het treffen van maatregelen die strekken tot het afdwingen van de naleving van de voorschriften die aan de vergunning zijn verbonden.

2.12. Het beroep is, voorzover ontvankelijk, ongegrond.

2.13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep niet-ontvankelijk voorzover het de toereikendheid en de naleefbaarheid van de voorschriften uit de onderliggende vergunning en de controle en handhaafbaarheid daarvan, het door verweerder geven van een onjuiste voorstelling van zaken ten tijde van het ontwerp van het besluit, het opstarten van een nieuwe vergunningprocedure, geluidhinder, toekomstige ontwikkelingen en stankhinder betreft;

II. verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, Voorzitter, en mr. K. Brink en mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. De Vink

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2003

154-396.