Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AH9033

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-07-2003
Datum publicatie
02-07-2003
Zaaknummer
200204721/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 november 2000 heeft de Staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) een verzoek van [de vreemdeling] om verlening van het Nederlanderschap afgewezen.

Wetsverwijzingen
Rijkswet op het Nederlanderschap
Rijkswet op het Nederlanderschap 8
Rijkswet op het Nederlanderschap 10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2003/430
Ars Aequi RV20030041 met annotatie van G.-R. de de
AB 2003, 379

Uitspraak

200204721/1.

Datum uitspraak: 2 juli 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank te Amsterdam van 23 juli 2002 in het geding tussen:

[vreemdeling], wonend te [woonplaats]

en

appellant.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 november 2000 heeft de Staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) een verzoek van [de vreemdeling] om verlening van het Nederlanderschap afgewezen.

Bij besluit van 5 juli 2001 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 23 juli 2002, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank te Amsterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en appellant (hierna: de minister) opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 augustus 2002, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 24 september 2002. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 19 december 2002 heeft de vreemdeling van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 juni 2003, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. A.W. van Leeuwen, advocaat te

Den Haag, en de vreemdeling, bijgestaan door mr. E.C. Gelok, advocaat te Amsterdam, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 10 van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de RWN) kan de Kroon, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, in bijzondere gevallen het Nederlanderschap verlenen met afwijking van het bepaalde in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, c en d, en artikel 9, eerste lid, aanhef en onder c, van die wet.

2.2. Niet in geschil is dat de vreemdeling niet voldoet aan de in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, van de RWN genoemde termijnen van woonplaats of werkelijk verblijf en evenmin voldoet aan de in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, van de RWN genoemde voorwaarde dat hij als ingeburgerd kan worden beschouwd in de Nederlandse samenleving.

2.3. De staatssecretaris heeft het verzoek van de vreemdeling afgewezen, omdat naar zijn oordeel niet is gebleken van feiten en omstandigheden die toepassing van artikel 10 van de RWN zouden rechtvaardigen. De rechtbank heeft dat besluit vernietigd omdat zij van oordeel is dat de staatssecretaris onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de door de vreemdeling aangevoerde omstandigheden een onvoldoende zwaarwegend belang vormen en de staatssecretaris in die omstandigheden aanleiding had moeten zien advies te vragen aan de Raad van State.

2.4. De minister betoogt dat de rechtbank ten onrechte haar oordeel of sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 10 van de RWN in de plaats heeft gesteld van dat van de staatssecretaris. De rechtbank had zich de vraag moeten stellen of de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen sprake is van een bijzonder geval bedoeld in dat artikel, aldus de minister. Deze marginale toets had in zijn voordeel uit moeten vallen, nu in het bestreden besluit is gewezen op het feit dat de vreemdeling in belangrijke mate niet voldoet aan de gestelde voorwaarden. De vreemdeling heeft in 1999 en 2000 slechts één maand in Nederland verbleven en hij beheerst het Nederlands in het geheel niet. De drempel voor naturalisatie van de vreemdeling op grond van artikel 10 van de RWN is daarmee hoog. Voorts heeft de rechtbank uit het oog verloren dat het bij toepassing van artikel 10 van de RWN gaat om de vraag of naturalisatie een Nederlands belang dient, niet of de naturalisandus daarbij gebaat is, aldus de minister.

2.4.1. Het betoog slaagt. Artikel 10 van de RWN biedt de staatssecretaris de mogelijkheid om in bijzondere gevallen van de daarin genoemde artikelonderdelen af te wijken. De staatssecretaris heeft bij de toepassing van dit wetsartikel beoordelingsruimte en de invulling daarvan behoort primair tot zijn verantwoordelijkheid. Het besluit van de staatssecretaris had derhalve door de rechter terughoudend dienen te worden getoetst.

2.4.2. De staatssecretaris heeft zich in het bij de rechtbank bestreden besluit, gelet op de daaraan ten grondslag gelegde motivering, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat in het geval van de vreemdeling geen sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 10 van de RWN. Nu niet in geschil is dat de vreemdeling in het geheel niet voldeed aan de in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c en d, van de RWN genoemde voorwaarden, heeft de staatssecretaris zich, gelet op het ter zake gevoerde beleid neergelegd in de Handleiding voor de toepassing van de RWN, op het standpunt kunnen stellen dat in het geval van de vreemdeling toepassing van artikel 10 niet binnen dit beleid past. De staatssecretaris heeft daarbij niet ten onrechte betrokken dat door de vreemdeling niet aannemelijk is gemaakt dat naturalisatie door een staatsbelang of ander gewichtig Nederlands belang wordt gevorderd.

2.5. Het hoger beroep is gegrond, de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het bij de rechtbank ingestelde beroep alsnog ongegrond verklaren.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank te Amsterdam van 23 juli 2002, AWB 01/2927 RWNL;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. B. van Wagtendonk, Voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. A.W.M. Bijloos, Leden, in tegenwoordigheid van mr. I. Beurmanjer-de Lange, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Wagtendonk w.g. Beurmanjer-de Lange

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2003

241-345.