Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AH9032

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-07-2003
Datum publicatie
02-07-2003
Zaaknummer
200206807/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 maart 2001 heeft de gemeenteraad van Echteld (thans gemeente Neder-Betuwe), op voorstel van burgemeester en wethouders van 8 maart 2001, vastgesteld het bestemmingsplan "Betuweroute Veterplus". Verweerder heeft bij zijn besluit van 30 oktober 2001, nr. RE2001.35295, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan. Bij uitspraak van 24 juli 2002. nr. 200106272/1, heeft de Afdeling dit besluit gedeeltelijk vernietigd. Bij besluit van 29 oktober 2002, nr. RE2002.75634, heeft verweerder opnieuw beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200206807/1.

Datum uitspraak: 2 juli 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten] wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 maart 2001 heeft de gemeenteraad van Echteld (thans gemeente Neder-Betuwe), op voorstel van burgemeester en wethouders van 8 maart 2001, vastgesteld het bestemmingsplan "Betuweroute Veterplus".

Verweerder heeft bij zijn besluit van 30 oktober 2001, nr. RE2001.35295, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Bij uitspraak van 24 juli 2002. nr. 200106272/1, heeft de Afdeling dit besluit gedeeltelijk vernietigd.

Bij besluit van 29 oktober 2002, nr. RE2002.75634, heeft verweerder opnieuw beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 24 december 2002, bij de Raad van State ingekomen op 31 december 2002, beroep ingesteld.

Bij brief van 18 februari 2003 heeft verweerder medegedeeld dat het beroepschrift hem geen aanleiding geeft tot het maken van opmerkingen.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 juni 2003, waar verweerder, vertegenwoordigd door mr. H.E. Fris-de Groot, is verschenen.

Voorts zijn de gemeenteraad, vertegenwoordigd door S.C.C. Albarda, ambtenaar van de gemeente, en Railinfrabeheer B.V., vertegenwoordigd door E. Talacua en P.F. Luitjens, daar gehoord.

Appellanten zijn niet verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Op 3 april 2000 zijn in werking getreden de Wet tot wijziging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening ( hierna: de WRO) van 1 juli 1999 (Stb. 302) en het Besluit tot wijziging van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 van 15 oktober 1999 (Stb. 447).

Uit artikel VI, tweede lid, van genoemde wet volgt dat dit geschil, nu het ontwerp van het plan ter inzage is gelegd vóór 3 april 2000, moet worden beoordeeld aan de hand van het vóór die datum geldende recht.

2.2. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.3. Het plan voorziet in de aanleg van een deel van de Betuweroute en enkele daarmee samenhangende infrastructurele voorzieningen. Het plangebied omvat de spoorbaan van het Betuweroutetracé en aangrenzende gronden, het zogenoemde plusgebied.

2.4. Bij uitspraak van 24 juli 2001, no. 200106272/1, heeft de Afdeling overwogen dat het plandeel dat ziet op de gronden in het verlengde van de Voorstraat, waarvoor een tracébesluit is genomen, in strijd is met artikel 17, in samenhang met artikel 25, van de Tracéwet en artikel 24, derde lid, van de Tracéwet. Verweerder heeft, door het plan op dit punt goed te keuren zonder dat het tracébesluit voorafgaand is herzien, gehandeld in strijd met deze artikelen van de Tracéwet in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht. Gelet hierop heeft de Afdeling het besluit vernietigd voor zover het betreft voornoemd plandeel, alsmede - gelet op het daartussen bestaande verband - voor zover het betreft het plandeel dat ziet op de gronden waarop een verbindingsweg tussen de Voorstraat en de Prins Willem Alexanderweg is voorzien.

2.5. Verweerder heeft met inachtneming van de in overweging 2.4. genoemde uitspraak een nieuw besluit genomen over het bestemmingsplan "Betuweroute Veterplus" en alsnog goedkeuring onthouden aan voornoemde plandelen. Verweerder heeft daartoe overwogen dat een vastgesteld tracébesluit, zonder voorafgaande herziening, geen ruimte biedt tot een daarvan afwijkende planologische invulling van het uit te voeren werk.

2.6. Appellanten kunnen zich niet verenigen met het bestreden besluit voor zover verweerder daarin geen toepassing heeft gegeven aan de bevoegdheid zoals geregeld in artikel 28, vierde lid, van de WRO.

Voorts stellen zij dat het gemeentebestuur planologische maatregelen had moeten nemen om te voorkomen dat door verdergaande aanleg van de werken ter plaatse een onomkeerbare situatie ontstaat die de verdere rechtsgang kan frustreren.

2.6.1. Voor zover appellanten aanvoeren dat het gemeentebestuur ten onrechte geen planologische maatregelen heeft genomen ter voorkoming van een onomkeerbare situatie op de plek waar in het tracébesluit een tunnelbakconstructie in het verlengde van de Voorstraat is voorzien, overweegt de Afdeling dat deze beroepsgrond niet is gericht tegen het bestreden besluit. Het beroep van appellanten is in zoverre ongegrond.

2.6.2. In artikel 28, vierde lid, van de WRO, is bepaald dat, indien het besluit van het college van gedeputeerde staten strekt tot onthouden van goedkeuring, daarbij voorschriften als bedoeld in artikel 14 kunnen worden gegeven voor zover dat noodzakelijk is om te voorkomen dat een terrein minder geschikt wordt voor de verwerkelijking van een daaraan bij het plan te geven bestemming.

Naar het oordeel van de Afdeling heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen gebruik behoefde te worden gemaakt van de bevoegdheid van artikel 28, vierde lid, van de WRO. Zij neemt hierbij in aanmerking dat appellanten niet aannemelijk hebben gemaakt dat een aanlegvergunningstelsel op de gronden waar in het tracébesluit een tunnelbakconstructie en bijbehorende voorzieningen in het verlengde van de Voorstraat is voorzien, noodzakelijk is om te voorkomen dat dit terrein minder geschikt wordt voor de verwerkelijking van de daaraan bij de planherziening op grond van artikel 30 van de WRO te geven bestemming.

De Afdeling overweegt overigens dat, ook indien verweerder in zijn besluit voorschriften als bedoeld in artikel 14 van de WRO zou hebben opgenomen, deze op de desbetreffende gronden niet zouden gelden op grond van artikel 15, zevende lid, van de Tracéwet. In dit artikel is immers bepaald dat voor zover een bestemmingsplan of een ander besluit (bijvoorbeeld het bestreden besluit) voor de uitvoering van werken, werkzaamheden en bouwwerken een aanlegvergunning als bedoeld in artikel 14 van de WRO vereist, zodanige eis niet geldt in het gebied dat is begrepen in een vastgesteld tracébesluit.

2.6.3. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van appellanten is ook in zoverre ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, Voorzitter, en mr. R.J. Hoekstra en dr. J.J.C. Voorhoeve, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P.J.A.M. Broekman, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel w.g. Broekman

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2003

12-392.