Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AH9029

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-07-2003
Datum publicatie
02-07-2003
Zaaknummer
200204634/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 maart 1998 heeft de gemeenteraad van Hillegom, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 3 maart 1998, het bestemmingsplan "Landelijk Gebied 1997" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200204634/1.

Datum uitspraak: 2 juli 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 maart 1998 heeft de gemeenteraad van Hillegom, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van

3 maart 1998, het bestemmingsplan "Landelijk Gebied 1997" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 3 november 1998, kenmerk RGG/ARB/150881A (hierna: het eerste goedkeuringsbesluit), beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Bij uitspraak van 24 oktober 2001, no. E01.98.0675/1, heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dit besluit gedeeltelijk vernietigd.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 16 juli 2002, kenmerk DRGG/ARB/02/466, opnieuw beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellant sub 1 bij brief van 22 augustus 2002, bij de Raad van State ingekomen op 26 augustus 2002, en appellant sub 2 bij brief van 16 september 2002, bij de Raad van State ingekomen op 17 september 2002, beroep ingesteld.

Bij brief van 20 december 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van

[appellant sub 1]. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 juni 2003, waar appellant sub 1 in persoon, appellant sub 2 in persoon, bijgestaan door

mr. L.J. van Pelt, gemachtigde, en verweerder, vertegenwoordigd door

mr. J.H.M. Hemelaar, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is namens de gemeenteraad D. Kistemaker, ambtenaar van de gemeente, daar gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Op 3 april 2000 zijn in werking getreden de Wet tot wijziging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening van 1 juli 1999 (Stb. 302) en het Besluit tot wijziging van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 van 15 oktober 1999 (Stb. 447).

Uit artikel VI, tweede lid, van genoemde wet volgt dat dit geschil, nu het ontwerp van het plan ter inzage is gelegd vóór 3 april 2000, moet worden beoordeeld aan de hand van het vóór die datum geldende recht.

2.2. Het plangebied omvat het bollengebied van de gemeente Hillegom, dat is gelegen tussen de Haarlemmerstraat-Leidsestraat en de gemeentegrens met Noordwijkerhout en Bloemendaal.

Met het plan wordt beoogd de functiewijzigingen in het landelijk gebied, zoals intensievere vormen van grondgebruik en investeringen in de agrarische sector, en een toename van handels- en exportactiviteiten juridisch vast te leggen.

2.3. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.4. [appellant sub 1] exploiteert een bollenteeltbedrijf annex kwekerij in bloemen en vaste planten. [appellant sub 2] exploiteert een kwekerij in bloemen en vaste planten. Appellanten hebben aangevoerd dat verweerder ten onrechte goedkeuring aan het plan heeft verleend, voorzover het betreft de daarin opgenomen regeling voor het gebruik van tijdelijke afdekfolies en/of tunnelkassen op gronden met de bestemming “Agrarische doeleinden (A)” met de subbestemming “Ab” en “At”. Naar hun mening zijn de mogelijkheden voor het gebruik van tijdelijke afdekfolies en/of tunnelkassen te beperkt. [appellant sub 1] wijst erop dat hij al geruime tijd gebruik maakt van tunnelkassen met een hoogte van 2,20 tot 2,50 meter.

2.5. Verweerder heeft de door de gemeenteraad getroffen regeling niet in strijd geacht met een goede ruimtelijke ordening en deze planonderdelen goedgekeurd.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat tunnelkassen hoger dan 1,5 meter gelijkgesteld dienen te worden met kassen en verwijst naar hetgeen de Afdeling in haar uitspraak van 24 oktober 2001, no. E01.98.0675/1, naar aanleiding van de bezwaren inzake de agrarische bebouwingsmogelijkheden heeft overwogen.

Ten aanzien van tijdelijke afdekfolies en/of lage tunnels stelt verweerder zich op het standpunt dat deze vorm van bebouwing, ondanks de maximaal toegestane hoogte van 1,5 meter, een storende invloed heeft op het landschappelijke schoon. Verweerder wijst erop dat de gronden waar het gebruik van tijdelijke afdekfolies en/of lage tunnels niet is toegestaan zich met name in het zuidelijke en het noordoostelijke deel van het plangebied bevinden. Het gaat daarbij volgens verweerder om gebieden met alleen bollenteelt die speciale aandacht en bescherming behoeven vanwege de landschappelijke waarden, met name de grootschalige openheid van het gebied en het voor de bollenstreek kenmerkende landschap. Verweerder stelt dat de bestemmingsregeling in overeenstemming is met het feitelijke gebruik van de gronden aldaar.

De gronden waar het gebruik van tijdelijke afdekfolies en/of lage tunnels wel is toegestaan, bevinden zich volgens verweerder in het gebied tussen de Noorder Leidsevaart en de spoorlijn en kenmerken zich door een diversiteit aan teelten. Volgens verweerder heeft deze vorm van grondgebruik het landschap ter plekke al in enige mate aangetast en zijn de landschappelijke waarden in de loop der tijd verminderd.

2.6. Ingevolge artikel 1, onder 22, van de planvoorschriften wordt onder kassen verstaan: gebouwen, waarvan de wanden en het dak voornamelijk bestaan uit glas of ander lichtdoorlatend materiaal en dienend tot het kweken, trekken, vermeerderen, opkweken of verzorgen van vruchten, bloemen, groenten, planten of bomen, alsmede in voorkomende gevallen tot bescherming van de omgeving tegen milieubelastende stoffen.

Ingevolge artikel 1, onder 10, wordt onder een gebouw verstaan: elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt, waaronder begrepen stacaravans.

Ingevolge artikel 1, onder 23, worden onder tijdelijke afdekfolies en/of lage tunnels verstaan: afdekfolies van lichtdoorlatend materiaal en/of tunnels met een hoogte van maximaal 1.50 m die dienen ter ondersteuning van de vollegrondsgroenteteelt, bloementeelt, sierplantenteelt en/of bloembollenteelt en gedurende zes, zeven of acht maanden per jaar (afhankelijk van de teelt) worden aangebracht.

Ingevolge artikel 12, eerste lid, van de planvoorschriften, zijn, voorzover hier van belang, de gronden die op de kaart zijn aangewezen voor “Agrarische doeleinden (A)” bestemd voor:

a. ter plaatse van de subbestemming Ab: bollenteeltbedrijven;

b. ter plaatse van de subbestemming At: akker-, bollenteelt- en tuinbouwbedrijven alsmede gemengde tuinbouwbedrijven.

Ingevolge artikel 12, derde lid, onder g, zijn uitsluitend op de gronden met de subbestemming At al dan niet voorzien van de nadere aanwijzing (z) tijdelijke afdekfolies en/of lage tunnels toegestaan.

Ingevolge artikel 12, derde lid, onder h, zijn op de gronden met de subbestemming Ab met de nadere aanwijzing (k) uitsluitend kassen en tijdelijke afdekfolies en/of lage tunnels toegestaan.

2.7. Ter zitting heeft [appellant sub 2] zijn bezwaren ten aanzien van het gebruik van afdekfolies en/of lage tunnels op gronden met de bestemming “Agrarische doeleinden (A)” met de subbestemming “Ab” en “At” ingetrokken. Het beroep van [appellant sub 2] ziet aldus alleen op het gebruik van tunnelkassen hoger dan 1,50 meter op deze gronden.

Het standpunt van verweerder dat tunnelkassen met een grotere hoogte dan 1,50 meter met kassen moeten worden gelijkgesteld, komt de Afdeling, gelet op de definitiebepalingen in de planvoorschriften, niet onjuist voor. Hiermee valt het gebruik van dergelijke tunnelkassen onder het planologische regime inzake de agrarische bebouwingsmogelijkheden.

Voorts stelt de Afdeling vast dat, voorzover de bezwaren van appellanten zijn terug te voeren op de maximale hoogte van tijdelijke afdekfolies en/of lage tunnels en – ten aanzien van het gebruik van tunnelkassen hoger dan 1,50 meter - op de agrarische bebouwingsmogelijkheden, de in het plan terzake opgenomen regelingen buiten de reikwijdte van het thans bestreden besluit vallen. Zij neemt daarbij in aanmerking dat verweerder aan de desbetreffende planonderdelen in zijn eerste goedkeuringsbesluit goedkeuring heeft verleend. In haar uitspraak van 24 oktober 2001, no. E01.98.0675/1, heeft de Afdeling de beroepen van onder meer appellanten, gericht tegen de goedkeuring van die planonderdelen, ongegrond verklaard. Gelet hierop, kunnen de bezwaren van appellanten die op genoemde planonderdelen betrekking hebben, thans niet meer aan de orde worden gesteld.

Ten aanzien van de bezwaren van [appellant sub 1] met betrekking tot het gebruik van afdekfolies en/of lage tunnelkassen overweegt de Afdeling als volgt.

Uit de stukken blijkt dat aan de gronden waarop het bedrijf van [appellant sub 1] gevestigd is – met uitzondering van een klein gedeelte dat direct grenst aan de Noorder Leidsevaart – de bestemming “Agrarische doeleinden (A)” met de subbestemming “At”, voorzien van de nadere aanwijzing (z) is toegekend. Ingevolge de planvoorschriften is het gebruik van tijdelijke afdekfolies en/of lage tunnels op deze gronden toegestaan. Nu niet is gesteld of gebleken dat het gedeelte van het perceel dat direct aan de Noorder Leidsevaart grenst in geding is, mist het beroep van [appellant sub 1] in zoverre feitelijke grondslag.

Voorzover het bezwaar van [appellant sub 1] mede betrekking heeft op de plandelen met de bestemming “Agrarische doeleinden (A)” met de subbestemming “Ab” zonder de nadere aanwijzing (k), heeft verweerder zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het gebruik van afdekfolies en/of lage tunnels een storende invloed heeft op het landschappelijke schoon en op de desbetreffende gronden, mede gelet op het feitelijke gebruik ervan, uit ruimtelijk oogpunt niet wenselijk is. De Afdeling neemt daarbij in aanmerking dat [appellant sub 1] niet aannemelijk heeft gemaakt dat de door verweerder aan zijn standpunt ten grondslag gelegde motieven onjuist zijn. Nu voorts is gebleken dat de gronden waar het hier om gaat, niet behoren tot de bedrijfsgronden van [appellant sub 1], acht de Afdeling niet aannemelijk dat appellant hierdoor in onevenredige mate in zijn belangen wordt geschaad.

2.8. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan ten aanzien van de door appellanten bestreden onderdelen niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

De beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] zijn ongegrond.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door dr. D. Dolman, Voorzitter, en mr. J.J. Vis en

mr. J.G.C. Wiebenga, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.D. van Onselen, ambtenaar van Staat.

w.g. Dolman w.g. Van Onselen

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2003

178-363.