Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AH9021

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-07-2003
Datum publicatie
02-07-2003
Zaaknummer
200300519/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 januari 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Schiedam (hierna: het college) aan de gemeente Schiedam, afdeling Grond- en Economische ontwikkeling, vergunning verleend voor het kappen van een daarbij nader omschreven houtopstand op het terrein omsloten door de Nieuwe Damlaan, de Schiedamseweg, het NS-spoor en de Poldervaart, in verband met het bouwrijp maken van het toekomstige ziekenhuisterrein. Bij besluit van 2 oktober 2002 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar, overeenkomstig het advies van Kamer II uit de bezwaarschriftencommissie van september 2002, niet-ontvankelijk verklaard. Bij mondelinge uitspraak van 6 december 2002 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank te Rotterdam (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Op 12 december 2002 is aan partijen afschrift verzonden van het proces-verbaal van die mondelinge uitspraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200300519/1.

Datum uitspraak: 2 juli 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats]

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank te Rotterdam van 6 december 2002 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Schiedam.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 januari 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Schiedam (hierna: het college) aan de gemeente Schiedam, afdeling Grond- en Economische ontwikkeling, vergunning verleend voor het kappen van een daarbij nader omschreven houtopstand op het terrein omsloten door de Nieuwe Damlaan, de Schiedamseweg, het NS-spoor en de Poldervaart, in verband met het bouwrijp maken van het toekomstige ziekenhuisterrein.

Bij besluit van 2 oktober 2002 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar, overeenkomstig het advies van Kamer II uit de bezwaarschriftencommissie van september 2002, niet-ontvankelijk verklaard.

Bij mondelinge uitspraak van 6 december 2002 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank te Rotterdam (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Op 12 december 2002 is aan partijen afschrift verzonden van het proces-verbaal van die mondelinge uitspraak.

Dit proces-verbaal is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 januari 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 14 april 2003 heeft het college een memorie van antwoord ingediend.

Op 9 mei 2003 zijn nadere stukken ontvangen van appellant. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 mei 2003, waar appellant in persoon, en het college, vertegenwoordigd door

mr. M. van Geilswijk, vergezeld van mr. J.C.G. Franken, beiden advocaat te Rotterdam, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

2.2. Bij de beslissing op bezwaar heeft het college het door appellant gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat appellant geen belanghebbende is in de zin van artikel 1:2 van de Awb. Het college heeft daartoe overwogen dat de woning van appellant op een aanzienlijke afstand van de te kappen bomen is gesitueerd. Van zicht op de houtopstand is geen sprake. Tevens is niet gebleken van andere omstandigheden als gevolg waarvan appellant een rechtstreeks betrokken belang bij het besluit van 28 januari 2002 heeft.

2.3. In hoger beroep richt appellant zich tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat het college het bezwaar van appellant terecht op deze grond niet-ontvankelijk heeft verklaard.

2.3.1. Om belanghebbende te zijn bij het besluit tot verlening van de kapvergunning dient appellant een hem persoonlijk aangaand belang te hebben dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen. Bij besluiten omtrent een kapvergunning als hier aan de orde zal als regel slechts als belanghebbende kunnen worden aangemerkt degene die op geringe afstand van de bomen woont of vanuit zijn woning daarop zicht heeft. Slechts onder bijzondere omstandigheden kan dat anders liggen.

2.3.2. Ter zitting is aan de hand van een getoonde kaart gebleken dat de woning van appellant van het terrein met de houtopstand waarvoor de kapvergunning is verleend wordt gescheiden door andere woningen, een viaduct en een trambaan. Appellant heeft vanuit zijn woning geen zicht op het viaduct en het daartegenover gelegen terrein met de houtopstand. Bovendien is hij - in aanmerking genomen dat de afstand van zijn woning tot die houtopstand ca. 100 meter bedraagt - niet in zodanig directe nabijheid daarvan woonachtig dat hij op die grond als een belanghebbende omwonende kan worden beschouwd. Ook overigens ziet de Afdeling evenmin als de voorzieningenrechter grond voor het oordeel dat appellant een belang heeft dat rechtstreeks is betrokken bij het besluit van 28 januari 2002. Dat nog geenszins vaststaat dat de bouw van het ziekenhuis daadwerkelijk doorgang zal vinden, zoals appellant in hoger beroep heeft betoogd, maakt dit, wat hiervan ook zij, niet anders. De door appellant ingeroepen omstandigheid dat hij in procedures terzake van het bestemmingsplan en milieuvergunningen wel ontvankelijk was en zijn bezwaar tegen het ziekenhuis naar voren heeft kunnen brengen, leidt evenmin tot een ander oordeel, reeds omdat in die procedures niet de eis gold dat slechts in rechte kan worden opgekomen door een belanghebbende.

De voorzieningenrechter heeft dan ook terecht en op goede gronden geoordeeld dat appellant niet als belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2 van de Awb kan worden aangemerkt.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, Voorzitter, en mr. H.G. Lubberdink en mr. A.W.M. Bijloos, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom w.g. Dallinga

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2003

18-401.