Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AH8991

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-07-2003
Datum publicatie
02-07-2003
Zaaknummer
199903261/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 oktober 1999, kenmerk DGM/IOB/5075, heeft de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer met toepassing van artikel 8.23 van de Wet milieubeheer voorschriften verbonden aan de bij besluit van 11 april 1960 door burgemeester en wethouders van Vlieland krachtens de Hinderwet aan de minister van Defensie (thans: de staatssecretaris van Defensie; hierna: vergunninghouder) verleende vergunning voor een schietterrein ten behoeve van de Koninklijke Luchtmacht c.q. de Koninklijke Marine op de Vliehors (hierna: de schietrange), kadastraal bekend gemeente Vlieland, sectie B, nummer 24.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2003, 153K
Milieurecht Totaal 2003/2671

Uitspraak

199903261/1.

Datum uitspraak: 2 juli 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellanten sub 1], wonend te [woonplaats],

2. de vereniging "Landelijke vereniging tot behoud van de Waddenzee", gevestigd te Harlingen, en de stichting "Stichting Duinbehoud", gevestigd te Leiden,

3. [appellant sub 3], wonend te [woonplaats], en anderen, handelend onder de naam "Commissie Vlieghinder Noordkop Texel",

en

de staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 1 oktober 1999, kenmerk DGM/IOB/5075, heeft de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer met toepassing van artikel 8.23 van de Wet milieubeheer voorschriften verbonden aan de bij besluit van 11 april 1960 door burgemeester en wethouders van Vlieland krachtens de Hinderwet aan de minister van Defensie (thans: de staatssecretaris van Defensie; hierna: vergunninghouder) verleende vergunning voor een schietterrein ten behoeve van de Koninklijke Luchtmacht c.q. de Koninklijke Marine op de Vliehors (hierna: de schietrange), kadastraal bekend gemeente Vlieland, sectie B, nummer 24. Dit besluit is op 25 oktober 1999 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellanten sub 1 bij brief van 10 november 1999, bij de Raad van State ingekomen op 17 november 1999, appellanten sub 2 bij brief van 3 december 1999, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, en appellanten sub 3 bij brief van 2 december 1999, bij de Raad van State ingekomen op 6 december 1999, beroep ingesteld.

Bij brief van 25 juli 2000 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht (hierna: het deskundigenbericht) uitgebracht, gedateerd 12 juli 2001. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten sub 2 en vergunninghouder. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 juli 2002, waar appellanten sub 2 en sub 3, vertegenwoordigd door mr. J. Veltman, advocaat te Groningen, en verweerder, vertegenwoordigd door ing. R. Duba en mr. C.I. Wong, ambtenaren van het departement, zijn verschenen. Voorts is als partij daar gehoord vergunninghouder, vertegenwoordigd door mr. H. Zilverberg, ing. P.I.J. van der Weele, ambtenaren van het departement, bijgestaan door [deskundigen], en luitenant-kolonel J.M.G. van Laarhoven, commandant van de schietrange.

Na het sluiten van het onderzoek ter zitting heeft de Afdeling het vooronderzoek heropend. In het kader van het vooronderzoek heeft de Afdeling op 17 oktober 2002 gehoord voor het geven van inlichtingen, als bedoeld in artikel 8:44 van de Algemene wet bestuursrecht, verweerder, vertegenwoordigd door ing. R. Duba, mr. C.I. Wong en ir. M. van den Berg, ambtenaren van het departement, en vergunninghouder, vertegenwoordigd door [gemachtigden], en mr. A.J. van Heusden, mr. H. Zilverberg en ing. P.I.J. van der Weele, ambtenaren van het departement.

Het horen is bijgewoond door onder meer appellanten sub 2, vertegenwoordigd door mr. J. Veltman, advocaat te Groningen, en [deskundige].

Met toestemming van partijen is afgezien van een hernieuwde behandeling ter zitting.

2. Overwegingen

2.1. Bij besluit van 11 april 1960 heeft het college van burgemeester en wethouders van Vlieland krachtens de Hinderwet vergunning verleend voor het onderhavige schietterrein op de Vliehors, alsmede het hebben van een tweetal bommendoelen aldaar. Blijkens de bij die vergunning gevoegde bescheiden wordt het terrein gebruikt voor schietoefeningen met mitrailleurs en raketten vanuit vliegtuigen en oefeningen met het werpen van bommen, met dien verstande dat gedurende de periode tussen 1 maart en 15 september niet met explosieve bommen zal worden geoefend, alleen met oefenbommen.

De dichtstbijzijnde woning van derden op Vlieland ligt op ongeveer drie kilometer van de inrichting. De dichtstbijzijnde woning van derden op Texel ligt op ongeveer tien kilometer van de inrichting.

Het thans bestreden besluit is genomen op verzoek van appellanten sub 2 en het college van burgemeester en wethouders van Texel.

2.2. Appellanten sub 2 en sub 3 stellen dat verweerder ten onrechte heeft nagelaten voorschriften aan de vergunning te verbinden ter zake van waterverontreiniging. Deze beroepsgronden dwingen in de eerste plaats tot beantwoording van de vraag of voor de onderhavige inrichting een vergunning krachtens de Wet verontreiniging oppervlaktewateren is vereist.

2.2.1. Verweerder stelt zich op het standpunt dat enige mate van waterverontreiniging inherent is aan het gebruik van de inrichting, maar dat deze vorm van verontreiniging in het kader van de Wet verontreiniging zeewater dient te worden beoordeeld.

2.2.2. Ingevolge artikel 8.33 van de Wet milieubeheer, voorzover hier van belang, zijn ten aanzien van een wijziging van een vergunning onder meer overeenkomstig artikel 8.23 de artikelen 8.28, 8.29, 8.31, eerste en tweede lid, 8.31a en 8.32 van overeenkomstige toepassing.

In artikel 2, eerste lid, van de Wet grenzen Nederlandse territoriale zee is bepaald dat de laagwaterlijn langs de kust, met de in het tweede en vierde lid genoemde basislijnen, voorzover deze zeewaarts daarvan zijn gelegen, de grens tussen de binnenwateren en de territoriale zee van Nederland vormt. In het tweede lid, aanhef en onder b tot en met g, is bepaald dat, kort weergegeven, basislijnen worden getrokken langs punten waardoor de Nederlandse Waddeneilanden met elkaar worden verbonden.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren is het verboden om zonder vergunning met behulp van een werk afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen, in welke vorm ook, te brengen in oppervlaktewateren. Ingevolge het derde lid van dit artikel kan bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald dat het zonder vergunning verboden is de in het eerste lid bedoelde stoffen op andere wijze dan met behulp van een werk in oppervlaktewateren te brengen.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, aanhef en onder c, van het Uitvoeringsbesluit artikel 1, derde lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (hierna: Uitvoeringsbesluit) is het onverminderd artikel 3 verboden zonder vergunning afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen op andere wijze dan met behulp van een werk in enig oppervlaktewater te brengen, onder meer door deze te storten, neder te leggen, te laten liggen, of te doen of te laten afvloeien op duinen, stranden, kwelders, slikken, kaden, bruggen, vlonders, aanlegsteigers, dijken, oevers of in het winterbed van enig oppervlaktewater.

2.2.3. De Afdeling stelt voorop dat, gelet op artikel 2 van de Wet grenzen Nederlandse territoriale zee, de Waddenzee als deel van de binnenwateren moet worden aangemerkt, zodat in het onderhavige geval, anders dan verweerder stelt, op een eventuele lozing de Wet verontreiniging oppervlaktewateren van toepassing is.

Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting komen de in de inrichting ontstane en onbruikbaar geworden restanten van projectielen en munitie ook terecht in de Waddenzee. De doelgebieden worden regelmatig van deze restanten ontdaan. De Afdeling ziet hierin – nu niet is gebleken van omstandigheden die tot een ander oordeel leiden – voldoende aanleiding voor het oordeel dat de projectiel- en munitierestanten als afvalstoffen moeten worden aangemerkt. Gelet hierop is in het onderhavige geval sprake van het op andere wijze dan met behulp van een werk brengen van afvalstoffen in enig oppervlaktewater, als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit, zodat een krachtens de Wet verontreiniging oppervlaktewateren verleende vergunning is vereist.

Het vorenstaande in aanmerking nemend had verweerder het orgaan dat bevoegd is tot het verlenen van een vergunning krachtens de Wet verontreiniging oppervlaktewateren in de gelegenheid moeten stellen advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit als bedoeld in artikel 8.31, tweede lid, van de Wet milieubeheer. Nu verweerder dit heeft nagelaten is het bestreden besluit in strijd met het genoemde artikellid tot stand gekomen. De beroepen zijn reeds hierom gegrond en het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking.

2.3. Ten behoeve van het opnieuw in de zaak voorzien door verweerder zal de Afdeling de overige beroepsonderdelen niettemin bespreken.

2.4. Ingevolge artikel 8.23, eerste en derde lid, van de Wet milieubeheer zijn bij de beslissing over de inhoud van de beperkingen en voorschriften die het bevoegd gezag alsnog kan aanbrengen of aan de vergunning kan verbinden de artikelen 8.7 tot en met 8.17 van toepassing.

Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Bij de toepassing van artikel 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.5. Alle appellanten stellen dat de aan de vergunning verbonden voorschriften onvoldoende bescherming bieden tegen geluidhinder. In dit verband wordt onder meer aangevoerd dat ten onrechte de geluidbelasting vanwege de overvliegende vliegtuigen en het schieten met boordwapens vanuit vliegtuigen niet bij de beoordeling is betrokken. Daarnaast stellen appellanten dat niet is aangetoond dat het noodzakelijk is dat met explosieve bommen wordt gegooid, reden waarom verweerder het gebruik daarvan had moeten verbieden, althans het aantal af te werpen bommen verder had moeten beperken. Appellanten kunnen zich evenmin verenigen met het door verweerder toelaatbaar geachte niveau van het level rating sound (Lr) van 60 dB(A). Appellanten sub 2 en 3 voeren ten slotte aan dat de gevolgen van de geluidbelasting vanwege de oefeningen voor de fauna in de omgeving van de inrichting onvoldoende zijn onderzocht.

2.5.1. Wat geluidhinder vanwege de vliegtuigen en de door de vliegtuigen gebruikte vliegroutes betreft, stelt verweerder zich op het standpunt dat op deze vorm van hinder de Luchtvaartwet van toepassing is zodat ter zake geen voorschriften aan een vergunning krachtens de Wet milieubeheer kunnen worden verbonden. Verder moet volgens verweerder aannemelijk worden geacht dat het geluid vanwege de boordwapens wegvalt tegen het geluid vanwege de vliegtuigen. Om hierover zekerheid te verkrijgen heeft verweerder ter zake een onderzoeksverplichting in de vergunning opgenomen. Voorts stelt verweerder dat met de aan de vergunning verbonden voorschriften, gelet op de bestaande – bijna ongelimiteerde – rechten van vergunninghouder en de onmogelijkheid om geluidbeperkende maatregelen aan de bron of in de overdrachtssfeer te treffen en de noodzaak voor de krijgsmacht om te oefenen, voldoende bescherming wordt geboden tegen geluidhinder.

2.5.2. Ingevolge het aan de vergunning verbonden voorschrift 1 is het, kort weergegeven, verboden om in de periode tussen 1 maart en 15 september met explosieve bommen te opereren. In het bij het thans bestreden besluit aan de vergunning verbonden voorschrift 2 is bepaald dat de schietrange is geopend op werkdagen van 08.00 uur tot 22.30 uur.

Ingevolge vergunningvoorschrift 4 mogen geen bommen worden ingezet met een netto explosief gewicht (n.e.g.) van meer dan 87.168 gram. Ingevolge vergunningvoorschrift 5 mogen per jaar niet meer dan 70 van dergelijke bommen worden ingezet en dient daarvan een logboek te worden bijgehouden. Ingevolge vergunningvoorschrift 7 mogen de explosieve bommen niet worden ingezet indien sprake is van bepaalde, in dat voorschrift nader genoemde, meteorologische omstandigheden.

In vergunningvoorschrift 13 is bepaald dat als referentiepunt voor de bepaling van de geluidbelasting op Texel geldt het op 1,5 meter boven het maaiveld gelegen punt “De Cocksdorp”, zoals aangegeven op de bijlage 1 bij het bestreden besluit. Ingevolge vergunningvoorschrift 14 wordt de geluidbelasting uitgedrukt in de hinderrelevante grootheid Lr, waarvan de formules in de bijlage 2 bij het bestreden besluit zijn vastgelegd.

Ingevolge vergunningvoorschrift 15 rapporteert vergunninghouder uiterlijk anderhalf jaar na de datum waarop het besluit onherroepelijk is geworden aan het bevoegd gezag over de geluidbelasting vanwege de inzet van andere knalveroorzakende wapens op de schietrange dan bommen ter plaatse van het referentiepunt. Daarnaast moet vergunninghouder ingevolge vergunningvoorschrift 16, kort gezegd, onderzoek doen naar de voorspelbaarheid van de geluidmaat Lr op het referentiepunt. Over de voortgang van dit onderzoek moet vergunninghouder eenmaal per jaar aan het bevoegd gezag rapporteren. Vergunningvoorschrift 17 bepaalt dat het vorige voorschrift komt te vervallen indien naar het oordeel van het bevoegd gezag voldoende aannemelijk is geworden dat voortzetting van het onderzoek niet zal leiden tot een relevante toename van de betrouwbaarheid met betrekking tot de voorspelling van het Lr op het referentiepunt.

Ingevolge vergunningvoorschrift 18 wordt, indien naar het oordeel van het bevoegd gezag op grond van de resultaten van het onderzoek op grond van voorschrift 16 met voldoende betrouwbaarheid kan worden bepaald dat het toepassen van minder restrictieve meteorologische beperkingen dan in vergunningvoorschrift 7 genoemd het Lr op het referentiepunt niet meer zal bedragen dan 60 dB(A), de tekst van het genoemde voorschrift 7 wordt gewijzigd in: “De geluidbelasting Lr ten gevolge van de inzet van bommen met een afzonderlijk n.e.g. van 87.168 gram mag op het in voorschrift 13 gedefiniëerde referentiepunt niet meer bedragen dan 60 dB(A).”

2.5.3. Ten aanzien van de beoordeling van de geluidbelasting vanwege het vliegverkeer dat aan de inrichting kan worden toegerekend, overweegt de Afdeling dat deze hinder allereerst dient te worden beoordeeld in het kader van de Luchtvaartwet en de Wet geluidhinder, maar dat deze aanvullend in het kader van de wijziging van een vergunning krachtens de Wet milieubeheer kan worden getoetst. Nu verweerder dit heeft miskend, is het bestreden besluit op dit punt in strijd met de artikelen 8.8, eerste lid, aanhef en onder b, en artikel 8.11, derde lid, van de Wet milieubeheer. De desbetreffende beroepsonderdelen zijn in zoverre gegrond.

2.5.4. Bij het horen voor het geven van inlichtingen is gebleken dat verweerder voor de beoordeling van militair schietlawaai in een bestendige bestuurspraktijk een door hem ontwikkeld beleidsstandpunt hanteert, dat recent is neergelegd in een notitie van 17 oktober 2002 (hierna: het beleidsstandpunt).

Blijkens het beleidsstandpunt wordt, kort weergegeven, de geluidbelasting vanwege militair schietlawaai – waaronder schietlawaai met veel laagfrequent geluid vanwege het gebruik van zware munitie - uitgedrukt als een functie van wegverkeerslawaai dat als even hinderlijk wordt ervaren, omdat van deze laatste vorm van geluid reeds veel informatie bekend is over de dosis-effectrelaties. Aangezien de equivalente geluidbelasting vanwege wegverkeerslawaai is gebaseerd op de berekening van de jaargemiddelde geluidbelasting, is in het beleidsstandpunt ook voor het schietlawaai de jaargemiddelde geluidbelasting als uitgangspunt genomen voor de bepaling van de optredende geluidhinder. Voor de beoordeling van de aanvaardbaarheid van een bepaalde waarde van het Lr wordt in het beleidsstandpunt aansluiting gezocht bij de in de Wet geluidhinder neergelegde normering voor wegverkeerslawaai.

2.5.5. Onder verwijzing naar haar uitspraak van 19 februari 2003, nummer 200002139/2 (aangehecht), is de Afdeling van oordeel dat de door verweerder gehanteerde beoordelingsmaat Lr, zoals geformuleerd in het beleidsstandpunt, waarmee uitsluitend de jaargemiddelde geluidbelasting wordt bepaald, geen volledig beeld geeft van de geluidhinder ten gevolge van militair schietlawaai; voorzover de daadwerkelijk optredende geluidbelasting vanwege het schieten uitstijgt boven het jaargemiddelde, dient ook die geluidbelasting te worden bepaald. Nu in het beleidsstandpunt is miskend dat voor een goede bepaling van de nadelige gevolgen voor het milieu niet kan worden volstaan met alleen de beoordeling van de jaargemiddelde geluidbelasting, is het beleidsstandpunt in zoverre niet in overeenstemming met artikel 8.8, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer.

Ten aanzien van de in het beleidsstandpunt gehanteerde normering heeft de Afdeling in de aangehaalde uitspraak van 19 februari 2003 geoordeeld, dat in het beleidsstandpunt een norm ontbreekt voor de waardering van de boven het jaargemiddelde uitstijgende geluidbelasting per dag, zodat het beleidsstandpunt in redelijkheid niet toereikend kan worden geacht. In zoverre is het beleidsstandpunt dan ook niet in overeenstemming met artikel 8.11, derde lid, van de Wet milieubeheer.

Het bestreden besluit is wat de geluidbelasting vanwege het gooien van explosieve bommen betreft gebaseerd op het beleidsstandpunt. Verweerder heeft in het bestreden besluit de op een dag optredende, boven het jaargemiddelde uitstijgende geluidbelasting vanwege het schietlawaai niet aanvullend bepaald en beoordeeld. Daarnaast heeft verweerder niet aannemelijk gemaakt – bijvoorbeeld door middel van geluidonderzoek – dat de geluidbelasting vanwege het gebruik van de boordwapens en andere knalgeluid veroorzakende wapens anders dan explosieve bommen niet behoeft te worden bepaald en beoordeeld omdat deze geen relevante bijdrage aan het hinderniveau zou leveren. Daarom is het bestreden besluit ook op deze punten in strijd is met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht en de artikelen 8.8, eerste lid, aanhef en onder b, en 8.11, derde lid, van de Wet milieubeheer.

De desbetreffende beroepsonderdelen treffen doel.

2.5.6. Voorzover appelanten betogen dat de in vergunningvoorschrift 1 opgenomen beperking ook zou moeten gelden voor de andere oefeningen die binnen de inrichting worden gehouden, overweegt de Afdeling dat een dergelijke inperking zodanig vérstrekkend is, dat de vergunning in feite gedeeltelijk zou moeten worden ingetrokken, waarop artikel 8.25 van de Wet milieubeheer ziet. Ook het volledig verbieden van het oefenen met explosieve bommen moet naar het oordeel van de Afdeling als een gedeeltelijke intrekking van de vergunning worden aangemerkt, hetgeen op grond van artikel 8.23 van de Wet milieubeheer niet mogelijk is. De beroepen zijn op dit punt ongegrond.

2.5.7. Wat de vraag betreft of verweerder de gevolgen voor de bestaande natuurwaarden van de omgeving van de inrichting voldoende heeft beoordeeld, overweegt de Afdeling dat aannemelijk moet worden geacht dat de daadwerkelijk optredende geluidbelasting vanwege de schietoefeningen daarop een belangrijke invloed uitoefent. Nu verweerder deze geluidbelasting niet heeft bepaald en beoordeeld, moet reeds hierom worden geoordeeld dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit onvoldoende inzicht bestond in de gevolgen voor de omgeving waarin de inrichting is gelegen, zodat het bestreden besluit op dit punt in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht onzorgvuldig is voorbereid. De beroepsonderdelen zijn gegrond.

2.6. Appellanten sub 2 en sub 3 stellen dat verweerder ten onrechte niet heeft voorgeschreven een onderzoek uit te voeren naar de invloed van vorst bij het ontstaan van schade aan onroerend goed.

2.6.1. Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat, zo al schade ontstaat als gevolg van trillingen die worden veroorzaakt door de oefeningen, niet aannemelijk is dat bij een bevroren bodem de kans op schadegevallen aanmerkelijk groter wordt. De Afdeling ziet, mede gelet op het deskundigenbericht, geen aanknopingspunten voor een ander oordeel. Daarom ziet zij geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet op goede gronden op het standpunt heeft kunnen stellen ter zake geen nadere voorschriften aan de vergunning te verbinden. De beroepen kunnen op dit punt niet slagen.

2.7. Volgens appellanten sub 2 en sub 3 is de afspraak die tussen vergunninghouder en het bestuur van de gemeente Texel is gemaakt over de aanwezigheid van een verbindingsofficier tijdens de oefeningen met explosieve bommen ten onrechte niet als voorschrift aan de vergunning verbonden.

2.7.1. In de overwegingen van het bestreden besluit wordt gesteld dat het niet zinvol is de bedoelde afspraak in een vergunningvoorschrift op te nemen. In zijn verweerschrift stelt verweerder daarentegen dat de afspraak inderdaad in de vergunningvoorschriften had moeten worden vastgelegd. Ter zitting is dit standpunt door verweerder verlaten en is namens hem gesteld dat nog niet vaststaat dat deze bestaande praktijk moet worden vastgelegd. Gelet op dit alles ziet de Afdeling voldoende aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt in strijd is met het algemene rechtsbeginsel dat een besluit zorgvuldig moet worden genomen. De desbetreffende beroepsonderdelen zijn gegrond.

2.8. Appellanten sub 2 en sub 3 voeren aan dat onvoldoende voorschriften ter voorkoming van bodemverontreiniging aan de vergunning zijn verbonden.

2.8.1. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het, gelet op de aard van de inrichting, niet mogelijk is om doeltreffende bodembeschermende voorzieningen aan te brengen. Wat de verplichting betreft om de als doelen gebruikte oude tanks voor het gebruik te ontdoen van restanten olie en brandstof, erkent verweerder dat ten onrechte niet een dergelijk voorschrift aan de vergunning is verbonden.

2.8.2. Ingevolge vergunningvoorschrift 9 wordt, kort weergegeven, het gebied rondom de doelen eenmaal per week zo veel mogelijk ontdaan van restanten van projectielen. In vergunningvoorschrift 10 is bepaald dat eenmaal per jaar de hele doelzone wordt gecontroleerd op, en zo veel mogelijk ontdaan van projectielen en restanten van doelen. Ingevolge vergunningvoorschrift 19 wordt voorafgaand aan het buiten gebruik stellen van de inrichting een onderzoek naar de verontreiniging van de bodem uitgevoerd. De resultaten van dit onderzoek worden aan het bevoegd gezag overgelegd.

2.8.3. Wat het treffen van maatregelen en voorzieningen ter voorkoming van bodemverontreiniging betreft, ziet de Afdeling, mede gelet op het deskundigenbericht, in het betoog van appellanten geen aanknopingspunten voor het oordeel dat naast het periodiek ruimen van de restanten op de onderhavige locatie op het wad nog andere bodembeschermende maatregelen kunnen worden getroffen. Voorshands geldt dit oordeel evenwel niet voor de (reeds aanwezige) harde doelen, waarvoor geen voorschriften aan de vergunning zijn verbonden. Nu verweerder deze omissie heeft erkend, is het bestreden besluit naar het oordeel van de Afdeling in strijd met het beginsel dat een besluit zorgvuldig moet worden genomen.

In het deskundigenbericht wordt gesteld dat het vanwege de bijzondere omstandigheden in het waddengebied voor de hand ligt om regelmatig te controleren op de effectiviteit van de in het bestreden besluit opgenomen maatregelen, zodat bij een eventuele verontreiniging direct maatregelen kunnen worden getroffen, nu in een dynamische omgeving als de Waddenzee wordt geoefend waar de verspreiding van een verontreiniging moeilijk is te voorkomen. De Afdeling ziet geen aanleiding om aan de juistheid van deze stelling te twijfelen. Gelet hierop en tevens gelet op de omstandigheid dat verweerder blijkens de stukken bekend is met een geval van bodemverontreiniging in een vergelijkbaar oefengebied op Terschelling, heeft verweerder naar het oordeel van de Afdeling in dit geval onvoldoende gemotiveerd waarom slechts een verplichting tot het uitvoeren van een eindonderzoek is opgelegd en geen verplichting om de effectiviteit van de maatregelen tussentijds periodiek te controleren. Ook op dit punt is het bestreden besluit in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht.

De desbetreffende beroepsgronden zijn dan ook gegrond.

2.9. Appellanten sub 2 en sub 3 vrezen ten slotte luchtverontreiniging als gevolg van de oefeningen.

2.9.1. Volgens verweerder is luchtverontreiniging inherent aan de activiteiten binnen de inrichting. De aan de vergunning verbonden beperkingen voorkomen onaanvaardbare luchtverontreiniging, aldus verweerder.

2.9.2. Noch uit de stukken noch uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat verweerder onderzoek heeft gedaan naar de mate van luchtverontreiniging vanwege de inrichting, zodat geen inzicht bestaat in de nadelige gevolgen voor het milieu die de inrichting kan veroorzaken. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht. De beroepen zijn op dit punt gegrond.

2.10. Gelet op het voorgaande zijn de beroepen gegrond. Het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking.

2.11. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Van kosten die voor vergoeding in aanmerking komen van appellanten sub 1 is niet gebleken. De kosten van appellanten sub 2 voor het meebrengen van een deskundigen komen niet voor vergoeding in aanmerking, omdat deze reeds zijn vergoed in het kader van de samenhangende zaak, nummer 200101695/1.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen gegrond;

II. vernietigt het besluit van de staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 1 oktober 1999, DGM/IOB/5075;

III. veroordeelt de staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer in de door appellanten sub 2 en sub 3 in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 281,91, waarvan een gedeelte groot € 241,50 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, voor appellanten sub 2 en een bedrag van € 241,50, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; de totale bedragen dienen door de Staat der Nederlanden (het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer) te worden betaald aan appellanten;

IV. gelast dat de Staat der Nederlanden (het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer) aan appellanten sub 1, sub 2 en sub 3 het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (respectievelijk € 102,10 voor appellanten sub 1 en € 204,20 voor appellanten sub 2 en sub 3) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, Voorzitter, en mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd en mr. J.R. Schaafsma, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J.M.W. van de Sande, ambtenaar van Staat.

w.g. Konijnenbelt w.g. Van de Sande

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2003

355.