Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AH8982

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-07-2003
Datum publicatie
02-07-2003
Zaaknummer
200202689/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 september 2001 heeft de gemeenteraad van Deventer, op voorstel van burgemeester en wethouders van 14 augustus 2001, vastgesteld de bestemmingsplannen "N348 deel I” en “N348 deel II". Verweerder heeft bij zijn besluit van 9 april 2002, no. RWB/2001/3924, beslist over de goedkeuring van de bestemmingsplannen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200202689/1.

Datum uitspraak: 2 juli 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. de Stichting Verenigde Bewoners Colmschate, gevestigd te Deventer,

2. [appellante sub 2], wonend te [woonplaats],

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Overijssel,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 september 2001 heeft de gemeenteraad van Deventer, op voorstel van burgemeester en wethouders van 14 augustus 2001, vastgesteld de bestemmingsplannen "N348 deel I” en “N348 deel II".

Verweerder heeft bij zijn besluit van 9 april 2002, no. RWB/2001/3924, beslist over de goedkeuring van de bestemmingsplannen.

Tegen dit besluit hebben appellante sub 1 bij brief van 17 mei 2002, bij de Raad van State ingekomen op 17 mei 2002, en appellante sub 2 bij brief van 17 mei 2002, bij de Raad van State ingekomen op 17 mei 2002, beroep ingesteld.

Bij brief van 12 augustus 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht (hierna: het deskundigenbericht) uitgebracht, gedateerd 17 januari 2003. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek is een nader stuk ontvangen van verweerder. Dit is aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 juni 2003, waar appellante sub 1, vertegenwoordigd door [gemachtigden], en verweerder, vertegenwoordigd door prof.mr. N.S.J. Koeman, advocaat te Amsterdam, en drs. E. Munneke, ing. G.J. Broekhuis en drs.ing. H. Boes, ambtenaren van de provincie, zijn verschenen.

Voorts is de gemeenteraad van Deventer, vertegenwoordigd door prof.mr. N.S.J. Koeman, advocaat te Amsterdam, en

ing. F.K. de Jong-van Popta en ing. R.W. Tonen, ambtenaren van de gemeente, daar gehoord.

Appellante sub 2 is, met voorafgaande kennisgeving, niet verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van twee bestemmingsplannen. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of de plannen niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat de plannen en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van de plannen overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.2. De bestemmingsplannen “N348 deel I” en “N348 deel II” maken de aanleg mogelijk van een nieuw gedeelte van de provinciale weg N348 tussen Deventer en Raalte. Het nieuwe weggedeelte ligt tussen de kruising Zweedsestraat/Siemelinksweg/Grote Ratelaar in het zuiden en de Raalterweg ter hoogte van de Kranekampsbrug in het noorden. Het dient ter vervanging en ontlasting van de huidige route door het stedelijke gebied van Deventer, het zogenoemde Hanzewegtracé. Voorts dient het nieuwe weggedeelte een rol te vervullen in de afwikkeling van het stedelijke verkeer en te fungeren als onderdeel van het stedelijke hoofdwegennet.

Het bestemmingsplan “N348 deel I” betreft het zuidelijke gedeelte van de weg, vanaf de kruising Zweedsestraat/Siemelinksweg/Grote Ratelaar in het zuiden tot de Oerdijk in het noorden. Het bestemmingsplan “N348 deel II” betreft het noordelijke gedeelte van de weg vanaf de Oerdijk tot de aansluiting op het bestaande tracé van de N348.

Beroepsgronden inzake de noodzaak van de weg

2.3. Appellanten stellen dat verweerder bij zijn bestreden besluit de bestemmingsplannen ten onrechte heeft goedgekeurd. Zij hebben hiertoe onder meer aangevoerd dat er geen noodzaak bestaat voor de aanleg van dit gedeelte van de N348, aangezien de huidige verkeersverbindingen voldoende capaciteit bezitten en van voldoende kwaliteit zijn.

De Stichting Verenigde Bewoners Colmschate heeft in dit kader tevens aangevoerd dat in het Provinciaal Verkeers- en Vervoersplan van de provincie Overijssel het desbetreffende gedeelte van het Hanzewegtracé niet als knelpunt is aangewezen. Bovendien is bij de beoordeling van de noodzaak van de weg volgens appellante uitgegaan van een te groot verkeersaanbod.

2.3.1. Zowel verweerder als de gemeenteraad achten de huidige verbinding van onvoldoende kwaliteit en afmeting om een goede doorstroming van het verkeer te verzekeren. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de aanleg van de in geding zijnde weg noodzakelijk is ter verbetering van de regionale infrastructuur, vermindering van de verkeershinder, vermindering van de belasting van het huidige Hanzeweg-tracé en de ontsluiting van de wijk Colmschate en diverse bedrijventerreinen.

2.3.2. Uit de stukken blijkt dat aanvankelijk in de onderhavige gebieden een nieuwe rijksweg zou worden aangelegd. Ten behoeve van deze weg is in 1990 een projectnota, inhoudende een Tracénota en MER, opgesteld. Vervolgens is besloten dat de genoemde weg geen onderdeel van het hoofdwegennet uit zal maken, maar een regionale functie zal vervullen.

In april 1991 is van de genoemde landelijke projectnota voor de provincie Overijssel een samenvatting gemaakt ter zake van het tracé Deventer-Raalte. Uit deze samenvatting blijkt dat, nu het bestaande Hanzewegtracé zowel een regionale functie vervult als een functie voor de afwikkeling van het doorgaande lange-afstandsverkeer, er zich problemen voordoen op het gebied van de verkeersafwikkeling, bereikbaarheid, verkeersveiligheid, stedenbouwkundige ontwikkeling en er sprake is van aantasting van het woon- en leefmilieu in de directe omgeving van de weg.

Ook blijkens het Structuurplan “Deventer Visie” is de dubbelfunctie van het Hanzewegtracé zowel verkeers- als milieutechnisch problematisch.

In het Provinciaal Verkeers- en Vervoersplan van 28 oktober 1998 is het gedeelte van het tracé door Deventer dat door de N348 moet worden ontlast, in tegenstelling tot hetgeen de Stichting Verenigde Bewoners Colmschate betoogt, aangeduid als verkeersknelpunt in 1997.

Niet is gebleken dat genoemde plannen en nota’s uitgaan van verkeerde cijfers of aannames, zodat verweerder het bestreden besluit hierop heeft mogen baseren. De Stichting Verenigde Bewoners Colmschate heeft niet aannemelijk gemaakt dat verweerder is uitgegaan van een groter verkeersaanbod dan waarvan feitelijk sprake is.

Tevens is uit het deskundigenbericht en het verhandelde ter zitting gebleken dat de gemeenteraad voorlopig niet voornemens is de Noordelijke Rondweg aan te leggen.

Mede gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat appellanten niet aannemelijk hebben gemaakt dat de noodzaak van het nieuwe weggedeelte van de N348 moet worden betwijfeld.

Overige beroepsgronden van de Stichting Verenigde Bewoners Colmschate

2.4. De Stichting Verenigde Bewoners Colmschate heeft gesteld dat de aanleg van de weg met name nadelige gevolgen zal hebben voor de “Douwelerkolk” en de kolk de “Ganzenpoel”, alsmede de in deze gebieden levende beschermde diersoorten. Zij voert tevens aan dat de aanleg van de N348 ernstige afbreuk zal doen aan de ecologische hoofdstructuur, nu de aanleg van deze weg de functie van het Overijssels kanaal als verbinding tussen de Holterberg en de IJsselvallei zal aantasten.

Appellante stelt verder dat de gemeenteraad en verweerder bij de beoordeling van de plannen zijn uitgegaan van een verouderd MER. Van dit MER had gelet op de uitspraak van de Afdeling van 21 december 2000, nr. E01.98.0364, volgens haar, geen gebruik mogen worden gemaakt.

Voorts doorsnijdt het in de plannen voorziene tracé in strijd met het gemeentelijke beleid de stedelijke kern van de gemeente Deventer, nu het grondgebied van de gemeente Bathmen aan Deventer wordt toegevoegd, aldus appellante.

Ook voert appellante aan dat ten gevolge van de aanleg van de voorziene weg de ontsluiting van de wijk Blaauwenoord zal worden beperkt en dat de weg een aantasting vormt van het uitloopgebied van de wijken Blaauwenoord en Groot Douwel.

Voorts heeft volgens appellante ten onrechte geen onderzoek naar de externe veiligheid van het voorziene tracé plaatsgevonden.

Appellante betwist tevens de financiële uitvoerbaarheid van de plannen, mede gezien het feit dat niet alle kosten in de raming zijn opgenomen.

In strijd met een gemaakte afspraak en de Vierde Nota Ruimtelijke Ordening (VINEX) voorzien de onderhavige plannen volgens appellante in een ontsluiting van een bedrijventerrein dat buiten het driehoeksverband zal worden ontwikkeld.

2.4.1. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake zal zijn van een ernstige aantasting van de natuurwetenschappelijke waarden, aangezien mitigerende en compenserende maatregelen zullen worden getroffen.

Verweerder acht de voorziene weg niet m.e.r.-plichtig en stelt dat zowel bij de vaststelling als de beoordeling van de plannen tevens gebruik is gemaakt van andere onderzoeken en rapporten.

Verweerder is voorts van mening dat de financiële haalbaarheid geenszins onzeker is, onder meer nu reeds door het rijk, de provincie en de gemeente financiële toezeggingen zijn gedaan.

2.4.2. De kolk de “Ganzenpoel”, ook wel aangeduid als de kolk de “Goudwesp” of de “Blaauwenoordse kolk”, zal worden gesaneerd en vervolgens verdwijnen ten gevolge van de aanleg van de N348. Besloten is hiervoor compensatie te zoeken. Geprobeerd zal worden de aanwezige amfibieën te verplaatsen. In dit verband is bij besluit van 6 augustus 2002 een ontheffing als bedoeld in artikel 75 van de Flora- en Faunawet verleend.

Ter zake van de Douwelerkolk blijkt uit het Alterrarapport “N348 en de Douwelerkolk; Ecologie en gebruik na aanleg van de N348” dat bij het opstellen van dit rapport het door appellante bedoelde rapport “Voetbal nabij de Douwelerkolk”, van het Instituut voor Bos- en Natuuronderzoek (IBN-DLO) is betrokken. De Afdeling kan de Stichting Verenigde Bewoners Colmschate dan ook niet volgen in haar stelling dat verweerder geen rekening heeft gehouden met de natuur binnen het gebied waarin de Douwelerkolk ligt, zoals beschreven in het laatstgenoemde rapport.

Voorts heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat de aanleg van de weg de verbindende functie van het Overijssels Kanaal ernstig zal aantasten.

Naar het oordeel van de Afdeling heeft verweerder zich, mede gelet op de te treffen compenserende en mitigerende maatregelen, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aantasting van de landschappelijke, natuurwetenschappelijke en ecologische waarden in de genoemde stedelijke gebieden van de gemeente Deventer niet zodanig is dat hieraan een doorslaggevend gewicht had moeten worden toegekend.

2.4.2.1. Ten behoeve van de aanvankelijk voorziene rijksweg, de A48, was, zoals al eerder overwogen, een MER gemaakt. Niet in geschil is dat de in de plannen voorziene weg niet m.e.r.-plichtig is. Verweerder heeft echter ter onderbouwing van zijn standpunt in de stukken verwezen naar gedeelten van het genoemde MER, aangezien dit MER op die punten niet was verouderd. Daarnaast hebben blijkens de stukken verschillende aanvullende onderzoeken plaatsgevonden.

Voorzover appellante heeft verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 21 december 2000, merkt de Afdeling op dat het in die zaak -in tegenstelling tot de onderhavige- om een m.e.r.-plichtig besluit ging.

Wat ook van de door appellante gestelde plannen tot het voegen van de gemeente Bathmen bij de gemeente Deventer zij, een dergelijke eventuele samenvoeging zal geen verdere doorsnijding van de stedelijke kern van de gemeente Deventer met zich meebrengen. Naar het oordeel van de Afdeling heeft verweerder zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat de plannen in zoverre niet in strijd zijn met het gemeentelijke beleid.

Ten aanzien van de ontsluiting van de wijk Blaauwenoord overweegt de Afdeling dat de ontsluiting wordt verplaatst naar de westzijde van de wijk aangezien ter plaatse van de huidige ontsluiting een tunnel voor langzaam verkeer komt. De nieuwe ontsluiting heeft tevens een aansluiting op de N348. Naar het oordeel van de Afdeling heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat een vlotte en verkeersveilige verkeersafwikkeling onvoldoende is gewaarborgd.

Ten aanzien van het bezwaar dat de aanleg van de weg een aantasting vormt van het uitloopgebied van de wijken Groot Douwel en Blaauwenoord overweegt de Afdeling dat de vorige bestemmingsplannen voor deze wijken reeds door middel van een uitwerkingsplicht voorzagen in de aanleg van de N348. Derhalve diende appellante er rekening mee te houden dat het gebied tussen de genoemde wijken en het Overijssels Kanaal niet uitsluitend als uitloopgebied zou blijven dienen.

Wat betreft de veiligheid heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg niet zal leiden tot onaanvaardbare risico’s voor de woonbebouwing in de omgeving. De veiligheid ter zake van het vervoer van gevaarlijke stoffen per rail zal niet wijzigen ten gevolge van de in de onderhavige plannen voorziene weg. Verweerder heeft overwogen dat de algemene verkeersveiligheid zal toenemen nu de spoorlijnen naar Zutphen en Almelo in de toekomst door het wegverkeer ongelijkvloers worden gekruist. De Afdeling ziet geen aanleiding dit standpunt van verweerder onredelijk te achten.

Ten aanzien van de financiële uitvoerbaarheid overweegt de Afdeling als volgt. Van de zijde van het rijk, de provincie en de gemeente is reeds de financiering van een groot deel van de kosten van de weg toegezegd. Voor het resterende bedrag staat de provincie garant. Naar het oordeel van de Afdeling is het standpunt van verweerder dat geen grond bestaat voor de verwachting dat de plannen financieel niet uitvoerbaar zijn, niet onredelijk.

Voorzover appellante heeft gesteld dat het bedrijventerrein Linderveld, ook wel Colmschate-Noord genoemd, in strijd met de afspraken van het driehoeksverband wordt ontwikkeld, overweegt de Afdeling dat genoemd bedrijventerrein niet binnen de onderhavige plangebieden is voorzien. Dit terrein is in deze zaak derhalve niet aan de orde.

Overige beroepsgronden van [appellante sub 2]

2.5. [Appellante sub 2] vreest dat de in de plannen beoogde aanleg van de N348 in strijd met het provinciale beleid een aantasting van de landschappelijke, natuurwetenschappelijke en ecologische waarden met zich mee zal brengen, aangezien de voorziene weg een provinciale ecologische verbindingszone doorkruist. Ter zake van de natuurwetenschappelijke waarden wijst zij in het bijzonder op de op haar perceel voorkomende planten en vogels.

Voorts stelt appellante dat de uitlaatgassen afkomstig van auto’s die gebruik maken van de voorziene weg een dusdanig verzurende werking zullen hebben op het omliggende gebied dat de plannen in strijd zijn met de Wet milieubeheer.

[appellante sub 2] heeft verder aangevoerd dat de in de plannen voorziene weg in strijd is met het auto-ontmoedigingsbeleid van de rijksoverheid.

De doorstroming van het verkeer had volgens appellante beter kunnen worden opgelost door de aanleg van een ontsluitingsweg tussen Schalkhaar en Deventer richting de Siemelinksweg.

2.5.1. Verweerder heeft zich met de gemeenteraad op het standpunt gesteld dat de aantasting van de natuurlijke waarden zo beperkt mogelijk is gebleven.

Hij heeft de aanleg van de voorziene weg niet in strijd met het rijksbeleid geacht.

Voorts is verweerder van mening dat het in de bestemmingsplannen opgenomen tracé zowel ruimtelijk, als verkeerskundig gezien het meest wenselijk is.

2.5.2. Ten aanzien van het bezwaar van appellante dat het in de onderhavige plannen opgenomen tracé een gebied met landschappelijke, natuurwetenschappelijke en ecologische waarden doorsnijdt en deze doorsnijding ook gevolgen heeft voor de natuurwetenschappelijke waarden ter hoogte van haar woning, overweegt de Afdeling als volgt. Op de functiekaart onderdeel uitmakende van het Streekplan “Overijssel 2000+” (hierna: het streekplan), vastgesteld op 13 december 2000, is het in geding zijnde tracé reeds aangegeven als toekomstige “gebiedsontsluitingsweg”. Het perceel van appellante alsmede het grootste gedeelte van de in de plannen voorziene weg ligt binnen het gebied dat in het streekplan is aangeduid als “Zone II landbouw en cultuurlandschap”. De hoofdkoers van een gebied in genoemde zone is de ontwikkeling van landbouw met behoud en ontwikkeling van landschap, cultureel erfgoed en recreatie. Blijkens het streekplan ligt zowel ten oosten als ten westen van het in de plannen voorziene tracé een gebied dat behoort tot de ecologische hoofdstructuur. De verbindingszone die deze twee gebieden verbindt, wordt door het genoemde tracé doorsneden. Ten aanzien van de provinciale ecologische verbindingszone voert de provincie het beleid dat er geen (grootschalige) ontwikkelingen mogen plaatsvinden die de realisering van deze verbinding onmogelijk maken. Uit de toelichting op het bestemmingsplan “N348 deel II” blijkt dat verweerder met name van belang heeft geacht dat dieren zich gemakkelijk tussen de beide gebieden die onderdeel uitmaken van de ecologische hoofdstructuur kunnen verplaatsen. In 1995 is reeds een landschapsplan opgesteld om te bezien op welke wijze de aantasting van natuur- en landschap ten gevolge van de doorsnijding van de verbinding van de ecologisch samenhangende gebieden zoveel mogelijk kan worden beperkt. Dit plan is in 1999 en vervolgens in 2001 aangevuld. Uit genoemd plan en de bijbehorende aanvullingen blijkt dat zowel maatregelen aan het tracé, waaronder faunapassages, rasters en ecoduikers, als compenserende maatregelen in het gebied kunnen worden getroffen. Naar het oordeel van de Afdeling heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de aanleg van de N348, mede gelet op de te treffen mitigerende en compenserende maatregelen, de realisering van de verbindingszone van de provinciale ecologische hoofdstructuur niet onmogelijk maakt. Derhalve is, naar het oordeel van de Afdeling, geen sprake van strijd met het streekplanbeleid.

Ten aanzien van de stelling van appellante dat de plannen in strijd met de Wet Milieubeheer zijn, merkt de Afdeling op dat nu de in geding zijnde weg geen inrichting in de zin van artikel 1.1., eerste lid, van de Wet milieubeheer is, toetsing aan deze wet achterwege kan blijven.

Voorts overweegt de Afdeling dat het auto-ontmoedigingsbeleid van de rijksoverheid -wat daar ook van zij- niet met zich meebrengt dat geen enkele nieuwe weg mag worden aangelegd.

Voorzover appellante alternatieven heeft aangevoerd, overweegt de Afdeling dat het bestaan van alternatieven op zichzelf geen grond kan vormen voor het onthouden van goedkeuring aan de bestemmingsplannen. Het karakter van de besluitvorming omtrent de goedkeuring brengt immers mee dat alternatieven daarbij in beginsel eerst aan de orde behoeven te komen indien blijkt van ernstige bezwaren tegen het voorgestane gebruik waarop de plannen zien. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze situatie zich in dit geval niet voordoet.

2.5.3. Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de plannen niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan de plannen.

De beroepen zijn ongegrond.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. A. Kosto, Voorzitter, en mr. R.H. Lauwaars en mr. M. Oosting, Leden, in tegenwoordigheid van mr. H.E. Troost, ambtenaar van Staat.

w.g. Kosto w.g. Troost

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2003

234-425.