Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AH8974

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-07-2003
Datum publicatie
02-07-2003
Zaaknummer
200202992/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 april 2002, kenmerk 2001-35, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghouder] een vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor het gieten van metalen machineonderdelen in enkelstuks en kleine series en het bewerken van metalen en kunststoffen aan de [locatie] te [plaats], gemeente Hof van Twente, kadastraal bekend gemeente […], sectie […], nummers […].

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 20.6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2003/229
JOM 2006/938

Uitspraak

200202992/1.

Datum uitspraak: 2 juli 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante] en andere, verenigd in het Collectief "De Whee", gevestigd te

Goor,

appellanten,

en

het college van burgemeester en wethouders van Hof van Twente,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 9 april 2002, kenmerk 2001-35, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan [vergunninghouder] een vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor het gieten van metalen machineonderdelen in enkelstuks en kleine series en het bewerken van metalen en kunststoffen aan de [locatie] te [plaats], gemeente Hof van Twente, kadastraal bekend gemeente […], sectie […], nummers […]. Dit besluit is op 25 april 2002 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 4 juni 2002, bij de Raad van State ingekomen op 5 juni 2002, beroep ingesteld.

Bij brief van 9 augustus 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 10 oktober 2002. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 februari 2003, waar appellanten, vertegenwoordigd door [medewerker van Adviesbureau Peutz & Associes], en J. Drost, en verweerder, vertegenwoordigd door R. Hazenkamp, ambtenaar van de gemeente, en [medewerkers] van Sight Adviseurs, zijn verschenen.

Voorts is vergunninghoudster, vertegenwoordigd door mr. R. van Eck, advocaat te Groenlo, gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door:

a. degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;

b. de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;

c. degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;

d. belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.

Adviesbureau Peutz & Associes heeft gedurende de termijn voor het inbrengen van bedenkingen, namens Collectief “De Whee” bedenkingen ingediend. Aangezien het verweerder niet duidelijk was wie deel uitmaakten van het Collectief “De Whee” heeft hij aan adviesbureau Peutz & Associes om opheldering gevraagd. Na afloop van de bedenkingentermijn is bij verweerder een schrijven binnengekomen waaruit kon worden opgemaakt welke bedrijven deel uitmaken van het Collectief “De Whee”, en adviesbureau Peutz & Associes hebben gemachtigd bedenkingen in te dienen. Anders dan vergunninghoudster is de Afdeling van oordeel dat daarmee de identiteit van degenen die bedenkingen hebben ingediend voldoende is komen vast te staan, zodat ontvankelijke bedenkingen zijn ingediend en appellanten in hun beroep kunnen worden ontvangen.

2.2. Het bestreden besluit betreft een oprichtingsvergunning voor een inrichting voor het gieten van metalen machineonderdelen en het bewerken van kunststoffen. De inrichting, die thans nog is gevestigd te Enschede, is voorzien op het industrieterrein “De Whee”, waarop zich andere bedrijven alsmede bedrijfswoningen bevinden. Op ongeveer 30 meter zuidoostelijk van de geplande inrichting ligt de dichtst bijgelegen bedrijfswoning van derden. De dichtst bijgelegen woning van derden buiten het industrieterrein ligt op ongeveer 115 meter noordelijk van deze inrichting.

2.3. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

Artikel 8.12, derde lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat voorzover aan een vergunning voorschriften worden verbonden als bedoeld in het eerste lid, daaraan in ieder geval ook voorschriften worden verbonden, inhoudende dat op een daarbij aangewezen wijze moet worden bepaald of aan de eerstbedoelde voorschriften wordt voldaan en dat de daarbij verkregen gegevens ter beschikking moeten worden gesteld van het bevoegd gezag.

2.4. Appellanten voeren aan dat de geluidemissie ten gevolge van mechanische en natuurlijke ventilatieopeningen, die in belangrijke mate de geluidemissie in de avond- en nachtperiode bepalen sterk kan worden gereduceerd door het aanbrengen van geluiddempende ventilatieroosters bij de natuurlijke ventilatieopeningen en geluiddempers op de mechanische afzuigventilatoren. Appellanten ramen de kosten van deze voorzieningen op

€ 10.000 en zeggen dat de met deze voorzieningen te realiseren geluidreductie voor de inrichting als geheel in de nachtperiode op het meest belaste beoordelingspunt 7 circa 5 dB(A) zal bedragen.

2.4.1. Verweerder heeft ter beperking van geluidhinder onder meer voorschrift B.1 aan de vergunning verbonden. In dit voorschrift zijn voor negen beoordelingspunten de berekende geluidgrenswaarden vastgelegd.

2.4.2. Verweerder heeft bij de beoordeling van de door de inrichting veroorzaakte geluidhinder de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening toegepast.

Volgens hoofdstuk 4 van de Handreiking is het mogeIijk bij nieuwe inrichtingen de in de Handreiking opgenomen richtwaarden te overschrijden tot het referentieniveau van het omgevingslawaai, mits het zogenoemde ALARA-beginsel is toegepast. Ingevolge paragraaf 5.9 van deze Handreiking is het toegestaan voor bedrijfswoningen op een niet-gezoneerd industrieterrein een richtwaarde van 55 dB(A) met een maximum van 65 dB(A) te hanteren.

Ten aanzien van de in voorschrift B.1 opgenomen geluidgrenswaarden voor de buiten het industrieterrein gelegen burgerwoning (beoordelingspunt 8) overweegt de Afdeling, dat deze waarden een etmaalwaarde van 50 dB(A), zijnde het referentieniveau van het omgevingsgeluid dat wordt bepaald door de op het industrieterrein aanwezige bedrijven en de in de directe nabijheid van het industrieterrein gelegen rioolwaterzuiveringsinstallatie, niet overschrijden.

Verweerder heeft verder de kosten van de door appellanten voorgestelde voorzieningen afgewogen tegen de overschrijding met 1 dB(A) van de richtwaarde van 55 dB(A) bij beoordelingspunt 7 in de nachtperiode. Verweerder acht het voorschrijven van de geopperde voorzieningen gelet op de aan de voorzieningen verbonden kosten en de noodzakelijke reductie van 1 dB(A) gedurende de nachtperiode bij één beoordelingspunt niet opportuun. De Afdeling is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen nu het hier gaat om een op een bedrijventerrein gelegen bedrijfswoning waarvoor blijkens de Handreiking een richtwaarde van 55 dB(A) met een maximum van 65 dB(A) geldt.

Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich naar het oordeel van de Afdeling verder in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de in voorschrift B.1 opgenomen geluidgrenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau voldoende bescherming bieden tegen geluidhinder. Deze beroepsgrond treft mitsdien geen doel.

2.5. In voorschrift B.2 zijn voor negen beoordelingspunten de maximale geluidgrenswaarden opgenomen. Verweerder heeft ter zitting toegegeven dat appellanten gelijk hebben dat de maximale geluidgrenswaarden voor de beoordelingspunten 3 en 5, 57 respectievelijk 59 dB(A) dienen te bedragen. Het bestreden besluit is in zoverre, naar het oordeel van de Afdeling, niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand gekomen en komt wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht voor vernietiging in aanmerking.

2.6. In voorschrift B.12 is bepaald dat indien dit door het bevoegd gezag nodig wordt geoordeeld, in opdracht van de vergunninghouder, met inachtneming van het gestelde in voorschrift 4 moet worden onderzocht, of aan de in de voorschriften 1 en 2 gestelde geluidgrenswaarden wordt voldaan. Het onderzoek moet door een onafhankelijke, door het bevoegd gezag erkende, deskundige worden uitgevoerd. Toelichting: aan dit voorschrift zal door het bevoegd gezag ten hoogste 1 keer per jaar uitvoering worden gegeven.

2.6.1. Appellanten voeren aan dat aangezien bij het vaststellen van de geluidemissie van de inrichting in het geluidrapport is uitgegaan van een groot aantal aannames in dit voorschrift een onvoorwaardelijke onderzoeksverplichting na ingebruikname van de inrichting had moeten worden voorgeschreven. Appellanten hebben met name hun twijfels over de in het geluidrapport gehanteerde nagalmniveaus van 80 en 85 dB(A), die zijn vastgesteld aan de hand van meetresultaten ter plaatse van de huidige vestiging van de inrichting te Enschede. Verder wordt in het geluidrapport uitgegaan van een geluidvermogen voor een afzuigventilator van 91 dB(A) en van een geluidisolatie van de deur van de grondstoffen-aanvoerhal van 34 dB(A).

2.6.2. De Afdeling merkt ter zake op, dat verweerder bij het opnemen van voorschrift B.12 voor ogen heeft gestaan een voorschrift als bedoeld in artikel 8.12, derde lid, van de Wet milieubeheer aan de vergunning te verbinden ten einde te kunnen controleren of de in de voorschriften B.1 en B.2 gestelde geluidgrenswaarden worden nageleefd. Gelet op de formulering van voorschrift B.12 is de Afdeling van oordeel dat dit voorschrift niet aan de daaraan ingevolge artikel 8,12, derde lid, te stellen eisen voldoet. Het voorschrift is te vrijblijvend geformuleerd, het uitvoeren van controles is afhankelijk gesteld van het oordeel van verweerder omtrent de noodzaak tot het instellen van een geluidonderzoek. Gelet hierop, komt voorschrift B.12 vanwege strijd met artikel 8.12, derde lid, van de Wet milieubeheer voor vernietiging in aanmerking.

2.7. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep deels gegrond is en het bestreden besluit wat betreft de voorschriften B.2 (beoordelingspunten 3 en 5) en B.12 voor vernietiging in aanmerking komt.

2.8. Verweerder dient op de na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Aangezien het deskundigenrapport niet bij de stukken is aangetroffen komen de daarvoor gemaakte kosten reeds om die reden niet voor vergoeding in aanmerking.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Hof van Twente van 9 april 2002, Nr. 2001-35, voorzover het de voorschriften B.2 (beoordelingspunten 3 en 5) en B.12 betreft;

III. draagt het college van burgemeester en wethouders van Hof van Twente op binnen 6 weken na verzending van deze uitspraak met inachtneming daarvan een nieuw besluit te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

IV. verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Hof van Twente in de door appellanten in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 73,64; het bedrag dient door de gemeente Hof van Twente te worden betaald aan appellanten;

VI. gelast dat de gemeente Hof van Twente aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 218,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, Voorzitter, en mr. H.G. Lubberdink en mr. P.C.E. van Wijmen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. E.C. Brugman, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd w.g. Brugman

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2003

205.