Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AH8964

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-07-2003
Datum publicatie
02-07-2003
Zaaknummer
200203391/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 oktober 2001 heeft de gemeenteraad van Hilversum, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 25 september 2001, het bestemmingsplan "Utrechtseweg" vastgesteld. Verweerder heeft bij zijn besluit van 14 mei 2002, kenmerk 2001-40887, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200203391/1.

Datum uitspraak: 2 juli 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], gevestigd te [plaats], en anderen,

2. [appellanten sub 2], wonend te [woonplaats],

3. [appellante sub 3], gevestigd te [plaats],

4. het college van burgemeester en wethouders van Hilversum,

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 10 oktober 2001 heeft de gemeenteraad van Hilversum, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 25 september 2001, het bestemmingsplan "Utrechtseweg" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 14 mei 2002, kenmerk 2001-40887, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellanten sub 1 bij brief van 20 juni 2002, bij de Raad van State ingekomen op 20 juni 2002, appellanten sub 2 bij brief van 3 juli 2002, bij de Raad van State ingekomen op 4 juli 2002, appellante sub 3 bij brief van 4 juli 2002, bij de Raad van State ingekomen op 4 juli 2002, en appellant sub 4 bij brief van 9 juli 2002, bij de Raad van State ingekomen op 10 juli 2002, beroep ingesteld. Appellanten sub 1 hebben hun beroep aangevuld bij brief van 19 juli 2002. Appellanten sub 2 hebben hun beroep aangevuld bij brief van 30 september 2002.

Bij brief van 26 september 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 31 januari 2003. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten sub 2, appellante sub 3, appellant sub 4 en [partij]. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 mei 2003, waar appellanten sub 1, vertegenwoordigd door [gemachtigde] en bijgestaan door mr. A.A. ter Braak-Verhoeks, advocaat te Utrecht, appellanten sub 2, in persoon en bijgestaan door mr. C. Sjenitzer, advocaat te Amsterdam, appellante sub 3, vertegenwoordigd door [gemachtigde] en bijgestaan door prof. mr. N.S.J. Koeman, advocaat te Amsterdam, appellant sub 4, vertegenwoordigd door mr. P.H. Meijer en ing. R.M. Voeten, ambtenaren van de gemeente, en verweerder, vertegenwoordigd door W.J. Ardewijn, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts zijn daar als partij gehoord [partijen], bijgestaan door [gemachtigden].

2. Overwegingen

2.1. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.2. Het plan heeft betrekking op een gebied ten zuiden van het centrum van Hilversum dat is gelegen rond de Utrechtseweg en dat grotendeels deel uitmaakt van het stadsdeel “Zuidoostelijke villawijk”. Met het plan wordt beoogd het wonen en werken te behouden en te versterken.

2.3. Voorzover appellanten sub 2 stellen dat op het plandeel met de bestemming “Woondoeleinden 2 (W2)” aan de Utrechtseweg 93 vier in plaats van twee hoofdgebouwen zouden moeten worden toegestaan, overweegt de Afdeling dat deze beroepsgrond niet steunt op een bij verweerder ingebrachte bedenking.

Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, onder d, en 56, tweede lid, gelezen in samenhang met artikel 27, eerste en tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, kan beroep slechts worden ingesteld tegen het goedkeuringsbesluit van het college van gedeputeerde staten, voorzover dit beroep een grondslag heeft in een bij het college van gedeputeerde staten ingebrachte bedenking.

Dit is slechts anders voorzover het besluit van het college van gedeputeerde staten strekt tot onthouding van goedkeuring, dan wel indien een belanghebbende aantoont dat hij redelijkerwijs niet in staat is geweest een bedenking in te brengen. Weliswaar heeft verweerder aan het desbetreffende plandeel goedkeuring onthouden, maar reeds het vastgestelde plan bood appellanten niet de mogelijkheid tot het realiseren van vier hoofdgebouwen op hun perceel. Hiertegen hebben zij bij verweerder geen bedenking ingebracht. Niet is gebleken dat appellanten hiertoe redelijkerwijs niet in staat zijn geweest.

Het beroep van appellanten sub 2 is in zoverre niet-ontvankelijk.

2.4. Appellanten sub 1 stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming “Bedrijfsdoeleinden (B)” op hun percelen [locatie]. Het bestemmingsplan biedt hun geen uitbreidingsmogelijkheden, waardoor zij niet kunnen voldoen aan milieu- en arbeidsomstandighedenwetgeving, aldus appellanten. Verweerder had naar hun mening niet kunnen verwijzen naar een eventuele verplaatsing van de bedrijven, nu onderhandelingen hieromtrent telkens op niets zijn uitgelopen.

2.4.1. De gemeenteraad stelt zich op het standpunt dat uitbreiding niet mogelijk is gemaakt omdat in de directe omgeving de woonfunctie de overhand heeft. In het plan is daarom de bestaande situatie vastgelegd.

2.4.2. Verweerder heeft geen reden gezien dit gedeelte van het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en heeft het plandeel goedgekeurd. Volgens hem passen de bedrijven niet in een woonomgeving. Hij acht het aannemelijk dat de bedrijven zullen worden verplaatst.

2.4.3. Appellanten zijn gespecialiseerd in de handel in additieven voor veevoeders en in de verkoop van aluminium profielen. De bedrijven vallen volgens het plan in categorie-4 van de staat van bedrijfsactiviteiten. Bedrijfsactiviteiten in deze categorie dienen, gelet op hun aard en invloed, op behoorlijke afstand van woonwijken gesitueerd te zijn, aldus de plantoelichting. De gemeenteraad heeft beoogd de bestaande situatie te bestemmen en de bedrijven opgenomen in Bijlage 4: “Toegelaten bedrijven”. De Afdeling acht het niet onredelijk dat het beleid er op is gericht dat appellanten deze locatie verlaten en dat ter plekke in de toekomst woonbebouwing wordt gerealiseerd. In beginsel kan in zodanig geval worden volstaan met het vastleggen van de bestaande situatie. Uit het deskundigenbericht is echter gebleken dat de bestaande bebouwing op de percelen N4186 en N2368 reeds een bouwhoogte van 4 tot 5 meter respectievelijk 7,5 tot 8 meter heeft, terwijl volgens de planvoorschriften de maximale bouwhoogte 4 meter bedraagt. In zoverre is de bestaande situatie niet als zodanig bestemd. Ter zitting is in dit verband door verweerder gesteld dat het bestreden besluit in zoverre niet in stand kan blijven.

Voorts is gebleken dat de onderhandelingen over verplaatsing, die reeds sinds 1996 plaatsvinden, tot niets hebben geleid. Ter zitting is in dit verband door het college van burgemeester en wethouders gesteld dat binnen de planperiode geen uitzicht bestaat op verplaatsing van appellanten en dat niet zal worden overgegaan tot onteigening. Uit de stukken is bovendien gebleken dat in 1995 aan appellanten een revisievergunning is verleend op grond van de Wet milieubeheer, waarbij rekening is gehouden met hun bouwplannen en dat verweerder in 1996 een verklaring van geen bezwaar heeft verleend voor de bouw van een bedrijfsgebouw [locatie]. Een bouwvergunning is echter niet verleend. Niet is gebleken dat verweerder bij het maken van zijn belangenafweging hiermee rekening heeft gehouden.

Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat aan appellanten in dit geval niet enige uitbreidingsmogelijkheid had moeten worden gegeven. Zij neemt hierbij mede in aanmerking dat ter zitting door appellanten is gesteld dat intensivering van de bedrijfsvoering niet wordt nagestreefd en dat uit het deskundigenbericht van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak (hierna: deskundigenbericht) is af te leiden en ter zitting aannemelijk is gemaakt dat vernieuwing en vergroting van de bebouwing, die dateert uit 1930/1931, noodzakelijk is om te kunnen voldoen aan de eisen die voortvloeien uit milieu- en arbeidsomstandighedenwetgeving. De overlast voor omwonenden kan voorts worden beperkt als de laad- en losactiviteiten – anders dan thans – plaatsvinden in een gesloten ruimte. Hiervoor is in ieder geval een hal met een grotere bouwhoogte dan de in het plan toegestane 4 meter en een groter maximaal bebouwingspercentage dan de op de plankaart aangegeven 83% vereist.

2.4.4. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plandeel met de bestemming “Bedrijfsdoeleinden (B)” ter plaatse van appellanten sub 1 niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Door dit plandeel niettemin goed te keuren, heeft verweerder gehandeld in strijd met artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd. De Afdeling zal op de hierna te melden wijze in de zaak voorzien en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit, voor zover vernietigd.

2.5. Appellanten sub 2 en sub 4 stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan een gedeelte van het plandeel met de bestemming “Woondoeleinden 2 (W2)” aan de Utrechtseweg 93. Volgens de vorige planologische regeling was verdere bebouwing op het perceel wel toegestaan en ook in het streekplan is rekening gehouden met de bebouwingsmogelijkheden op het perceel, aldus appellanten.

2.5.1. Verweerder stelt zich op het standpunt dat op het perceel Utrechtseweg 93 een extra bebouwingsmogelijkheid is gecreëerd buiten de bebouwingscontour. Hij heeft geen dringende redenen gezien een nieuwe woonbestemming achter de lintbebouwing aan de Utrechtseweg op te nemen die afbreuk zou kunnen doen aan de natuurwaarden van het gebied. Gelet hierop heeft hij het plandeel in strijd geacht met een goede ruimtelijke ordening en hieraan goedkeuring onthouden.

2.5.2. De Afdeling overweegt allereerst dat het karakter van de toetsing van verweerder meebrengt dat hij het bestemmingsplan terecht heeft getoetst aan het ten tijde van het bestreden besluit in het streekplan “Gooi en Vechtstreek” vastgelegde beleid. Het feit dat een nieuw streekplan in voorbereiding is, maakt dit niet anders. De Afdeling stelt vervolgens vast dat de achterzijde van het perceel aan de Utrechtseweg 93 is gelegen buiten de “contour stedelijk gebied” voor Hilversum zoals deze is weergegeven op de kaart “contouren stedelijk gebied” van dit streekplan. De “contouren stedelijk gebied” zijn door provinciale staten aangewezen als beslissing van wezenlijk belang waarvan door verweerder niet kan worden afgeweken. Buiten de contouren mag volgens het in het streekplan vastgelegde beleid geen verdere verstedelijking plaatsvinden. De Afdeling heeft dit beleid in de uitspraak van 4 december 2002, nr. 200100126/1 (aangehecht), niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geoordeeld. Wel is een beperkte toename van woonbebouwing in het landelijke gebied buiten de contouren toegestaan indien de (woon-)bebouwing samenhangt met de (agrarische) functie van het landelijk gebied, in het geval van sanering van vrijkomende (agrarische) bedrijfsgebouwen en bij opheffing van reeds bestaande, ruimtelijk ongewenste situaties. Geen van deze situaties doet zich hier echter voor. Op het desbetreffende plandeel zijn mitsdien blijkens het in het streekplan vastgelegde beleid geen bouwmogelijkheden toegestaan. De kaart “Overzicht randvoorwaarden en belemmeringen” en afbeelding 12 “Woonmilieus” van het streekplan zijn naar het oordeel van de Afdeling niet zodanig gedetailleerd, dat verweerder hieruit had moeten afleiden dat provinciale staten op het desbetreffende perceel niettemin bouwmogelijkheden hebben voorzien. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder het in het streekplan “Gooi en Vechtstreek” vastgelegde beleid op juiste wijze toegepast. Het beroep van appellanten sub 2 en sub 4 is in zoverre ongegrond.

2.5.3. Voor zover het beroep van appellanten is gericht tegen de ligging van de “contour stedelijk gebied” overweegt de Afdeling dat deze contour bij eerder genoemde uitspraak van 4 december 2002 is aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 4a, zevende lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, zoals die destijds gold, in samenhang met artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht. Hiertegen hebben mitsdien rechtsmiddelen opengestaan. Thans is dit besluit evenwel onherroepelijk en kan de ligging van de contour in deze procedure niet meer aan de orde komen.

2.6. Appellanten sub 3 en sub 4 stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan het plandeel met de bestemming “Woondoeleinden 2 (W2)” en de drie aanduidingen voor hoofdgebouwen op het zogeheten Villa Hestiaterrein. Zij stellen dat de bouwmogelijkheden passen binnen de karakteristieken van de omgeving. Appellante sub 3 stelt voorts dat verweerder niet heeft gemotiveerd waarom sprake zou zijn van een forse achteruitgang van het woongenot en dat alternatieve bebouwingsmogelijkheden niet aan de orde behoefden te komen omdat tegen de gekozen planologische regeling geen ernstige bezwaren bestaan.

2.6.1. Verweerder heeft goedkeuring aan het plandeel onthouden omdat de gemeenteraad niet aannemelijk heeft gemaakt dat de in het plan opgenomen situering, massaliteit en bouwhoogte aanvaardbaar zijn en niet is onderzocht of kleinschaligere bouwplannen beter inpaspaar zouden zijn. Voorts leidt een hoogte van 16 meter op een afstand van 20 meter van een woning tot een forse achteruitgang van het woongenot, aldus verweerder.

2.6.2. Het Villa Hestiaterrein is blijkens het bestemmingsplan herkenbaar als landgoed. Het beleid ten aanzien van landgoederen is blijkens artikel 6, tweede lid, onder 1, van de planvoorschriften, gericht op behoud van de oorspronkelijke opzet van het landgoed, waaronder wordt verstaan een alzijdig georiënteerde villa als hoofdgebouw en verspreid gelegen bijgebouwen met oprit in de zichtas en omringende bijgebouwen. Bij nieuwe ontwikkelingen is toevoeging van bebouwing en een beperkte schaalvergroting mogelijk, mits passend binnen de karakteristiek. Dat betekent dat niet moet worden gekozen voor ontwikkeling in complexen maar voor een hoge mate van individuele uitstraling, veel groene ruimte en een compacte bebouwingsopzet met een minimale oppervlakte aan bebouwde grond.

Naar het oordeel van de Afdeling is noch uit het vaststellingsbesluit noch uit de plantoelichting af te leiden hoe de voorgestane bebouwing past in deze uitgangspunten en in hoeverre alternatieve bebouwingsmogelijkheden zijn onderzocht. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de mate van bebouwing en de hoogte daarvan afbreuk kunnen doen aan de waarden van het terrein en dat mitsdien nader onderzoek naar alternatieven was aangewezen. De Afdeling acht het standpunt van verweerder dat bebouwing op dit terrein met een hoogte van 16 meter op een afstand van 20 meter van een woning leidt tot een forse achteruitgang van het woongenot in die woning voorts niet onaannemelijk.

Voorzover appellanten erop hebben gewezen dat bij verweerder inmiddels op basis van door het college van burgemeester en wethouders op 27 augustus 2002 aangeleverde nadere gegevens een gewijzigd inzicht leeft met betrekking tot de aanvaardbaarheid van de onderhavige bebouwingsmogelijkheid merkt de Afdeling het volgende op. Aangezien de toetsing van het bestreden besluit door de Afdeling wordt verricht aan de hand van de feiten en omstandigheden ten tijde van het nemen van het bestreden besluit, ziet de Afdeling reeds hierom geen aanleiding een gewijzigde visie bij het thans voorliggende geschil te betrekken.

Gelet op het vorenstaande heeft verweerder terecht goedkeuring onthouden aan het plandeel. De beroepen van appellanten sub 3 en sub 4 zijn in zoverre ongegrond.

2.7. Appellant sub 4 kan zich voorts niet verenigen met de motivering die verweerder ten grondslag heeft gelegd aan de onthouding van goedkeuring aan de maximale hoogte van de bestemmingen “Maatschappelijke doeleinden 2 (M2)” en “Kantoordoeleinden 2 (K2)” op een gebied tussen het Laapersveld en het spoor, voor zover deze motivering de noodzakelijkheid en de wenselijkheid hiervan betreft. Volgens hem is verhoging van de bouwhoogte nodig voor een maximale benutting van gronden nabij stationslocaties en zal geen sprake zijn van een onaanvaardbare verkeerstoename.

2.7.1. Verweerder heeft ter plaatse ten eerste goedkeuring onthouden aan de maximale bouwhoogten, omdat in de voorschriften een lagere hoogte is voorgeschreven dan op de plankaart is aangeduid. Voorts acht hij niet voldoende aannemelijk gemaakt dat een hoogte van 16 meter voor kantoren en een hoogte van 18 meter voor de bestemming maatschappelijke doeleinden wenselijk of noodzakelijk is. Ook geeft het plan geen uitsluitsel over de verwerking van het extra verkeersaanbod ten gevolge van extra bebouwing, aldus verweerder.

2.7.2. Uit het deskundigenbericht is af te leiden dat de aanwezige bebouwing in het desbetreffende gebied varieert van een tot vier bouwlagen. De Afdeling stelt in dit verband voorop dat noch uit het bestemmingsplan noch uit het vaststellingsbesluit blijkt waarom de maximale hoogte voor dit plandeel is verhoogd tot 16 meter en 18 meter. Ter zitting is voorts gebleken dat geen concrete plannen bestaan om het station Sportpark in zuidelijke richting te verplaatsen en dat evenmin plannen bestaan om de bestaande bebouwing te verhogen tot de maximaal toegestane bouwhoogten. Hiermee ontvalt de door appellant gestelde noodzaak van intensivering van het ruimtegebruik ter plaatse. Tenslotte is gebleken dat niet is onderzocht welke gevolgen toename van het vloeroppervlak zou kunnen hebben voor de verkeersontsluiting.

Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat de gemeenteraad onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de maximale bouwhoogten ter plaatse moeten worden verhoogd en heeft hij terecht mede hierom goedkeuring aan dit plandeel onthouden. Het beroep van appellant sub 4 is in zoverre ongegrond.

2.8. Appellant sub 4 kan zich tenslotte niet verenigen met de onthouding van goedkeuring aan de bestemming “Woondoeleinden 3 (W3)” en de drie aanduidingen voor hoofdgebouwen op het perceel dat grenst aan hotel Laapershoek. Naar zijn mening ligt het perceel in een gebied met een overwegende woonfunctie en leidt uitbreiding van het hotel tot overlast. Er bestaat geen behoefte aan uitbreiding van het hotel en bovendien heeft verweerder ter plaatse al ontheffing verleend voor hogere grenswaarden voor woningen, aldus appellant.

2.8.1. Verweerder heeft goedkeuring aan het plandeel onthouden omdat de gemeenteraad onvoldoende heeft gemotiveerd waarom uitbreiding van het hotel niet mogelijk zou zijn. Uitbreiding leidt in zijn ogen niet tot aantasting van de karakteristiek van de omgeving en zal niet leiden tot onaanvaardbare verkeersbelasting. Bewoners van nieuwe woningen op het perceel zullen bovendien overlast ondervinden vanwege het parkeerterrein bij het hotel, aldus verweerder.

2.8.2. In het deskundigenbericht wordt gesteld dat de omgeving niet kan worden gekarakteriseerd als een overwegend woongebied, omdat zich hier ook kantoren, scholen en detailhandel bevinden. De Afdeling ziet geen reden hierover anders te oordelen. Het hotel is voorts aan drie zijden omsloten door een drukke weg en slechts aan een zijde gelegen op enige afstand van enkele villa’s. De Afdeling acht het niet aannemelijk dat uitbreiding van het hotel een ernstige aantasting van het woongenot voor de bewoners van deze villa’s zal veroorzaken. Parkeer- en andere overlast kan bovendien worden verminderd indien wordt voorzien in een ondergrondse parkeerkelder. Voorts acht de Afdeling, gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting, niet onaannemelijk dat aan uitbreiding van het hotel behoefte bestaat. Het feit dat na eventuele verplaatsing van het station Sportpark reeds elders in Hilversum een nieuw hotel-restaurant is voorzien doet hieraan niet af. Ter zitting is in dit verband bovendien gebleken dat geen concrete plannen bestaan voor de verplaatsing van het station Sportpark in zuidelijke richting of voor de bouw van een nieuwe hotelaccommodatie elders in Hilversum. Tenslotte betekent het enkele feit dat verweerder hogere geluidgrenswaarden heeft vastgesteld ten behoeve van woningen niet dat verweerder geen goedkeuring heeft kunnen onthouden vanwege het ontbreken van een deugdelijke motivering ten aanzien van de bestemming van dit plandeel.

Gelet hierop heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat de gemeenteraad onvoldoende heeft gemotiveerd waarom uitbreiding met hotelappartementen hier niet mogelijk is en heeft hij terecht goedkeuring aan het plandeel onthouden. Het beroep van appellant sub 4 is in zoverre ongegrond.

De Afdeling overweegt ten overvloede dat ter zitting is gebleken dat de gemeente geen eigenaar is van het gebied van het desbetreffende plandeel, dat de eigenaar geen plannen heeft ter plaatse een woonbestemming te verwezenlijken en dat verwerving door de gemeente niet wordt beoogd. Bij het vaststellen van een plan op grond van artikel 30 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening dient de gemeenteraad hiermee rekening te houden.

2.9. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten van appellanten sub 1 te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van appellanten sub 2 niet-ontvankelijk voorzover dit betrekking heeft op het aantal hoofdgebouwen dat op het perceel aan de Utrechtseweg 93 is toegestaan;

II. verklaart het beroep van appellanten sub 1 geheel gegrond;

III. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland van 14 mei 2002, kenmerk 2001-40887, voorzover het de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden (B)" op het perceel [locatie], zoals nader aangeven op een bij deze uitspraak behorende, gewaarmerkte kaart betreft;

IV. onthoudt goedkeuring aan het onder III. genoemde plandeel;

V. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit voorzover dat is vernietigd;

VI. verklaart het beroep van appellanten sub 2 voor het overige en de beroepen van appellanten sub 3 en sub 4 geheel ongegrond;

VII. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland in de door appellanten sub 1 in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 923,38, waarvan een gedeelte groot € 805,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het totale bedrag dient door de provincie Noord-Holland te worden betaald aan appellanten sub 1;

VIII. gelast dat de provincie Noord-Holland aan appellanten sub 1 het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 218,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door J.C.K.W. Bartel, Voorzitter, en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen en mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P.J.A.M. Broekman, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel w.g. Broekman

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2003

12-410.