Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AH8956

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-07-2003
Datum publicatie
02-07-2003
Zaaknummer
200204051/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 juni 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Middelburg (hierna: het college), met gebruikmaking van eerder verleende vrijstellingen, aan [vergunninghouder] bouwvergunning verleend voor het uitbreiden van een woning en het verbouwen van een stal tot praktijkhuis op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 27 november 2001 heeft het college het door appellanten tegen dat besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 26 juni 2002, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank te Middelburg (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellanten ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat het college een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200204051/1.

Datum uitspraak: 2 juli 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te Middelburg van 26 juni 2002 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Middelburg.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 juni 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Middelburg (hierna: het college), met gebruikmaking van eerder verleende vrijstellingen, aan [vergunninghouder] bouwvergunning verleend voor het uitbreiden van een woning en het verbouwen van een stal tot praktijkhuis op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 27 november 2001 heeft het college het door appellanten tegen dat besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 26 juni 2002, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank te Middelburg (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellanten ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat het college een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 juli 2002, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 26 augustus 2002. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij besluit van 16 september 2002 heeft het college de verleende bouwvergunning te naam gesteld van [vergunninghouders] (hierna: vergunninghouders).

Bij brief van 4 oktober 2002 hebben burgemeester en wethouders van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van vergunninghouders en appellanten. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 februari 2003, waar appellanten, vertegenwoordigd door [appellant], en het college, vertegenwoordigd door H.P. Koster en mr. F.E.W. van Dijk, beiden ambtenaar der gemeente, zijn verschenen. Tevens zijn daar vergunninghouders gehoord bij monde van [vergunninghouder].

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan betreft de uitbreiding van een woning en de verandering van een voormalige agrarische schuur in een medische praktijkruimte. Het verdraagt zich aldus met de bebouwingsvoorschriften van het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Noordweg” zo min als met de ingevolge dat plan op het desbetreffende gedeelte van het perceel rustende agrarische bestemming.

2.2. Bij uitspraak van 14 januari 2000 in zaak nr. H01.99.0231 heeft de Afdeling de door het college voor hetzelfde bouwplan met vrijstelling krachtens artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening verleende bouwvergunning herroepen en bepaald dat de vrijstelling en bouwvergunning alsnog worden geweigerd.

2.3. Anders dan appellanten betogen, leidt die uitspraak er niet toe dat voor het bouwplan niet met vrijstelling van het bestemmingsplan bouwvergunning verleend kan worden. De inwerkingtreding van de nieuwe bepaling van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening betekent dat het college op de grondslag van een nieuwe aanvraag, zoals het heeft gedaan, een inhoudelijk oordeel diende te vormen met betrekking tot de vraag of met toepassing van die bepaling bouwvergunning kon worden verleend. Gelet daarop, bestond, anders dan appellanten betogen, voor de rechtbank geen grond om het besluit van 12 juni 2001 te herroepen en de bouwvergunning te weigeren.

2.4. Appellanten beogen kennelijk ook te betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het college de verleende vrijstellingen ten onrechte voor het verlenen van de bouwvergunning heeft benut.

Dienaangaande overweegt de Afdeling als volgt. De bouwvergunning is verleend onder meer met gebruikmaking van de krachtens artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, gelezen in samenhang met artikel 20, eerste lid, aanhef en onder e, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985, verleende vrijstelling voor het wijzigen van het gebruik van de agrarische schuur tot orthopedagogische praktijkruimte. Artikel 20, eerste lid, aanhef en onder e, maakt echter vrijstelling alleen mogelijk voor een wijziging in het gebruik van opstallen. Derhalve kan niet met toepassing van deze bepaling vrijstelling worden verleend ten behoeve van het verlenen van een bouwvergunning.

Voor het verlenen van bouwvergunning ten behoeve van dit onderdeel van het bouwplan kon niet worden volstaan met vrijstelling, verleend krachtens artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. De rechtbank heeft het besluit van 27 november 2001 dan ook terecht, zij het in zoverre niet op juiste gronden, vernietigd.

Voor de uitbreiding van de woning kon de daarvoor verleende vrijstelling wél dienen als basis voor de verlening van de bouwvergunning, zij het dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat die vrijstelling niet deugdelijk is gemotiveerd.

2.5. De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is. Nu de beslissing van de rechtbank juist is, dient haar uitspraak, zij het met enige verbetering van de gronden waarop die beslissing rust, te worden bevestigd.

2.6. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. bevestigt de aangevallen uitspraak, met verbetering van de gronden waarop zij rust;

III. gelast dat de gemeente Middelburg aan appellanten het door hen voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 165,-- vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. E. Korthals Altes en mr. P.J.J. van Buuren, Leden, in tegenwoordigheid van mr. D. Haan, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Haan

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2003

27-429.