Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AH8836

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-05-2003
Datum publicatie
31-07-2003
Zaaknummer
93382
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 april 2003, kenmerk 2001/50063, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan verzoekster een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een inrichting voor het stallen en repareren van en handelen in tweedehands voertuigen, het demonteren van (vracht)autowrakken, het opslaan en verkopen van auto-onderdelen, het opslaan van gebruikte autobanden, het exploiteren van een transportonderneming, het stallen van nieuwe voertuigen, het opslaan en bewerken van en handelen in metalen voorwerpen en schroot, het opslaan van en handelen in zand, grind, bouwmaterialen en diverse goederen in kleine hoeveelheden, gelegen op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Weert, sectie […], nummers […]. Dit besluit is op 8 mei 2003 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200303836/2.

Datum uitspraak: 1 augustus 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoekster], gevestigd te [plaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Limburg,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 april 2003, kenmerk 2001/50063, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan verzoekster een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een inrichting voor het stallen en repareren van en handelen in tweedehands voertuigen, het demonteren van (vracht)autowrakken, het opslaan en verkopen van auto-onderdelen, het opslaan van gebruikte autobanden, het exploiteren van een transportonderneming, het stallen van nieuwe voertuigen, het opslaan en bewerken van en handelen in metalen voorwerpen en schroot, het opslaan van en handelen in zand, grind, bouwmaterialen en diverse goederen in kleine hoeveelheden, gelegen op het perceel [locatie] te [plaats], kadastraal bekend gemeente Weert, sectie […], nummers […]. Dit besluit is op 8 mei 2003 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief van 13 juni 2003, bij de Raad van State ingekomen op 16 juni 2003, beroep ingesteld.

Bij brief van 13 juni 2003, bij de Raad van State ingekomen op 16 juni 2003, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 7 juli 2003, waar verzoekster, vertegenwoordigd door mr. H.B.J. Reijnders, advocaat te Waalre, en [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door drs. J.H.M.M. de Jongh, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Ter zitting heeft verzoekster haar verzoek om voorlopige voorziening ingetrokken wat de aan de vergunning verbonden voorschriften B5, onder k, en B5, onder l, betreft.

2.3. Verzoekster voert aan dat verweerder met betrekking tot het beheer, be- en verwerken van wrakken van vrachtwagens en bedrijfsauto’s met een gewicht boven de 3500 kilogram geen aansluiting heeft kunnen zoeken bij het Besluit beheer autowrakken (hierna: het Bba). Het Bba is volgens verzoekster alleen van toepassing op vrachtwagens en bedrijfsauto’s met een maximum gewicht van ten hoogste 3500 kilogram. De aan de vergunning verbonden voorschriften D tot en met I, met uitzondering van voorschrift E.2, zijn naar haar mening daarom ten onrechte van toepassing verklaard op wrakken van vrachtwagens en bedrijfsauto’s met een gewicht boven de 3500 kilogram.

2.3.1. Verweerder stelt dat hij bij de invulling van zijn beoordelingsvrijheid met betrekking tot het beheer van autowrakken aansluiting heeft gezocht bij sectorplan 11 van het Landelijk Afvalbeheerplan 2002-2012 (hierna: het LAP). Dit sectorplan is weliswaar niet van toepassing op wrakken van vrachtwagens en bedrijfsauto’s met een gewicht boven de 3500 kilogram, maar in overeenstemming met de aanbeveling in dit sectorplan heeft hij met betrekking tot het beheer van die wrakken ook aansluiting gezocht bij dit plan. In dit plan is voor het be- en verwerken van autowrakken als minimumstandaard voorgeschreven demontage volgens de voorschriften van het Bba. De voorschriften van het Bba zijn als voorschriften D tot en met I aan de vergunning verbonden en, met uitzondering van voorschrift E2, van toepassing verklaard op wrakken van vrachtwagens en bedrijfsauto’s boven de 3500 kilogram en op niet meer voor de verkoop geschikte schadeauto’s.

2.3.2. Of verweerder de voorschriften D tot en met I, met uitzondering van voorschrift E2, in redelijkheid van toepassing heeft kunnen verklaren op voornoemde wrakken, vergt naar het oordeel van de Voorzitter nader onderzoek, waarvoor de onderhavige procedure zich niet leent. In het kader van de behandeling van het geding in de bodemprocedure kan dit aspect aan de orde komen. Gelet hierop en nu niet is gebleken dat de bestaande bedrijfsvoering zodanig is dat de mogelijk nadelige gevolgen voor het milieu zich keren tegen een voortzetting daarvan, in ieder geval in afwachting van de behandeling van het geding in de bodemprocedure, ziet de Voorzitter na afweging van de betrokken belangen aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.

2.4. Verzoekster voert aan dat ten onrechte de vergunning is geweigerd voor de opslag van 29.500 autobanden. In dit verband betoogt zij dat de banden niet als afvalstoffen kunnen worden aangemerkt en zij in de aanvraag heeft aangegeven dat in het kader van de brandveiligheid en de visuele hinder maatregelen met betrekking tot de banden zullen worden getroffen. Bovendien heeft verweerder aan een ander bedrijf een vergunning verleend voor de opslag van 50.000 banden, zodat de weigering van de vergunning op dit punt in strijd is met het gelijkheidsbeginsel.

De Voorzitter stelt vast dat de opslag van circa 32.000 vrachtwagenbanden is aangevraagd, waaronder voor hergebruik geschikte en ongeschikte banden vallen. Blijkens het bestreden besluit en het verhandelde ter zitting heeft verweerder wat de opslag van afgedankte autobanden betreft beoogd aansluiting te zoeken bij sectorplan 11 van het LAP, waarbij de doorzet van deze banden van belang is voor de vraag welke opslagcapaciteit kan worden vergund. In het LAP is voor de opslag van afgedankte autobanden als zelfstandige activiteit een maximale opslagtermijn van 1 jaar opgenomen. In het feit dat blijkens de aavraag de doorzet ongeveer 2.500 banden per jaar bedraagt, heeft verweerder aanleiding gezien om de opslag van 29.500 vrachtwagenbanden te weigeren. De Voorzitter stelt vast dat verweerder daarbij geen onderscheid heeft gemaakt tussen voor hergebruik geschikte en ongeschikte banden. De Voorzitter betwijfelt of het bestreden besluit op dit punt in de bodemprocedure in stand kan blijven, temeer nu verweerder ter zitting heeft gesteld dat de opslag van voor hergebruik geschikte banden ongelimiteerd zou zijn. Gelet op de betrokken belangen ziet hij aanleiding om het bestreden besluit bij wijze van voorlopige voorziening te schorsen, voorzover het betreft de weigering vergunning te verlenen voor de opslag van 29.500 vrachtwagenbanden.

2.5. Verzoekster stelt dat ten onrechte de vergunning is geweigerd voor de bandenmuur. Zij voert daartoe aan dat de banden in de bandenmuur niet kunnen worden aangemerkt als afvalstoffen, omdat ze aan de nationale keurings- en kwaliteitseisen voldoen en weer worden gebruikt.

Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat de banden die zijn verwerkt in de bandenmuur afvalstoffen zijn. In sectorplan 11 van het LAP, waarbij verweerder ter invulling van zijn beoordelingsvrijheid met betrekking tot het beheer van afgedankte autobanden aansluiting heeft gezocht, is als minimumstandaard voor het be- en verwerken van afgedankte autobanden voorgeschreven de nuttige toepassing van deze banden. Volgens verweerder worden de banden door het verwerken ervan in de bandenmuur niet nuttig toegepast. Bovendien worden de banden, zijnde afvalstoffen, op of in de bodem gebracht, hetgeen volgens verweerder op grond van de Wet milieubeheer verboden is.

De Voorzitter overweegt dat de Afdeling in haar uitspraak van 11 juni 2003, no. 200202046/1, reeds heeft uitgemaakt dat de banden die zijn verwerkt in de bandenmuur moeten worden aangemerkt als afvalstoffen. Niet is gebleken van feiten en omstandigheden die nopen tot een ander oordeel. In hetgeen verzoekster heeft aangevoerd ziet de Voorzitter geen reden voor het oordeel dat verweerder ten onrechte op dit punt de vergunning heeft geweigerd.

In zoverre ziet de Voorzitter geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

2.6. Verzoekster voert aan dat de vergunning ten onrechte is geweigerd voor het gebruik van de Zwartwaterweg ten behoeve van de in- en uitrit aan de achterzijde van het terrein van de inrichting. Zij stelt zich allereerst op het standpunt dat de Zwartwaterweg een openbare weg is waarvoor ten aanzien van het gebruik daarvan geen voorschriften aan de vergunning kunnen worden verbonden. Voorts betoogt verzoekster dat derden die ook gebruik maken van de Zwartwaterweg tevens hinder ter plaatse van de aan deze weg gelegen woning veroorzaken. Tot slot voert zij aan dat aan de stelling van verweerder dat bij een slechter wegdek de geluidimmissie op een woning veroorzaakt door het verkeer zal toenemen, onvoldoende is onderzocht.

2.6.1. Blijkens het bestreden besluit heeft verweerder het gebruik van de Zwartwaterweg niet vergund, omdat deze weg onverhard is en als gevolg bij het gebruik daarvan bij de woning aan de Zwartwaterweg stof- en geluidhinder zal worden veroorzaakt door het verkeer van en naar de inrichting. Daarbij heeft verweerder in aanmerking genomen dat het gebruik van de Zwartwaterweg niet noodzakelijk is voor de aangevraagde bedrijfsvoering.

2.6.2. De Voorzitter stelt vast dat naast het gebruik van een in- en uitrit aan de Zwartwaterweg het gebruik van drie in- en uitritten aan de Roermondseweg is aangevraagd, welk gebruik wel is vergund. De Voorzitter is niet aannemelijk geworden dat door de weigering van het gebruik van een in- en uitrit aan de Zwartwaterweg de bedrijfsvoering zodanig wordt belemmerd dat het oordeel van de Afdeling hierover in het geding in de bodemprocedure niet zou kunnen worden afgewacht. Gelet hierop ziet de Voorzitter geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

2.7. Verzoekster betoogt dat ten onrechte de vergunning is geweigerd voor het opslaan van gevaarlijke stoffen en afvalstoffen in trailers. Zij bestrijdt dat uit de aanvraag en de aanvullende gegevens daarop blijkt dat niet kan worden voldaan aan de voorschriften van de bijlage behorende bij het Besluit opslag en transportbedrijven milieubeheer (hierna: het Besluit).

Verweerder stelt zich allereerst op het standpunt dat het al dan niet voldoen aan de voorschriften van de bijlage behorende bij het Besluit niet de reden is geweest voor het weigeren van de vergunning op dit punt. De reden hiervoor is dat noch in de aanvraag noch in de aanvulling op de aanvraag is aangegeven welke gevaarlijke stoffen of afvalstoffen in de trailers kunnen worden opgeslagen. Nu deze informatie ontbreekt in de aanvraag kan volgens verweerder niet worden beoordeeld welke gevolgen voor het milieu deze activiteit kan veroorzaken.

Met verweerder is de Voorzitter het eens dat noch uit de aanvraag noch uit de aanvulling daarop, die op verzoek van verweerder wegens onder meer het ontbreken van gegevens over de goederen en gevaarlijke stoffen in trailers is overgelegd, blijkt wat de aard is van de stoffen die in de trailers kunnen worden opgeslagen. Gelet hierop ziet de Voorzitter geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder de vergunning in zoverre had moeten verlenen. Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening op dit punt wordt daarom afgewezen.

2.8. Verzoekster voert aan dat ten onrechte de vergunning is geweigerd voor het opslaan van afvalstoffen van recyclingbedrijven. Zij stelt dat de bouwmaterialen afkomstig van recyclingbedrijven dezelfde eigenschappen en kenmerken als grondstoffen hebben verkregen en kunnen worden aangemerkt als primaire grondstoffen. Bij de bouwmaterialen worden certificaten verstrekt waarin de samenstelling van het materiaal is beschreven.

De vergunning is geweigerd voor het opslaan van afvalstoffen afkomstig van recyclingbedrijven. De Voorzitter is van oordeel dat de vergunning niet is geweigerd voor het opslaan van van recyclingbedrijven afkomstige bouwmaterialen, die aan de hand van de aanwijzingen gegeven door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in zijn arrest van 15 juni 2000 in de gevoegde zaken C-418/97 en C-419/97 (AB 2000, 311), laatstelijk bevestigd in zijn arrest van 18 april 2002, zaak C-9/00, niet kunnen worden aangemerkt als afvalstoffen of waaraan de kwalificatie van afvalstof is komen te ontvallen. In hetgeen verzoekster aanvoert ziet de Voorzitter voorshands geen reden voor het oordeel dat verweerder de vergunning wat het opslaan van afvalstoffen afkomstig van recyclingbedrijven betreft ten onrechte heeft geweigerd.

Gelet op het bovenstaande ziet de Voorzitter geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

2.9. Verzoekster stelt dat verweerder heeft nagelaten om op haar verzoek voorschrift K2, onder c, aan te passen door de zin “tenzij het laden en lossen inpandig plaatsvindt” toe te voegen.

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting stelt de Voorzitter vast dat het inpandig laden en lossen van stuifgevoelig materiaal niet door verzoekster is aangevraagd. Uit het stelsel van de Wet milieubeheer volgt dat het bevoegde gezag dient te beslissen op de aanvraag zoals die is ingediend. In hetgeen verzoekster heeft aangevoerd ziet de Voorzitter geen reden voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat voorschrift K2, onder c, toereikend is.

Onder deze omstandigheid ziet de Voorzitter geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

2.10. Verzoekster voert aan dat het aan de vergunning verbonden voorschrift K2, onder a, en voorschrift K2, onder d, tegenstrijdig zijn. In dit verband betoogt zij dat haar in voorschrift K2, onder a, een keuzemogelijkheid wordt geboden met betrekking tot de te nemen maatregelen ter voorkoming dan wel beperking van stofoverlast, maar dat deze keuzemogelijkheid in voorschrift K2, onder d, weer teniet wordt gedaan.

2.10.1. Voorschrift K2, onder a, bepaalt: ”Indien verstuiving of stofverspreiding ten gevolge van opslagen, activiteiten en/of processen kan ontstaan of ontstaat, dient dit middels sproeien, vegen, afdekking of anderszins voorkomen of opgeheven te worden.”

Voorschrift K2, onder d, bepaalt: “Indien sproeien met water wegens weeromstandigheden (bijv. vorst) niet mogelijk is mogen geen handelingen (waaronder overslag stuifgevoelige stoffen) die stofvorming kunnen veroorzaken worden uitgevoerd.”

2.10.2. De Voorzitter overweegt dat voorschrift K2, onder d, verbiedt dat bij bepaalde weersomstandigheden handelingen worden verricht die stofvorming kunnen veroorzaken, omdat sproeien op dat moment niet mogelijk is. Niet onaannemelijk is dat in het geval dat door weersomstandigheden niet kan worden gesproeid de andere in voorschrift K2, onder a, genoemde maatregelen de stofoverlast wel voldoende kunnen beperken. Gelet hierop is de Voorzitter voorshands van oordeel dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom geen andere maatregelen getroffen zouden kunnen worden ter voorkoming dan wel beperking van stofoverlast, indien door weersomstandigheden sproeien niet mogelijk is. Het bestreden besluit is op dit punt in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht.

In zoverre ziet de Voorzitter aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

2.11. Verzoekster heeft bezwaar tegen de voorschriften N1 en N2, onder b. In voorschrift N1 is bepaald dat middels de bedrijfsriolering alleen afvalwater dat binnen de inrichting vrijkomt mag worden afgevoerd. In voorschrift N2, onder a, is bepaald dat huishoudelijk afvalwater slechts in het openbaar rioolstelsel mag worden gebracht indien de samenstelling, eigenschappen of hoeveelheid van het afvalwater dat de doelmatige werking van het openbaar rioolstelsel en de daarop aangesloten zuiveringstechnische werken niet wordt belemmerd. Ingevolge onderdeel b van dit voorschrift dient voor elke aansluiting op de gemeentelijke riolering in het bedrijfsriool een goed bereikbare en goed toegankelijke controlevoorziening te zijn opgenomen. Verzoekster heeft ter zitting met betrekking tot voorschrift N1 gesteld dat het gedeelte van de bedrijfsriolering dat door verweerder is aangemerkt als niet tot de inrichting behorend en daardoor niet is vergund, wel tot de inrichting hoort. Volgens verzoekster kan door dit voorschrift een gedeelte van het afvalwater dat binnen de inrichting vrijkomt niet worden afgevoerd. Voorts voert zij aan dat de in voorschrift N2, onder b, voorgeschreven voorziening onevenredig bezwarend is voor de afvoer van huishoudelijke afvalwater.

Ter zitting heeft verweerder erkend dat voorschrift N2, onder b, onzorgvuldig is opgesteld, omdat deze voorziening feitelijk is voorgeschreven voor het lozen van bedrijfsafvalwater en derhalve had moeten worden opgenomen in voorschrift N1. Voorts heeft verweerder ter zitting gesteld dat hij er geen belang bij heeft dat de voorschriften N1 en N2, onder b, op de inrichting van toepassing zijn totdat op het beroep is beslist.

Gelet hierop ziet de Voorzitter aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

2.12. Gelet op het bovenstaande ziet de Voorzitter aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.

2.13. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van gedeputeerde staten van Limburg van 29 april 2003, kenmerk 2001/50063, voorzover het betreft de weigering vergunning te verlenen voor de opslag van 29.500 stuks vrachtwagenbanden en voorzover het de aan de vergunning verbonden voorschriften K2, onder d, N1 en N2, onder b, betreft alsmede voorzover de voorschriften in de hoofdstukken D tot en met I, met uitzondering van voorschrift E2, van toepassing zijn verklaard op wrakken van vrachtwagens en bedrijfsauto’s boven 3500 kg;

II. wijst het verzoek voor het overige af;

III. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Limburg in de door verzoekster in verband met de behandeling van het verzoek gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 694,77, waarvan een gedeelte groot

€ 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het totale bedrag dient door de provincie Limburg te worden betaald aan verzoekster;

IV. gelast dat de provincie Limburg aan verzoekster het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht (€ 232,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J. Heijerman, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink w.g. Heijerman

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 augustus 2003

159-255-372.