Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AH8671

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-06-2003
Datum publicatie
25-06-2003
Zaaknummer
200206838/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 maart 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Echt (hierna: het college) appellant onder oplegging van een dwangsom gelast om vóór 2 augustus 2001 de door hem zonder bouwvergunning verrichte bouwwerkzaamheden aan het pand aan de [locatie] te [plaats] (hierna: het pand), aangegeven op de bij het besluit gevoegde plattegrondtekening met de daarbij behorende specificatie, ongedaan te maken en terug te brengen in de oorspronkelijke staat.

Bij besluit van 4 december 2001 heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Bouwregelgeving 2003/323
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200206838/1.

Datum uitspraak: 25 juni 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats]

tegen de uitspraak van de rechtbank te Roermond van 15 november 2002 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Echt.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 maart 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Echt (hierna: het college) appellant onder oplegging van een dwangsom gelast om vóór 2 augustus 2001 de door hem zonder bouwvergunning verrichte bouwwerkzaamheden aan het pand aan de [locatie] te [plaats] (hierna: het pand), aangegeven op de bij het besluit gevoegde plattegrondtekening met de daarbij behorende specificatie, ongedaan te maken en terug te brengen in de oorspronkelijke staat.

Bij besluit van 4 december 2001 heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 15 november 2002, verzonden op 26 november 2002, heeft de rechtbank te Roermond (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 17 december 2002, bij de Raad van State ingekomen op 30 december 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 7 maart 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Echt-Susteren, als rechtsopvolger van het college, van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 mei 2003, waar appellant in persoon, bijgestaan door [gemachtigde], en het college van burgemeester en wethouders van Echt-Susteren, als rechtsopvolger van het college, vertegenwoordigd door mr. C. Scheepers, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De last onder dwangsom heeft betrekking op het door appellant in het pand aangebrachte keukenblok, de toilet, de doucheruimte en de daarbij behorende technische voorzieningen, en drie raamopeningen, die er in de visie van het college toe leiden dat in het pand in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan “St. Joost” twee woningen aanwezig zijn.

2.2. Appellant betoogt terecht dat de rechtbank heeft miskend dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het horen, als bedoeld in artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), op grond van artikel 4:11 van de Awb achterwege kon worden gelaten omdat de vereiste spoed zich daartegen verzette. Nu appellant echter tijdens de bezwaarfase is gehoord, is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat hij daardoor niet in zijn belangen is geschaad en dat de beslissing op bezwaar met toepassing van artikel 6:22 van de Awb in stand kon worden gelaten. Anders dan appellant meent was het college daarbij niet uit een oogpunt van zorgvuldigheid gehouden een nieuwe begunstigingstermijn te stellen.

2.3. Appellant betoogt voorts dat een aantal van de werkzaamheden die onderdeel uitmaken van de bij het primaire besluit gevoegde specificatie niet als bouwen in de zin van artikel 1 van de Woningwet kunnen worden beschouwd en de last daardoor onduidelijk is. Dit betoog faalt. Onder bouwen wordt ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Woningwet ook verstaan het gedeeltelijk veranderen van een bouwwerk. Naar het oordeel van de Afdeling zijn alle in die specificatie genoemde werkzaamheden aan te merken als bouwen in die zin. Van een onduidelijke last is in dit opzicht dan ook geen sprake. In de door appellant genoemde uitspraak van de Afdeling, no. H01.98.1362, gepubliceerd in BR 1999, p. 789, waarin schilderen niet als bouwen is aangemerkt, nu dit geen constructieve voorziening betreft, ziet de Afdeling geen grond voor een andersluidend oordeel, aangezien de onderhavige aanschrijving niet op schilderwerk betrekking heeft.

2.4. Appellant betoogt tevergeefs dat de rechtbank heeft miskend dat het dwangsombesluit niet is gebaseerd op actuele omstandigheden. Uit de stukken komt naar voren dat het college op 22 augustus 2000 en op 10 januari 2001 onderzoek ter plaatse heeft laten uitvoeren. Ten tijde van het nemen van het dwangsombesluit beschikte het college dan ook over voldoende recente gegevens. Voorts zijn op 3 mei 2001, 2 augustus 2001, 6 september 2001 en op 23 november 2001, voorafgaande aan de beslissing op bezwaar opnieuw onderzoeken ter plaatse ingesteld, zodat de beslissing op bezwaar – anders dan appellant meent – evenzeer op grond van actuele gegevens, en aldus met de vereiste zorgvuldigheid, tot stand is gekomen. Dat, zoals appellant betoogt, het gehele pand ten tijde van de controle op 23 november 2001 onbewoond was en dus niet in gebruik als tweede woning, is niet relevant. De onderzoeken betroffen de verrichte bouwwerkzaamheden en de daarmee bereikte gebruiksmogelijkheden. Het feitelijke gebruik maakt dat niet anders.

2.5. Vaststaat dat gebouwd is zonder de daarvoor ingevolge artikel 40 van de Woningwet vereiste bouwvergunning, zodat het college tot het opleggen van de last bevoegd was.

2.6. Indien door een belanghebbende derde uitdrukkelijk is verzocht om tegen de illegale situatie op te treden, kan alleen in bijzondere gevallen van handhavend optreden worden afgezien. Een bijzonder geval kan worden aangenomen indien concreet zicht bestaat op legalisatie van de illegale situatie.

2.7. Het college heeft de door appellant voor de verrichte bouwwerkzaamheden gevraagde bouwvergunning op 28 juni 2001 geweigerd, omdat deze in strijd zijn met het ter plaatse geldende bestemmingsplan en er voor het verlenen van vrijstelling geen grond bestaat. Appellant heeft het daartegen gemaakte bezwaar op 27 augustus 2001 ingetrokken, zodat deze weigering ten tijde van het nemen van de bestreden beslissing op bezwaar in rechte onaantastbaar was. Met de rechtbank is de Afdeling dan ook van oordeel dat er geen zicht op legalisatie is.

2.8. De brief van het college van 4 juni 2002 aan de nieuwe eigenaren aan wie appellant het pand inmiddels heeft verkocht, maakt evenmin dat het college van handhavend optreden tegen hem had moeten afzien. Daaruit kan niet worden afgeleid dat het college ten tijde van het nemen van de bestreden beslissing op bezwaar geen herstel in de vorige toestand beoogde. Blijkens het verhandelde ter zitting is met de nieuwe eigenaren bij overeenkomst afgesproken dat zij het pand zodanig zullen aanpassen dat het pand niet meer als twee woningen gebruikt kan worden.

2.9. Het betoog van appellant dat de rechtbank haar oordeel dat de begunstigingstermijn niet onredelijk kort is, niet heeft gemotiveerd, mist feitelijke grondslag. De rechtbank heeft voor de motivering van dit oordeel verwezen naar hetgeen de voorzieningenrechter in zijn uitspraak van 10 augustus 2001 en de commissie bezwaar- en beroepschriften in haar advies van 18 oktober 2001, dat door het college bij de beslissing op bezwaar is overgenomen, daaromtrent hebben overwogen. De aldaar gegeven motivering, inhoudende dat niet is gebleken dat het voor appellant, die de verbouwing zelf heeft verricht, praktisch onmogelijk was deze zelf dan wel door inschakeling van een aannemer, binnen de gestelde termijn ongedaan te maken acht de Afdeling met de rechtbank, gelet ook op de aard van de aangebrachte voorzieningen, niet onvoldoende.

2.10. De Afdeling is tenslotte met de rechtbank van oordeel dat niet gesteld kan worden dat de hoogte van de dwangsom niet in een redelijke verhouding staat tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsomoplegging. De rechtbank heeft zich kunnen aansluiten bij hetgeen in de voornoemde uitspraak van de voorzieningenrechter en het advies van de commissie bezwaar- en beroepschriften ter zake is vermeld, te weten dat de dwangsom naast een prikkelende werking ook tegenwicht moet bieden aan het (economische) voordeel van het laten voortbestaan van een tweede woning. Dat de dwangsom niet volledig is ingevorderd doet daaraan niet af.

2.11. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van Staat.

w.g. Bijloos w.g. Van Meurs-Heuvel

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 juni 2003

47-398.