Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AH8657

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-06-2003
Datum publicatie
25-06-2003
Zaaknummer
200206234/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 juli 2001 heeft de burgemeester van Maasbree (hierna: de burgemeester) de algehele sluiting gedurende de periode van één maand van de seksinrichting de "Woeste Hoeve" gelegen aan de Zandberg 5 te Maasbree bevolen. Bij besluit van 15 januari 2002 heeft de burgemeester de door appellanten gevraagde vergunning ten behoeve van de exploitatie van voornoemde seksinrichting geweigerd.

Bij besluit van 10 december 2001 heeft de burgemeester het tegen het besluit van 3 juli 2001 door appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij besluit van 7 mei 2002 heeft de burgemeester het tegen het besluit van 15 januari 2002 door appellanten gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond verklaard en besloten de gevraagde exploitatievergunning ook na heroverweging niet toe te kennen.

Bij uitspraak van 29 oktober 2002, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank te Roermond (hierna: de rechtbank) de daartegen door appellanten ingestelde beroepen ongegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200206234/1.

Datum uitspraak: 25 juni 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

1. [appellant sub 1],

2. [appellant sub 2], beiden wonend te [woonplaats],

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank te Roermond van 29 oktober 2002 in het geding tussen:

appellanten

en

de burgemeester van Maasbree.

1. Procesverloop

Bij besluit van 3 juli 2001 heeft de burgemeester van Maasbree (hierna: de burgemeester) de algehele sluiting gedurende de periode van één maand van de seksinrichting de "Woeste Hoeve" gelegen aan de Zandberg 5 te Maasbree bevolen. Bij besluit van 15 januari 2002 heeft de burgemeester de door appellanten gevraagde vergunning ten behoeve van de exploitatie van voornoemde seksinrichting geweigerd.

Bij besluit van 10 december 2001 heeft de burgemeester het tegen het besluit van 3 juli 2001 door appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij besluit van 7 mei 2002 heeft de burgemeester het tegen het besluit van 15 januari 2002 door appellanten gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond verklaard en besloten de gevraagde exploitatievergunning ook na heroverweging niet toe te kennen.

Bij uitspraak van 29 oktober 2002, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank te Roermond (hierna: de rechtbank) de daartegen door appellanten ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 november 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 6 januari 2003 heeft de burgemeester van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 maart 2003, waar appellanten in persoon, bijgestaan door mr. C.G.J.M. Termaat, advocaat te Eindhoven, en de burgemeester, vertegenwoordigd door

mr. H.M.P.A. Wolters, advocaat te Venlo, en M.J.M. van der Sterren, werkzaam bij de regiopolitie Limburg-Noord, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 3.1.1, aanhef en onder c, van de Algemene plaatselijke verordening van de gemeente Maasbree (hierna: de APV) wordt onder een seksinrichting verstaan: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch- pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting wordt, voorzover thans van belang, in elk geval verstaan een parenclub.

Ingevolge artikel 3.2.1 van de APV is het verboden een seksinrichting of escortbedrijf te exploiteren of te wijzigen zonder vergunning van het bevoegde bestuursorgaan.

Ingevolge artikel 3.2.2, vijfde lid, van de APV is de exploitant of de beheerder binnen de laatste vijf jaar geen exploitant of beheerder geweest van een seksinrichting of escortbedrijf die voor ten minste één maand door het bevoegde bestuursorgaan is gesloten, of waarvan de vergunning bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid, is ingetrokken, tenzij aannemelijk is dat hem terzake geen verwijt treft.

Ingevolge artikel 3.2.4, eerste lid, aanhef en onder b, van de APV kan het bevoegde bestuursorgaan met het oog op de in artikel 3.3.2, tweede lid, genoemde belangen of in geval van strijdigheid met de bepalingen van hoofdstuk drie van de APV van een afzonderlijke seksinrichting al dan niet tijdelijk de gedeeltelijke of algehele sluiting bevelen.

Ingevolge artikel 3.2.5, tweede lid, aanhef en onder b, van de APV zien de exploitant en de beheerder er voortdurend op toe dat in de seksinrichting geen prostitutie wordt uitgeoefend door personen in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde.

Ingevolge artikel 3.3.2, eerste lid, aanhef en onder a en onder c, van de APV wordt de vergunning bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid, geweigerd indien de exploitant of de beheerder niet voldoet aan de in artikel 3.2.2 gestelde eisen en indien er aanwijzingen zijn dat in de seksinrichting of het escortbedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met artikel 250a van het Wetboek van Strafrecht of met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde.

2.2. De burgemeester heeft aan het sluitingsbevel ten grondslag gelegd dat in de inrichting illegale prostituees zijn tewerkgesteld. De gevraagde exploitatievergunning is vervolgens geweigerd op grond van artikel 3.3.2, eerste lid, aanhef en onder a en c, in samenhang met artikel 3.2.2, vijfde lid, van de APV.

2.3. In hoger beroep betogen appellanten dat de rechtbank ten onrechte [partij] niet als getuige heeft gehoord. Zij stellen zich op het standpunt dat de verklaring van [partij] wel bijdraagt aan de beoordeling van de zaak.

De Afdeling volgt dit betoog niet. Met juistheid heeft de rechtbank overwogen dat de verklaringen van M.J.M. van der Sterren (hierna:

Van der Sterren) op ambtseed zijn gemaakt en dat aan dergelijke verklaringen een bijzonder gewicht mag worden toegekend. Dat geldt te meer, nu Van der Sterren, geconfronteerd met het standpunt van appellanten, te kennen heeft gegeven bij zijn op ambtseed gemaakte verklaring te blijven. Daarnaast betreffen de verklaringen van Van der Sterren, naast de controle waarbij [partij] werd aangetroffen, ook andere controles waarbij één of meer dames zijn aangetroffen in de seksinrichting van appellanten die niet over een geldige verblijfstitel beschikten, waaraan een nadere verklaring van [partij] niet zou hebben afgedaan.

2.4. Voorts betogen appellanten dat zij pas twee maanden na het besluit van 3 juli 2001 inzage hebben gekregen in de processen-verbaal van

31 mei 2001 en 8 juni 2001 en zich derhalve niet voldoende hiertegen hebben kunnen verweren.

Ook dit betoog treft geen doel. Het primaire besluit van 3 juli 2001 bevat een uitgebreide weergave van hetgeen in de processen-verbaal door Van der Sterren is verklaard. Appellanten waren op grond daarvan reeds op de hoogte van de inhoud van de processen-verbaal. De processen-verbaal zijn na de hoorzitting over de tijdelijke sluiting aan appellanten toegezonden met de mogelijkheid om daarop ten overstaan van de commissie van bezwaar en beroep te reageren. Voorts hebben zij de gelegenheid gehad in het kader van de weigering van de exploitatievergunning ten overstaan van de adviescommissie op de processen-verbaal te reageren. Met de rechtbank is de Afdeling dan ook van oordeel dat appellanten voldoende op de hoogte waren van de grondslag van de besluiten en zich derhalve ook op rechtens toereikende wijze daartegen hebben kunnen verweren.

2.5. Appellanten betogen voorts dat sprake is van tegenstrijdige processen-verbaal en van onrechtmatig verkregen bewijs. De verklaringen van Van der Sterren zijn, zoals hierboven vermeld, op ambtseed gemaakt. De Afdeling ziet in hetgeen appellanten terzake aanvoeren geen aanknopingspunten voor het oordeel dat deze verklaringen onjuistheden bevatten en dat de burgemeester ten onrechte deze verklaringen aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft gelegd. Ter zitting is door Van der Sterren verklaard dat het proces-verbaal van 31 mei 2001 is opgemaakt op verzoek van de burgemeester in het kader van toezicht op grond van de APV en het proces-verbaal van 8 juni 2001 in het kader van een strafzaak tegen appellant sub 1 en in verband met mogelijke slachtofferhulp voor de aangetroffen dames. Gelet hierop kan niet worden staande gehouden dat sprake is van onrechtmatig verkregen bewijs, nog daargelaten de vraag welke gevolgen een andersluidend oordeel in deze bestuursrechtelijke procedure zou hebben.

2.6. Het betoog van appellanten dat de politie, en in het verlengde daarvan de burgemeester, had moeten onderzoeken of de aangetroffen dames werkzaam waren als zelfstandige, slaagt evenmin. Appellanten wijzen hiervoor naar een arrest van het Hof van Justitie van 20 november 2001, in zaak no. C-268/99 (Jany). De rechtbank heeft terecht en op goede gronden geoordeeld dat voornoemd arrest een andere situatie en een andere rechtsvraag betrof en derhalve in dit geval buiten beschouwing kan blijven.

2.7. Appellanten betogen dat hen geen verwijt kan worden gemaakt voor de aanwezigheid van de illegale prostituees en dat de burgemeester ten onrechte heeft nagelaten een onderzoek te doen naar de verwijtbaarheid. Ook dit betoog leidt niet tot een ander oordeel dan dat van de rechtbank. Eventuele verwijtbaarheid van appellanten kan gelet op de weigeringsgrond in artikel 3.3.2, eerste lid, aanhef, en onder a, van de APV bij de weigering van de exploitatievergunning geen rol spelen. Ten aanzien van het sluitingsbevel kan gelet op artikel 3.2.5, tweede lid, aanhef en onder b, van de APV en hetgeen feitelijk is komen vast te staan niet worden staande gehouden dat de burgemeester zich niet op het standpunt heeft mogen stellen dat appellanten verantwoordelijk moeten worden gehouden voor de aanwezigheid van illegale prostituees.

2.8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. J.E.M. Polak, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, ambtenaar van Staat.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Zwemstra

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 juni 2003

91-421.