Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AH8654

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-06-2003
Datum publicatie
25-06-2003
Zaaknummer
200205095/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 oktober 2002, kenmerk 01.44/M41, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan appellanten een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een melkvee- en pluimveehouderij op het perceel Westermaatweg 8 te Aadorp, kadastraal bekend gemeente Ambt-Almelo, sectie S, nummer 129. Dit besluit is op

9 oktober 2002 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200205095/1.

Datum uitspraak: 25 juni 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], beiden wonend te [woonplaats],

appellanten,

en

het college van burgemeester en wethouders van Almelo,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 1 oktober 2002, kenmerk 01.44/M41, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan appellanten een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een melkvee- en pluimveehouderij op het perceel Westermaatweg 8 te Aadorp, kadastraal bekend gemeente Ambt-Almelo, sectie S, nummer 129. Dit besluit is op

9 oktober 2002 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 19 november 2002, bij de Raad van State ingekomen op 20 november 2002, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 17 december 2002.

Bij brief van 27 januari 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 mei 2003, waar verweerder, vertegenwoordigd door ing. R.B.J. Maathuis en ing. V. Huizer, ambtenaren van de gemeente, is verschenen. Appellanten zijn met voorafgaande kennisgeving niet verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De bij het bestreden besluit verleende vergunning heeft betrekking op een inrichting voor het houden van 34 melk- of kalfkoeien, 95 stuks vrouwelijk jongvee en 9.247 ouderdieren voor vleeskuikens. Voor de inrichting is eerder op 27 oktober 1992 een vergunning krachtens de Hinderwet verleend.

2.2. Ingevolge artikel 8.11, derde lid, van de Wet milieubeheer worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Bij de toepassing van artikel 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

Ingevolge artikel 8.4, derde lid, van de Wet milieubeheer kan het bevoegd gezag bij de verlening van een revisievergunning de rechten die de vergunninghouder aan de eerder verleende vergunning ontleende, niet wijzigen anders dan mogelijk zou zijn met toepassing van afdeling 8.1.2 van de wet.

2.3. Het beroep heeft betrekking op de ter voorkoming dan wel beperking van geluidhinder aan de vergunning verbonden voorschriften 2.1, 2.2, 2.3 en 2.8.

Appellanten stellen in dit verband in de eerste plaats dat verweerder heeft nagelaten in voldoende mate onderzoek te doen naar de bedrijfsvoering binnen de inrichting. In het bijzonder zou daarbij naar de mening van appellanten geen rekening zijn gehouden met bestaande rechten onder de vergunning van 27 oktober 1992. Dit zou volgens appellanten met name gelden voor de in de voorschriften 2.1 en 2.2 opgenomen langtijdgemiddeld beoordelingsniveaus en maximale geluidniveaus, die lager zijn dan eerder is vergund.

2.3.1. In voorschrift 2.1 is bepaald dat het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr, LT), veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en de daarin plaatsvindende activiteiten, op de gevel van de dichtstbijzijnde woning, gelegen aan de Westermaatweg 5, niet meer mag bedragen dan:

- 40 dB(A) tussen 07.00 en 19.00 uur;

- 37 dB(A) tussen 19.00 en 23.00 uur;

- 30 dB(A) tussen 23.00 en 07.00 uur.

In voorschrift 2.2 is bepaald dat, onverminderd het gestelde in voorschrift 2.1, de maximale geluidniveaus (LAmax), voorzover deze een gevolg zijn van de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, alsmede van de in de inrichting verrichte werkzaamheden en de daarin plaatsvindende activiteiten, gemeten in de meterstand “fast”, ter plaatse van het in voorschrift 2.1 genoemde immissiepunt, niet groter mogen zijn dan:

- 60 dB(A) tussen 07.00 en 19.00 uur;

- 60 dB(A) tussen 19.00 en 23.00 uur;

- 40 dB(A) tussen 23.00 en 07.00 uur.

2.3.2. Verweerder heeft voor de beoordeling van de van de inrichting te duchten directe geluidhinder hoofdstuk 4 en hoofdstuk 3, paragraaf 3.2, van de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening (verder te noemen: de Handreiking) als uitgangspunt gehanteerd.

In de Handreiking is bepaald dat zolang er nog geen gemeentelijke nota industrielawaai is vastgesteld – zoals het geval is in de gemeente Almelo – bij het opstellen van de geluidvoorschriften gebruik moet worden gemaakt van de systematiek van richt- en grenswaarden zoals die in hoofdstuk 4 van de Handreiking zijn opgenomen.

In de Handreiking staan richtwaarden vermeld die zijn gerelateerd aan de aard van de woonomgeving en die als uitgangspunt worden gehanteerd bij het stellen van geluidgrenswaarden. Voor een landelijke omgeving, waarvan in het onderhavige geval sprake is en welke kwalificatie van de omgeving door appellanten niet is bestreden, gelden als richtwaarden 40, 35 en 30 dB(A) voor respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. Voor bestaande inrichtingen beveelt de Handreiking aan om bij herziening van vergunningen de richtwaarden voor woonomgevingen opnieuw te toetsen. Overschrijding van de richtwaarden is mogelijk tot het referentieniveau van het omgevingsgeluid. Voor het maximale geluidniveau geldt op grond van de Handreiking een voorkeursgrenswaarde van het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau vermeerderd met 10 dB(A) en zijn waarden van 70, 65 en 60 dB(A) in de dag-, avond- en nachtperiode ten hoogste aanvaardbaar.

2.3.3. De Afdeling stelt vast dat de in voorschrift 2.1 gestelde geluidgrenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau voor de dag- en nachtperiode niet hoger, doch ook niet lager zijn dan de in de Handreiking genoemde richtwaarden. Voor de avondperiode overschrijdt de in voorschrift 2.1 gestelde geluidgrenswaarde voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau de in de Handreiking genoemde richtwaarde met 2 dB(A).

Voorts stelt de Afdeling vast dat de in voorschrift 2.2 gestelde maximale geluidgrenswaarden in de dag- en avondperiode hoger zijn dan de in de Handreiking aanbevolen voorkeursgrenswaarden.

2.3.4. Appellanten hebben de hoogte van de in voorschrift 2.1 neergelegde langtijdgemiddeld beoordelingsniveaus en de in voorschrift 2.2 gestelde maximale geluidniveaus bestreden met een beroep op bestaande rechten, welke zouden voortvloeien uit de revisievergunning van

27 oktober 1992. De Afdeling stelt voorop dat bestaande rechten niet kunnen worden ontleend aan vergunde grenswaarden, maar alleen aan de destijds vergunde activiteiten die een bepaald geluidniveau tot gevolg hebben.

Uit de stukken is gebleken dat de in de onderliggende vergunning opgenomen langtijdgemiddeld beoordelingsniveaus (van 50, 45 en 40 dB(A) voor respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode) alsmede de maximale geluidgrenswaarden (van 70, 65 en 60 dB(A) voor respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode) verband houden met onder andere de binnen de inrichting aanwezige varkens. De onderhavige vergunning heeft geen betrekking op het houden van varkens. Hieraan kunnen door appellanten derhalve voor het geluidniveau geen rechten meer worden ontleend.

De Afdeling stelt vast dat met het bestreden besluit pluimvee binnen de inrichting mag worden gehouden, hetgeen ten opzichte van de onderliggende vergunning een nieuw vergunde activiteit is met een daarbij behorend geluidniveau. Hiertoe behoort de oprichting van een nieuwe stal, waarin 14 ventilatoren aanwezig zijn.

In aanmerking genomen het vorenstaande ziet de Afdeling in hetgeen appellanten hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder met inachtneming van het in de Handreiking bepaalde zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de voorschriften 2.1 en 2.2 nodig zijn ter voorkoming dan wel voldoende beperking van geluidhinder. Dit beroepsonderdeel faalt.

2.4. Voorts betogen appellanten dat, gelet op het akoestisch onderzoek van Tauw B.V. van 14 december 2001, aan de gestelde grenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau niet kan worden voldaan, als gevolg waarvan zij een verdere beperking van hun bedrijfsvoering vrezen. Daarbij voeren zij nog aan dat het referentieniveau van het omgevingsgeluid ook geen aanleiding geeft voor een dergelijke beperking van de geluidgrenswaarden.

2.4.1. Gelet op het akoestisch rapport van 14 december 2001 vindt er in de avond- en nachtperiode een overschrijding plaats van de in voorschrift 2.1 opgenomen geluidgrenswaarden van respectievelijk 2 en 6 dB(A), die veroorzaakt wordt door het transport van melk vanaf de inrichting en de dakventilatoren van de nieuw te bouwen pluimveestal. Uit een nader akoestisch onderzoek van Ingenieursbureau Oranjewoud B.V. van

11 april 2002 volgt dat het referentieniveau van het omgevingsgeluid in de avondperiode maximaal 41 dB(A) bedraagt en in de nachtperiode 25 dB(A).

2.4.2. Gelet op het bestreden besluit en het verhandelde ter zitting stelt de Afdeling vast dat verweerder na voornoemd akoestisch onderzoek een nader onderzoek heeft verricht met betrekking tot binnen de inrichting toe te passen akoestische maatregelen, van welk onderzoek de uitkomsten ter zitting door verweerder nader zijn toegelicht.

Volgens verweerder kan de nieuw te bouwen pluimveestal zo worden uitgevoerd dat met de toe te passen dakventilatoren het geluidniveau in de avond- en nachtperiode gereduceerd wordt tot respectievelijk 37 dB(A) en 33 dB(A). Het in dat kader op grond van artikel 8.11, derde lid, van de Wet milieubeheer aan de vergunning verbonden voorschrift 2.10 is door appellanten niet bestreden. Uit het nader onderzoek blijkt verder dat in het geval, met uitzondering van het bepaalde in voorschrift 2.3, in de nachtperiode geen melktransport plaatsvindt de geluidbelasting 30 dB(A) bedraagt. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat niet aan voornoemde geluidgrenswaarden kan worden voldaan. De Afdeling stelt vast dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat hiermee zowel in de avond- als in de nachtperiode voldaan kan worden aan de in voorschrift 2.1 gestelde geluidgrenswaarden en dat verruiming van deze waarden in het licht van het referentieniveau van het omgevingsgeluid met het oog op het belang van de bescherming van het milieu wat de avondperiode betreft niet noodzakelijk en wat de nachtperiode betreft ook niet mogelijk is. Dit beroepsonderdeel treft geen doel.

2.5. Voorts voeren appellanten aan dat het aan de vergunning verbonden voorschrift 2.3 in strijd is met artikel 8.11, derde lid, van de Wet milieubeheer, nu voornoemd voorschrift alleen betrekking heeft op de melkafvoer in de nachtperiode en niet op de aan- en afvoer van andere goederen. Hiermee zou verweerder in de bedrijfsvoering van appellanten treden.

2.5.1. In voorschrift 2.3 is bepaald, voorzover hier van belang, dat éénmaal per week tussen 23.00 en 07.00 uur melkafvoer vanuit de inrichting mag plaatsvinden, waarbij gedurende deze periode het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr, LT) op de gevel aan de Westermaatweg 5 niet meer mag bedragen dan 34 dB(A). Het maximale geluidniveau (LAmax) mag in deze situatie niet hoger zijn dan 60 dB(A).

2.5.2. Verweerder betoogt dat de in de aanvraag vermelde aan- en afvoerbewegingen van voertuigen die eenmaal per week in de nachtperiode plaatsvinden, alleen betrekking hebben op het melktransport.

2.5.3. De Afdeling stelt voorop dat verweerder dient te beslissen op de aanvraag zoals deze is ingediend. Wat de aan- en afvoerbewegingen van voertuigen ten behoeve van de inrichting betreft is in het aanvraagformulier vermeld dat in de nachtperiode één vrachtwagen per week de inrichting aandoet. Uit de stukken die ten grondslag liggen aan het bestreden besluit komt naar voren dat deze aan- en afvoerbewegingen noodzakelijk zijn voor de afvoer van melk vanuit de inrichting. Uit de stukken blijkt verder dat de overige aan- en afvoerbewegingen van vrachtwagens in de dag- en avondperiode plaatsvinden.

In het licht van het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat voorschrift 2.3 beperkt dient te blijven tot voertuigbewegingen in de nachtperiode die uitsluitend betrekking hebben op melkafvoer vanuit de inrichting. Dit beroepsonderdeel faalt.

2.6. Wat betreft het aan de vergunning verbonden voorschrift 2.8, waarin is bepaald dat het pneumatisch of mechanisch vullen van voedersilo’s of van tankwagens voor gier of dunne mest verboden is tussen 19.00 en 07.00 uur, stellen appellanten zich op het standpunt dat verweerder dit voorschrift ten onrechte aan de vergunning heeft verbonden. Het opnemen van dit voorschrift zou volgens appellanten niet in overeenstemming zijn met de bestaande rechten, niet aansluiten bij de algemene feitelijke situatie in de landbouwsector en voorts door verweerder onvoldoende gemotiveerd zijn.

2.6.1. Gelet op de met de onderliggende vergunning aangevraagde en vergunde bedrijfsvoering in samenhang bezien met de aan die vergunning verbonden voorschriften stelt de Afdeling vast dat zowel het pneumatisch of mechanisch vullen van tankwagens voor gier of dunne mest alsmede het pneumatisch of mechanisch vullen van voedersilo’s inherent is aan voornoemde bedrijfsvoering. In zoverre kunnen appellanten een beroep op bestaande rechten doen.

Wat betreft de met de in voorschrift 2.8 genoemde activiteiten samenhangende aan- en afvoerbewegingen stelt de Afdeling vast dat uit de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende aanvraag blijkt dat in de avondperiode twee vrachtwagens per week zijn aangevraagd en dienovereenkomstig zijn vergund. De Afdeling overweegt dat deze aan- en afvoerbewegingen kunnen dienen voor de in voorschrift 2.8 genoemde activiteiten.

Voorts stelt de Afdeling vast dat in het bij de aanvraag behorend akoestisch onderzoek in het geheel niet wordt ingegaan op het pneumatisch of mechanisch vullen van tankwagens voor gier of dunne mest. Daarnaast wordt in het akoestisch onderzoek niet ingegaan op het pneumatisch of mechanisch vullen van voedersilo’s in de avondperiode, terwijl dit, gelet op het vorenstaande, wel tot de vergunde bedrijfsactiviteiten kan behoren.

Gelet op de omstandigheid dat voornoemde akoestische gegevens met betrekking tot de in voorschrift 2.8 genoemde activiteiten ontbreken en nu niet uitgesloten moet worden geacht dat voor deze activiteiten bestaande rechten gelden, is de Afdeling van oordeel dat het bestreden besluit wat de noodzaak van het aan de vergunning verbinden van voorschrift 2.8 betreft niet berust op een deugdelijke motivering. Dit beroepsonderdeel treft doel.

2.7. Appellanten hebben zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de tegen het ontwerp van het besluit ingebrachte bedenkingen. In de considerans van het bestreden besluit is verweerder ingegaan op deze bedenkingen. Appellanten hebben noch in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende bedenkingen in het bestreden besluit onjuist zou zijn. Ook voor het overige is niet gebleken dat die weerlegging van de bedenkingen onjuist zou zijn. Het beroep is in zoverre ongegrond.

2.8. Het beroep is gedeeltelijk gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd voorzover het voorschrift 2.8 betreft.

2.9. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Almelo van 1 oktober 2002, kenmerk 01.44/M41, voorzover het voorschrift 2.8 betreft;

III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Almelo in de door appellanten in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 322,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Almelo te worden betaald aan appellanten;

IV. gelast dat de gemeente Almelo aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 109,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink w.g. Plambeck

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 juni 2003

159-443.