Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AH8653

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-06-2003
Datum publicatie
25-06-2003
Zaaknummer
200205456/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 maart 2000, ingaande op diezelfde dag, heeft de burgemeester van Haarlem (hierna: de burgemeester) de tijdelijke sluiting bevolen van de percelen [locatie A-B] te Haarlem tot 1 oktober 2000.

Bij besluit van 28 augustus 2000 heeft de burgemeester het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluit van 29 september 2000 heeft de burgemeester de permanente sluiting gelast van de [seksinrichting], gevestigd in het perceel [locatie B] te Haarlem.

Bij besluit van 14 december 2001 heeft de burgemeester het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 5 september 2002, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank te Haarlem (hierna: de rechtbank) het door appellante ingestelde beroep tegen het besluit van 28 augustus 2000 gegrond verklaard voorzover het besluit betrekking heeft op het perceel [locatie A], en dat besluit in zoverre vernietigd. Voor het overige heeft de rechtbank de door appellante ingestelde beroepen tegen de besluiten van 28 augustus 2000 en 14 december 2001 ongegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200205456/1.

Datum uitspraak: 25 juni 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats]

tegen de uitspraak van de rechtbank te Haarlem van 5 september 2002 in de gedingen tussen:

appellante

en

de burgemeester van Haarlem.

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 maart 2000, ingaande op diezelfde dag, heeft de burgemeester van Haarlem (hierna: de burgemeester) de tijdelijke sluiting bevolen van de percelen [locatie A-B] te Haarlem tot 1 oktober 2000.

Bij besluit van 28 augustus 2000 heeft de burgemeester het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluit van 29 september 2000 heeft de burgemeester de permanente sluiting gelast van de [seksinrichting], gevestigd in het perceel [locatie B] te Haarlem.

Bij besluit van 14 december 2001 heeft de burgemeester het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 5 september 2002, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank te Haarlem (hierna: de rechtbank) het door appellante ingestelde beroep tegen het besluit van 28 augustus 2000 gegrond verklaard voorzover het besluit betrekking heeft op het perceel [locatie A], en dat besluit in zoverre vernietigd. Voor het overige heeft de rechtbank de door appellante ingestelde beroepen tegen de besluiten van 28 augustus 2000 en 14 december 2001 ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 oktober 2002 hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 20 november 2002 heeft de burgemeester van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 april 2003, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. J.W. Ebbink, advocaat te Haarlem en [gemachtigde], en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. B.C. Romijn, advocaat te Haarlem en mr. C. Hofmans, ambtenaar bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 82, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening Haarlem (hierna: de APV), zoals deze gold ten tijde van belang, kan de burgemeester de sluiting bevelen van een gebouw, indien daarin wordt gehandeld in strijd met het bepaalde in artikel 106, eerste lid, en het geopend blijven van de gelegenheid aantoonbaar gevaar oplevert voor de openbare orde of een ontoelaatbare aantasting van het woon- en leefklimaat.

Ingevolge artikel 106, eerste lid, van de APV is het verboden in een perceel of een perceelgedeelte waarover men de beschikking heeft bij herhaling of uit winstbejag aan derden gelegenheid te geven om ontuchtige handelingen te plegen.

2.2. Naar aanleiding van een schietincident op 20 februari 2000, waarbij vier personen om het leven zijn gekomen, en met inaanmerkingneming van een eerder geval van mishandeling, alsmede het eerder aantreffen van een aantal zonder verblijfstitel in Nederland verblijvende vrouwen in de seksinrichting, heeft de burgemeester bij besluit van 2 maart 2000 krachtens artikel 82 en artikel 106 van de APV de tijdelijke algehele sluiting bevolen van de panden aan de [locatie A-B] tot 1 oktober 2000.

2.2.1. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat ten aanzien van het besluit tot tijdelijke sluiting aan de criteria van de artikelen 82 en 106 van de APV was voldaan. Het betoog van appellante dat geen sprake is van een illegale seksinrichting omdat [seksinrichting] al jaren werd gedoogd, treft geen doel. De omstandigheid dat de seksinrichting gedoogd werd, heeft deze nog niet legaal gemaakt, zodat de burgemeester zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de seksinrichting in strijd met artikel 106 van de APV werd gedreven. Voorts heeft de rechtbank terecht en op goede gronden geoordeeld dat niet kan worden staande gehouden dat de burgemeester zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het woon- en leefklimaat ernstig is aangetast door het schietincident, en dat niet kan worden staande gehouden dat de burgemeester niet in redelijkheid krachtens artikelen 82 en 106 van de APV heeft kunnen komen tot tijdelijke sluiting van de seksinrichting.

Met het betoog van appellante dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan het feit dat voor een bestuurlijke sluiting geen aanleiding was nu de seksinrichting reeds in het kader van het strafrechtelijk onderzoek was gesloten, kan niet worden ingestemd. De strekking van de sluitingsbevelen was verschillend; het sluitingsbevel in het kader van het strafrechtelijk onderzoek diende er onder meer toe sporen veilig te stellen en bovendien kon dit op elk moment vervallen als het onderzoek was afgerond, terwijl de bestuurlijke sluiting gericht was op herstel van het aangetaste woon- en leefklimaat.

2.3. Ten aanzien van het besluit tot definitieve sluiting heeft appellante gesteld dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de burgemeester zich bij verdere besluitvorming niet zou hebben beperkt. Volgens appellante heeft de burgemeester de vraag of tot definitieve sluiting zou worden overgegaan afhankelijk gesteld van de resultaten van het strafrechtelijk onderzoek.

2.3.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat – in tegenstelling tot hetgeen appellante betoogt – geen grond bestaat voor het oordeel dat de burgemeester zich in het kader van het tijdelijke sluitingsbevel ten aanzien van zijn verdere besluitvorming heeft beperkt. Weliswaar komt uit de bewoordingen van het besluit van 2 maart 2000 naar voren dat de burgemeester bij de vervolgbesluitvorming groot gewicht zou toekennen aan het antwoord op de vraag, in hoeverre bij het strafrechtelijke onderzoek sprake zou blijken te zijn van persoonlijke betrokkenheid van appellante bij het schietincident, doch niet valt in te zien dat, indien daarvan niet zou blijken, de burgemeester geheel zou afzien van verder optreden. Hier komt nog bij dat ook nadien incidenten hebben plaatsgevonden die met zich brachten dat de openbare orde en het woon- en leefklimaat ter plaatse in gevaar kwamen indien de inrichting zou worden heropend. Hoewel appellante heeft betoogd dat de incidenten die zich na de tijdelijke sluiting hebben voorgedaan, niet met de seksinrichting in verband kunnen worden gebracht, aangezien twee van de incidenten buiten de gemeente Haarlem plaatsvonden en de inbreuk die deze incidenten geacht moeten worden te hebben gemaakt op het woon- en leefklimaat en de openbare orde en veiligheid in de gemeente Haarlem gering was, kan de Afdeling haar daarin niet volgen.

Naar het oordeel van de Afdeling was het incident dat plaatsvond in de seksinrichting zelf, te weten de aanslag met handgranaten in april 2000, op zichzelf reeds voldoende aanleiding om een verdergaande sluiting van de seksinrichting te rechtvaardigen. Ten aanzien van de twee andere incidenten – een brandstichting en een tweede aanslag met een handgranaat elders – heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat deze, aangezien zij onder meer tegen de partner van appellante en diens zakenpartner waren gericht, indirect in verband konden worden gebracht met de seksinrichting en het derhalve niet onjuist was dat de burgemeester deze mede aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft gelegd. Gelet op het voorgaande is de rechtbank op goede gronden tot het juiste oordeel gekomen dat de burgemeester in redelijkheid tot de conclusie heeft kunnen komen dat de situatie dermate negatief was, dat bij heropening van de seksinrichting wederom gevaar voor de openbare orde en veiligheid en aantasting van het woon- en leefklimaat dreigde en dat definitieve sluiting derhalve gerechtvaardigd was.

2.4. Ten slotte betoogt appellant tevergeefs dat de rechtbank ten onrechte geen proceskostenveroordeling heeft uitgesproken.

De rechtbank heeft in de omstandigheid dat beide bestreden besluiten in essentie in stand worden gelaten en slechts op niet-inhoudelijke en ambtshalve te berde gebrachte gronden deels vernietigd worden, geen aanleiding gezien de burgemeester in de kosten te verwijzen. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat het oordeel van de rechtbank omtrent de proceskosten getuigt van een onjuiste opvatting van de regeling, neergelegd in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. De Afdeling neemt daarbij in aanmerking dat het uitspreken van een proceskostenveroordeling geen verplichting is, maar een bevoegdheid.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.J. Boukema, Voorzitter, en mr. E.A. Alkema en mr. A.W.M. Bijloos, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.E.A. Matulewicz, ambtenaar van Staat.

w.g. Boukema w.g. Matulewicz

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 juni 2003

45-426.