Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AH8652

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-06-2003
Datum publicatie
25-06-2003
Zaaknummer
200205280/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 augustus 2002, kenmerk 02/9403, heeft verweerder aan [vergunninghoudster] voor de duur van 10 jaar een vergunning krachtens de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (hierna: Wvo) verleend voor het lozen van afvalwater via het gemeentelijke rioolstelsel op de rioolwaterzuiveringsinstallatie Nieuwveer en het lozen van hemelwater op het oppervlaktewater. Dit besluit is op 22 augustus 2002 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200205280/1.

Datum uitspraak: 25 juni 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], beide gevestigd te [plaats],

en

het dagelijks bestuur van het Hoogheemraadschap van West-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 augustus 2002, kenmerk 02/9403, heeft verweerder aan [vergunninghoudster] voor de duur van 10 jaar een vergunning krachtens de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (hierna: Wvo) verleend voor het lozen van afvalwater via het gemeentelijke rioolstelsel op de rioolwaterzuiveringsinstallatie Nieuwveer en het lozen van hemelwater op het oppervlaktewater. Dit besluit is op 22 augustus 2002 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 1 oktober 2002, bij de Raad van State ingekomen op 2 oktober 2002, beroep ingesteld.

Bij brief van 21 november 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 mei 2003, waar appellanten, vertegenwoordigd door mr. N. TH. ter Haar Romeny, advocaat te Breda, en verweerder, vertegenwoordigd door J.G. Happel, werkzaam bij het Hoogheemraadschap, zijn verschenen. Voorts is vergunninghoudster als partij gehoord, vertegenwoordigd door [gemachtigden].

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1, vijfde lid, van de Wvo worden aan een vergunning voorschriften verbonden tot bescherming van de belangen, waarvoor het vereiste van vergunning is gesteld. Ingevolge artikel 7, vijfde lid, van de Wvo zijn met betrekking tot een vergunning, als de onderhavige, onder meer de artikelen 8.10 en 8.11 van de Wet milieubeheer van overeenkomstige toepassing.

Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt, dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden, die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de lozing kan veroorzaken voor de kwaliteit van het oppervlaktewater door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de artikelen 8.10 en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.2. Volgens appellanten biedt de onderhavige vergunning onvoldoende waarborgen dat de kwaliteit van het ontvangende oppervlaktewater niet nadelig wordt beïnvloed als gevolg van de lozingen. Hiertoe betogen zij dat de aan de vergunning verbonden voorschriften te vaag zijn geformuleerd. Daarnaast voeren zij aan dat in de vergunning onvoldoende dwingend is voorgeschreven welke voorzieningen en maatregelen vergunninghoudster moet treffen teneinde de verontreiniging van het oppervlaktewater tegen te gaan. Ook stellen zij dat in de vergunning ten onrechte niet is vastgelegd hoe verweerder de voorschriften zal handhaven. Het vorenstaande is volgens hen in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.

2.2.1. Verweerder stelt zich op het standpunt dat uit de vergunning en de hiervan deel uitmakende stukken in voldoende mate blijkt aan welke eisen vergunninghoudster moet voldoen. Zo wijst hij onder meer op de aan de vergunning verbonden voorschriften 5 en 6, waarin lozingsnormen zijn opgenomen en op de vergunningaanvraag, waarin is omschreven welke goodhousekeeping-maatregelen door vergunninghoudster moeten worden genomen. Van strijdigheid met het rechtszekerheidsbeginsel is volgens hem geen sprake. Verder meent hij dat in de vergunning in voldoende mate is gegarandeerd dat de kwaliteit van het oppervlaktewater niet nadelig wordt beïnvloed door de onderhavige lozingen.

2.2.2. De Afdeling overweegt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting als volgt.

In de aan de vergunning verbonden voorschriften 2.1 en 2.2 is nader gedefinieerd welke afvalwaterstromen op grond van de onderhavige vergunning mogen worden geloosd. In de voorschriften 5 en 6 zijn grenswaarden met betrekking tot de kwaliteit van het te lozen afvalwater opgenomen. Voorschrift 4 bevat eisen met betrekking tot de aanwezigheid van een zuiveringstechnische voorziening bij het lozen van afvalwater vanuit de inrichting op de gemeentelijke riolering. Voorgeschreven is dat het te lozen afvalwater, alvorens dit wordt geloosd, door een slibvangput van voldoende capaciteit moet worden geleid. Verder is in het aanvraagformulier, dat deel uitmaakt van de vergunning, door vergunninghoudster aangegeven dat verontreiniging van het oppervlaktewater door middel van het toepassen van goodhousekeeping-maatregelen zal worden tegengegaan. In de aanvraag is uiteengezet wat onder deze maatregelen moet worden verstaan. In voorschrift 8 is vervolgens bepaald dat het te lozen afvalwater te allen tijde moet kunnen worden bemonsterd. Hiertoe is voorgeschreven dat het te lozen afvalwater bij ieder lozingspunt via een controlevoorziening, die geschikt is voor bemonsteringsdoeleinden, moet worden geleid. In voorschrift 9 is opgenomen dat door vergunninghoudster een maal per zes maanden een steekmonster moet worden genomen van het te lozen afvalwater en dat dit monster door haar moet worden geanalyseerd op de in de voorschriften 5 en 6 genoemde parameters. De analyseresultaten dienen door haar aan verweerder te worden overgelegd. In voorschrift 11 is aan vergunninghoudster de jaarlijkse verplichting opgelegd om aan verweerder te rapporteren omtrent de gemeten concentraties van de in de voorschriften 5 en 6 genoemde stoffen.

Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling niet in dat de vergunning en de daaraan verbonden voorschriften niet duidelijk zouden zijn. Duidelijk is op welke afvalwaterstromen de vergunning betrekking heeft en aan welke lozingsnormen moet worden voldaan. Voorts is naar het oordeel van de Afdeling in de vergunning genoegzaam vastgelegd welke goodhousekeeping-maatregelen door vergunninghoudster moeten worden genomen en welke voorzieningen zij in haar inrichting moet treffen teneinde de nadelige beïnvloeding van het oppervlaktewater als gevolg van de onderhavige lozingen tegen te gaan. De Afdeling ziet evenmin aanleiding te oordelen dat verweerder onvoldoende heeft vastgelegd op welke wijze de naleving van voorschriften zal worden gecontroleerd. Uit de voornoemde voorschriften blijkt immers dat vergunninghoudster de nodige bemonsteringsvoorzieningen moet treffen, dat zij verplicht is het door haar te lozen afvalwater eenmaal per zes maanden te bemonsteren en te analyseren en dat zij verweerder periodiek moet rapporteren over de bemonsteringsresultaten. In dit verband wijst de Afdeling er nog op dat de Algemene wet bestuursrecht voorziet in de mogelijkheid tot het treffen van maatregelen die strekken tot het afdwingen van de naleving van aan de vergunning verbonden voorschriften.

Op grond hiervan moet worden geconcludeerd dat geen sprake is van strijdigheid met het rechtszekerheidsbeginsel. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd wordt geen grond gezien voor het oordeel dat de vergunning onvoldoende waarborgen biedt teneinde nadelige beïnvloeding van het oppervlaktewater als gevolg van de lozingen tegen te gaan.

2.3. Het beroep is ongegrond.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.R. Schaafsma, Voorzitter, en mr. J.A.M. van Angeren en mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.G.P. Oudenaller, ambtenaar van Staat.

w.g. Schaafsma w.g. Oudenaller

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 juni 2003

179-404.