Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AH8647

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-06-2003
Datum publicatie
25-06-2003
Zaaknummer
200204731/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Bij uitspraak van 1 mei 2002, in zaak no. 200102389/1, heeft de Afdeling, beslissend op het hoger beroep van verzoeker, de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Roermond van 3 april 2001 bevestigd. De uitspraak is aangehecht.

Bij brief van 26 augustus 2002 heeft verzoeker de Afdeling verzocht die uitspraak te herzien.

Bij brief van 19 februari 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Helden (hierna: het college) van antwoord gediend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200204731/1.

Datum uitspraak: 25 juni 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het verzoek van

[verzoeker], h.o.d.n. Camping Beringerzand, wonend te [woonplaats],

om herziening van de uitspraak van de Afdeling van 1 mei 2002, in zaak no. 200102389/1.

1. Procesverloop

Bij uitspraak van 1 mei 2002, in zaak no. 200102389/1, heeft de Afdeling, beslissend op het hoger beroep van verzoeker, de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Roermond van 3 april 2001 bevestigd. De uitspraak is aangehecht.

Bij brief van 26 augustus 2002 heeft verzoeker de Afdeling verzocht die uitspraak te herzien.

Bij brief van 19 februari 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Helden (hierna: het college) van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 april 2003, waar verzoeker in persoon, bijgestaan door mr. A.J.A. Simons-Schröer, advocaat te Eindhoven, en het college, vertegenwoordigd door mr. R Keuken, advocaat te Waalre, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) kan de Afdeling op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren zij bij de Afdeling eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

2.2. Verzoeker heeft om herziening van de uitspraak van de Afdeling van 1 mei 2002 verzocht, aangezien hij noch zijn toenmalige gemachtigde, ondanks het kenbaar maken van de adreswijziging van die gemachtigde, een uitnodiging voor de aan de uitspraak voorafgegane zitting hebben ontvangen. Als gevolg hiervan is hij niet in staat geweest zijn standpunt toe te lichten. Zou dit wel het geval zijn geweest dan had dit tot een andere uitspraak van de Afdeling kunnen leiden, aldus verzoeker.

2.3. Dit verzoek slaagt niet. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat verzoekers gemachtigde reeds enkele dagen na de zitting van 18 maart 2002, en derhalve vóór de uitspraak van 1 mei 2002, aan de Afdeling heeft laten weten dat hij geen uitnodiging voor die zitting had ontvangen. Aangezien het hier derhalve een gegeven betreft dat verzoeker – en ook de Afdeling – reeds vóór de uitspraak bekend was, betreft het niet een feit dat of omstandigheid die op grond van artikel 8:88 van de Awb tot herziening van de uitspraak van 1 mei 2002 kan leiden.

De Afdeling merkt overigens op dat bij brief van 16 april 2002 vanwege de Afdeling aan verzoekers toenmalige gemachtigde reeds is aangegeven dat geen reden werd gezien een tweede mondelinge behandeling van de zaak te laten plaatsvinden, aangezien de uitnodiging voor de zitting van 18 maart 2002 naar het laatstelijk door die gemachtigde aan de Afdeling opgegeven adres was verstuurd. De stelling van verzoeker, dat uit een eerdere door hem ingezonden machtiging viel af te leiden dat een adreswijziging van zijn gemachtigde had plaatsgevonden, leidt niet tot een ander oordeel. Het enkel insturen van een machtiging met daarin een nieuw adres van de gemachtigde is onvoldoende om aan te nemen dat de adreswijziging aan de Afdeling voldoende kenbaar was gemaakt.

2.4. Het verzoek dient te worden afgewezen.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. P.J. Boukema, Voorzitter, en mr. E.A. Alkema en mr. A.W.M. Bijloos, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.E.A. Matulewicz, ambtenaar van Staat.

w.g. Boukema w.g. Matulewicz

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 juni 2003

45-426.