Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AH8639

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-06-2003
Datum publicatie
25-06-2003
Zaaknummer
200202706/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 oktober 2001, kenmerk U.01.19017, heeft verweerder een verzoek van appellant afgewezen om ten aanzien van de [besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid] bestuurlijke handhavingsmiddelen toe te passen dan wel nadere eisen te stellen.

Bij besluit van 8 april 2002, kenmerk U.02.52132, verzonden op 9 april 2002, heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200202706/1.

Datum uitspraak: 25 juni 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats]

en

het college van burgemeester en wethouders van Emmen,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 22 oktober 2001, kenmerk U.01.19017, heeft verweerder een verzoek van appellant afgewezen om ten aanzien van de [besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid] bestuurlijke handhavingsmiddelen toe te passen dan wel nadere eisen te stellen.

Bij besluit van 8 april 2002, kenmerk U.02.52132, verzonden op 9 april 2002, heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 10 mei 2002, bij de Raad van State ingekomen op 14 mei 2002, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 21 juni 2002.

Bij brief van 7 augustus 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant en verweerder. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 januari 2003, waar appellant in persoon, en verweerder, vertegenwoordigd door J. van Dijk, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Appellant voert aan dat verweerder ten onrechte niet in aanmerking heeft genomen dat de Commissie voor de Rechtsbescherming, Kamer Bezwaar en Beroep (hierna: de commissie) heeft miskend dat het besluit van 22 oktober 2001 een weigering om te besluiten inhoudt. In dit verband betoogt appellant dat zijn brief van 24 augustus 2001, voorzover daarin klachten of verzoeken voorkomen, niet is beperkt tot de Wet milieubeheer, maar moet worden opgevat als een verzoek aan verweerder om op welke wettelijke grond dan ook die maatregelen te nemen die de nadelen, veroorzaakt door het in werking zijn van de inrichting voor de directe omgeving beperken.

2.1.1. Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt onder besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel wordt onder beschikking verstaan: een besluit dat niet van algemene strekking is, met inbegrip van de afwijzing van een aanvraag daarvan.

Ingevolge het derde lid van dit artikel wordt onder aanvraag verstaan: een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen.

2.1.2. Voorzover de brief van appellant van 24 augustus 2001, zoals appellant betoogt, moet worden opgevat als een verzoek om handhaving van de Algemene Plaatselijke Verordening, om herziening van de infrastructurele situatie in de omgeving van de onderhavige inrichting dan wel het voorschrijven van verkeersmaatregelen voor de inrichting en om herziening van het bestemmingsplan dan wel het treffen van maatregelen op grond van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, overweegt de Afdeling dat dit verzoek geen betrekking heeft op het belang van de bescherming van het milieu. De beroepsgronden die zich richten tegen de omstandigheid dat verweerder over deze aspecten in het besluit van 22 oktober 2001 geen beslissing heeft genomen, kunnen in deze procedure derhalve niet aan de orde komen.

Voorzover in de brief van 24 augustus 2001 wordt verzocht om beëindiging van bepaalde activiteiten die luchtverontreiniging, geluid- en stankoverlast veroorzaken en het in verband daarmee stellen van concrete voorschriften, moet deze brief naar het oordeel van de Afdeling worden aangemerkt als een verzoek een besluit te nemen in het kader van de Wet milieubeheer en derhalve in zoverre als een aanvraag als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het besluit van 22 oktober 2001, waarbij het verzoek in zoverre is afgewezen, gehandhaafd. Volgens artikel 1:3, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht moet een afwijzing van een aanvraag worden aangemerkt als een beschikking en eveneens als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Van een weigering een besluit te nemen is derhalve geen sprake.

De beroepsgrond faalt.

2.2. Appellant betoogt dat de bezwaarschriftenprocedure niet conform de daarvoor geldende regels is verlopen. Het advies van de commissie is volgens appellant niet zorgvuldig voorbereid en opgesteld.

Appellant betoogt dat [besloten vennootschap] ten onrechte niet als belanghebbende is gehoord.

Voorts heeft de hoorzitting volgens appellant plaatsgevonden zonder dat aan hem de stukken zijn toegezonden die hij in zijn bezwaarschrift van 21 november 2001 heeft genoemd.

Verder heeft de commissie tijdens de hoorzitting een pleitnota van verweerder geaccepteerd waarop appellant niet heeft kunnen reageren en heeft de commissie zijn bij brief van 10 februari 2002 ingediende schriftelijke reactie hierop ten onrechte niet bij het advies betrokken, aldus appellant.

2.2.1. Artikel 7:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt: “Voordat een bestuursorgaan op het bezwaar beslist, stelt het belanghebbenden in de gelegenheid te worden gehoord.”

Ingevolge het tweede lid van dit artikel stelt het bestuursorgaan daarvan in ieder geval de indiener van het bezwaarschrift op de hoogte alsmede de belanghebbenden die bij de voorbereiding van het besluit hun zienswijze naar voren hebben gebracht.

Ingevolge artikel 7:4, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kunnen belanghebbenden tot tien dagen voor het horen nadere stukken indienen.

2.2.2. De Afdeling overweegt met betrekking tot de omstandigheid dat [besloten vennootschap] niet is gehoord, dat uit de stukken blijkt dat [besloten vennootschap] bij de voorbereiding van het besluit van 22 oktober 2001 geen zienswijze naar voren heeft gebracht, terwijl zij daartoe ingevolge artikel 4:8, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht evenmin in de gelegenheid behoefde te worden gesteld. Gelet op artikel 7:2, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht was verweerder daarom niet gehouden [besloten vennootschap] op de hoogte te stellen van de hoorzitting. De Afdeling ziet voorts geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder er niettemin niet in redelijkheid van heeft kunnen afzien om [besloten vennootschap] op de hoogte te stellen van de hoorzitting.

Wat de toezending van de door appellant in zijn brief van 21 november 2001 genoemde stukken betreft, overweegt de Afdeling als volgt. Uit het verslag van de hoorzitting in samenhang gezien met de brief van appellant van 25 januari 2002 aan verweerder, waarin onder andere is vermeld dat een aantal van de aan hem toegezonden stukken onleesbaar zijn, en de beslissing op bezwaar in het kader van de Wet openbaarheid van bestuur van 10 juli 2002, leidt de Afdeling af dat alle op deze zaak betrekking hebbende stukken die zijn genoemd in de brief van 21 november 2001, waaronder de melding van 18 maart 1996, de controlerapporten en de voorheen aan [besloten vennootschap] verleende vergunningen, reeds vóór het horen in de bezwaarschriftprocedure aan appellant waren toegezonden. Hieraan doet niet af dat een aantal andere aan appellant toegezonden stukken onleesbaar waren, waaronder stukken die zien op het bestemmingsplan, aangezien deze stukken niet kunnen worden aangemerkt als op deze zaak betrekking hebbend.

Ten aanzien van de ter hoorzitting door verweerder ingediende pleitnota en de reactie hierop van appellant van 10 februari 2002, overweegt de Afdeling als volgt. Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting heeft verweerder tijdens de hoorzitting een stuk overgelegd, getiteld “Verweerschrift inzake het bezwaarschrift van [appellant] te Emmen, betreffende de beschikking d.d. 22 oktober 2001.” Ter hoorzitting heeft verweerder het woord gevoerd aan de hand van dit stuk en een mondelinge samenvatting hiervan gegeven, doch het niet in zijn geheel voorgedragen. Appellant is ter hoorzitting in de gelegenheid gesteld om op de mondelinge samenvatting van de pleitnota te reageren. Voorts heeft de bezwarencommissie appellant een termijn gegeven waarbinnen hij nog schriftelijk heeft mogen reageren op de door verweerder overgelegde pleitnota. Bij brief van 10 februari 2002 heeft appellant van deze gelegenheid gebruik gemaakt. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat tijdens de voorbereiding van het bestreden besluit het beginsel van hoor en wederhoor niet in acht is genomen. Voorts ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de bezwaarschriftencommissie de brief van appellant van 10 februari 2002, tot het indienen waarvan zij hem zelf in de gelegenheid heeft gesteld, niet voldoende bij het advies heeft betrokken.

Gelet op het bovenstaande is er geen reden voor het oordeel dat de bezwaarschriftprocedure niet conform de daarvoor geldende regels is verlopen, noch voor het oordeel dat het advies van de commissie onzorgvuldig is voorbereid dan wel opgesteld.

De beroepsgronden treffen geen doel.

2.3. Appellant voert aan dat niet duidelijk is of de commissie het bestreden besluit heeft voorbereid en verweerder dit besluit – ten onrechte - nog slechts formeel hoefde te nemen, dan wel dat de commissie enkel heeft geadviseerd en verweerder verantwoordelijk is voor het bestreden besluit. Hij betoogt voorts dat verweerder het advies van de commissie ten onrechte zonder meer heeft overgenomen zonder nader onderzoek naar andere feiten en omstandigheden.

2.3.1. De Afdeling stelt vast dat verweerder de beslissing op bezwaar heeft genomen. De commissie heeft deze beslissing voorbereid en aan verweerder advies uitgebracht. Deze gang van zaken is niet in strijd met de Algemene wet bestuursrecht. De Afdeling ziet voorts geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich op het standpunt had moeten stellen dat het onderzoek door de bezwaarschriftencommissie niet op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Verder is niet gebleken dat na het horen in de bezwaarschriftprocedure feiten en omstandigheden bekend zijn geworden die voor de op het bezwaar te nemen beslissing van aanmerkelijk belang konden zijn geweest. In zoverre is verweerder terecht van het advies van de commissie uitgegaan.

De desbetreffende beroepsgronden treffen geen doel.

2.4. Appellant voert aan dat het bestreden besluit ondeugdelijk is gemotiveerd, aangezien hieraan meer dan één motivering ten grondslag ligt. Voorts betoogt hij dat niet duidelijk is wat in het advies van de commissie wordt bedoeld met “de ter zitting gegeven motivering”. Volgens appellant is verder niet duidelijk waarom de motivering van het besluit van 22 oktober 2001 wordt gehandhaafd, terwijl hieraan bij het bestreden besluit toch motiveringen worden toegevoegd.

2.4.1. De Afdeling stelt vast dat de motivering die ten grondslag ligt aan het bestreden besluit bestaat uit een verwijzing naar de motivering van het advies van de commissie en een aanvullende motivering van verweerder op dit advies. In de motivering van het advies wordt weer verwezen naar de ter zitting gegeven motivering. Naar het oordeel van de Afdeling moet het ervoor worden gehouden dat met “de ter zitting gegeven motivering” wordt gedoeld op de tijdens de hoorzitting door verweerder naar voren gebrachte argumenten. Door het bestreden besluit worden het besluit van 22 oktober 2001 en de daaraan ten grondslag liggende motivering bevestigd. Nu de verschillende motiveringen niet onderling tegenstrijdig zijn, is er geen reden voor het oordeel dat het bestreden besluit ondeugdelijk is gemotiveerd.

De beroepsgrond treft geen doel.

2.5. Appellant stelt dat bij het bestreden besluit niet is beslist op grondslag van zijn bezwaren, waarbij zijn nadere bezwaarschrift van 10 februari 2002 ten onrechte geheel buiten behandeling is gelaten.

2.5.1. Ingevolge artikel 7:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht vindt, indien het bezwaar ontvankelijk is, op grondslag daarvan een heroverweging van het bestreden besluit plaats.

2.5.2. Voorzover appellant betoogt dat in het geheel niet op grondslag van zijn bezwaren is beslist, treft het betoog, gelet op de stukken, geen doel. Voorzover appellant betoogt dat niet op grondslag van al zijn bezwaren is beslist, overweegt de Afdeling als volgt.

Zoals reeds is gebleken is er geen aanleiding voor het oordeel dat de brief van 10 februari 2002, waarin appellant een nadere schriftelijke reactie op de door verweerder tijdens de hoorzitting van de commissie overgelegde pleitnota heeft gegeven, niet voldoende bij het advies is betrokken. Voorzover deze brief mogelijkerwijs nieuwe bezwaren bevat, overweegt de Afdeling dat deze bezwaren zijn ingebracht na afloop van de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift. Verweerder was daarom niet gehouden deze bezwaren in zijn beoordeling te betrekken.

De beroepsgrond faalt.

2.6. Appellant voert aan dat het bestreden besluit niet duidelijk maakt welke algemene maatregel van bestuur op de inrichting van toepassing zou zijn.

De Afdeling overweegt dat op pagina 3 van het advies van de commissie is vermeld dat de inrichting valt onder het “besluit inrichting motorvoertuigen”. Naar het oordeel van de Afdeling is door deze vermelding voldoende duidelijk dat de commissie het Besluit inrichtingen voor motorvoertuigen milieubeheer (hierna: het Besluit) bedoelt en dat zij dit Besluit van toepassing acht op onderhavige inrichting.

2.7. Appellant stelt dat het Besluit op grond van artikel 3, aanhef en onder i, hiervan niet van toepassing is op deze inrichting.

2.7.1. Op 1 oktober 2000 is het Besluit inrichtingen voor motorvoertuigen milieubeheer (Stb. 2000, 262; hierna: het Besluit) in werking getreden.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Besluit is het van toepassing op inrichtingen die uitsluitend of in hoofdzaak bestemd zijn voor het onderhouden, repareren, behandelen van de oppervlakte, keuren, reinigen van carrosserie en bekleding, verhandelen, verhuren, stallen of proefdraaien van motorvoertuigen, caravans, landbouwwerktuigen, aanhangwagens of opleggers.

Ingevolge artikel 3, aanhef en onder i, van het Besluit is dit Besluit niet van toepassing op een inrichting als bedoeld in artikel 2, indien de inrichting of een onderdeel daarvan is ingericht voor het opslaan van vloeibare gevaarlijke stoffen of vloeibare gevaarlijke afvalstoffen in tanks, tenzij sprake is van het opslaan in ondergrondse tanks, waarop het Besluit opslaan in ondergrondse tanks 1998 van toepassing is, dan wel sprake is van opslaan van brandbare vloeistoffen in bovengrondse tanks.

Ingevolge het gestelde onder het kopje “met betrekking tot veiligheid” van onderdeel A van de bijlage behorende bij het Besluit wordt onder brandbare vloeistof verstaan: stof in vloeibare toestand die een vlampunt heeft dat hoger ligt dan 55°C.

2.7.2. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting stelt de Afdeling allereerst vast dat de activiteiten die in de inrichting worden uitgevoerd vallen onder de activiteiten als genoemd in artikel 2 van het Besluit en dat de inrichting hiervoor in hoofdzaak is bestemd, zodat het Besluit hierop, behoudens het geval dat sprake is van een inrichting als bedoeld in artikel 3, van toepassing is.

Op grond van het verhandelde ter zitting en de stukken stelt de Afdeling voorts vast dat in de inrichting (afgewerkte) olie in bovengrondse tanks wordt opgeslagen. Ingevolge artikel 3, aanhef en onder i, van het Besluit is het Besluit van toepassing indien brandbare vloeistoffen worden opgeslagen in bovengrondse tanks. Gezien artikel 1, eerste lid, van het Besluit aanwijzing gevaarlijke afvalstoffen, zoals dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit gold, wordt onder afgewerkte olie verstaan, olie met onder meer een vlampunt van 55°C of hoger. Gelet op de begripsbepaling onder het kopje “met betrekking tot veiligheid” van onderdeel A van de bijlage behorende bij het Besluit dient afgewerkte olie dan ook te worden aangemerkt als een brandbare vloeistof in de zin van het Besluit. Niet is gebleken dat in de bovengrondse tanks voorts olie wordt opgeslagen die niet aan de definitie van brandbare vloeistof voldoet. Uit het vorenstaande volgt dat de inrichting niet ingevolge artikel 3, aanhef en onder i, van het Besluit is uitgezonderd van toepassing van het Besluit.

De beroepsgrond faalt.

2.8. Appellant stelt dat de op 18 maart 1996 gedane melding onder het Besluit herstelinrichtingen voor motorvoertuigen milieubeheer niet geldig is, dat verweerder ten onrechte niet aan [besloten vennootschap] heeft gevraagd de melding te completeren en dat deze melding niet is bekendgemaakt. Hierdoor is volgens appellant onduidelijk op grond waarvan verweerder heeft gecontroleerd of overtredingen plaatsvinden. Hierbij zijn volgens appellant verder ten onrechte de milieuvergunningen die hebben gegolden vóór de inwerkingtreding van het Besluit herstelinrichtingen motorvoertuigen milieubeheer niet betrokken.

2.8.1. Ingevolge artikel 4, eerste lid, van het Besluit gelden de voorschriften die zijn opgenomen in de bijlage voor eenieder die de inrichting drijft. Deze draagt er zorg voor dat de voorschriften worden nageleefd.

2.8.2. De Afdeling overweegt dat op grond van artikel 4 voor eenieder die een inrichting als bedoeld in artikel 2 van het Besluit drijft de voorschriften in de bijlage gelden, ongeacht of al dan niet een geldige melding is gedaan en ongeacht een eventueel onjuiste gang van zaken met betrekking tot de melding. Uit het bestreden besluit blijkt dat verweerder de voorschriften van de bijlage behorende bij het Besluit tot uitgangspunt heeft genomen bij de vraag of overtredingen plaatshebben.

Voorts overweegt de Afdeling dat milieuvergunningen die aan [besloten vennootschap] zijn verleend voordat het Besluit herstelinrichtingen voor motorvoertuigen milieubeheer in werking is getreden, niet meer van belang zijn. Ingevolge artikel 5, eerste lid, van laatstgenoemd Besluit zijn de bij dat Besluit gestelde regels na een jaar gaan gelden voor onderhavige inrichting, omdat deze reeds was opgericht op het tijdstip waarop het Besluit daarop van toepassing werd, hetgeen niet door appellant wordt bestreden.

De beroepsgrond faalt.

2.9. Appellant stelt dat verweerder ten onrechte heeft geconcludeerd dat geen geluidoverlast wordt veroorzaakt door de activiteiten die worden uitgevoerd in de inrichting en dat verweerder in dit verband, mede gelet op de omstandigheid dat de inrichting in een woonwijk is gesitueerd, ten onrechte geen nadere eisen heeft gesteld, zoals het gesloten houden van de deuren en beperking van de tijden waarop de ventilator in werking mag zijn. Volgens appellant is niet duidelijk waarom door verweerder wordt geconstateerd dat de geluidgrenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau van voorschrift 1.1.1 van de bijlage behorende bij het Besluit niet worden overschreden, terwijl de inrichting volgens de geluidmetingen een geluidbelasting van 51 dB(A) veroorzaakt. Daar komt volgens appellant bij dat de geluidmetingen een onderschatting van de geluidbelasting inhouden, omdat ten onrechte een bedrijfsduurcorrectie is toegepast op het in werking zijn van de ventilator en omdat niet de geluidbelasting is gemeten van alle in de inrichting aanwezige installaties en toestellen en de door de inrichting verrichte activiteiten en werkzaamheden, waaronder de aan de inrichting toe te rekenen voertuigbewegingen. In dit verband stelt appellant tevens dat het geluid van de tankwagen aan de inrichting moet worden toegerekend.

2.9.1. Verweerder betoogt dat de geluidbelasting vanwege de inrichting volgens de geluidmetingen 51 dB(A) bedraagt, doch dat deze overschrijding niet kan worden aangemerkt als een overtreding van de geluidgrenswaarden. In dit verband stelt verweerder dat volgens de “Handleiding meten en rekenen industrielawaai 1999” bij het meten en berekenen van de geluidbelasting vanwege een inrichting een nauwkeurigheidsmarge van 1 dB(A) moet worden aangehouden. Verweerder stelt verder dat de ventilator slechts in werking is tijdens het proefdraaien van de motorvoertuigen, zodat hierop terecht een bedrijfsduurcorrectie is toegepast. Voorts stelt verweerder dat het Besluit niet van toepassing is op motorvoertuigen die deelnemen aan het verkeer, zodat dit aspect buiten beschouwing dient te blijven. Het geluid dat wordt veroorzaakt door de tankwagen heeft slechts een minimale invloed op de geluidbelasting vanwege de inrichting, gezien de duur van de activiteit, te weten een half uur.

2.9.2. Ingevolge voorschrift 1.1.1 van de bijlage behorende bij het Besluit, voorzover in deze procedure van belang, geldt voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT), veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten, dat:

a. de niveaus op de in de tabel genoemde plaatsen en tijdstippen niet meer bedragen dan de in die tabel aangegeven waarden;

07.00-19.00 19.00-23.00 23.00-07.00

LAr,LT op de gevel van woningen 50 dB(A) 45 dB(A) 40 dB(A)

2.9.3. Ingevolge artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit, voorzover hier van belang, kan het bevoegd gezag nadere eisen stellen met betrekking tot de in de bijlage opgenomen voorschriften ten aanzien van geluid voorzover dat in hoofdstuk 4 van die bijlage is aangegeven.

In voorschrift 4.1.4 van de bijlage behorende bij het Besluit, voorzover hier van belang, is bepaald dat het bevoegd gezag een nadere eis kan stellen met betrekking tot de voorzieningen die binnen de inrichting moeten worden aangebracht en gedragsregels die in acht moeten worden genomen teneinde te bereiken dat aan paragraaf 1.1 wordt voldaan.

2.9.4. In het rapport waarin de resultaten van de geluidmetingen door de afdeling milieu, sectie geluid van de gemeente Emmen (hierna: het rapport) zijn neergelegd, wordt gesteld dat de geluidbelasting vanwege de inrichting de in voorschrift 1.1.1 opgenomen geluidgrenswaarde van 50 dB(A) voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau in de dagperiode met 1 dB overschrijdt.

Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de in voorschrift 1.1.1 van de bijlage gestelde geluidgrenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau niet gelden voor geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting. Vaststaat voorts dat het laden en lossen van de olie in de tankwagen op de openbare weg plaatsheeft en zodoende buiten de inrichting. De Afdeling overweegt aldus dat het geluid veroorzaakt door deze bronnen niet bij de berekening van het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau vanwege de inrichting diende te worden betrokken.

Verder stelt de Afdeling vast dat in het rapport onder andere de geluidbelasting veroorzaakt door de ventilator én de werkplaats is berekend en dat, gezien de andere geluidmetingen, moet worden geconcludeerd dat bij het in werking zijn van de ventilator het geluid veroorzaakt door de werkplaats niet bijdraagt aan de geluidbelasting vanwege de inrichting.

Uit het rapport blijkt voorts dat hierin als uitgangspunt is genomen dat de ventilator gedurende de helft van de tijd in werking is. Ter zitting heeft verweerder medegedeeld dat de ventilator feitelijk minder dan de helft van de tijd in werking is, maar dat in het rapport is gerekend met een bedrijfsduur van 50% ter bescherming van de omgeving van de inrichting. Gelet hierop ziet de Afdeling in de eerste plaats geen aanknopingspunten voor het oordeel dat in het akoestisch rapport op het in werking zijn van de ventilator ten onrechte een bedrijfsduurcorrectie is toegepast. Voorts acht de Afdeling het gelet hierop onvoldoende aannemelijk geworden dat de in voorschrift 1.1.1 gestelde geluidgrenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau daadwerkelijk worden overtreden.

Verweerder heeft in zoverre terecht afgezien van het toepassen van bestuurlijke handhavingsmiddelen. Voorts heeft verweerder zich in zoverre in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen nadere eisen nodig zijn teneinde te bereiken dat aan de in voorschrift 1.1.1 opgenomen waarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau wordt voldaan.

De beroepsgrond faalt.

2.10. Appellant voert aan dat het parkeren van motorvoertuigen, het laden en lossen van de tankwagen, het testen en repareren van motorvoertuigen buiten de inrichting en het verkeer van en naar de inrichting onacceptabele nadelige gevolgen veroorzaakt voor het milieu en onder meer leidt tot belemmering van het verkeer. Appellant voert aan dat voorschrift 2.2.2 van de bijlage behorende bij het Besluit is overtreden, omdat zijns inziens de woorden “zoveel mogelijk” in dit voorschrift in dit geval met zich brengen dat de reparatiewerkzaamheden die buiten de gebouwen zijn uitgevoerd ook inpandig hadden kunnen worden uitgevoerd.

2.10.1. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het personeel en bezoekers van de inrichting op een normale wijze gebruik maken van de parkeergelegenheden buiten de inrichting. Volgens verweerder kunnen daarom ten aanzien van dit parkeren geen maatregelen worden getroffen krachtens de Wet milieubeheer. Tevens is er naar zijn mening met betrekking tot de door appellant genoemde activiteiten geen sprake van zodanige specifieke omstandigheden dat voor deze activiteiten nadere eisen moeten worden gesteld.

2.10.2. Ingevolge voorschrift 1.9.1 van de bijlage behorende bij het Besluit worden, voorzover de voorschriften van dit besluit niet of in onvoldoende mate voorzien in een toereikende bescherming van het milieu tegen de nadelige gevolgen die de inrichting kan veroorzaken, die gevolgen voorkomen of, voorzover voorkomen niet mogelijk is, zoveel mogelijk beperkt.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit kunnen nadere eisen worden gesteld met betrekking tot onder meer de gevolgen van het verkeer van personen of goederen van en naar de inrichting, en de nadelige gevolgen waarop voorschrift 1.9.1 van de bijlage betrekking heeft, indien dat bijzonder is aangewezen in het belang van de bescherming van het milieu.

Ingevolge voorschrift 2.2.2 van de bijlage behorende bij het Besluit worden reparatiewerkzaamheden aan motorvoertuigen, caravans, aanhangwagens of opleggers zoveel mogelijk inpandig uitgevoerd.

2.10.3. De Afdeling overweegt allereerst dat niet is gebleken dat in dit geval de reparatiewerkzaamheden die volgens appellant buiten zijn uitgevoerd ook steeds inpandig hadden kunnen worden uitgevoerd, zodat er geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat voorschrift 2.2.2 is overtreden.

De Afdeling stelt voorts vast dat in de bijlage behorende bij het Besluit geen specifieke voorschriften zijn opgenomen met betrekking tot het buiten het terrein van de inrichting parkeren van motorvoertuigen, laden en lossen van tankwagens en - voorzover dit ingevolge voorschrift 2.2.2 is toegestaan - repareren van motorvoertuigen, alsmede het verkeer van en naar de inrichting. Voorzover deze activiteiten aan de inrichting dienen te worden toegerekend, moeten de nadelige gevolgen hiervan ingevolge voorschrift 1.9.1 worden voorkomen of, voorzover voorkomen niet mogelijk is, zoveel mogelijk worden beperkt. Op het parkeren en - voorzover dit ingevolge voorschrift 2.2.2 is toegestaan - repareren van motorvoertuigen op het terrein van de inrichting is voorschrift 1.9.1 in beginsel eveneens van toepassing, met dien verstande dat op deze activiteiten onder meer de geluidgrenswaarden van voorschrift 1.1.1 van toepassing zijn, waarop in het voorafgaande reeds is ingegaan.

Met betrekking tot het parkeren van motorvoertuigen op de openbare weg in de nabijheid van de inrichting overweegt de Afdeling dat dit kan worden toegerekend aan het in werking zijn van de inrichting. Het laden en lossen van de tankwagen op de openbare weg aan de achterzijde van de inrichting heeft vier tot zes keer per jaar plaats en duurt gemiddeld ongeveer 40 minuten. Deze activiteit kan eveneens worden toegerekend aan het in werking zijn van de inrichting. Het verkeer van en naar de inrichting onderscheidt zich, gezien de omstandigheid dat de achteringang van het bedrijf is gelegen tegenover de woning van appellant, ter plaatse van diens woning door snelheid en rij- en stopgedrag van het overige verkeer dat zich op deze weg kan bevinden. Ook de nadelige gevolgen voor het milieu die ter plaatse van de woning van appellant worden veroorzaakt door het verkeer van en naar de inrichting kunnen derhalve worden toegerekend aan het in werking zijn van de inrichting.

Appellant heeft echter noch aangetoond, noch is uit de stukken gebleken dat ten tijde van het nemen van het primaire besluit het personeel en de bezoekers van de inrichting niet op een normale wijze gebruik maakten van de parkeergelegenheden in de nabijheid van de inrichting, dan wel dat anderszins op een zodanige wijze of in een zodanige omvang werd geparkeerd op de openbare weg nabij de inrichting dan wel op het terrein van de inrichting dat verweerder zich ten tijde van het nemen van het primaire besluit niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de geluidhinder (voorzover hierop voorschrift 1.1.1 niet van toepassing is), luchtverontreiniging, stankhinder en verkeersbelemmeringen ten gevolge van dit parkeren voldoende waren beperkt. In hetgeen appellant heeft aangevoerd en mede gelet op de omgeving van de inrichting ziet de Afdeling voorts geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat ten tijde van het nemen van het primaire besluit de geluidhinder (voorzover hierop voorschrift 1.1.1 niet van toepassing is), luchtverontreiniging, stankhinder en verkeersbelemmeringen veroorzaakt door het uitvoeren van reparaties in de open lucht, het laden en lossen van de tankwagens op de openbare weg en verkeer van en naar de inrichting voldoende waren beperkt.

Gelet op het bovenstaande moet worden aangenomen dat voorschrift 1.9.1 ten tijde van het nemen van het primaire besluit niet werd overtreden, zodat verweerder in zoverre niet bevoegd was tot het toepassen van bestuurlijke handhavingsmiddelen.

De Afdeling overweegt ten aanzien van het stellen van nadere eisen dat toepassing kan worden gegeven aan artikel 5, eerste lid, aanhef en onder onder b, van het Besluit in samenhang met voorschrift 1.9.1 van de bijlage behorende bij het Besluit indien dat bijzonder is aangewezen in het belang van de bescherming van het milieu. Zoals ook uit de toelichting op het Besluit blijkt, kunnen naar gelang de specifieke lokale omstandigheden daartoe nopen bij nadere eis de noodzakelijke toegesneden maatregelen worden vastgelegd. Gelet op de omstandigheid dat voorschrift 1.9.1 niet werd overtreden en op de omgeving van de inrichting, ziet de Afdeling in hetgeen appellant aanvoert geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen sprake is van een situatie waarin het stellen van nadere eisen met betrekking tot de genoemde activiteiten in het bijzonder is aangewezen in het belang van de bescherming van het milieu.

De beroepsgronden treffen geen doel.

2.11. Gelet op het bovenstaande is het beroep ongegrond.

2.12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Kuipers, ambtenaar van Staat.

w.g. Konijnenbelt w.g. Kuipers

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 juni 2003

271-372.