Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AH8637

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-06-2003
Datum publicatie
25-06-2003
Zaaknummer
200202381/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 april 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van De Bilt (hierna: het college) aan [vergunninghouder] op de voet van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) vrijstelling en bouwvergunning verleend, onder toepassing van artikel 50, vijfde lid, van de Woningwet, voor het bouwen van een berg-/ stallingsruimte op het perceel [locatie] te [plaats].

Bij besluit van 4 maart 2002 heeft het college het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 20 maart 2002, verzonden op 22 april 2002, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbankk te Utrecht het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 19
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2006/934
AB 2004, 5

Uitspraak

200202381/1.

Datum uitspraak: 25 juni 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

Milieugroep De Bilt, te De Bilt,

appellante,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank te Utrecht van 20 maart 2002 in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van De Bilt.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 april 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van De Bilt (hierna: het college) aan [vergunninghouder] op de voet van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) vrijstelling en bouwvergunning verleend, onder toepassing van artikel 50, vijfde lid, van de Woningwet, voor het bouwen van een berg-/ stallingsruimte op het perceel [locatie] te [plaats].

Bij besluit van 4 maart 2002 heeft het college het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 20 maart 2002, verzonden op 22 april 2002, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank te Utrecht (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 28 april 2002, bij de Raad van State ingekomen op 29 april 2002, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 29 mei 2002. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 16 juli 2002 heeft het college een memorie van antwoord ingediend.

Bij brief van 14 oktober 2002 heeft het college nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft deze aan de andere partijen gezonden.

Bij brief van 29 mei 2002, verzonden op 22 oktober 2002 en ingekomen op 23 oktober 2002 heeft appellante nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft deze aan de andere partijen gezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 november 2002, waar appellante, vertegenwoordigd door [gemachtigden], en het college, vertegenwoordigd door mr. P.A. Kamman, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen. Tevens is daar de [vergunninghouder] gehoord.

2. Overwegingen

2.1. De Afdeling zal allereerst ambtshalve beoordelen of het door appellante gemaakte bezwaar tegen het besluit van 12 april 2001 terecht ontvankelijk is geacht.

2.2. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) wordt onder belanghebbende – voor wie ingevolge de artikelen 7:1 en 8:1 van die wet bezwaar of beroep openstaat - verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Ingevolge artikel 1:2, derde lid, van de Awb worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

2.3. Appellante is, naar zij stelt en niet is bestreden, een milieudefensiegroep, als bedoeld in de statuten en het Groepenreglement van de Vereniging Milieudefensie. Het bezwaarschrift tegen het besluit van 12 april 2001 is ingediend namens appellante. Dit geldt ook voor het beroepschrift en het hoger-beroepschrift, met dien verstande dat daarbij is vermeld dat zij een onderafdeling, onderscheidenlijk een plaatselijke afdeling, van de Vereniging Milieudefensie is. Ter zitting is van de zijde van appellante hierover verklaard dat het gebruikelijk is dat milieudefensiegroepen op eigen naam rechtsmiddelen instellen. Gelet hierop, hebben het college, onderscheidenlijk de voorzieningenrechter, het bezwaar en het beroep terecht op naam van appellante gesteld. Dat de Vereniging Milieudefensie twee personen die deel uitmaken van appellante heeft gemachtigd om namens haar alle mogelijke rechtsmiddelen aan te wenden in verband met het bouwen van genoemde berging annex stallingsruimte maakt dit niet anders.

2.4. Uit het bezwaarschrift en het beroep- en het hoger-beroepschrift blijkt dat de bezwaren van appellante tegen de bouw van de berging betrekking hebben op de volgens haar te verwachten aantasting van waarden van natuur en landschap in het betrokken gebied en dat zij derhalve met het aanwenden van rechtsmiddelen een algemeen dan wel collectief belang behartigt.

2.5. Uit artikel 1:2, derde lid, van de Awb volgt dat voor het opkomen in rechte ter behartiging van algemene en collectieve belangen de eis van rechtspersoonlijkheid geldt om als belanghebbende te kunnen worden aangemerkt. Vast staat dat appellante als milieudefensiegroep niet zelfstandig rechtspersoonlijkheid bezit; voor het oordeel dat appellante moet worden aangemerkt als een vereniging met beperkte rechtsbevoegdheid bestaan onvoldoende aanknopingspunten. Zij heeft geen eigen statuten of reglement en is in haar feitelijk optreden sterk afhankelijk van de Vereniging Milieudefensie. Zij neemt derhalve niet als een zelfstandig georganiseerd lichaam aan het rechtsverkeer deel. Dit betekent dat het college het bezwaar van appellante ten onrechte niet niet-ontvankelijk heeft verklaard. De voorzieningenrechter heeft dit miskend.

2.6. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het door appellante ingestelde beroep alsnog gegrond verklaren en de beslissing op bezwaar van 4 maart 2002 vernietigen. Voorts zal de Afdeling met toepassing van artikel 8:72, vierde lid van de Awb het gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

2.7. Niet is gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de aangevallen uitspraak met kenmerk SBR 02/623;

III. verklaart het door appellante bij de rechtbank ingestelde beroep alsnog gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van De Bilt van 4 maart 2002, kenmerk Pk.9734.besliss;

V. verklaart het door appellante tegen het besluit van 12 april 2001 gemaakte bezwaar alsnog niet-ontvankelijk;

VI. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

VII. gelast dat de gemeente De Bilt aan appellante het door haar voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht (€ 218,00 en € 327,00; totaal € 545,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. B. van Wagtendonk, Voorzitter, en mr. H.G. Lubberdink en mr. T.M.A. Claessens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Ouwehand, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Wagtendonk w.g. Ouwehand

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 juni 2003

201-397.