Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AH8630

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-06-2003
Datum publicatie
25-06-2003
Zaaknummer
200200836/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 december 2001, kenmerk CD 9343, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Euroceramic B.V." (hierna: vergunninghoudster) een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een inrichting voor de vervaardiging van keramische rioleringsbuizen en bijbehorende hulpstukken op het adres [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 3 januari 2002 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2003/184
M en R 2003, 141K

Uitspraak

200200836/1.

Datum uitspraak: 25 juni 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], allen wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Limburg,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 december 2001, kenmerk CD 9343, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Euroceramic B.V." (hierna: vergunninghoudster) een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een inrichting voor de vervaardiging van keramische rioleringsbuizen en bijbehorende hulpstukken op het adres [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 3 januari 2002 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 10 februari 2002, bij de Raad van State ingekomen op 12 februari 2002, beroep ingesteld.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 30 juli 2002. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 november 2002, waar appellanten in persoon, en verweerder, vertegenwoordigd door mr.drs I.L. van Veen en ing. W. Scheper, ambtenaren van de provincie, zijn verschenen. Voorts is vergunninghoudster, vertegenwoordigd door mr. H.H.B. Lamers, advocaat te Maastricht, en dr. F.L.H. Vanweert en C.J. Ostendorf, gemachtigden, als partij gehoord.

Na het sluiten van het onderzoek ter zitting heeft de Afdeling het onderzoek heropend. De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak heeft een tweede deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 6 februari 2003. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De zaak is door de enkelvoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een meervoudige.

De Afdeling heeft de zaak verder behandeld op de zitting van 15 mei 2003, waar appellanten in persoon, en verweerder, vertegenwoordigd door mr.drs I.L. van Veen en ing. W. Scheper, ambtenaren van de provincie, zijn verschenen. Voorts is vergunninghoudster, vertegenwoordigd door mr. H.H.B. Lamers, advocaat te Maastricht, en dr. F.L.H. Vanweert, gemachtigde, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.2. Voorzover appellanten aanvoeren dat de inrichting op een andere locatie zou moeten worden gevestigd, overweegt de Afdeling dat verweerder is gehouden op grondslag van de aanvraag te beoordelen of voor de in die aanvraag genoemde locatie vergunning kan worden verleend. Of een andere locatie meer geschikt is voor vestiging van de inrichting speelt hierbij geen rol.

2.3. Appellanten stellen dat de bij het bestreden besluit verleende vergunning onvoldoende bescherming biedt tegen stofhinder.

Uit de stukken blijkt dat op het buitenterrein van de inrichting kleiresten kunnen voorkomen, waardoor, indien de resten opdrogen, stofverspreiding kan ontstaan. Verweerder heeft ter voorkoming van stofhinder voorschrift F.1.4 aan de vergunning verbonden, waarin wordt bepaald, voorzover hier van belang, dat, indien stofverspreiding kan ontstaan, deze door besproeiing en/of afdekking of anderszins dient te worden voorkomen of opgeheven. In het deskundigenbericht wordt hieromtrent gesteld dat indien dit vergunningvoorschriften wordt nageleefd, niet behoeft te worden gevreesd voor onaanvaardbare stofhinder buiten de inrichting. De Afdeling ziet in het betoog van appellanten geen aanknopingspunten om aan deze conclusie te twijfelen. Gelet hierop, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat voorschrift F.1.4 toereikend is ter voorkoming van stofhinder.

Voorzover appellanten vrezen dat dit voorschrift niet wordt nageleefd, overweegt de Afdeling dat deze beroepsgrond geen betrekking heeft op de rechtmatigheid van de ter beoordeling staande vergunning en om die reden niet kan slagen. De Algemene wet bestuursrecht voorziet overigens in de mogelijkheid tot het treffen van maatregelen die strekken tot het afdwingen van de naleving van de voorschriften die aan de vergunning zijn verbonden.

2.4. Appellanten vrezen geluidhinder. In dit verband stellen zij dat te hoge geluidgrenswaarden zijn vastgesteld. Voorts voeren zij aan dat niet aan de geluidgrenswaarden kan worden voldaan, althans dat deze, zo stellen zij, niet worden nageleefd.

2.4.1. Om geluidhinder te voorkomen dan wel in voldoende mate te beperken heeft verweerder onder meer de voorschriften H.1a en H.2a aan de vergunning verbonden. Ingevolge vergunningvoorschrift H.1a, voorzover hier van belang, mag het equivalente geluidniveau vanwege het in werking zijn van de inrichting in de normale bedrijfssituatie ter plaatse van de de immissiepunten 1 tot en met 7 gedurende de dagperiode niet meer bedragen dan respectievelijk 54, 39, 44, 43, 50, 44 en 48 dB(A).

Ingevolge vergunningvoorschrift H.2a, voorzover hier van belang, mag vanwege het in werking zijn van de inrichting in de normale bedrijfssituatie het maximale geluidniveau ter plaatse van de genoemde immissiepunten gedurende de dagperiode niet meer bedragen dan ten hoogste 70 dB(A).

2.4.2. Bij de beoordeling van de aanvraag om vergunning wat betreft geluidhinder heeft verweerder de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening (hierna: de Handreiking) als uitgangspunt gehanteerd. Aangezien een gemeentelijke nota industrielawaai nog niet is vastgesteld, is hij in overeenstemming met paragraaf 1.5 van de Handreiking wat betreft de opgelegde geluidgrenswaarden van de normstellingssystematiek van de circulaire Industrielawaai uitgegaan.

Hierin wordt, voorzover hier van belang, voor bestaande inrichtingen aanbevolen te toetsen aan de richtwaarden voor woonomgevingen. Overschrijding van de richtwaarden is mogelijk tot het referentieniveau van het omgevingsgeluid. Verder wordt gesteld dat overschrijding van het referentieniveau van het omgevingsgeluid tot een maximum van een etmaalwaarde van 55 dB(A) op grond van een bestuurlijke afweging in sommige gevallen toelaatbaar kan worden geacht waarbij de geluidbestrijdingskosten een belangrijke rol dienen te spelen.

Verweerder heeft blijkens de overwegingen van het bestreden besluit in aanmerking genomen dat niet kan worden voldaan aan de voor de omgeving gestelde richtwaarden. Ten aanzien van de overschrijding van de richtwaarden heeft hij in aanmerking genomen dat de onderhavige inrichting reeds gedurende zeer lange tijd bestaat en dat geen verdere maatregelen tegen redelijke kosten kunnen worden gevergd ter beperking van de geluidbelasting. Wat betreft de woning ter hoogte van immissiepunt 1, gelegen pal tegenover de ingang van de onderhavige inrichting, stelt verweerder dat dit een bedrijfswoning betreft die bij het station behoort, waaraan derhalve minder bescherming toekomt. Ten slotte heeft verweerder overwogen dat een equivalente geluidbelasting van 50 dB(A) nagenoeg overeenkomt met de reeds geldende geluidgrenswaarden.

De Afdeling ziet, gelet op de stukken, waaronder het deskundigenbericht, en het verhandelde ter zitting, geen grond om te twijfelen aan de juistheid van de door verweerder aan zijn beslissing ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden. Gelet hierop bestaat, gezien het door verweerder gehanteerde beoordelingskader en de door hem gemaakte bestuurlijke afweging, geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aan de vergunning verbonden geluidgrenswaarden toereikend zijn ter voorkoming van onaanvaardbare geluidhinder.

De in voorschrift H.2a gestelde geluidgrenswaarden voor maximale geluidniveaus in de normale bedrijfssituatie gaan de in de circulaire Industrielawaai aanbevolen maximale streefwaarden niet te boven. Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder deze geluidgrenswaarden niet in redelijkheid toereikend heeft kunnen achten.

2.4.3. In het bij de aanvraag gevoegde geluidrapport wordt gesteld dat kan worden voldaan aan de equivalente geluidgrenswaarden. De Afdeling ziet, gelet op het deskundigenbericht, in het betoog van appellanten geen aanknopingspunten voor het oordeel dat verweerder op dit punt niet van de juistheid van de uitgangspunten en conclusies van het geluidrapport kon uitgaan. Uit het geluidrapport heeft verweerder voorts geconcludeerd dat ook de maximale geluidgrenswaarden in de normale bedrijfssituatie kunnen worden nageleefd. De Afdeling ziet, gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting, en mede gelet op de in voorschrift H.2a gemaakte differentiatie naar de optredende maximale geluidbelasting, geen grond voor een ander oordeel.

Wat betreft de vrees van appellanten dat de aan de vergunning verbonden voorschriften niet worden nageleefd, heeft de Afdeling hierboven reeds overwogen dat deze beroepsgrond geen betrekking heeft op de rechtmatigheid van de ter beoordeling staande vergunning en om die reden niet kan slagen.

2.5. Appellanten vrezen dat de bij het bestreden besluit verleende vergunning onvoldoende bescherming zal bieden tegen trillinghinder.

2.5.1. Om trillinghinder te voorkomen dan wel in voldoende mate te beperken heeft verweerder in het aan de vergunning verbonden voorschrift I.1 bepaald, voorzover hier van belang, dat de trillingsniveaus vanwege de inrichting na het verstrijken van 12 maanden na het van kracht worden van de vergunning, in ruimten die niet tot de inrichting behoren, gedurende de dagperiode niet meer mogen bedragen dan:

A1 0,18

A2 0,45

A3 0,09

Waarbij geldt dat bij de bepaling van Vper de waarden waarvoor geldt dat Veff,max,30,i £ 0,18 als 0 moeten worden ingevoerd.

Ingevolge vergunningvoorschrift I.2 dient de meting en beoordeling van het vorige voorschrift plaats te vinden overeenkomstig de meet- en beoordelingsrichtlijn “Hinder voor personen in gebouwen door trillingen” Richtlijn 2 van de Stichting Bouwresearch van 1993 (hierna: SBR-Richtlijn 2).

2.5.2. Bij de beoordeling van de trillinghinder heeft verweerder zich gebaseerd op SBR-Richtlijn 2. Hij heeft evenwel soepeler grenswaarden opgelegd dan daarin vermeld in combinatie met een afwijkende berekeningswijze van Vper. Verweerder heeft in dat opzicht aansluiting gezocht bij paragraaf 6.3.4 van de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening (hierna: de Handreiking) waarin wordt uitgegaan van een meer gedifferentieerde normstelling ten aanzien van gebiedsspecifieke situaties. Verweerder acht de opgelegde waarden aanvaardbaar op grond van het Alara-principe en omdat de maatgevende woning tengevolge van zijn constructie een bijzondere trillinghindergevoeligheid bezit.

2.5.3. Verweerder heeft het gebied waarin de inrichting is gelegen in het kader van de beoordeling van de geluidhinder vanwege de inrichting gekarakteriseerd als een rustige woonwijk.

De Afdeling stelt voorop dat zowel in SBR-Richtlijn 2 als in de Handreiking richt- en streefwaarden worden vermeld voor de in woningen van derden ondervonden trillinghinderniveaus. Een eventuele invloed op het trillinghinderniveau van de constructie van de woning, waarin de trillinghinder wordt ondervonden, wordt noch in SBR-Richtlijn 2 noch in de Handreiking aangemerkt als relevante factor bij de op te leggen richt- en streefwaarden. In paragraaf 6.3.4 van de Handreiking worden richt- en grenswaarden aanbevolen die zijn gedifferentieerd naar gebiedstype. Voor woningen in gebiedstype 2 (landelijk gebied met veel agragrische activiteit, woonwijken en stadscentra) zijn voor de dagperiode waarden opgenomen van A1 = 0,15, A2 = 0,25 en A3 = 0,07. Voor woningen in gebiedstype 3 (gebieden waarin noch overwegend woningen noch overwegend bedrijven zijn gevestigd) zijn voor de dagperiode waarden opgenomen van A1 = 0,2, A2 = 4 en A3 = 0,1. De Afdeling stelt vast dat de in voorschrift I.1 opgelegde grenswaarden alle de aanbevolen waarden voor gebiedstype 2 te boven gaan en wat betreft de waarde voor A2 ook die voor gebiedstype 3. In zoverre heeft verweerder zijn gekozen uitgangspunten verlaten.

Meting en berekening van de trillingniveaus dienen ingevolge voorschrift I.2 te geschieden overeenkomstig SBR-richtlijn 2. In paragraaf 8.6.6 van de Richtlijn wordt bij de beschrijving van de berekeningsmethode van Vper aangegeven dat de waarden waarvoor geldt dat Veff,max,30,i £ 0,1 als 0 dienen te worden ingevoerd. Blijkens bijlage 6 bij SBR-richtlijn 2 is op dit punt aangesloten bij de Duitse norm DIN 4150, Teil 2 (1992) (hierna: DIN-norm). In de DIN-norm wordt als toelichting op deze berekeningswijze vermeld dat invoering van de waarden £ 0,1 als 0 noodzakelijk is om een ongewenste invloed van waarden onder of rond de detectiegrens van 0,1 te voorkomen. Verweerder is in voorschrift I.1 in die zin van deze methodiek afgeweken dat bij de berekening van Vper waarden voor Veff,max,30,i £ 0,18 als 0 worden ingevoerd. De Afdeling concludeert uit het tweede deskundigenbericht van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak, gedateerd 6 februari 2003, dat dit daartoe leidt dat bij de berekening van Vper waarden tussen 0,1 en 0,18, welke waarden boven de detectiegrens liggen, niet worden meegewogen bij de bepaling van het trillinghinderniveau. Verweerder heeft in zijn reactie op voormeld deskundigenbericht gesteld met deze berekeningswijze te beogen dat het continue trillingniveau van de berekening wordt uitgesloten en alleen de pieken daarin worden betrokken. Deze opvatting ten aanzien van de functie van Vper valt naar het oordeel van de Afdeling niet terug te voeren op SBR-richtlijn 2 dan wel op de DIN-norm.

De Afdeling is van oordeel dat verweerder niet toereikend heeft gemotiveerd dat toepassing van de gekozen normstellingssystematiek ertoe leidt dat trillinghinder in voldoende mate wordt beperkt. Voorts heeft verweerder niet aannemelijk gemaakt dat de in voorschrift I.1 opgenomen normering, wat er overigens ook zij van de berekeningswijze voor Vper, toereikend is ter bescherming van het milieu, gelet op de in dit voorschrift opgenomen waarde voor A2. De Afdeling neemt daarbij in aanmerking dat de trillinghindernormering in de onderliggende vergunning op alle punten aanzienlijk scherper was, dat niet is gebleken van bestaande rechten met betrekking tot de nu vergunde, trillinghinder veroorzakende activiteiten en dat op de tweede zitting is komen vast te staan dat vergunninghoudster over de mogelijkheid beschikt de activiteit die de meeste trillinghinder veroorzaakt, namelijk het breken, elders te doen plaatsvinden. Derhalve moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre in strijd is met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.6. Nu het trillinghinderaspect doorslaggevend is voor de beantwoording van de vraag of de vergunning, zoals aangevraagd, kan worden verleend, is het beroep van appellanten geheel gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

2.7. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Limburg van 18 december 2001, CD 9343;

III. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Limburg in de door appellanten in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 104,34; het bedrag dient door de provincie Limburg te worden betaald aan appellanten;

IV. gelast dat de provincie Limburg aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 109,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, Voorzitter, en mr. K. Brink en mr. J.G.C. Wiebenga, Leden, in tegenwoordigheid van mr. D.A.J. Overdijk, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Overdijk

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 juni 2003

320.