Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AH8626

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-06-2003
Datum publicatie
25-06-2003
Zaaknummer
200300198/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 maart 2002, kenmerk 2002/01911, heeft verweerder krachtens art 61, tweede lid, van de Waterschapswet aan appellant een last onder dwangsom opgelegd als bedoeld in artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht van € 110,00 per week dat geen melding is gedaan als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van het Lozingenbesluit open teelt en veehouderij. Het maximum van de te verbeuren dwangsommen is gesteld op € 440,00. De aan het besluit verbonden begunstigingstermijn loopt tot en met 15 april 2002.

Wetsverwijzingen
Lozingenbesluit open teelt en veehouderij
Lozingenbesluit open teelt en veehouderij 19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2003/97 met annotatie van Lammens
AB 2003/358 met annotatie van A. van Hall
M en R 2003, 134 met annotatie van H.F.M.W. van Rijswick
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200300198/2.

Datum uitspraak: 25 juni 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het dagelijks bestuur van het waterschap Zeeuwse Eilanden,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 5 maart 2002, kenmerk 2002/01911, heeft verweerder krachtens art 61, tweede lid, van de Waterschapswet aan appellant een last onder dwangsom opgelegd als bedoeld in artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht van € 110,00 per week dat geen melding is gedaan als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van het Lozingenbesluit open teelt en veehouderij. Het maximum van de te verbeuren dwangsommen is gesteld op € 440,00. De aan het besluit verbonden begunstigingstermijn loopt tot en met 15 april 2002.

Bij besluit van 11 december 2002, kenmerk 2002010464, verzonden op 17 december 2002, heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij dit besluit heeft verweerder tevens de begunstigingstermijn verlengd tot en met 10 januari 2003.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 9 januari 2003, bij de Raad van State ingekomen op 10 januari 2003, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 5 februari 2003.

Na afloop van het onderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 mei 2003, waar appellant in persoon en vertegenwoordigd door mr. H.J. van der Donk, gemachtigde en verweerder, vertegenwoordigd door mr. M.P.H. Hageman, medewerker van het waterschap Zeeuwse Eilanden, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Appellant is van mening dat verweerder in strijd met artikel 7:13, bezien in samenhang met artikel 3:49, van de Algemene wet bestuursrecht de inhoud van het advies van de Commissie behandeling bezwaarschriften in het bestreden besluit niet heeft opgenomen.

2.1.1. In artikel 7:13, zevende lid, van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald dat indien de beslissing op het bezwaar afwijkt van het advies van de commissie, in de beslissing de reden voor die afwijking wordt vermeld en het advies met de beslissing wordt meegezonden.

In artikel 3:49 van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald dat ter motivering van een besluit of een onderdeel daarvan kan worden volstaan met een verwijzing naar een met het oog daarop uitgebracht advies indien het advies zelf de motivering bevat en van het advies kennis is of wordt gegeven.

De Afdeling is niet gebleken dat de beslissing op bezwaar afwijkt van het advies van de Commissie behandeling bezwaarschriften, zodat artikel 7:13, zevende lid, van de Algemene wet bestuursrecht, hier niet van toepassing is. Artikel 3:49 van de Algemene wet bestuursrecht is evenmin van toepassing, omdat verweerder niet ter motivering van de beslissing verwijst naar het advies van de Commissie behandeling bezwaarschriften. De beroepsgrond treft mitsdien geen grond.

2.2. Ingevolge artikel 61, eerste lid, van de Waterschapswet is het waterschapsbestuur bevoegd tot toepassing van bestuursdwang. Ingevolge het tweede lid van dit artikel wordt de bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang uitgeoefend door het dagelijks bestuur, indien toepassing van bestuursdwang dient tot handhaving van regels welke het waterschapsbestuur uitvoert.

Krachtens artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan een bestuursorgaan dat bevoegd is bestuursdwang toe te passen, in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.

Ingevolge artikel 19, eerste lid, van het Lozingenbesluit open teelt en veehouderij (hierna: het Lozingenbesluit) meldt degene die voornemens is agrarische activiteiten uit te voeren ten gevolge waarvan een lozing kan plaatsvinden, het lozen ten minste zes weken voordat daarmee wordt aangevangen aan de waterkwaliteitsbeheerder.

2.3. Appellant stelt dat hij niet is gehouden een meldingformulier in te dienen. Hij betoogt hiertoe dat het Lozingenbesluit op hem niet van toepassing is, omdat aan hem een vergunning krachtens de Wet verontreiniging oppervlaktewateren is verleend voor de gehele inrichting.

2.3.1. Verweerder stelt zich op het standpunt dat appellant dient te voldoen aan de meldingplicht als bedoeld in het Lozingenbesluit ten aanzien van de percelen waarop hij agrarische activiteiten uitoefent. Verweerder wijst er op dat de aan appellant verleende vergunning krachtens de Wet verontreiniging oppervlaktewateren betrekking heeft op het lozen van afvalwater van huishoudelijke aard en van hemelwater, afkomstig van zijn woning, op het oppervlaktewater en dat derhalve geen vergunning is verleend voor het lozen als gevolg van agrarische activiteiten. Gelet hierop geldt de in artikel 2, eerste lid, onder k. 2°, in het Lozingenbesluit opgenomen uitzonderingsbepaling niet voor appellant.

2.3.2. Niet in geschil is dat appellant agrarische activiteiten uitoefent ten gevolge waarvan een lozing kan plaatsvinden als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van het Lozingenbesluit. Op grond van de stukken stelt de Afdeling vast dat de aan appellant verleende vergunning krachtens de Wet verontreiniging oppervlaktewateren geen betrekking heeft op het lozen als gevolg van deze agrarische activiteiten. Het Lozingenbesluit is derhalve van toepassing op lozingen als gevolg van de door appellant uit te voeren agrarische activiteiten. Nu vaststaat dat appellant ten tijde van het primaire besluit niet had voldaan aan de in voornoemde bepaling neergelegde meldingplicht, was verweerder derhalve bevoegd tot het opleggen van een last onder dwangsom. Deze beroepsgrond treft geen doel.

2.4. Appellant stelt zich voorts op het standpunt dat het niet noodzakelijk is om melding te doen van de agrarische activiteiten ten gevolge waarvan een lozing kan plaatsvinden, aangezien vaststaat op welke percelen deze agrarische activiteiten worden uitgeoefend. Verweerder is derhalve ook zonder meldingformulier in staat om zijn voorlichtende en handhavende taak uit te voeren, aldus appellant. Bovendien voert appellant aan dat hij niet kan worden gehouden tot het doen van een melding, omdat zijn perceel is vervuild vanwege onder meer onderhoudswerkzaamheden aan hoogspanningsmasten op zijn perceel en emissie van de nabijgelegen zware industrie. Hij kan zich er niet mee verenigen dat hij melding zou moeten maken van het lozen van stoffen waarvoor hij niet verantwoordelijk kan worden gehouden en waarvan hij de aanwezigheid dan wel de samenstelling niet kent.

2.4.1. Verweerder betoogt dat appellant verantwoordelijk is voor de gevolgen van lozingen, die vallen onder de werking van het Lozingenbesluit, ongeacht de (on)bekendheid met de aanwezigheid dan wel samenstelling van deze lozingen. Het al dan niet melden van lozingen doet hier niets aan af. Het doen van een melding is volgens verweerder slechts van belang voor de vaststelling van de persoon die in de context van het Lozingenbesluit aansprakelijk is voor een lozing, zodat hij zijn voorlichtende en handhavende taak naar behoren kan uitvoeren.

2.4.2. Hetgeen appellant heeft aangevoerd aangaande de verontreiniging van zijn perceel als gevolg van activiteiten waar hij zelf niet verantwoordelijk voor is, wat daar ook van zij, doet er naar het oordeel van de Afdeling niet aan af dat de meldingplicht geldt ten aanzien van de door appellant uit te voeren agrarische activiteiten en de mogelijke lozingen als gevolg daarvan. De Afdeling ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder bij afweging van de betrokken belangen, waaronder het belang van verweerder te beschikken over gegevens welke bij de melding kenbaar moeten worden gemaakt met het oog op zijn voorlichtende en handhavende taak, niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid tot het opleggen van een last onder dwangsom. Deze beroepsgrond slaagt niet.

2.5. Voorzover appellant aanvoert dat het Lozingenbesluit in strijd is met Richtlijn 76/464/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 4 mei 1976 betreffende de verontreiniging veroorzaakt door bepaalde gevaarlijke stoffen die in het aquatisch milieu van de Gemeenschap worden geloosd, verwijst de Afdeling naar de uitspraak van 17 april 2002, nummer 200002214/1 (aangehecht). In deze uitspraak heeft de Afdeling zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van onverbindendheid van het Lozingenbesluit vanwege strijd met de bedoelde richtlijn.

2.6. Ten overvloede merkt de Afdeling op dat appellant op grond van het Lozingenbesluit slechts aansprakelijk is voor lozingen ten gevolge van nader in het Lozingenbesluit omschreven agrarische activiteiten die op zijn grond plaats vinden. Het Lozingenbesluit kan geen basis vormen voor de aansprakelijkheid van appellant voor lozingen die vanaf zijn grond plaatsvinden doch die hun oorsprong niet vinden in die nader omschreven activiteiten.

2.7. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep ongegrond is.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th. G. Drupsteen, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.C. Brugman, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Brugman

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 juni 2003

205.