Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AH8625

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-06-2003
Datum publicatie
25-06-2003
Zaaknummer
200205835/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 februari 2002 heeft de gemeenteraad van Leeuwarden, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van

31 januari 2002, het bestemmingsplan "Businesspark en FEC e.o." vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 30 september 2002, kenmerk 498600, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200205835/1.

Datum uitspraak: 25 juni 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

"De Toekomst-Vosseparkwijk”, gevestigd te Leeuwarden,

appellante,

en

het college van gedeputeerde staten van Fryslân,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 11 februari 2002 heeft de gemeenteraad van Leeuwarden, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van

31 januari 2002, het bestemmingsplan "Businesspark en FEC e.o." vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 30 september 2002, kenmerk 498600, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 27 oktober 2002, bij de Raad van State ingekomen op 5 november 2002, beroep ingesteld.

Bij brief van 18 februari 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 14 april 2003. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 juni 2003, waar appellante, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door D.D. Jansen, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is namens de gemeenteraad H. Coerts, ambtenaar van de gemeente, daar gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het plangebied omvat het terrein van het Frisian Expo Center (FEC) en omgeving aan de westkant van Leeuwarden.

Naast een planologisch-juridische regeling voor de ruimtelijke invulling van het FEC-terrein en het Agroplein, biedt het plan de planologische mogelijkheid voor een nieuwe westelijke ontsluitingsstructuur, waarvan de Slauerhoffweg de centrale as vormt. Tevens voorziet het plan in de aanleg van een nieuw bedrijventerrein (het Businesspark Leeuwarden) en een grootschalig parkeer- en evenemententerrein met aangrenzende kantoorgebouwen.

2.2. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid

2.3. De beroepsgrond, gericht tegen de goedkeuring van artikel 23, derde lid, van de planvoorschriften, op grond waarvan burgemeester en wethouders met inachtneming van het gestelde in de Beschrijving in hoofdlijnen, de bestemming “Parkeerdoeleinden” kunnen wijzigen in de bestemming “Dienstverlenende bedrijven”, steunt niet op een bij de gemeenteraad ingebrachte zienswijze.

Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, onder d, en 56, tweede lid, gelezen in samenhang met de artikelen 23, eerste lid, en 27, eerste en tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, kan beroep slechts worden ingesteld tegen het goedkeuringsbesluit van gedeputeerde staten, voorzover dit beroep een grondslag heeft in een tegen het ontwerp-plan bij de gemeenteraad ingebrachte zienswijze.

Dit is slechts anders voorzover de gemeenteraad bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen heeft aangebracht ten opzichte van het ontwerp, voorzover het besluit van gedeputeerde staten strekt tot onthouding van goedkeuring, dan wel indien een belanghebbende aantoont dat hij redelijkerwijs niet in staat is geweest een zienswijze in te brengen.

Geen van deze omstandigheden doet zich hier voor.

Het beroep is in zoverre dan ook niet-ontvankelijk.

Ten aanzien van het beroep voor het overige

2.4. Appellante heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan, voorzover dit niet voorziet in een 10 meter brede strook met de bestemming “Groenvoorzieningen” langs het pad aan de noordzijde van de Harlingertrekvaart en het Bisschopsrak. Appellante wijst erop dat een groot aantal fietsers en wandelaars – zowel forensen als recreanten – van dit pad gebruik maakt en wenst dat tussen het pad en de naast liggende bedrijfspercelen een groenstrook dan wel afschermende beplanting wordt aangebracht, teneinde de aantrekkelijkheid van deze fiets- en wandelverbinding te vergroten.

2.5. Verweerder acht dit gedeelte van het plan niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening en heeft deze planonderdelen goedgekeurd. Hij stelt zich op het standpunt dat het plan voldoende mogelijkheden biedt om de door appellante gewenste groenstrook dan wel afschermende beplanting aan te brengen.

2.6. Gelet op het verhandelde ter zitting, stelt de Afdeling vast dat dit bezwaar van appellante betrekking heeft op het gedeelte van het pad ten westen van de spoorlijn Leeuwarden-Stiens, met uitzondering van het gedeelte ter hoogte van het kantoor van het Centrum voor Vakopleiding.

Voorts stelt de Afdeling aan de hand van de plankaart vast dat de door appellante bedoelde strook grond langs het pad, voorzover dat is gelegen ten westen van het kantoor van het Centrum voor Vakopleiding, de bestemming “Doeleinden van verkeer en verblijf” heeft. Voorzover het pad ligt tussen de Slauerhoffweg en de spoorlijn Leeuwarden-Stiens, is aan de desbetreffende gronden deels de bestemming “Doeleinden van verkeer en voor het overige de bestemming “Bedrijfsdoeleinden” toegekend.

Ingevolge artikel 13, onder A, van de planvoorschriften zijn, voorzover hier van belang, gronden met de bestemming “Doeleinden van verkeer en verblijf” onder meer bestemd voor wegen en straten, voet- en rijwielpaden en groenvoorzieningen.

Ingevolge artikel 7, onder A, zijn, voorzover hier van belang, gronden met de bestemming “Bedrijfsdoeleinden” onder bestemd voor bedrijven met de daarbijbehorende groenvoorzieningen.

Ingevolge artikel 3, (Beschrijving in hoofdlijnen), eerste lid, onder 8, van de planvoorschriften, voorzover hier van belang, zullen zoveel mogelijk groenvoorzieningen in het plangebied worden aangebracht, zoals forse laanbeplantingen langs de hoofdwegenstructuur en bomen op de parkeerterreinen en zal aan de noordzijde van de weg langs het Bisschopsrak in het deel dat grenst aan het nog uit te geven bedrijfsterrein (bouwvlak met een hoogte van maximaal 15 meter) een groenstrook worden aangebracht in de vorm van boombeplanting.

Nu de gronden met de bestemmingen “Doeleinden van verkeer en verblijf” en “Bedrijfsdoeleinden” blijkens de planvoorschriften mede zijn aangewezen voor groenvoorzieningen en tevens in aanmerking genomen de inhoud van het deskundigenbericht, voorziet het plan naar het oordeel van de Afdeling in voldoende mogelijkheden om de door appellante voorgestane groenstrook aan te leggen dan wel afschermende beplanting aan te brengen.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

2.7. Appellante heeft voorts aangevoerd dat verweerder ten onrechte artikel 7 (Bedrijfsdoeleinden), onder G, sub 5, van de planvoorschriften heeft goedgekeurd. Zij vreest dat de in dit voorschrift opgenomen wijzigingsbevoegdheid ertoe leidt dat tot vlak aan het pad langs de noordzijde van de Harlingertrekvaart en het Bisschopsrak bedrijfsgebouwen kunnen worden opgericht.

2.7.1. Verweerder heeft de door de gemeenteraad getroffen regeling niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en deze planonderdelen goedgekeurd. Hij wijst erop dat op basis van de Vaarwegenverordening Friesland 1990 (hierna: de Vaarwegenverordening) rekening zal moeten worden gehouden met een bebouwingsvrije zone van 20 meter uit de oever van de Harlingertrekvaart.

2.7.2. Ingevolge artikel 7, onder G, sub 5, van de planvoorschriften, kunnen burgemeester en wethouders ten aanzien van de gronden met de bestemming “Bedrijfsdoeleinden”, met inachtneming van het gestelde in de Beschrijving in hoofdlijnen, het plan wijzigen in die zin dat het bouwvlak wordt vergroot, indien het bestemmingsvlak op de kaart is voorzien van de aanduiding “vergroting bouwvlak na wijziging toegestaan”, met dien verstande dat tevens de bouwhoogte in het bouwvlak kan worden vergroot tot ten hoogste 15,00 m.

Blijkens de plankaart is deze wijzigingsbepaling van toepassing op de plandelen met de bestemming “Bedrijfsdoeleinden” ten noorden van het pad, voorzover dat is gelegen tussen de Slauerhoffweg en de spoorlijn Leeuwarden-Stiens. Op deze gronden zijn blijkens de stukken een vuurwerkfabriek, een vuurwerkgroothandel en een transport- en overslagbedrijf gevestigd.

Tussen partijen is niet in geding dat op grond van de Vaarwegenverordening een bebouwingsvrije zone van 20 meter uit de oever van de Harlingertrekvaart moet worden aangehouden. Aldus dient ingevolge deze verordening ten noorden van het hier in geding zijnde gedeelte van het pad een strook van ongeveer 6 meter onbebouwd te blijven.

De Afdeling stelt vast dat de in geding zijnde wijzigingsbepaling weliswaar een vergroting van het bouwvlak mogelijk maakt, maar dat over de situering en begrenzing daarvan eerst in het kader van het wijzigingsplan een nadere afweging dient te worden gemaakt, waarbij de voorschriften uit de Vaarwegenverordening in acht moeten worden genomen. Ten aanzien van het bezwaar van appellante dat van de voorschriften in de Vaarwegenverordening ontheffing kan worden verleend, overweegt de Afdeling dat, voorzover een eventuele ontheffing bebouwing op een kortere afstand van de oever van de Harlingertrekvaart mogelijk maakt, de ruimtelijke aanvaardbaarheid daarvan in de procedure in het kader van het wijzigingsplan aan de orde kan worden gesteld. Voorts kunnen tegen de ontheffing als zodanig rechtsmiddelen worden aangewend.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

2.8. Appellante vreest voorts parkeeroverlast in de Vosseparkwijk. Zij heeft in dit verband aangevoerd dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan artikel 5 van de planvoorschriften dat betrekking heeft op de bestemming “Dienstverlenende bedrijven”. Zij stelt dat in dit planvoorschrift een concrete parkeernorm had moeten worden opgenomen, waaraan bouwplannen kunnen worden getoetst.

2.8.1. Verweerder heeft de door de gemeenteraad getroffen regeling niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en dit planvoorschrift goedgekeurd. Naar zijn mening voorziet het plan in voldoende parkeermogelijkheden. Voorts wijst hij erop dat in de Beschrijving in hoofdlijnen is neergelegd dat bij het afgeven van bouwvergunningen ten aanzien van de parkeercapaciteit voorwaarden kunnen worden gesteld, waarbij een van de uitgangspunten is dat parkeren zoveel mogelijk buiten het zicht van de openbare ruimte dient plaats te vinden. Volgens verweerder beschikt het gemeentebestuur hiermee over een voldoende adequaat instrumentarium om parkeeroverlast in de Vosseparkwijk te voorkomen.

2.8.2. Ingevolge artikel 5, onder A, van de planvoorschriften, voorzover hier van belang, zijn de gronden met de bestemming “Dienstverlenende bedrijven” onder meer aangewezen voor gebouwen ten behoeve van dienstverlenende bedrijven en/of dienstverlenende instellingen, gebouwen ten behoeve van een horecabedrijf – categorie h, indien de gronden op de kaart zijn voorzien van de aanduiding “hotel toegestaan” en parkeervoorzieningen.

Ingevolge artikel 3 (Beschrijving in hoofdlijnen), eerste lid, onder 2, is onder het kopje “FEC en omgeving”, voorzover hier van belang, bepaald dat bij het afgeven van bouwvergunningen zo nodig op grond van de Bouwverordening voorwaarden zullen worden gesteld ten aanzien van het parkeren. Daarbij gelden als uitgangspunten dat het parkeren zoveel mogelijk buiten het zicht van de openbare ruimte dient plaats te vinden en bij het bepalen van het toe te laten aantal parkeerplaatsen rekening dient te worden gehouden met alternatieve vervoerswijzen (vervoersmanagement en openbaar vervoer).

Blijkens de plantoelichting worden per gebied parkeernormen geformuleerd, afgestemd op de werkelijke behoefte, waarbij ten opzichte van het oude ABC-locatiebeleid wordt uitgegaan van ruimere parkeernormen.

2.8.3. De Afdeling stelt aan de hand van de planvoorschriften vast dat, op de gronden met de bestemmingen “Dienstverlenende bedrijven”, “Evenemententerrein” en “Bedrijfsdoeleinden” parkeervoorzieningen kunnen worden aangelegd. Voorts is blijkens de plankaart aan twee percelen van 80 x 260 meter, respectievelijk 70 X 200 meter de bestemming “Parkeerdoeleinden” toegekend, deels voorzien van de aanduiding “Parkeergarage toegestaan”.

Gelet hierop, daarbij mede in aanmerking genomen het deskundigenbericht, komt de Afdeling het standpunt van verweerder dat het plan voldoende mogelijkheden biedt voor de aanleg van parkeervoorzieningen niet onaannemelijk voor.

Voorzover appellante heeft aangevoerd dat in artikel 5 van de planvoorschriften had moeten worden opgenomen dat in of onder gebouwen in een adequate hoeveelheid parkeerplaatsen moet worden voorzien, overweegt de Afdeling dat het bestemmingsplan de aanleg van parkeerplaatsen binnen het bouwvlak niet uitsluit. Voorts kunnen in het kader van de verlening van de bouwvergunning nadere voorwaarden worden gesteld ten aanzien van het exacte aantal te realiseren parkeerplaatsen. Tot slot is niet gebleken dat eventuele parkeeroverlast in de Vosseparkwijk niet met maatregelen, zoals het invoeren van een regeling voor belanghebbenden-parkeren, kan worden beperkt.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

2.9. Appellante heeft tot slot aangevoerd dat verweerder ten onrechte het plan heeft goedgekeurd, voorzover dit ten aanzien van het nieuwe fietspad op het Businesspark niet voorziet in een aansluiting op het Sylsterdykje. Zij stelt dat aan de gronden ter plaatse van het fietspad de bestemming “Verkeersdoeleinden” moet worden toegekend teneinde te voorkomen dat het fietspad in de toekomst wordt opgeofferd voor bedrijfsdoeleinden.

2.9.1. Verweerder acht dit gedeelte van het plan niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening. Hij stelt zich op het standpunt dat aansluiting van het fietspad binnen de bestemming “Bedrijfsdoeleinden” mogelijk is. Verweerder heeft daarbij tevens in aanmerking genomen dat de gronden inmiddels in eigendom zijn van de gemeente en het gemeentebestuur de aansluiting op korte termijn zal realiseren. Gelet hierop, heeft verweerder dit plandeel goedgekeurd.

2.9.2. De Afdeling stelt aan de hand van de stukken en het verhandelde ter zitting vast dat het fietspad grotendeels is aangelegd. Het fietspad ligt gedeeltelijk naast de tweebaansweg langs de westelijke plangrens binnen het plandeel met de bestemming “Verkeersdoeleinden”. Waar op de plankaart het plandeel met de bestemming “Verkeersdoeleinden” eindigt, gaat het fietspad binnen het plandeel met de bestemming “Bedrijfsdoeleinden” nog ongeveer 100 meter verder tot nabij de watergang langs de noordelijke plangrens. Teneinde dit pad te kunnen aansluiten op het Sylsterdykje, dient het te worden verlengd en dient over de watergang een fietsbrug te worden gebouwd.

Ter plaatse van de watergang is aan de gronden de bestemming “Water” toegekend. Ingevolge artikel 16, onder A, sub 2, van de planvoorschriften, voorzover hier van belang, zijn de gronden die als zodanig zijn aangewezen mede bestemd voor bruggen.

De Afdeling stelt vast dat het plan aldus de bouw van een fietsbrug mogelijk maakt.

Ingevolge artikel 7, onder A, sub 5, van de planvoorschriften zijn de gronden die zijn aangewezen voor “Bedrijfsdoeleinden” mede bestemd voor (ontsluitings)wegen en paden.

De Afdeling stelt vast deze bestemming de aanleg van een fietspad niet uitsluit.

Het plan staat aldus aan de verbinding van het fietspad met het Sylsterdykje niet in de weg.

Overigens is er van de zijde van de gemeenteraad ter zitting op gewezen dat de aansluiting binnen afzienbare tijd zal worden aangelegd. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

2.10. In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

Het beroep is in zoverre ongegrond.

2.11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep niet-ontvankelijk voorzover het is gericht tegen de in artikel 23, derde lid, van de planvoorschriften neergelegde wijzigingsbevoegdheid;

II. verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

Aldus vastgesteld door dr. D. Dolman, Voorzitter, en mr. J.J. Vis en mr. J.G.C. Wiebenga, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.D. van Onselen, ambtenaar van Staat.

w.g. Dolman w.g. Van Onselen

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 juni 2003

178-363.