Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AH8618

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-06-2003
Datum publicatie
25-06-2003
Zaaknummer
200204056/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 april 2002 heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan appellante een vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting ten behoeve van het opslaan in mestzakken van meststoffen in het kader van het Besluit kwaliteit en gebruik overige organische meststoffen en het Besluit gebruik dierlijke meststoffen op het perceel [locatie], te [plaats], kadastraal bekend gemeente Kortgene. Dit besluit is op 13 juni 2002 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200204056/1.

Datum uitspraak: 25 juni 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [plaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Noord-Beveland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 april 2002 heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan appellante een vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting ten behoeve van het opslaan in mestzakken van meststoffen in het kader van het Besluit kwaliteit en gebruik overige organische meststoffen en het Besluit gebruik dierlijke meststoffen op het perceel [locatie], te [plaats], kadastraal bekend gemeente Kortgene. Dit besluit is op 13 juni 2002 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 22 juli 2002, bij de Raad van State ingekomen op 23 juli 2002, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 22 augustus 2002.

Bij brief van 31 oktober 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 april 2003, waar appellante vertegenwoordigd door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis en [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door mr. D. Melis-Dingemanse en mr. B.C.C. Melis, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.

Na het sluiten van het onderzoek ter zitting heeft de Afdeling het onderzoek heropend. Er zijn nog stukken ontvangen van appellante. Deze zijn aan de andere partij toegezonden. Met toestemming van partijen is afgezien van een hernieuwde behandeling ter zitting.

2. Overwegingen

2.1. De Afdeling stelt vast dat de aanvraag betrekking heeft op opslag van meststoffen in twee mestzakken. In de ene mestzak wordt dierlijke mest opgeslagen als bedoeld in het Besluit gebruik dierlijke meststoffen en in de andere overige organische meststoffen als bedoeld in het Besluit kwaliteit en gebruik overige organische meststoffen. De mestzakken hebben elk een capaciteit van 1.200 m3.

2.2. In artikel 1, aanhef en onder a, van de Richtlijn 75/442/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen, zoals gewijzigd bij Richtlijn 91/156 EEG (hierna: de Richtlijn), is bepaald dat onder afvalstof wordt verstaan elke stof of elk voorwerp behorende tot de in bijlage I genoemde categorieën waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen.

2.3. Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: het Hof) heeft in zijn arrest van 18 december 1997 in de zaak C-126/96 (Inter-Environment Wallonië) geoordeeld dat het toepassingsgebied van het begrip afvalstof afhangt van de betekenis van de term “zich ontdoen van”. Voorts heeft het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in zijn arrest van 15 juni 2000, gevoegde zaken C-418/97 en 419/97 (AB 2000, 311) voor recht verklaard dat de vraag of sprake is van een afvalstof moet worden beoordeeld met inachtneming van alle omstandigheden, waarbij rekening moet worden gehouden met de doelstelling van de Richtlijn en er voor moet worden gewaakt dat geen afbreuk wordt gedaan aan de doeltreffendheid daarvan. Het Hof heeft in genoemd arrest overwogen dat de omstandigheid dat een bepaalde stof een productieresidu is, een aanwijzing vormt voor een handeling, een voornemen of een verplichting om zich van die stof te ontdoen in de zin van artikel 1, sub a, van de Richtlijn en dat er dus sprake zou kunnen zijn van een afvalstof.

2.4. Het Besluit kwaliteit en gebruik overige organische meststoffen bevat regels inzake de kwaliteit en het gebruik van overige organische meststoffen. Blijkens dit besluit kunnen onder overige organische meststoffen worden verstaan zuiveringsslib, compost en zwarte grond.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, onder a van het Besluit kwaliteit en gebruik overige organische meststoffen wordt onder zuiveringsslib verstaan:

1o slib dat geheel of in hoofdzaak afkomstig is van een installatie voor de zuivering van huishoudelijk, stedelijk, industrieel dan wel ander afvalwater van soortgelijke samenstelling als huishoudelijk, stedelijk en industrieel afvalwater;

2o slib dat geheel of in hoofdzaak afkomstig is van sceptictanks en andere installaties voor de verzameling, afvoer en behandeling van afvalwater met uitzondering van vet- en zandvangers.

2.5. In categorie 28 van bijlage I van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer is onder 28.4, onder a, sub 2, voorzover hier van belang bepaald dat gedeputeerde staten het bevoegd gezag zijn ten aanzien van inrichtingen, behorende tot deze categorie, voorzover het betreft inrichtingen bestemd voor het opslaan van afvalstoffen, bestaande uit van buiten de inrichting afkomstige zuiveringsslib, kolenreststoffen of afvalgips met een capaciteit ten aanzien daarvan van 1.103 m3 of meer.

2.6. De Afdeling overweegt dat, gelet op de aanvraag in samenhang met het bepaalde in het Besluit kwaliteit en gebruik overige organische meststoffen, niet kan worden uitgesloten dat in de mestzak bestemd voor het opslaan van overige organische meststoffen, zuiveringsslib wordt opgeslagen. Gelet op de definitie van het begrip zuiveringsslib in het Besluit kwaliteit en gebruik overige organische meststoffen acht de Afdeling niet uitgesloten dat dergelijk zuiveringsslib als afvalstof dient te worden aangemerkt. In dat geval is, gelet op het bepaalde in categorie 28, onder 28.4 onder a, sub 2, niet verweerder, maar het college van gedeputeerde staten van Zeeland het bevoegde gezag om de gevraagde vergunning te verlenen.

2.6.1. Uit de aanvraag blijkt niet welke stoffen in de mestzak die is bestemd voor opslag van meststoffen in het kader van het Besluit kwaliteit en gebruik overige organische meststoffen, worden opgeslagen en waarvandaan deze stoffen afkomstig zijn. Gelet hierop kan, bezien in het licht van voornoemde arresten van het Hof op grond van de aanvraag, niet worden beoordeeld of hierin afvalstoffen, zoals bedoeld in artikel 1, onder a, van de richtlijn als meststoffen worden opgeslagen.

2.6.2. Vanwege het in de aanvraag ontbreken van deze informatie en nu verder niet is gebleken dat de aanvraag op deze onderdelen is aangevuld, heeft verweerder niet in redelijkheid kunnen oordelen dat de aanvraag voldoende informatie bevat om te beoordelen of hij het bevoegd gezag is. Door niettemin inhoudelijk te beslissen op de aanvraag heeft verweerder gehandeld in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht, waarin is bepaald dat het bestuursorgaan bij de voorbereiding van het besluit de nodige kennis omtrent de relevante feiten vergaart.

2.7. Het beroep is reeds hierom gegrond. De beroepsgronden behoeven geen bespreking. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

2.8. Omdat de onderhavige zaak en de zaak met nr. 200203939/1, die eveneens op de zitting van 10 april 2003 is behandeld, naar het oordeel van de Afdeling als samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht moeten worden aangemerkt, en verweerder in die zaak is veroordeeld in de proceskosten die appellante heeft gemaakt, bestaat in deze zaak geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Noord-Beveland van 29 april 2002;

III. gelast dat de gemeente Noord-Beveland aan appellante het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht € 218,00 vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Taal, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd w.g. Taal

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 juni 2003

325.