Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AH8613

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-06-2003
Datum publicatie
25-06-2003
Zaaknummer
200202849/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 mei 2000 heeft het bestuur van de stichting “Stichting Fonds voor de Scheppende Toonkunst” (hierna: het bestuur) de aanvraag van appellant voor een compositieopdracht voor een door hem te componeren werk voor spreekstem en instrumentaal ensemble afgewezen.

Bij besluit van 20 juli 2000 heeft het bestuur het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200202849/1.

Datum uitspraak: 25 juni 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te Amsterdam van 18 april 2002 in het geding tussen:

appellant

en

het bestuur van de stichting “Stichting Fonds voor de Scheppende Toonkunst”, gevestigd te Amsterdam.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 mei 2000 heeft het bestuur van de stichting “Stichting Fonds voor de Scheppende Toonkunst” (hierna: het bestuur) de aanvraag van appellant voor een compositieopdracht voor een door hem te componeren werk voor spreekstem en instrumentaal ensemble afgewezen.

Bij besluit van 20 juli 2000 heeft het bestuur het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 18 april 2002, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank te Amsterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 24 mei 2002, bij de Raad van State ingekomen op 28 mei 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 13 augustus 2002 heeft het bestuur een memorie van antwoord ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 maart 2003, waar appellant in persoon, en het bestuur, vertegenwoordigd door [directeur] van de Stichting, en [voorzitter] van het bestuur, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wet op het specifiek cultuurbeleid (hierna: de wet) wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen onder fonds verstaan een privaatrechtelijke rechtspersoon die is opgericht op grond van de machtiging van artikel 9.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de wet wordt de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (hierna: de Minister) gemachtigd om namens de Staat tot oprichting of mede-oprichting over te gaan van privaatrechtelijke rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid die tot doel hebben het instandhouden, ontwikkelen, sociaal en geografisch spreiden of anderszins verbreiden van één of meer cultuuruitingen te bevorderen door daartoe subsidies te verstrekken.

Ingevolge artikel 10, vierde lid, eerste en tweede volzin, van de wet stelt het bestuur van een fonds één of meer reglementen vast waarin in ieder geval worden vastgelegd de werkwijze, de procedures en de criteria die het bestuur bij het verstrekken van subsidies hanteert, alsmede de verplichtingen die aan de subsidie-ontvanger worden opgelegd. In deze reglementen kunnen voorts regels worden gesteld met betrekking tot de vaststelling van een subsidieplafond en de wijze van verdeling daarvan, de betaling en terugvordering van de subsidie alsmede de verlening van voorschotten op de subsidie.

Ingevolge artikel 11 van de wet verstrekt het bestuur van een fonds subsidies als bedoeld in artikel 9, eerste lid, bij beschikking.

2.2. Onderhavige stichting is een rechtspersoon als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de wet. Blijkens artikel 2 van haar door de Minister goedgekeurde statuten, heeft de stichting ten doel het tot stand komen van werken van scheppende toonkunst te bevorderen.

De stichting streeft dit doel na door met een ideëel oogmerk individuele subsidies toe te kennen aan componisten in de vorm van compositieopdrachten, honoreringen achteraf, stipendia en meerjarige honoreringen.

Ter uitvoering van artikel 10, vierde lid, van de wet strekken het, door de Minister goedgekeurde, huishoudelijk reglement van de stichting en de regeling compositie-opdracht.

2.2.1. Ingevolge artikel 11, onder a, van het huishoudelijk reglement roept het bestuur van het Fonds tweemaal per jaar, eenmaal in het voorjaar en eenmaal in het najaar, in één of meer openbare bekendmakingen, gegadigden op om vóór een bepaalde datum bij het bestuur van het Fonds een verzoek in te dienen voor de in de bekendmaking genoemde vorm van uitkering.

Ingevolge artikel 17, onder a, van het huishoudelijk reglement wint het bestuur, alvorens te beslissen over de toekenning van de diverse subsidies, genoemd in artikel 8, het advies in van twee of meer adviescommissies bestaande uit drie leden. Bij de beoordeling van de aanvragen hanteren de adviescommissies de criteria die genoemd worden in de op de aanvragen betrekking hebbende subsidieregelingen.

In hetzelfde artikel, onder b en d, is onder meer bepaald dat de adviescommissies voor de tijd van één kalenderjaar worden benoemd en dat het bestuur bij het samenstellen van deze commissies streeft naar een zo breed mogelijke samenstelling en een grote mate van deskundigheid bij het beoordelen van partituren en het beluisteren van muziekwerken alsmede gedegen kennis van het hedendaagse muziekleven ten aanzien van de verschillende muzikale genres, stromingen en opvattingen.

Ingevolge artikel 21, onder a, van het huishoudelijk reglement worden eensluidende adviezen in de regel door het bestuur overgenomen.

Op grond van hetzelfde artikel, onder b, wordt bij tegenstrijdige adviezen door het bestuur en de adviescommissies gezamenlijk onderzocht welk argument in het specifieke geval het zwaarste behoort te wegen.

2.3. Bij het bij de beslissing op bezwaar gehandhaafde besluit heeft het bestuur, in navolging van de in een negatief eindadvies resulterende unanieme negatieve adviezen van de beide adviescommissies, de aanvraag van appellant voor een opdracht tot het componeren van een werk voor spreekstem en instrumentaal ensemble afgewezen.

Het bestuur heeft zich op het standpunt gesteld dat de adviezen van de beide adviescommissies goed onderbouwd waren, deze commissies, in tegenstelling tot hetgeen appellant heeft aangevoerd, bij de beoordeling van de aanvraag niet bevooroordeeld waren en er geen reden was te twijfelen aan de deskundige en zorgvuldige wijze waarop de aanvraag door de beide commissies is beoordeeld.

2.4. Appellant heeft in hoger beroep onder meer betoogd dat de rechtbank heeft miskend dat met de beoordeling door de adviescommissies van zijn aanvraag niet zozeer zijn werk ter discussie heeft gestaan als wel zijn integriteit. In dit verband houdt appellant vast aan zijn twijfels omtrent de onafhankelijkheid van de beide adviescommissies. De gewijzigde samenstelling versterkt veeleer de gedachte dat de beide commissies als één – bevooroordeelde - adviescommissie zijn werk hebben beoordeeld.

2.4.1. De commissies van advies worden op grond van het huishoudelijk reglement van de stichting jaarlijks per 1 september benoemd voor de duur van één jaar. In de najaarsprocedure zijn de ingezonden composities "Katern" en "Wende" door de beide adviescommissies unaniem negatief beoordeeld. Als gevolg van verplichtingen elders van één van de leden is bij de voorjaarsprocedure de samenstelling van de beide adviescommissies in die zin gewijzigd, dat de beide componistleden van commissie wisselden en bedoeld lid door een ander is vervangen. Omdat vijf van de zes leden van die commissies ook deel zouden uitmaken van de adviescommissies in de voorjaarsronde, is appellant aangeraden om ten behoeve van de aanvraag bij de voorjaarsprocedure ander werk in te sturen. Appellant heeft ervoor gekozen om bij zijn aanvraag bij de voorjaarsprocedure, naast de eerder voorgelegde composities, slechts één nieuwe compositie, genaamd “Zerk”, in te sturen.

De rechtbank heeft op goede gronden overwogen dat door de wisseling van de componistleden van de beide adviescommissies de onafhankelijkheid van die commissies niet is aangetast en dat appellant met het insturen van slechts één nieuw werk er zelf toe heeft bijgedragen dat de eerder als negatief beoordeelde composities in de beoordeling van de aanvraag in de voorjaarsprocedure zouden worden betrokken.

2.4.2. Voorts acht de Afdeling de aan appellant op zijn verzoek kenbaar gemaakte motivering van het in de onderhavige zaak uitgebrachte eindadvies niet zodanig onvolledig of ondeugdelijk, dat dit aanleiding zou moeten zijn voor het oordeel dat het bestuur niet kon volstaan met een verwijzing naar dit advies. In gevallen als het onderhavige, waarbij het gaat om objectivering van naar hun aard subjectieve oordelen die zich niet licht in woorden laten (samen)vatten, kunnen aan dergelijke adviezen slechts beperkte motiveringseisen worden gesteld. Het gaat erom dat de aanvrager enigermate inzicht wordt verschaft in de gedachtegang die eraan ten grondslag ligt. Het aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde advies voldoet aan die eis.

Daar komt bij dat het bestuur in de beslissing op het bezwaar niet heeft volstaan met een enkele verwijzing naar het advies van de commissies, doch heeft uiteengezet waarom het dit advies aan de beslissing ten grondslag heeft gelegd zonder daarvoor een eigen oordeel in de plaats te stellen. Hetgeen appellant in dit verband heeft betoogd met betrekking tot de grammaticale uitleg van de gehanteerde bewoordingen kan dan ook niet tot een ander oordeel leiden. Gelet hierop is de beslissing niet in strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht, gelezen in samenhang met artikelen 3:9 en 3:49 van die wet, gemotiveerd.

2.5. Het vorenoverwogene leidt tot de slotsom dat hetgeen appellant heeft betoogd geen grond biedt voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte het beroep tegen de beslissing op bezwaar ongegrond heeft verklaard en die beslissing niet heeft vernietigd.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, Voorzitter,

en mr. J.H.B. van der Meer en mr. J.A.M. van Angeren, Leden,

in tegenwoordigheid van mr. R.P. Hoogenboom, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Dijk w.g. Hoogenboom

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 juni 2003

119-384.