Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AG1747

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-06-2003
Datum publicatie
18-06-2003
Zaaknummer
200203569/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 april 1999 heeft appellant een verzoek van [verzoeker] om vergoeding van schade als bedoeld in artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) afgewezen.

Bij besluit van 22 maart 2000 heeft appellant, overeenkomstig het advies van de Commissie voor bezwaarschriften van 17 februari 2000, het door [verzoeker] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2004/57 met annotatie van J.W. van Zundert
Module Ruimtelijke ordening 2003/2170
Module Vastgoed en wonen 2003/403
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200203569/1.

Datum uitspraak: 18 juni 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de raad van de gemeente Nijmegen,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank te Arnhem van 20 juni 2002 in het geding tussen:

[verzoeker], wonend te [woonplaats]

en

appellant.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 april 1999 heeft appellant een verzoek van [verzoeker] om vergoeding van schade als bedoeld in artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) afgewezen.

Bij besluit van 22 maart 2000 heeft appellant, overeenkomstig het advies van de Commissie voor bezwaarschriften van 17 februari 2000, het door [verzoeker] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 20 juni 2002, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank te Arnhem (hierna: de rechtbank) het daartegen door [verzoeker] ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd, het besluit van appellant van 28 april 1999 herroepen, bepaald dat op de voet van artikel 49 van de WRO een bedrag van € 22.689,01 aan [verzoeker] wordt toegekend, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 11 juli 1997 tot aan de dag van algehele voldoening, en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 2 juli 2002, bij de Raad van State ingekomen op 3 juli 2002, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 30 augustus 2002. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 14 oktober 2002 heeft [verzoeker] van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 februari 2003, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. H. Zeilmaker, advocaat te Nijmegen, en [verzoeker], vertegenwoordigd door mr. D. van Dijk, advocaat te Arnhem, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Op 28 januari 1978 hebben [verzoeker] en haar [toenmalige echtgenoot] het perceel, plaatselijk bekend [locatie] te [plaats], waarop een vrijstaande woning is gebouwd, gekocht. Het perceel met opstallen maakte sedertdien onderdeel uit van de tussen genoemde echtelieden bestaande algehele gemeenschap van goederen.

Sedert 1 januari 1988 woont [verzoeker] alleen. In 1991 is het huwelijk van [verzoeker] en [toenmalige echtgenoot] door echtscheiding ontbonden. Bij akte van scheiding en deling van 18 februari 1994 is de woning aan [verzoeker] toebedeeld.

2.1.1. [verzoeker] heeft verzocht om vergoeding van de schade, die zij stelt te lijden ten gevolge van het bij besluit van 26 januari 1994 van appellant vastgestelde, bij besluit van 16 juni 1994 van het college van gedeputeerde staten van Gelderland goedgekeurde en omstreeks augustus 1994 in rechte onaantastbaar geworden bestemmingsplan “Beekmandalseweg I”. Ingevolge dit plan is op het perceel [locatie] te [plaats], op een afstand van ongeveer 18,5 m naast de woning van [verzoeker] en ongeveer 8,5 m van de perceelsgrens, de bouw van een tweede woning met een goothoogte van maximaal 6 m en een nokhoogte van maximaal 9 m mogelijk geworden.

Volgens [verzoeker] is haar perceel met ƒ 50.000,00/€ 22.689,01 in waarde verminderd, aangezien door de bouw van de woning [locatie] het vrije uitzicht verloren is gegaan en de privacy is verminderd.

2.2. Niet in geschil is dat [verzoeker] door de bestemmingswijziging in een planologisch nadeliger situatie is komen te verkeren.

2.3. Partijen verschillen van mening over de vraag of de planologisch nadeliger situatie tot een waardevermindering van het perceel [locatie] heeft geleid.

2.3.1. Appellant heeft zich overeenkomstig het (nader) advies van de schadebeoordelingscommissie op het standpunt gesteld dat er uitsluitend vanuit de twee als slaap- en/of studeerkamers te gebruiken kamers op de eerste verdieping van de woning van [verzoeker] uitzicht is op de nieuw gebouwde woning. Op grond hiervan is appellant van mening dat het planologisch nadeel ten gevolge van de bestemmingsplanwijziging zo gering is dat van een waardedaling van het perceel [locatie] niet kan worden gesproken.

2.4. De rechtbank heeft terecht overwogen dat voor de beoordeling of sprake is van een planologische verslechtering en een daaruit voortvloeiende waardevermindering van het perceel, een vergelijking moet worden gemaakt tussen de maximale mogelijkheden van het bestemmingsplan “Beekmandalseweg” en het bestemmingsplan “Beekmandalseweg I“.

Voor het betoog van appellant dat in dit geval geen betekenis toekomt aan de ingevolge het bestemmingsplan “Beekmandalseweg I“ maximaal toegestane goot- en nokhoogte, omdat het hoogst onwaarschijnlijk is dat in de toekomst de bestaande goot- en nokhoogte van respectievelijk ongeveer 3,5 en 7 m van de woning [locatie] zal worden verhoogd, bestaat geen grond. Van een situatie als die aan de orde was in de door appellant genoemde uitspraak van de Afdeling van 26 april 2001 in zaak no. 200003420/1 (BR 2001/243) is hier geen sprake. In zoverre faalt zijn betoog.

2.4.1. De rechtbank heeft op basis van een door de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak (hierna: StAB) aan haar uitgebracht advies geoordeeld dat het planologisch nadeel niet dermate gering is dat niet van een waardedaling van het perceel van [verzoeker] kan worden gesproken. Blijkens het rapport van de StAB bestaat vanuit twee kamers op de eerste verdieping van de woning van [verzoeker] uitzicht op de nieuw gebouwde woning. Voorts wordt het uitzicht van [verzoeker] vanuit de voortuin en de noordelijke zijtuin aanzienlijk verstoord door de nieuwbouw. Daarnaast is de mogelijkheid van inkijk in de voortuin en de noordelijke zijtuin geïntensiveerd, vanwege het rechtstreekse zicht daarop vanuit de nieuwbouw. Indien de bouwmogelijkheden op grond van de ter plaatse toegestane maximale goot- en nokhoogte zouden worden benut, zou tevens inkijk in de achtertuin van [verzoeker], waar haar terras is, kunnen ontstaan. De nieuwbouw heeft er voorts toe geleid dat het vrijliggende karakter van de woning van [verzoeker] enigszins is verminderd. De bevindingen van de StAB komen de Afdeling niet onjuist voor en haar conclusie moet worden onderschreven. Dat het vrije uitzicht van [verzoeker] ook had kunnen worden verstoord door hoge beplanting op het naastgelegen perceel, doet daaraan niet af, nu - zoals de rechtbank terecht heeft overwogen - die situatie niet op één lijn kan worden gesteld met uitzicht op bebouwing, zoals thans het geval is. De rechtbank heeft op goede gronden geconcludeerd dat appellant ten onrechte heeft besloten dat de planologische verslechtering niet tot een waardevermindering van het perceel heeft geleid.

2.4.2. De rechtbank heeft de waardevermindering, overeenkomstig een taxatierapport van Guijt makelaars te Nijmegen, vastgesteld op ƒ 50.000,00/€ 22.689,01. De Afdeling heeft, evenals de rechtbank, geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de, in reactie op het StAB-advies overgelegde, schriftelijke verklaring van Guijt makelaars dat dit bedrag is berekend naar de situatie op de peildatum 16 juni 1994. Appellant wordt derhalve niet gevolgd in zijn betoog dat het door de rechtbank vastgestelde bedrag van de waardevermindering te hoog is, omdat dit - naar de StAB had aangenomen - nog geïndexeerd zou moeten worden.

2.4.3. Appellant heeft in hoger beroep verder betoogd dat vergoeding van de waardevermindering niet, althans voor niet meer dan de helft, dient plaats te vinden in verband met de omstandigheid dat toen de aanspraak op planschadevergoeding ontstond, het onderhavige perceel met opstallen volledig aan [verzoeker] was toebedeeld en op het moment van toedeling de waardedaling voorzienbaar was, zodat deze in het kader van de boedelscheiding had kunnen worden verdisconteerd.

Dit betoog faalt. Toen [verzoeker] en [toenmalige echtgenoot] het onderhavige perceel kochten was de waardedaling niet voorzienbaar. De toedeling heeft met gesloten beurzen plaatsgevonden. [verzoeker], die voorheen mede-eigenaar was, kreeg de woning in volledige eigendom en zag daarvoor af van alimentatie. Toen, met de inwerkingtreding van het bestemmingsplan "Beekmandalseweg I", de aanspraak op planschadevergoeding ontstond, was uitsluitend [verzoeker] eigenaar. Derhalve komt [toenmalige echtgenoot] geen aanspraak op planschadevergoeding toe.

Hoewel op het moment van toedeling de waardevermindering wegens vaststelling van het nieuwe bestemmingsplan voorzienbaar was, bestaat er onder de gegeven omstandigheden - anders dan in geval van een nieuwe eigenaar vanwege actieve risico-aanvaarding - geen grond die voorzienbaarheid aan [verzoeker] tegen te werpen. Naar het oordeel van de Afdeling staat de aard van de toedeling in een geval als dit aan verdiscontering daarbij van de waardevermindering in de weg. Voor [toenmalige echtgenoot] bestond geen aanleiding de waardevermindering voor zijn rekening te nemen, omdat hem bij overdracht vóór inwerkingtreding van het nieuwe plan geen aanspraak op schadevergoeding zou toekomen en van [verzoeker] kon, gelet op haar positie als mede-eigenaar/bewoner, in redelijkheid niet worden gevergd om reden van de waardevermindering van verdere bewoning af te zien. Een andere uitkomst zou tot de onwenselijke conclusie leiden dat teneinde de planschade vergoed te krijgen de boedelverdeling tot de inwerkingtreding van het nieuwe plan had moeten worden uitgesteld en [verzoeker] en [toenmalige echtgenoot] tezamen het planschadeverzoek hadden moeten indienen.

2.4.4. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat hetgeen appellant heeft betoogd geen grond biedt voor het oordeel dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. De raad dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. veroordeelt de raad van de gemeente Nijmegen in de door [verzoeker] in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 483,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Nijmegen te worden betaald aan [verzoeker].

Aldus vastgesteld door mr. C. de Gooijer, Voorzitter, en mr. J.E.M. Polak en mr. B.J. van Ettekoven, Leden,

in tegenwoordigheid van mr. R.P. Hoogenboom, ambtenaar van Staat.

De Voorzitter is verhinderd w.g. Hoogenboom

de uitspraak te ondertekenen ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2003

119-401