Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AG1745

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-06-2003
Datum publicatie
18-06-2003
Zaaknummer
200300541/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 januari 2001 (kennelijk abusievelijk gedateerd 30 januari 2000) heeft de gemeenteraad van Werkendam, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 12 december 2000, het bestemmingsplan "Kern Sleeuwijk" vastgesteld.

[...] Verweerder heeft bij zijn besluit van 10 december 2002, nr. 739907/880201, opnieuw beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200300541/1.

Datum uitspraak: 18 juni 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] en anderen, wonend te [woonplaats],

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 januari 2001 (kennelijk abusievelijk gedateerd 30 januari 2000) heeft de gemeenteraad van Werkendam, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 12 december 2000, het bestemmingsplan "Kern Sleeuwijk" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 18 september 2001, nr. 739907, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

De Afdeling heeft bij uitspraak van 20 november 2002, no. 200105991/1, het besluit van verweerder van 18 september 2001 gedeeltelijk vernietigd.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 10 december 2002, nr. 739907/880201, opnieuw beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 21 januari 2003, bij de Raad van State ingekomen op 27 januari 2003, beroep ingesteld.

Bij brief van 7 april 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten en verweerder. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 mei 2003, waar appellanten, in de persoon van [appellant] en bijgestaan door [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door mr. A.J.A.M. van der Laar, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts zijn daar gehoord de gemeenteraad van Werkendam, vertegenwoordigd door J. Nuijten, ambtenaar van de gemeente, en [partij], vertegenwoordigd door [gemachtigde].

2. Overwegingen

2.1. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.2. Met het plan wordt beoogd een uniforme regeling te geven voor de kern Sleeuwijk, in de gemeente Werkendam. Het vervangt een aantal verouderde bestemmingsplannen en heeft een voornamelijk conserverend karakter. Op enkele plaatsen is tevens rekening gehouden met nieuwe ontwikkelingen. Het plan kent aan het perceel ’t Zand 1-3 de bestemming “Woondoeleinden” toe.

2.3. Appellanten hebben aangevoerd dat verweerder ten onrechte opnieuw goedkeuring heeft onthouden aan het plandeel dat voorziet in een bestemming “Woondoeleinden” voor het perceel ’t Zand 1-3, voor zover daardoor de bouw van een bedrijfsloods met grotere afmetingen dan de bestaande bedrijfsloods mogelijk wordt. Zij voeren hiertoe aan dat verweerder met het bestreden besluit de uitspraak van de Afdeling van 20 november 2002 niet in acht heeft genomen. Zij stellen dat nog altijd niet is voldaan aan artikel 10.30, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Tevens stellen appellanten dat de onthouding van goedkeuring leidt tot een ongeoorloofde bestemmingswijziging.

2.4. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 20 november 2002 onder meer overwogen:

”Het geschil geeft de Afdeling in de eerste plaats aanleiding om in te gaan op de vraag of artikel 10:30, eerste lid, van de Awb in acht is genomen.

Ingevolge dit artikellid hebben verweerders niet tot de in geding zijnde onthouding van goedkeuring mogen besluiten dan nadat de gemeenteraad de gelegenheid tot overleg was geboden. Desgevraagd is ter zitting namens verweerders verklaard dat dit, in tegenstelling tot hetgeen punt 1.6. van het bestreden besluit doet voorkomen, is nagelaten. Van de zijde van de gemeenteraad is ter zitting niet gesteld dat dit anders is. De Afdeling gaat er, gelet hierop van uit dat verweerders aan de gemeenteraad niet bedoelde gelegenheid tot overleg hebben geboden. Dit laat geen ander oordeel toe dan dat tot de in geding zijnde onthouding van goedkeuring is besloten in strijd met artikel 10:30, eerste lid, voornoemd. Het feit dat verweerders bij genoemde brief van burgemeester en wethouders van 11 juni 2001 is meegedeeld dat het geven van de bestemming “Woondoeleinden” aan het betrokken perceel op een vergissing berustte, kan aan dit oordeel niet afdoen. (…)

In aanmerking genomen dat ingevolge artikel 28 van de WRO op verweerders de plicht rust om een eigen beoordeling te geven over een hun ter goedkeuring aangeboden bestemmingsplan, is de Afdeling voorts van oordeel dat zij zich er onvoldoende van hebben vergewist of de onthouding van goedkeuring aan de bestemming “Woondoeleinden” niet op bezwaren van derden zou stuiten. (…) Naar het oordeel van de Afdeling heeft het gezien deze mededeling op de weg van verweerders gelegen om alvorens tot de in geding zijnde onthouding van goedkeuring te besluiten, na te gaan of in de procedure betreffende deze bouwaanvraag bezwaren tegen het opzij zetten van de woonbestemming kenbaar waren gemaakt. (…) Verweerders hebben zulks evenwel niet nagegaan. Dit leidt tot het oordeel dat met de onthouding van goedkeuring eveneens is geschonden artikel 3:2 van de Awb,waarin is bepaald dat een bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis vergaart omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.”

2.5. Verweerder stelt dat het gemeentebestuur bij brief van 27 augustus 2001 in de gelegenheid is gesteld overleg te voeren in het kader van artikel 10:30 van de Algemene wet bestuursrecht (verder te noemen: Awb). Verweerder stelt dat er geen redenen aanwezig zijn om de bestemming “Woondoeleinden”, door het gemeentebestuur abusievelijk ingetekend, te handhaven en daarmee het bestaande bedrijf weg te bestemmen. Hij neemt in aanmerking dat de gewenste bedrijfsbestemming niet nieuw is, maar een continuering van de al jaren geldende bestemming. Omdat verder enkel de bestaande bedrijfsloods zal worden vervangen, is volgens hem van een verzwaring van de activiteiten in milieu-hygiënisch opzicht ter plaatse geen sprake. De planologische situatie zal voor appellanten door de onthouding van goedkeuring niet verslechteren. Verweerder merkt verder op dat op het gemeentebestuur de plicht rust om binnen een jaar een herziening van het bestemmingsplan op te stellen, waarbij de bestemming ‘bedrijfsdoeleinden’ conform het huidige gebruik zal worden opgelegd.

2.6. De Afdeling zal moeten beoordelen of verweerder met het bestreden besluit heeft voldaan aan de uitspraak van de Afdeling van 20 november 2002.

2.6.1. Gelet op de eerst in het thans bestreden besluit genoemde brief van 27 augustus 2001, stelt de Afdeling vast dat het gemeentebestuur, waaronder de gemeenteraad, in de gelegenheid is gesteld tot het voeren van het in artikel 10:30, eerste lid, van de Awb bedoelde overleg.

2.6.2. Voorzover appellanten stellen dat verweerder geen acht had mogen slaan op de brief van het college van burgemeester en wethouders van 11 juni 2001, overweegt de Afdeling dat, gelet op hetgeen in 2.1. is overwogen, verweerder dient te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening ongeacht de genoemde brief.

De Afdeling is gelet op de stukken van oordeel dat verweerder bij het nemen van het thans bestreden besluit voldoende op de hoogte was van de bezwaren van appellanten.

De Afdeling is van oordeel dat verweerder in redelijkheid gewicht heeft kunnen toekennen aan het belang dat is gediend bij voortzetting van de bestaande bedrijvigheid op het perceel ’t Zand 1-3, dat op grond van het voorheen geldende bestemmingsplan was toegestaan. Verweerder heeft zich verder terecht op het standpunt gesteld dat de planologische situatie voor appellanten niet zal veranderen door de onthouding van goedkeuring aan de bestemming “Woondoeleinden”. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de bestemming “Woondoeleinden” voor het perceel niet is gaan gelden. Verder dient de gemeenteraad ingevolge artikel 30, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening met in achtneming van de overwegingen van verweerder als weergegeven in 2.5 binnen één jaar een nieuw plan op te stellen.

2.7. Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft onthouden aan het plan in zoverre.

Het beroep is ongegrond.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R. Cleton, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, ambtenaar van Staat.

w.g. Cleton w.g. Soede

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2003

270-445