Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AG1742

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-06-2003
Datum publicatie
18-06-2003
Zaaknummer
200203815/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 maart 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Heeze-Leende het wijzigingsplan "Buitengebied Heeze, 1e wijziging 2001 (paardenfokkerij, [locatie])" vastgesteld. Verweerder heeft bij besluit van 4 juni 2002, kenmerk 820827, beslist over de goedkeuring van het wijzigingsplan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200203815/1.

Datum uitspraak: 18 juni 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellante sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 5 maart 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Heeze-Leende het wijzigingsplan "Buitengebied Heeze, 1e wijziging 2001 (paardenfokkerij, [locatie])" vastgesteld.

Verweerder heeft bij besluit van 4 juni 2002, kenmerk 820827, beslist over de goedkeuring van het wijzigingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellante sub 1 bij brief van 20 juli 2002, bij de Raad van State ingekomen op 23 juli 2002, en appellant sub 2 bij brief van 21 juli 2002, bij de Raad van State ingekomen op 23 juli 2002, beroep ingesteld.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 14 januari 2003. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 maart 2003, waar appellante sub 1, in persoon en bijgestaan door [gemachtigde], appellant sub 2, in persoon en bijgestaan door [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door H.J.F.M. Verputten, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord het college van burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door T.J.M. Matheeuwsen, ambtenaar van de gemeente.

2. Overwegingen

2.1. Het wijzigingsplan is ingevolge artikel 11 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening vastgesteld en betreft een wijziging van het bestemmingsplan “Buitengebied Heeze”.

Met het wijzigingsplan wordt beoogd de omschakeling van het veehouderijbedrijf op het perceel [locatie] naar een paardenfokkerij mogelijk te maken. Hiertoe is aan dit perceel de bestemming “Agrarisch bouwblok – paardenfokkerij” toegekend.

Bij het bestreden besluit is goedkeuring aan het wijzigingsplan onthouden.

2.2. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een wijzigingsplan. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, voorzover hier relevant, kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het plan kan worden gewijzigd binnen bij het plan te bepalen grenzen. Bij de beslissing omtrent goedkeuring van het wijzigingsplan dient verweerder te toetsen of aan de bij het bestemmingsplan gegeven wijzigingsvoorwaarden is voldaan. Ingevolge artikel 11, vierde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust daarnaast op verweerder de taak om te bezien of het plan binnen de bij het bestemmingsplan bepaalde grenzen niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Tevens heeft verweerder erop toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan overigens niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.3. Appellanten voeren aan dat het college van burgemeester en wethouders in feite slechts drie dagen in de gelegenheid is gesteld overleg als bedoeld in artikel 10:30 van de Algemene wet bestuursrecht met verweerder te voeren. In het bestreden besluit staat ten onrechte dat het college van burgemeester en wethouders geen gebruik heeft gemaakt van deze mogelijkheid en bovendien is verweerder niet ingegaan op de argumenten van het college.

2.3.1. Ingevolge artikel 10:30, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht vindt gedeeltelijke goedkeuring of onthouding van goedkeuring niet plaats dan nadat aan het bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen, gelegenheid tot overleg is geboden.

Ingevolge 10:30, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht verwijst de motivering van het goedkeuringsbesluit naar hetgeen in het overleg aan de orde is gekomen.

2.3.2. De Afdeling stelt op basis van de stukken vast dat verweerder bij brief van 25 april 2002, verzonden op 2 mei 2002, met toepassing van artikel 10:30, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, het college van burgemeester en wethouders tot en met 13 mei 2002 de gelegenheid heeft geboden tot het voeren van overleg over zijn voornemen tot onthouding van goedkeuring aan het wijzigingsplan. Het college van burgemeester en wethouders heeft bij faxbericht van 13 mei 2002 hierop gereageerd. In het bestreden besluit heeft verweerder overwogen dat het college binnen de gestelde termijn van de geboden mogelijkheid geen gebruik heeft gemaakt.

De Afdeling is van oordeel dat van strijd met artikel 10:30, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht geen sprake is nu blijkens de stukken de gelegenheid tot overleg is geboden. Aangezien in het bestreden besluit niet wordt verwezen naar hetgeen in het overleg aan de orde is gesteld, is de Afdeling van oordeel dat het bepaalde in artikel 10:30, tweede lid, voornoemd, niet is nageleefd. De Afdeling ziet echter geen reden om het bestreden besluit om die reden te vernietigen. Hiertoe overweegt de Afdeling dat in dit geval mag worden aangenomen dat door het niet in acht nemen van evengenoemde bepaling appellanten niet in hun belangen zijn geschaad.

2.4. Verweerder heeft het wijzigingsplan in strijd geacht met een goede ruimtelijke ordening. Hij stelt in dit verband dat het advies van de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen (hierna: AAB) geen zekerheid biedt ten aanzien van de levensvatbaarheid van de paardenfokkerij. Verder is onduidelijk of ter plaatse een zelfstandig bedrijf zal ontstaan. Bovendien blijkt uit dit advies dat het veeleer om een vrijkomende agrarische bedrijfslocatie gaat, aangezien er geen melkveehouderij meer in bedrijf is. Ook is onduidelijk op welke wijze gebruik gemaakt zal worden van de bestaande bedrijfsbebouwing. Verweerder acht het wijzigingsplan voorts in strijd met het streekplan “Brabant in balans” (hierna: het streekplan). Hij is van mening dat het vestigingsbeleid van intensieve veehouderijen van toepassing is. Verweerder stelt op basis hiervan dat omschakeling naar een intensieve veehouderij slechts is toegestaan op een duurzame locatie voor intensieve veehouderijen. Deze locatie kan niet als zodanig worden aangemerkt. In dit verband stelt verweerder dat een bouwblok van 2,5 hectare op deze locatie in de regionale natuur- en landschapseenheid (hierna: RNLE) en het dal van de Rul en Kleine Dommel om redenen van ruimtelijke kwaliteit niet aanvaardbaar is.

2.4.1. Appellanten hebben aangevoerd dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan het wijzigingsplan. Zij stellen dat voldaan is aan de wijzigingsregels en dat uit het positieve advies van de AAB blijkt dat de paardenfokkerij een volwaardig agrarisch bedrijf zal zijn. Het toetsingscriterium levensvatbaarheid is nieuw en discutabel. Bovendien betreft het niet een vrijkomende agrarische bedrijfslocatie en is duidelijk op welke wijze gebruik zal worden gemaakt van de bestaande bebouwing. Appellanten menen verder dat ten onrechte aan het streekplan is getoetst. Ook zijn zij van mening dat het van toepassing verklaren van het vestigingsbeleid van intensieve veehouderijen op paardenfokkerijen in strijd is met de jurisprudentie van de Afdeling. Verder voeren zij aan dat nog niet vaststaat dat het plangebied in een RNLE-landschapsdeel is gelegen en dat er geen behoefte bestaat aan een groter bouwblok dan 1 hectare.

2.4.2. Het college van burgemeester en wethouders heeft gebruik gemaakt van zijn bevoegdheid, neergelegd in artikel 31, zevende lid, sub 1, onder l, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan “Buitengebied Heeze”, om de bestemming “Agrarisch bouwblok” te wijzigen in de bestemming “Agrarisch bouwblok - paardenfokkerij”. Het college heeft zich hierbij onder meer gebaseerd op het advies van de AAB.

2.4.3. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting, is de Afdeling van oordeel dat verweerder in zijn twijfels over de levensvatbaarheid van de paardenfokkerij geen aanleiding heeft kunnen zien het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten. De stelling van verweerder dat het plan niet levensvatbaar is omdat niet vaststaat of appellante sub 1 een bedrijfsopvolger heeft en omdat onduidelijk is of ter plaatse een zelfstandig bedrijf zal ontstaan, kan het besluit van verweerder niet dragen. Hierbij merkt de Afdeling op dat blijkens het advies van de AAB na realisering van het plan een volwaardig agrarisch bedrijf zal ontstaan.

Voorts overweegt de Afdeling dat uit de stukken en het ter zitting verhandelde is gebleken dat ter plekke een veehouderijbedrijf is gevestigd. Er worden schapen en koeien op een extensieve wijze gehouden. Gelet op deze agrarische activiteiten en de omvang daarvan, is de Afdeling van oordeel dat de stelling van verweerder dat het een vrijkomende agrarische bedrijfslocatie betreft onjuist is.

De Afdeling overweegt verder dat duidelijk is welke bebouwings- en gebruiksmogelijkheden het wijzigingsplan biedt en op welke wijze het plangebied is bebouwd. De Afdeling kan verweerder derhalve niet volgen in zijn stelling dat niet duidelijk is op welke wijze gebruik zal worden gemaakt van de bestaande bedrijfsbebouwing.

2.4.3.1. Het streekplan is door provinciale staten van Noord-Brabant op 22 februari 2002 vastgesteld. Uit hoofdstuk 7, Overgangsbeleid, volgt dat het streekplanbeleid met ingang van de dag van publicatie geldt. Op 18 maart 2002 is het vastgestelde streekplan gepubliceerd. Het bestreden besluit is nadien genomen. De Afdeling is mitsdien van oordeel dat verweerder het wijzigingsplan terecht aan het beleid neergelegd in het streekplan heeft getoetst.

2.4.3.2. Blijkens het bestreden besluit heeft verweerder zijn besluit onder meer gebaseerd op het provinciaal beleid ten aanzien van paardenfokkerijen. In het streekplan is bepaald dat hoewel een paardenfokkerij kan worden beschouwd als een grondgebonden bedrijfstak het, gelet op de ruimtelijke uitstraling van de bijbehorende rijhallen, nodig is een vestigingsbeleid te hanteren dat vergelijkbaar is met dat voor intensieve veehouderijen. Ter zitting is gebleken dat dit vestigingsbeleid voor paardenfokkerijen is gericht op het voorkomen van negatieve ruimtelijke effecten op de omgeving. Dit betekent dat voorkomen dient te worden dat in kwetsbare delen van het buitengebied grote rijhallen worden gebouwd. Uit de mededelingen ter zitting kan worden afgeleid dat de overige eisen die aan de vestiging van intensieve veehouderijen worden gesteld, niet van toepassing zijn op paardenfokkerijen.

De Afdeling acht dit beleid in het algemeen niet onredelijk.

De Afdeling is echter van oordeel dat verweerder had moeten onderzoeken of de omstandigheden van dit geval aanleiding dienden te zijn om niet onverkort aan het beleid vast te houden. Hierbij heeft de Afdeling in aanmerking genomen dat in het plangebied een agrarisch bedrijfsgebouw van 50 bij 20 meter en 8 meter hoog is opgericht. Hiertoe is op basis van het bestemmingsplan “Buitengebied Heeze” een bouwvergunning verstrekt. Ter zitting is gebleken dat dit bedrijfsgebouw als rijhal kan worden gebruikt. Tevens is hierbij in aanmerking genomen dat blijkens de stukken en het ter zitting verhandelde op basis van het wijzigingsplan slechts een kleine uitbreiding van de bebouwing mogelijk is. Ten oosten van het plangebied liggen kwetsbare gebieden, namelijk de Strabrechtse Heide, de Rul en Kleine Dommel. Een uitbreiding in oostelijke richting is gelet op de ligging van het bouwblok en de bestaande bebouwing dan ook niet mogelijk.

2.4.4. Uit hetgeen de Afdeling in overwegingen 2.4.3. en 2.4.3.2. heeft overwogen volgt dat het bestreden besluit is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid en dat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke motivering. De beroepen zijn gegrond, zodat het bestreden besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd.

2.5. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 4 juni 2002, 820827;

III. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant in de door appellanten in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 260,50; de provincie Noord-Brabant dient een bedrag van €130,25 aan appellante sub 1 en een bedrag van € 130,25 aan appellant sub 2 te betalen;

IV. gelast dat de provincie Noord-Brabant aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 109,00 voor appellante sub 1 en € 109,00 voor appellant sub 2) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. P.C.E. van Wijmen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. H.E. Troost, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren w.g. Troost

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2003

234-316