Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AG1741

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-06-2003
Datum publicatie
18-06-2003
Zaaknummer
200206041/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 november 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Groningen (hierna: het college) aan [appellant B] een aanlegvergunning verleend voor het treffen van voorzieningen op gronden, aangeduid als rietlandschap, plaatselijk bekend [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 4 januari 2002 heeft het college, met toepassing van artikel 19, derde lid van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO), aan appellanten bouwvergunning verleend voor het plaatsen van een houten vlonder op het perceel.

Bij besluit van 13 augustus 2002 heeft het college het door [verzoeker A] en [verzoeker B] (hierna ook: [verzoekers]) gemaakte bezwaar tegen de besluiten van 6 november 2001 en 4 januari 2002 ongegrond verklaard. Het college heeft hierbij verwezen naar het advies van de ambtelijke commissie voor de beroep- en bezwaarschriften van 30 juli 2002.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200206041/1.

Datum uitspraak: 18 juni 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank te Groningen van 27 september 2002 in het geding tussen:

[verzoeker A] en [verzoeker B], wonend te [woonplaats]

en

het college van burgemeester en wethouders van Groningen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 november 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Groningen (hierna: het college) aan [appellant B] een aanlegvergunning verleend voor het treffen van voorzieningen op gronden, aangeduid als rietlandschap, plaatselijk bekend [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 4 januari 2002 heeft het college, met toepassing van artikel 19, derde lid van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO), aan appellanten bouwvergunning verleend voor het plaatsen van een houten vlonder op het perceel.

Bij besluit van 13 augustus 2002 heeft het college het door [verzoeker A] en [verzoeker B] (hierna ook: [verzoekers]) gemaakte bezwaar tegen de besluiten van 6 november 2001 en 4 januari 2002 ongegrond verklaard. Het college heeft hierbij verwezen naar het advies van de ambtelijke commissie voor de beroep- en bezwaarschriften van 30 juli 2002.

Bij uitspraak van 27 september 2002, verzonden op 2 oktober 2002, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank te Groningen (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen door [verzoekers] ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 12 november 2002, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 24 december 2002. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 7 februari 2003 heeft [verzoekers] een memorie van antwoord ingediend. Bij brief van 12 februari 2003 heeft het college een memorie van antwoord ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 april 2003, waar appellanten in persoon, bijgestaan door mr. P. van Wijngaarden, advocaat te Groningen, en het college, vertegenwoordigd door P.J. van de Sande, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

Voorts zijn daar verschenen [verzoeker A] en [verzoeker B] in persoon, bijgestaan door mr. E.R.M. Holtz-Russel, advocaat te Groningen.

2. Overwegingen

2.1. Ter plaatse geldt het bestemmingsplan “Piccardthofplas”. Daarin heeft het perceel de bestemming “Woondoeleinden categorie II”, “de rietkavels”. Op de bij het plan behorende verkavelingskaart is de grond, waarop de vlonder is gesitueerd, nader aangegeven als “rietlandschap”.

Ingevolge artikel 6.2.3, aanhef en onder 4, van de planvoorschriften is bebouwing in het rietlandschap, nader aangegeven op de verkavelingskaart, niet toegestaan.

Ingevolge artikel 6.3, eerste lid, aanhef en onder d, van de planvoorschriften kan van dit verbod vrijstelling worden verleend voor wat betreft het bouwen van een steiger in het gebied op de verkavelingskaart aangegeven als “rietlanden”, met dien verstande dat de steiger een maximum van 3 x 1 meter niet overschrijdt.

2.2. Niet in geschil is dat het bouwplan, dat voorziet in het plaatsen van een houten vlonder van 3 x 4 meter op voornoemd perceel, in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan. Evenmin is in geschil dat, gelet op de afmetingen van de vlonder, de vrijstellingsbepalingen van het bestemmingsplan voor het onderhavige bouwplan niet van toepassing zijn.

2.3. Het hoger beroep is in de eerste plaats gericht tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat de motivering die aan de op 4 januari 2002 verleende vrijstelling en bouwvergunning ten grondslag ligt niet deugdelijk is en dat het college bij de voorbereiding van het besluit niet de nodige kennis heeft vergaard omtrent de relevante feiten en af te wegen belangen.

2.3.1. Dit betoog faalt. De voorzieningenrechter heeft terecht overwogen dat uit de bij de aanvraag overgelegde tuinschets de exacte situering van de beoogde vlonder onvoldoende blijkt, nu uit deze schets niet valt op te maken hoe ver de vlonder in het rietlandschap is geprojecteerd. Bovendien ontbreekt een bouwtekening van de vlonder. Het college beschikte dan ook over onvoldoende gegevens om de aanvraag zorgvuldig te kunnen beoordelen.

Voorts blijkt uit het besluit niet dat het college bij de belangenafweging die in het kader van de beoordeling of vrijstelling kan worden verleend diende plaats te vinden in aanmerking heeft genomen dat [verzoekers] vanaf het aangrenzende perceel zicht zal hebben op de vlonder. Dit klemt te meer omdat er van dient te worden uitgegaan dat bij de bestemmingsplanvaststelling door de raad in februari 1999 een nauwkeurige afweging met betrekking tot de gewenste situatie heeft plaatsgevonden. Het college had behoren te motiveren waarom er aanleiding is af te wijken van het recente bestemmingsplan ten behoeve van een vlonder die vier maal zo groot is als op grond van dit plan met vrijstelling ten hoogste is toegestaan en daarbij blijk dienen te geven van een zorgvuldige afweging van de belangen van [verzoekers], die zijn gelegen in een vrij uitzicht en privacy.

2.3.2. Gelet op het vorenstaande, heeft de voorzieningenrechter terecht geoordeeld dat het college bij de voorbereiding van het besluit van 13 augustus 2002, voorzover het ziet op de heroverweging van het besluit van 4 januari 2002, niet de nodige kennis heeft vergaard omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen en dat dit besluit niet berust op een deugdelijke motivering. In zoverre is het besluit in strijd met het bepaalde in artikel 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

2.4. Ten aanzien van de aanlegvergunning betogen appellanten dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat het besluit van 13 augustus 2002, waarbij het besluit van 6 november 2001 wordt gehandhaafd, in strijd is met artikel 3:2 van de Awb. Zij zijn van mening dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat de vergunningaanvraag niet alleen ziet op het ophogen van grond, maar ook op het afgraven van grond, het graven van een watergang, het aanleggen van een pad en het aanbrengen van hoogopgaande beplanting, voor welke activiteiten het college een aanlegvergunning heeft verleend. Zij verwijzen daarvoor naar de bij het aanvraagformulier gevoegde tuinschets/situatietekening, waarin voornoemde activiteiten zijn opgenomen. Voorts zijn zij van mening dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat de stedenbouwkundige met betrekking tot dit tuinplan een positief advies heeft uitgebracht, waaruit moet worden afgeleid dat het ophogingspercentage in ieder geval lager is dan 30%.

2.4.1. Ingevolge artikel 6.4, eerste lid, van de planvoorschriften is het verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het college (aanlegvergunning) op de gronden, die op de “verkavelingskaart” nader zijn aangeduid als “rietlandschap”, de volgende werken, niet zijnde bouwwerken, en werkzaamheden, niet zijnde normale onderhoudswerkzaamheden, uit te voeren:

a. het ophogen, afgraven, ontgronden en egaliseren van gronden;

b. het graven van watergangen;

c. het aanleggen of verharden van wegen en paden en het aanbrengen van oppervlakteverhardingen;

d. het aanbrengen van houtopstanden en hoogopgaande beplanting.

2.4.2. De situatietekening die behoort bij de vergunningaanvraag en het aanvraagformulier dienen gezamenlijk als de aanvraag te worden beschouwd. Blijkens deze tekening ziet de aanvraag op het ophogen van het talud tot de hoogte van de tuin, in welk gedeelte een pad naar de vlonder wordt aangelegd en twee bomen worden geplant. In het rietland wordt een vijver gegraven waarin de vlonder wordt geplaatst. In het overige deel van de tuin wordt een droge rivier gegraven. Anders dan de voorzieningenrechter heeft geoordeeld heeft het college voor de omschrijving van de aangevraagde werkzaamheden in de aanlegvergunning terecht aansluiting gezocht bij de tekening die deel uitmaakt van de aanvraag.

De voorzieningenrechter heeft evenwel terecht vastgesteld dat uit deze tekening noch uit andere stukken blijkt hoe groot het percentage van het lage rietgedeelte is dat zal worden opgehoogd. Dit is van belang omdat een ophoging van 30% van het lage rietgedeelte door de stedenbouwkundige niet in overeenstemming is geacht met de uitgangspunten van het rietlandschap. De omstandigheid dat de stedenbouwkundige met betrekking tot dit tuinplan een positief advies heeft uitgebracht is onvoldoende voor de conclusie dat het ophogingspercentage lager is dan 30. In dit advies wordt geen percentage genoemd en, bij gebreke van gegevens, valt ook niet in te zien dat de stedenbouwkundige dit percentage heeft kunnen vaststellen en in zijn advies heeft betrokken. Voorts blijkt niet dat in aanmerking is genomen dat ook het talud deel uitmaakt van het rietlandschap.

Derhalve is onvoldoende onderzocht of en in hoeverre de werkzaamheden het rietlandschap zullen aantasten en om die reden in strijd zijn met het bestemmingsplan, zodat de aanlegvergunning ingevolge artikel 44, eerste lid, onder a, van de WRO zou moeten worden geweigerd.

2.4.3. Gelet op het voorgaande heeft de voorzieningenrechter terecht geoordeeld, zij het deels op onjuiste gronden, dat het besluit van 13 augustus 2002, voorzover het ziet op een heroverweging van het besluit van 6 november 2001, in strijd is met artikel 3:2 van de Awb.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond en de aangevallen uitspraak dient, met verbetering van gronden, te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Voorzitter, en mr. M.G.J. Parkins-de Vin en mr. J.A.M. van Angeren, Leden, in tegenwoordigheid van mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Wilbers-Taselaar

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2003

17-439