Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AG1706

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-06-2003
Datum publicatie
18-06-2003
Zaaknummer
200202807/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 juli 2000, bekendgemaakt op 12 oktober 2000, heeft appellant (hierna: de gemeenteraad) ingevolge artikel 21 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) verklaard dat voor de op de bij dit besluit behorende tekening aangegeven gronden aan de Westerweg te Purmerend een herziening wordt voorbereid van het bestemmingsplan "Purmer V".

Bij besluit van 29 maart 2001 heeft de gemeenteraad besloten niet in te kunnen gaan op een deel van de daartegen door [partij] gemaakte bezwaren en de overige bezwaren van [partij] ongegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200202807/1.

Datum uitspraak: 18 juni 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de raad van de gemeente Purmerend,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank te Haarlem van 15 april 2002 in het geding tussen:

[partij], wonend te [woonplaats]

en

appellant.

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 juli 2000, bekendgemaakt op 12 oktober 2000, heeft appellant (hierna: de gemeenteraad) ingevolge artikel 21 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) verklaard dat voor de op de bij dit besluit behorende tekening aangegeven gronden aan de Westerweg te Purmerend een herziening wordt voorbereid van het bestemmingsplan "Purmer V".

Bij besluit van 29 maart 2001 heeft de gemeenteraad besloten niet in te kunnen gaan op een deel van de daartegen door [partij] gemaakte bezwaren en de overige bezwaren van [partij] ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 15 april 2002, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank te Haarlem (hierna: de rechtbank) het daartegen door [partij] ingestelde beroep gegrond verklaard en de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de gemeenteraad bij brief van 17 mei 2002, bij de Raad van State ingekomen op 27 mei 2002, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 13 juni 2002. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 31 januari 2003 heeft [partij] een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 februari 2003, waar de gemeenteraad, vertegenwoordigd door L.J.P. Rog en A. Vink, beiden ambtenaar der gemeente, en [partij], vertegenwoordigd door mr. A.R. Klijn, advocaat te Amsterdam, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het voorbereidingsbesluit is genomen teneinde de verlening van vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid juncto vierde lid, van de WRO, zoals deze bepaling sinds 3 april 2000 luidt, voor de bouw van een manege en een dubbel woonhuis met bijbehorende voorzieningen mogelijk te maken. De rechtbank heeft het besluit van 29 maart 2001, waarbij dit voorbereidingsbesluit is gehandhaafd, vernietigd op de grond dat dit een volledige en deugdelijke motivering ontbeert.

2.2. De Afdeling stelt vast dat het college van burgemeester en wethouders van Purmerend, gelet op artikel 160, eerste lid, aanhef en onder f, van de Gemeentewet, zoals deze bepaling sinds 7 maart 2002 luidt, bevoegd was namens de gemeenteraad het onderhavige hoger beroep in te stellen. De stelling van [partij] dat het college die bevoegdheid niet had op grond van het door de gemeenteraad op 29 april 1999 vastgestelde delegatie- en mandaatbesluit, behoeft daarom geen bespreking.

2.3. De omstandigheid dat nadat het voorbereidingsbesluit was genomen het ontwerp-bestemmingsplan “Manege Westerweg” in procedure is gebracht leidt, anders dan [partij] heeft betoogd, niet tot het oordeel dat de gemeenteraad zijn belang bij beantwoording van de vraag of de rechtbank terecht het door hem genomen besluit heeft vernietigd, heeft verloren.

2.4. [Partij] kan evenmin worden gevolgd in zijn betoog dat de gemeenteraad zijn procesbelang heeft verloren omdat inmiddels zou zijn besloten geen planologische medewerking meer te verlenen aan realisering van een manege ter plaatse, nu van een besluit van het gemeentebestuur van die strekking niet is gebleken.

2.5. Ingevolge artikel 21, eerste lid, van de WRO, voorzover thans van belang, kan de gemeenteraad verklaren, dat een bestemmingsplan wordt voorbereid (voorbereidingsbesluit).

Ingevolge het vierde lid van dit artikel vervalt een besluit als in het eerste lid bedoeld, indien niet binnen één jaar na de datum van inwerkingtreding daarvan het ontwerp van het plan ter inzage is gelegd.

2.6. Het voorbereidingsbesluit is op 13 oktober 2000 in werking getreden. Ter zitting is van de zijde van de gemeenteraad desgevraagd verklaard dat niet binnen één jaar na deze datum, maar eerst op 23 november 2001 een ontwerp-bestemmingsplan ter inzage is gelegd. De Afdeling ziet geen reden om aan de juistheid van deze verklaring te twijfelen. Gelet op artikel 21, vierde lid, van de WRO is het voorbereidingsbesluit derhalve op 13 oktober 2001 vervallen. Bovendien is op basis van dit voorbereidingsbesluit geen vrijstelling en bouwvergunning verleend. Gelet hierop moet worden geoordeeld dat het beroep van [partij] wegens het ontbreken van procesbelang door de rechtbank niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard.

2.7. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het door [partij] bij de rechtbank ingestelde beroep alsnog niet-ontvankelijk verklaren.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank te Haarlem van 15 april 2002, Awb 01/670;

III. verklaart het door [partij] bij de rechtbank tegen het besluit van de raad van de gemeente Purmerend van 29 maart 2001 ingestelde beroep niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. E.A. Alkema, Voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. M.G.J. Parkins-de Vin, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Roelfsema, ambtenaar van Staat.

w.g. Alkema w.g. Roelfsema

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2003

201-397