Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AG1700

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-06-2003
Datum publicatie
18-06-2003
Zaaknummer
200205562/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 april 2002, no. B 2001/501, heeft het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer een bouwvergunning voor de bouw van een deel van het zogenoemde Doorgaand Spoorviaduct (verder: het viaduct) ten behoeve van de Hogesnelheidslijn-Zuid (verder: HSL-Zuid) ter plaatse van de kruising met de nog aan te leggen Australiëweg in Zoetermeer geweigerd.

Bij besluit van 27 september 2002 hebben verweerders met gebruikmaking van hun bevoegdheid gegeven in artikel 20, zevende lid, van de Tracéwet de aangevraagde vergunning verleend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2003, 139K
Module Bouwregelgeving 2003/80
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200205562/1.

Datum uitspraak: 18 juni 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de gemeente Zoetermeer en het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer,

appellanten,

en

de Minister van Verkeer en Waterstaat en de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 april 2002, no. B 2001/501, heeft het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer een bouwvergunning voor de bouw van een deel van het zogenoemde Doorgaand Spoorviaduct (verder: het viaduct) ten behoeve van de Hogesnelheidslijn-Zuid (verder: HSL-Zuid) ter plaatse van de kruising met de nog aan te leggen Australiëweg in Zoetermeer geweigerd.

Bij besluit van 27 september 2002 hebben verweerders met gebruikmaking van hun bevoegdheid gegeven in artikel 20, zevende lid, van de Tracéwet de aangevraagde vergunning verleend.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 16 oktober 2002, bij de Raad van State ingekomen op 17 oktober 2002, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 18 november 2002.

Bij brief van 10 december 2002 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 april 2003, waar appellanten, vertegenwoordigd door mr. J.H.A.M. Scheiffers, advocaat te Rotterdam, en mr. B.A. Boelema, ambtenaar van de gemeente, en verweerders, vertegenwoordigd door mr. E.C.M. Schippers, advocaat te Den Haag, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het bestreden besluit is voorbereid overeenkomstig het bepaalde in artikel 20 van de Tracéwet.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel bevordert de Minister van Verkeer en Waterstaat een gecoördineerde voorbereiding van de besluiten op aanvragen om vergunningen en van de overige ambtshalve te nemen besluiten met het oog op de uitvoering van een tracébesluit.

Ingevolge het zevende artikellid kunnen de Minister van Verkeer en Waterstaat en de Minister wie het mede aangaat gezamenlijk een beslissing op een aanvraag om een vergunning nemen indien een bestuursorgaan dat in eerste aanleg bevoegd is te beslissen op de aanvraag niet of niet tijdig overeenkomstig de aanvraag beslist. In het laatste geval treedt hun besluit in de plaats van het besluit van het in eerste aanleg bevoegde bestuursorgaan. Indien de eerdergenoemde Ministers voornemens zijn zelf een beslissing op de aanvraag te nemen, plegen zij overleg met het bestuursorgaan dat in eerste aanleg bevoegd is op de aanvraag te beslissen.

2.2. Verweerders hebben het besluit genomen met het oog op de uitvoering van het Tracébesluit HSL-Zuid van 15 april 1998. Bij het besluit is een vergunning verleend voor de bouw van een deel van het viaduct ten behoeve van de HSL ter plaatse van de kruising met de nog aan te leggen Australiëweg in Zoetermeer.

2.3. Appellanten stellen dat de vergunning ten onrechte is verleend, omdat hierin de kolommen van het viaduct haaks ten opzichte van de rijrichting van de toekomstige Australiëweg zijn geplaatst. Zij vrezen dat de toekomstige Verlengde Australiëweg, als onderdeel van de hoofdinfrastructuur, niet op de beoogde wijze zal kunnen worden aangelegd indien geen (geringe) aanpassing van het bouwplan plaatsvindt. In dit verband menen zij dat de plaatsing van de kolommen in strijd is met redelijke eisen van welstand. Verweerders kunnen naar hun mening niet het oordeel van het college van burgemeester en wethouders hieromtrent vervangen door een eigen oordeel, te meer daar verweerders tegen de weigering tot verlenen van de bouwvergunning van 23 april 2002 waarin dat oordeel is verwoord geen bezwaar of beroep hebben ingesteld waardoor deze onherroepelijk is geworden. Verder stellen appellanten dat het besluit in strijd is met het tracébesluit omdat het afwijkt van de Inpassingsvisie die naar hun mening onderdeel uitmaakt van het tracébesluit en dat verweerders ten onrechte zijn uitgegaan van het Masterplan uit 2001. Appellanten menen verder dat er niet voldoende overleg is geweest in het kader van de toepassing van artikel 20, zevende lid, van de Tracéwet aangezien de door de gemeente aangedragen alternatieven niet serieus zijn bekeken en de Ministers tijdens het overleg niet oplossingsgericht zijn geweest.

2.4. Verweerders menen niet gebonden te zijn aan het oordeel van het college van burgemeester en wethouders. Zij hebben de bevoegdheid tot beslissen op de aanvraag overgenomen, en daarmee de bevoegdheid om te oordelen of het bouwwerk voldoet aan redelijke eisen van welstand. Daarnaast stellen verweerders dat de toekomstige hoofdverkeersontsluiting, de Verlengde Australiëweg, niet wordt gefrustreerd door de onderhavige bouwvergunning. Verweerders stellen verder dat zij driemaal bestuurlijk overleg hebben gevoerd met het college van burgemeester en wethouders. Het laatste overleg, op 19 juni 2002, is naar hun mening het overleg als bedoeld in artikel 20, zevende lid, van de Tracéwet.

2.5. De Afdeling is van oordeel dat uit de door appellanten aangehaalde wetsgeschiedenis, waaronder de Memorie van Antwoord (Eerste Kamer, 26343, nr. 173b) en de Nota naar aanleiding van het Verslag (Tweede Kamer, 26343, nr. 6), niet blijkt dat met het overleg van 19 juni 2002 niet is voldaan aan artikel 20, zevende lid, van de Tracéwet. Hiertoe overweegt de Afdeling dat, hoewel het overleg in eerste instantie is bedoeld om tot een voor beide partijen aanvaardbare oplossing te komen, het overleg niet een verplichting van verweerders inhoudt hun bouwaanvraag aan te passen overeenkomstig de wensen van het college van burgemeester en wethouders.

2.5.1. De Afdeling stelt voorts vast dat de Inpassingsvisie geen deel uitmaakt van het tracébesluit. Mogelijke strijd van het bouwwerk met deze Inpassingsvisie heeft derhalve niet tot gevolg dat het bouwwerk in strijd met het tracébesluit moet worden geacht.

2.5.2. Verder overweegt de Afdeling dat noch in artikel 20 van de Tracéwet noch in een ander wettelijk voorschrift een bepaling valt aan te wijzen dat verweerders geen gebruik meer mogen maken van de aan hen ingevolge artikel 20, zevende lid, van de Tracéwet toegekende bevoegdheid, nadat het besluit van het college van burgemeester en wethouders onherroepelijk is geworden. Immers in artikel 20, zevende lid, van de Tracéwet is bepaald dat het besluit van verweerders in de plaats treedt van het besluit van het in eerste aanleg bevoegde bestuursorgaan.

2.5.3. Voorts stellen appellanten terecht dat verweerders bij het verlenen van de bouwvergunning aan hetzelfde wettelijke stelsel zijn gebonden als het college van burgemeester en wethouders. Dit betekent dat de weigeringsgronden voor de bouwvergunning en de reikwijdte van het vergunningenstelsel bij het nemen van een beslissing door verweerders een gegeven zijn.

Dit houdt in dat de bouwvergunning ingevolge artikel 44 van de Woningwet, voorzover hier van belang, alleen mag en moet worden geweigerd indien het bouwwerk in strijd is met een bestemmingsplan of de krachtens zodanig plan gestelde eisen en/of het bouwwerk naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet voldoet aan artikel 12, eerste lid. Ingevolge artikel 12, eerste lid, mogen het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk of standplaats, zowel op zichzelf als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, tenzij bij besluit van de gemeenteraad is bepaald dat voor het gebied waarin het bouwwerk of de standplaats is of wordt gebouwd, die eisen niet van toepassing zijn.

2.5.4. Artikel 44 van de Woningwet gaat uit van het oordeel van het college van burgemeester en wethouders bij de vraag of een bouwwerk in strijd is met redelijke eisen van welstand. De zinsnede “naar het oordeel van burgemeester en wethouders” geeft slechts aan dat de verantwoordelijkheid voor de welstandstoetsing bij het college van burgemeester en wethouders rust en dat hij niet aan het welstandsadvies van de in artikel 48 van de Woningwet bedoelde welstandscommissie is gebonden. Nu verweerders de bevoegdheid overnemen te beslissen op de bouwaanvraag dient het bouwwerk naar het oordeel van de Ministers niet in strijd te zijn met redelijke eisen van welstand. Zij kunnen hierbij echter, gelijk het college van burgemeester en wethouders, niet zonder meer voorbij gaan aan het welstandsadvies als bedoeld in artikel 48 van de Woningwet.

Blijkens de stukken, waaronder de gemeentelijke welstandsadviezen van 17 juli 2001 en 6 november 2001, meent de Welstandscommissie Zoetermeer dat het bouwplan in strijd is met redelijke eisen van welstand omdat de loodrechte plaatsing van de kolommen op de as van de spoorlijn de loop van de geplande Verlengde Australiëweg frustreert.

De Afdeling is van oordeel dat de gemeentelijke welstandsadviezen op planologische overwegingen berusten die het toetsingskader van redelijke eisen van welstand te buiten gaan. In dit verband hebben verweerders terecht geen doorslaggevende betekenis toegekend aan de gemeentelijke welstandsadviezen en hebben zij kunnen uitgaan van het welstandsadvies van de Welstandscommissie HSL-Zuid. Niet is gebleken dat hierbij niet het Masterplan als uitgangspunt had mogen worden genomen.

2.5.5. Voorzover appellanten betogen dat door de wijze van de plaatsing van de kolommen van het viaduct de toekomstige verlenging van de Australiëweg en daarmee de verwezenlijking van de bestemming “Verkeersdoeleinden”, één van de bestemmingen die in het plan “Oosterheem 2000” is toegekend aan de gronden waarop de aanvraag om een bouwvergunning ziet, worden belemmerd, overweegt de Afdeling het volgende.

De Verlengde Australiëweg dient ter ontsluiting van Oosterheem. Ter zitting hebben appellanten uiteengezet dat zij voornemens zijn de weg uit te voeren conform de uitgangspunten van het Zoetermeerse hoofdwegenstelsel, dat wil zeggen in basis 2x2 rijstroken en ongelijkvloerse kruisingen met overig verkeer. In opdracht van de Projectorganisatie HSL-Zuid is door DHV Milieu en Infrastructuur B.V. verkeerskundig onderzoek verricht naar de inpassing van de Verlengde Australiëweg. Dit onderzoek heeft geresulteerd in de rapporten van 27 september 2001 en 16 oktober 2001. Uit deze rapporten blijkt, overeenkomstig de RONA richtlijnen, dat het ontwerp voor het Doorgaand Spoorviaduct geen afbreuk doet aan de functionaliteit en de veiligheid van de geplande Verlengde Australiëweg. Niet is gebleken dat de bouw van het viaduct met kolommen loodrecht op de spoorlijnrichting de aanleg van de Verlengde Australiëweg frustreert. De omstandigheid dat waarschijnlijk enige aanpassingen dienen plaats te vinden met betrekking tot de aanleg van de Verlengde Australiëweg doet aan het vorenstaande niet af.

2.6. In de bezwaren van appellanten ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders niet het bestreden besluit hebben kunnen nemen.

Het beroep van de gemeente Zoetermeer en het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer is ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. A. Kosto, Voorzitter, en mr. R.H. Lauwaars en mr. P.J.J. van Buuren, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Langeveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Kosto w.g. Langeveld

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2003

317-409