Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AG1699

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-06-2003
Datum publicatie
18-06-2003
Zaaknummer
200205952/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 februari 2002 heeft de gemeenteraad van Hoogeveen, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 18 februari 2002, het bestemmingsplan "Museumhof" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 3 september 2002, 6.1/2002003027, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200205952/1.

Datum uitspraak: 18 juni 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] en anderen, allen wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Drenthe,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 februari 2002 heeft de gemeenteraad van Hoogeveen, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 18 februari 2002, het bestemmingsplan "Museumhof" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 3 september 2002, 6.1/2002003027, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 7 november 2002, bij de Raad van State ingekomen op 8 november 2002, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 27 januari 2003.

Bij brief van 5 maart 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van het college van burgemeester en wethouders van Hoogeveen en van appellanten. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 mei 2003, waar appellanten, in de persoon van [appellant], en verweerder, vertegenwoordigd door ing. W.F.R. Feenstra, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is daar de gemeenteraad, vertegenwoordigd door H. Krikken, ambtenaar van de gemeente, gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Van de appellanten hebben slechts de [appellanten] zowel zienswijzen tegen het ontwerpplan ingebracht bij de gemeenteraad, als bedenkingen tegen het plan ingebracht bij verweerder.

De overige appellanten hebben ofwel geen zienswijze ingebracht, ofwel geen bedenkingen ingebracht ofwel noch een zienswijze noch bedenkingen ingebracht. Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, onder d, en 56, tweede lid, gelezen in samenhang met de artikelen 23, eerste lid, en 27, eerste en tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, kan beroep slechts worden ingesteld tegen het goedkeuringsbesluit van gedeputeerde staten, door degene die tegen het ontwerpplan tijdig een zienswijze bij de gemeenteraad en tegen het vastgestelde plan bedenkingen bij gedeputeerde staten heeft ingebracht. Dit is slechts anders voorzover de gemeenteraad bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen heeft aangebracht ten opzichte van het ontwerp of voorzover het besluit van gedeputeerde staten strekt tot onthouding van goedkeuring, dan wel indien een belanghebbende aantoont dat hij redelijkerwijs niet in staat is geweest een zienswijze en bedenkingen in te brengen.

Geen van deze omstandigheden doet zich hier voor. Het beroep van deze appellanten is dan ook niet-ontvankelijk.

2.2. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.3. Het plan voorziet in een bouwblok tussen de Brinkstraat en het Prins Mauritsplein in Hoogeveen. Het plan voorziet op deze plaats in woningbouw en biedt daarnaast een mogelijkheid voor dienstverlenende bedrijvigheid.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het plan goedgekeurd.

2.4. [appellanten] stellen dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan.

Appellanten kunnen zich onder meer niet verenigen met het plan omdat dit vier bouwlagen mogelijk maakt. Zij achten een maximum van drie bouwlagen meer in harmonie met de omgeving. Appellanten menen dat het plan in vergelijking met het geldende plan te ingrijpende veranderingen mogelijk maakt. Zij wijzen er hierbij op dat in het verleden een verzoek hunnerzijds een garage te kunnen bouwen op grond van het toen geldende bestemmingsplan is afgewezen omdat dit niet passend zou zijn in de omgeving. Appellanten betogen verder dat de in het plan voorziene afstand tussen het te bouwen woonblok en de bestaande woonhuizen te klein is. Daarnaast verwachten appellanten dat de bebouwing waarin het plan voorziet wateroverlast op hun percelen zal veroorzaken. Appellanten wensen garanties met betrekking tot de te treffen voorzieningen voor de afwatering van het plangebied. Appellanten zijn tevens van mening dat door het in het plan voorziene bouwblok hun woongenot zal worden aangetast. Zij vrezen aantasting van privacy, verlies van uitzicht, geluidsoverlast en parkeeroverlast en als gevolg van dit alles waardevermindering van hun woningen. Wat betreft parkeeroverlast wijzen appellanten er op dat zij in de huidige situatie al parkeerproblemen ondervinden en dat zij verwachten dat deze als gevolg van het plan zullen verergeren. Voorts zijn appellanten van mening dat het plan het Glasmuseum de mogelijkheid tot uitbreiden ontneemt. Daarnaast stellen appellanten dat verweerder er ten onrechte vanuit gaat dat het gebied waar het plan betrekking op heeft in het centrumgebied ligt. Tot slot stellen appellanten dat onvoldoende gekeken is naar alternatieven.

2.5. De gemeenteraad heeft met betrekking tot de hoogte van het bouwblok naar voren gebracht dat het plan in een lagere maximale bouwhoogte voorziet dan het vorige bestemmingsplan. Het feit dat in het verleden een verzoek van appellanten een garage te kunnen bouwen is afgewezen, acht de gemeenteraad in relatie tot het plan niet relevant.

Met betrekking tot de afstand tussen de in het plan voorziene bebouwing en de percelen van appellanten geeft de gemeenteraad aan dat deze groter is dan appellanten stellen.

De gemeenteraad wijst er wat betreft wateroverlast op dat de afwatering zal worden geregeld in het bouwplan en dat het water dat op de gronden van het plangebied valt niet naar de percelen van appellanten stroomt.

Ten aanzien van de stelling van appellanten betreffende parkeeroverlast heeft de gemeenteraad gesteld dat indien na realisering van het plan blijkt dat parkeeroverlast optreedt, het instellen van een parkeerverbod overwogen zal worden. Met betrekking tot de door appellanten gevreesde waardedaling van hun woning heeft de gemeenteraad erop gewezen dat zij indien nodig een verzoek om planschadevergoeding kunnen indienen.

2.6. Verweerder heeft het plan niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en heeft het goedgekeurd. Verweerder heeft evenals de gemeenteraad geconstateerd dat het plan minder hoge bebouwing toelaat dan het vorige bestemmingsplan. Verweerder heeft erop gewezen dat, hoewel het plan voorziet in een maximum van vier bouwlagen, de mogelijke hoogte van de bouwmassa ten opzichte van de geldende bouwmogelijkheden niet toeneemt.

Verweerder heeft de afstand zoals voorzien in het plan met het oog op het handhaven van een goed woonmilieu op het perceel van appellanten acceptabel geacht.

De stelling van appellanten betreffende wateroverlast als gevolg van regenwater acht verweerder planologisch niet relevant.

De aantasting van privacy acht verweerder niet onevenredig. Met betrekking tot verlies van uitzicht heeft verweerder erop gewezen dat geen blijvend recht op uitzicht bestaat. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de huidige parkeerproblemen van appellanten niet het gevolg zijn van het plan.

2.7. Het bouwblok heeft volgens de plankaart de bestemming "Meergezinshuizen met bijbehorende erven". Ingevolge artikel 4, eerste lid, onder b, van de planvoorschriften is het aantal mogelijke bouwlagen van het bouwwerk met genoemde bestemming vier. De maximaal toegestane bouwhoogte is 12,5 meter. Het vorige bestemmingsplan voorzag in een maximaal toegestane goothoogte van 14 meter. De Afdeling volgt appellanten niet in hun betoog dat een bouwwerk van vier bouwlagen op deze plaats uit stedenbouwkundig oogpunt niet passend is. Dat appellanten in het verleden geen toestemming is verleend een garage te bouwen doet hieraan niet af. De gemeenteraad komt de vrijheid toe zijn standpunt ten aanzien van wat planologisch passend is te wijzigen.

Aangezien ingevolge het vorige bestemmingsplan op de desbetreffende plaats een hogere maximale bouwhoogte mogelijk was, is de Afdeling voorts van oordeel dat het plan geen bouwwerken mogelijk maakt die in vergelijking met dat bestemmingsplan tot een slechtere situatie zullen leiden.

De afstand tussen de bebouwingsgrens van de woningen aan de Brinkstraat en de bebouwingsgrens van het plandeel met de bestemming "Meergezinshuizen met bijbehorende erven" bedraagt blijkens de plankaart 34 meter. Daarnaast zijn volgens het plan bij deze bestemming bijgebouwen in één laag toegestaan tot aan de perceelgrens van de woningen aan de Brinkstraat. De Afdeling is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vermindering van het woongenot van omwonenden in de vorm van aantasting van privacy en het verlies van uitzicht, gezien de afstand tussen de voorziene bebouwing en de omliggende woningen, beperkt zal zijn.

De Afdeling is voorts van oordeel dat de vraag in hoeverre de door appellanten gewenste maatregelen ter voorkoming van wateroverlast als gevolg van veranderingen in de afwatering van de te bebouwen percelen getroffen zullen moeten worden in deze procedure niet aan de orde kan komen, aangezien deze kwestie geen betrekking heeft op het plan. Genoemde kwestie heeft betrekking op de vraag hoe het plan feitelijk moet worden uitgevoerd en die vraag kan in deze procedure niet aan de orde komen.

Appellanten hebben daarnaast naar het oordeel van de Afdeling niet aannemelijk gemaakt dat in en rond het plangebied onvoldoende parkeergelegenheid zal zijn bij verwezenlijking van het plan.

Wat betreft de door appellanten gevreesde geluidsoverlast acht de Afdeling niet aannemelijk dat de in het plan voorziene mogelijkheden een substantiële toename van geluidshinder met zich zullen brengen.

Wat de eventuele nadelige invloed van het plan op de waarde van de woningen van appellanten betreft, bestaat geen grond voor het oordeel dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat verweerder hieraan in redelijkheid een doorslaggevend gewicht had moeten toekennen.

Uit hetgeen door appellanten in beroep is aangevoerd blijkt niet dat concrete plannen tot uitbreiding van het Glasmuseum bestaan. Nu van concrete plannen geen sprake is, heeft verweerder geen reden hoeven zien bij de beoordeling van het plan rekening te houden met toekomstige uitbreidingsmogelijkheden van het museum.

Voor zover appellanten in beroep aanvoeren dat onvoldoende is gekeken naar alternatieven is de Afdeling van oordeel dat dit op zichzelf geen grond vormt voor het onthouden van goedkeuring aan het bestemmingsplan. Het karakter van de besluitvorming omtrent de goedkeuring brengt mee dat alternatieven daarbij in beginsel eerst aan de orde behoeven te komen indien blijkt van ernstige bezwaren tegen het voorgestane gebruik waarop het plan ziet. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze situatie zich in dit geval niet voordoet.

De stelling van appellanten dat het plangebied geen centrumgebied is, doet aan het vorenstaande niet af.

2.8. Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

Het beroep is ongegrond.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep voor zover ingesteld door anderen dan de [appellanten] niet-ontvankelijk;

II. verklaart het beroep van de [appellanten] ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. B. Klein Nulent, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren w.g. Klein Nulent

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2003

218-448