Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AG1695

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-06-2003
Datum publicatie
18-06-2003
Zaaknummer
200206136/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 februari 2002 heeft de gemeenteraad van Wageningen, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 29 januari 2002, vastgesteld het bestemmingsplan "Landelijk Gebied Noord en West, herziening WVG-gronden".

Verweerder heeft bij zijn besluit van 17 september 2002, kenmerk RE2002.20684, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200206136/1.

Datum uitspraak: 18 juni 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de stichting "Stichting Wagenings Milieu Overleg", gevestigd te Wageningen,

appellante,

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 februari 2002 heeft de gemeenteraad van Wageningen, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 29 januari 2002, vastgesteld het bestemmingsplan "Landelijk Gebied Noord en West, herziening WVG-gronden".

Verweerder heeft bij zijn besluit van 17 september 2002, kenmerk RE2002.20684, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 18 november 2002, bij de Raad van State ingekomen op 19 november 2002, beroep ingesteld.

Bij brief van 11 maart 2003 heeft verweerder meegedeeld dat het beroepschrift geen aanleiding geeft tot het maken van opmerkingen.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 juni 2003, waar appellante, vertegenwoordigd door [gemachtigden], en verweerder, vertegenwoordigd door mr. E.T. de Jong, advocaat te Arnhem, zijn verschenen. Voorts is gehoord de gemeenteraad van Wageningen, vertegenwoordigd door N.J. Stoop, ambtenaar van de gemeente.

2. Overwegingen

2.1. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (verder: WRO) in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

2.2. Het plan voorziet in de herziening van de bestemming van twee percelen in het kader van de Wet voorkeursrecht gemeenten (verder: Wvg).

Verweerder heeft bij het bestreden besluit het plan goedgekeurd.

2.3. Appellante is van mening dat verweerder ten onrechte het plan, waarin twee percelen de bestemming “Bedrijfsdoeleinden” krijgen, heeft goedgekeurd.

Appellante stelt dat niet is getoetst aan het streekplan, dat aangeeft dat de karakteristieke waardevolle openheid van het plangebied zoveel mogelijk behouden moet blijven.

Daarnaast meent appellante dat onvoldoende gemotiveerd aan haar bedenkingen is voorbijgegaan. De negatieve effecten op cultuurhistorische en aardwetenschappelijke waarden, de mogelijke effecten op het voortbestaan van de kamsalamander en het WERV-convenant hebben in de overwegingen van verweerder geen aandacht gekregen.

Voorts voert appellante aan dat een vastgesteld structuurplan als grondslag voor het plan moet dienen.

Tenslotte stelt appellante dat de in het plan opgenomen bevoegdheid om de bestemming van delen van het plan te wijzigen in de bestemming “Agrarische doeleinden”, te vrijblijvend is geformuleerd.

2.4. De gemeenteraad wil de gronden van het plangebied gebruiken bij de uitbreiding van het bedrijventerrein Nudepark. Hij is van mening dat de in het plan opgenomen bestemming noodzakelijk is om de aanwijzing in het kader van de Wvg te kunnen bestendigen.

2.5. Verweerder heeft in zijn bestreden besluit overwogen dat het plan slechts is vastgesteld om toepassing te geven aan de Wvg en heeft geen reden gezien aan het plan goedkeuring te onthouden.

Verweerder deelt met appellante het standpunt dat het streekplan bij uitbreiding van stedelijke activiteiten een zorgvuldige afweging van belangen en terughoudend beleid voorstaat. Het zal volgens verweerder bij de toetsing van het bestemmingsplan “Bedrijventerrein Nudepark”, waarin het plangebied uiteindelijk zal worden opgenomen, een rol spelen.

2.6. De Afdeling is allereerst van oordeel dat de stelling van appellante dat een structuurplan aan het plan ten grondslag moet liggen, geen steun vindt in de WRO of een andere wettelijke bepaling.

Ingevolge artikel 6 van de planvoorschriften is het college van burgemeester en wethouders bevoegd delen van het plan te wijzigen in de bestemming “Agrarische doeleinden”, indien blijkt dat deze gronden niet benodigd zijn voor het bestemmingsplan “Bedrijventerrein Nudepark”.

Naar haar aard kan een wijzigingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 11 van de WRO, anders dan appellante betoogt, geen plicht tot wijzigen voor het college van burgemeester en wethouders inhouden.

De Afdeling stelt echter vast dat verweerder ter motivering van de goedkeuring die hij heeft verleend aan het plan en ter weerlegging van de bedenkingen van appellante heeft volstaan met de verwijzing naar de nog uit te voeren toetsing van een ander nog vast te stellen bestemmingsplan. In het bestreden besluit is verweerder ten onrechte niet ingegaan op de planologische aanvaardbaarheid van het plan.

Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat verweerder het bestreden besluit heeft genomen in strijd met de hierbij te betrachten zorgvuldigheid.

Het beroep van appellante is gegrond, zodat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht dient te worden vernietigd.

2.7. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Gelderland van 17 september 2002, kenmerk RE2002.20684;

III. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Gelderland in de door appellante in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 46,97; het bedrag dient door de provincie Gelderland te worden betaald aan appellante;

IV. gelast dat de provincie Gelderland aan appellante het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 218,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. B. Klein Nulent, ambtenaar van Staat.

w.g. Hoekstra w.g. Klein Nulent

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2003

218-447