Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AG1658

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-06-2003
Datum publicatie
18-06-2003
Zaaknummer
200300461/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluiten van 27 juli, 8 augustus en 11 augustus 2000 heeft de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu (hierna: de Staatssecretaris) de aan appellant verstrekte huursubsidie voor het bewonen van het Skagerrak 223 te Delfzijl over de subsidietijdvakken in de perioden van 1 juli 1995 tot 1 juli 2000 herzien, de over deze tijdvakken teveel betaalde huursubsidie van hem teruggevorderd en hem een boete opgelegd ter hoogte van ƒ 2500,00 (€ 1134,45).

Bij besluit van 20 november 2001 heeft de Staatssecretaris het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200300461/1.

Datum uitspraak: 18 juni 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te Groningen van 11 december 2002 in het geding tussen:

appellant

en

de Staatssecretaris (thans de Minister) van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu.

1. Procesverloop

Bij besluiten van 27 juli, 8 augustus en 11 augustus 2000 heeft de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu (hierna: de Staatssecretaris) de aan appellant verstrekte huursubsidie voor het bewonen van het Skagerrak 223 te Delfzijl over de subsidietijdvakken in de perioden van 1 juli 1995 tot 1 juli 2000 herzien, de over deze tijdvakken teveel betaalde huursubsidie van hem teruggevorderd en hem een boete opgelegd ter hoogte van ƒ 2500,00 (€ 1134,45).

Bij besluit van 20 november 2001 heeft de Staatssecretaris het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 11 december 2002, verzonden op 12 december 2002, heeft de rechtbank te Groningen (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 januari 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 21 februari 2003 heeft de Minister van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 mei 2003, waar de Minister, vertegenwoordigd door mr. R.F. Thunnissen, advocaat te Den Haag, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Op goede gronden is de rechtbank tot het juiste oordeel gekomen dat appellant en [partij] over de subsidietijdvakken in de perioden van 1 juli 1995 tot 1 juli 1997 duurzaam samenwoonden in de zin van de Wet individuele huursubsidie (hierna: de Wih) en dat in de perioden van 1 juli 1997 tot 1 juli 2000 sprake was van medebewoning in de zin van de Huursubsidiewet (hierna: de Hsw), dat appellant omtrent zijn woonsituatie met [partij] geen juiste inlichtingen aan de Staatssecretaris heeft verstrekt en dat, zo hij dit wel zou hebben gedaan, de te verlenen huursubsidie, gelet op het gezamenlijk inkomen, onderscheidenlijk rekeninkomen, op nihil zou zijn gesteld. Voorts heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat de Staatssecretaris de huursubsidie aan appellant mocht herzien, deze nader mocht vaststellen op nihil en het aan appellant teveel betaalde van hem mocht terugvorderen. De rechtbank heeft voorts terecht geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat de krachtens artikel 29a, eerste lid van de Wih, onderscheidenlijk artikel 36, vierde lid, van de Hsw, door de Staatssecretaris opgelegde boete de rechterlijke toetsing niet kan doorstaan.

Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, behelst grotendeels een herhaling van het bij de rechtbank aangevoerde en leidt ook overigens niet tot een ander oordeel.

2.2. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Groenendijk

Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2003

164-408