Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2003:AF9866

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-06-2003
Datum publicatie
11-06-2003
Zaaknummer
200202054/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2003/4429
Milieurecht Totaal 2003/4642
JM 2003/128 met annotatie van Zigenhorn
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200202054/1.

Datum uitspraak: 11 juni 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] gevestigd te [plaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Limburg,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 november 2001, kenmerk 01/39587, voorzover thans van belang, heeft verweerder de door appellante op 28 augustus 2001 gedane melding als bedoeld in artikel 8.19, tweede lid, van de Wet milieubeheer niet geaccepteerd, wat betreft het verplaatsen van de dieseltank en de opslag van goederen op het achterterrein van de inrichting van appellante, gelegen op het perceel [locatie] te [plaats].

Bij besluit van 5 maart 2002, kenmerk 01/39587, verzonden op 6 maart 2002, voorzover hier van belang, heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 11 april 2002, bij de Raad van State ingekomen op 12 april 2002, beroep ingesteld.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 februari 2003, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. H.B.J. Reijnders, advocaat te Weert, en [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door drs. J.H.M.M. de Jongh, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Appellante betoogt dat het bestreden besluit zeer onzorgvuldig is voorbereid. Zij voert daartoe aan dat in de kennisgeving van het besluit van verweerder van 14 maart 2002, gedateerd 19 maart 2002, staat dat de melding wordt geaccepteerd voor punt 2, hetgeen volgens appellante impliceert dat de melding alleen niet is geaccepteerd voor het verplaatsen van de dieseltank. Dit strookt haars inziens niet met het bestreden besluit van 5 maart 2002 waarin haar bezwaren met betrekking tot het niet accepteren van de melding wat betreft het verplaatsen van de dieseltank én de opslag van goederen op het achterterrein van de inrichting ongegrond zijn verklaard en ook niet met het besluit van 14 maart 2002 zelve, dat naar haar mening impliceert dat de melding evenmin is geaccepteerd voor deze twee activiteiten.

Daargelaten of voornoemde kennisgeving, zoals appellante stelt, impliceert dat de melding alleen niet is geaccepteerd voor het verplaatsen van de dieseltank, overweegt de Afdeling dat deze kennisgeving dateert van na het bestreden besluit en niet kan leiden tot het oordeel dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid. De desbetreffende beroepsgrond treft geen doel.

2.2. Appellante stelt dat het niet duidelijk is of het Besluit opslag- en transportbedrijven milieubeheer (hierna: het Besluit) op deze inrichting van toepassing is. Hiertoe voert zij aan dat verweerder betoogt dat binnen de inrichting meer dan 35 m3 van buiten de inrichting afkomstige afvalstoffen aanwezig kunnen zijn, terwijl hij niet aangeeft welke afvalstoffen dit zijn en bovendien wordt gesproken van “kunnen”.

2.2.1. Ter zitting heeft verweerder gesteld dat bij besluit van 16 juni 1998 een revisievergunning is verleend voor onder andere het opslaan van meer dan 35 m3 van buiten de inrichting afkomstige afvalstoffen, zodat het Besluit niet op deze inrichting van toepassing is.

2.2.2. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Besluit is dit Besluit van toepassing op een inrichting die uitsluitend of in hoofdzaak bestemd is voor:

a. het opslaan, overslaan en transporteren over de weg, van goederen of producten, of

b. het parkeren, stallen of verhuren van voor het vervoer van mensen of goederen over de weg bestemde motorvoertuigen, gelede motorvoertuigen, aanhangwagens of caravans.

Ingevolge artikel 2, tweede lid, van het Besluit is dit Besluit eveneens van toepassing op inrichtingen die uitsluitend of in hoofdzaak bestemd zijn voor een samenstel van bedrijvigheden als bedoeld in het eerste lid, onder a en b.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder d, van het Besluit is dit Besluit niet van toepassing op een inrichting als bedoeld in artikel 2, indien in de inrichting afvalstoffen worden op- of overgeslagen die van buiten de inrichting afkomstig zijn, voorzover de inrichting beschikt over een opslagcapaciteit:

1°. van meer dan 35 m3 voor de opslag van afvalstoffen,

2°. voor de opslag van gevaarlijke afvalstoffen, of

3°. van meer dan 1.000 m3 per jaar voor de overslag van afvalstoffen.

2.2.3. Blijkens de aanvraag voor het besluit van 16 juni 1998 is destijds onder andere een revisievergunning gevraagd voor het opslaan van meer dan 50 m3 van buiten de inrichting afkomstige bedrijfsafvalstoffen. Bij het besluit van 16 juni 1998 is een revisievergunning verleend voor de in de aanvraag om revisievergunning beschreven activiteiten. Niet is gebleken dat in de huidige feitelijke representatieve bedrijfssituatie niet meer dan 35 m3 van buiten de inrichting afkomstige afvalstoffen worden opgeslagen. Gelet hierop is het Besluit ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder d, hiervan niet van toepassing op onderhavige inrichting. De desbetreffende beroepsgrond treft geen doel.

2.3. Ingevolge artikel 8.19, tweede lid, van de Wet milieubeheer geldt een voor een inrichting verleende vergunning tevens voor veranderingen van de inrichting of van de werking daarvan die niet in overeenstemming zijn met de voor de inrichting verleende vergunning of de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften, maar die niet leiden tot andere of grotere nadelige gevolgen voor het milieu dan die de inrichting ingevolge de vergunning en de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften mag veroorzaken, onder de voorwaarde dat:

a. deze veranderingen niet leiden tot een andere inrichting dan waarvoor vergunning is verleend;

b. het voornemen tot het uitvoeren van de verandering door de vergunninghouder schriftelijk overeenkomstig de krachtens het zevende lid, onder a, gestelde regels aan het bevoegd gezag is gemeld, en

c. het bevoegd gezag aan de vergunninghouder schriftelijk heeft verklaard dat de voorgenomen verandering voldoet aan de aanhef en onderdeel a en de verandering naar zijn oordeel geen aanleiding geeft tot toepassing van de artikelen 8.22, 8.23 of 8.25 van deze wet.

2.4. Appellante stelt dat in de aanvulling op de melding op afdoende wijze is aangegeven welke goederen op het achterterrein van de inrichting worden opgeslagen en dat verweerder derhalve ten onrechte de melding niet heeft geaccepteerd. Verder voert appellante aan dat de melding ten onrechte niet is geaccepteerd voor het verplaatsen van de dieseltank. Haars inziens is het bestreden besluit dan ook onzorgvuldig voorbereid, ontbeert het een deugdelijke motivering en had verweerder bij afweging van alle belangen niet in redelijkheid tot het bestreden besluit kunnen komen.

2.4.1. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de melding meebrengt dat op het achterterrein van de inrichting mede milieugevaarlijke stoffen kunnen worden opgeslagen, waarvoor nadere voorschriften aan de vergunning moeten worden verbonden. De dieseltank is nimmer vergund, zodat hiervoor aan de onderliggende vergunning geen voorschriften zijn verbonden. Nu aan een melding geen voorschriften kunnen worden verbonden is de melding volgens verweerder terecht niet geaccepteerd.

2.4.2. Gelet op de brief van 21 september 2001, waarbij appellante aan verweerder aanvullende informatie met betrekking tot de melding heeft verstrekt, kunnen – hetgeen ter zitting is bevestigd – volgens de melding mede milieugevaarlijke of bodembedreigende stoffen in vrachtwagens dan wel opleggers worden overgeslagen op het achterterrein van de inrichting. Noch voor het overslaan van deze goederen noch voor het verplaatsen van de dieseltank is in de melding dan wel de aanvulling hierop aangegeven dat de bodembeschermende maatregelen zullen worden getroffen die ingevolge de voorschriften die zijn verbonden aan de vergunning van 16 juni 1998 moeten worden getroffen op terreingedeelten waarop activiteiten plaatsvinden die risico voor milieuverontreiniging opleveren. Hierdoor zou appellante, in afwijking van deze voorschriften, niet gehouden zijn voor deze activiteiten bodembeschermende maatregelen te treffen. Naar het oordeel van de Afdeling leiden de gemelde veranderingen dan ook tot grotere nadelige gevolgen voor het milieu dan de inrichting ingevolge de vergunning en de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften mag veroorzaken. Ook overigens is niet aannemelijk geworden dat de gemelde veranderingen geen relevante nadelige gevolgen hebben voor het milieu anders of meer dan die welke worden veroorzaakt door de (werking van de) inrichting, zoals deze is vergund. Gelet hierop heeft verweerder de melding inzake het verplaatsen van de dieseltank en het opslaan van goederen op het achterterrein terecht niet geaccepteerd. De desbetreffende beroepsgrond treft geen doel.

2.5. Gelet op het bovenstaande is het beroep ongegrond.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. E.M.H. Hirsch Ballin, Voorzitter, en mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens en mr. Ch.W. Mouton, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Kuipers, ambtenaar van Staat.

w.g. Hirsch Ballin w.g. Kuipers

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2003

271-372.